HR, 15-04-2011, nr. 10/02000
ECLI:NL:HR:2011:BP4674
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
15-04-2011
- Zaaknummer
10/02000
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BP4674
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Burgerlijk procesrecht / Cassatie
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP4674, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 15‑04‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4674
ECLI:NL:PHR:2011:BP4674, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑02‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4674
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑05‑2010
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑04‑2011
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Voorwaardelijk ingesteld cassatieberoep onverenigbaar met goede procesorde
15 april 2011
Eerste Kamer
10/02000
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te Roosendaal,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoekster tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak R 08/578 van de rechtbank Breda van 15 december 2009,
b. het arrest in de zaak HV 200.051.968/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 mei 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot het niet inhoudelijk behandelen van het cassatieberoep, nu de voorwaarde waaronder het cassatie-beroep is ingesteld niet in vervulling is gegaan.
3. Beoordeling van het cassatieberoep
3.1 Het cassatieberoep is volgens het verzoekschrift in cassatie (onder 2) voorwaardelijk ingesteld. Als toelichting wordt daarbij (onder 3) vermeld dat het proces-verbaal van de behandeling bij het hof niet beschikbaar is "zodat volstrekt onbekend is of na te melden middelonderdeel wel feitelijke grondslag heeft". Verzoekster heeft de mogelijkheid voorbehouden haar verzoekschrift na ontvangst van het proces-verbaal aan te vullen of te wijzigen. Van die mogelijkheid heeft zij, zonder verdere toelichting, geen gebruik gemaakt. De Hoge Raad beschouwt het aldus voorwaardelijk instellen van
het cassatieberoep onverenigbaar met een behoorlijke procesorde in cassatie. Aan de gestelde doch ontoelaatbare voorwaarde van het cassatieberoep wordt voorbijgegaan.
3.2 Het middel - voor zover dat al voldoet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen - kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 april 2011.
Conclusie 04‑02‑2011
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1
Bij vonnis d.d. 28 oktober 2008 heeft de rechtbank verzoekster tot cassatie tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegelaten. Die regeling heeft de rechtbank bij vonnis d.d. 15 december 2009 voortijdig beëindigd op de gronden dat verzoekster tot cassatie haar inlichtingenplicht niet is nagekomen en zij bovendien nieuwe schulden heeft doen ontstaan. Bij arrest d.d. 10 mei 2010 heeft het hof te 's‑Hertogenbosch dit laatste vonnis bekrachtigd. Van dit arrest is verzoekster tot cassatie in cassatie gekomen met een op 18 mei ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift.
2. Beoordeling van het cassatieberoep
2.1
Blijkens het onder 2 van het verzoekschrift gestelde is het cassatieberoep voorwaardelijk ingesteld. Het verzoekschrift geeft geen aanleiding de voorwaarde anders te verstaan dan dat het beroep geacht moet worden niet te zijn ingesteld, indien de opgevoerde voorwaarde voor niet vervuld moet worden gehouden.
2.2
De voorwaarde bestaat blijkens hetgeen onder 3 van het verzoekschrift wordt opgemerkt, hieruit dat uit het ten tijde van het indienen van het verzoekschrift nog niet beschikbare proces-verbaal van de hoorzitting bij het hof dient te blijken van de feitelijke grondslag, waarvan bij het aangedragen cassatiemiddel wordt uitgegaan. Om welke feiten het gaat, wordt overigens niet nader uit de doeken gedaan. Er bestaat op dit punt onduidelijkheid. Onder 5 van het verzoekschrift wordt het recht voorbehouden om het verzoekschrift aan te vullen of te wijzigen, indien het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft.
2.3
Het proces-verbaal is beschikbaar gekomen en bevindt zich in het door verzoekster tot cassatie ingediende procesdossier. Er is van de zijde van verzoekster tot cassatie niet een nadere uitlating gedaan naar aanleiding van het proces-verbaal. Er is dus niet nader aangegeven of dan wel in hoeverre volgens verzoekster tot cassatie de voorwaarde waaronder het cassatieberoep is ingesteld, voor vervuld kan worden gehouden en dus het voorgedragen cassatiemiddel voor behandeling in aanmerking komt. Dit had in redelijkheid van (de raadsman van) verzoekster tot cassatie mogen worden verwacht. Dit reeds omdat het al in het algemeen aan degene, die van een uitspraak van de feitelijke rechter in cassatie wil komen, is om te bepalen in welke mate hij die uitspraak in cassatie wil aanvechten. Daar komt in casu nog bij dat het recht was voorbehouden om het verzoekschrift in cassatie aan te vullen of te wijzigen na het beschikbaar komen van het proces-verbaal van de hoorzitting bij het hof en juist in het niet beschikbaar zijn van dat proces-verbaal ten tijde van het indienen van het verzoekschrift aanleiding was gevonden om aan het instellen van het beroep een voorwaarde te verbinden, waarvan de reikwijdte vanwege het ontbreken van het proces-verbaal niet exact was aan te geven.
2.4
Onder voormelde omstandigheden moet de voorwaarde waaronder het cassatieberoep is ingesteld, voor niet vervuld worden gehouden, zodat het cassatieberoep opgevat moet worden als niet te zijn ingesteld.
3. Conclusie
Geconcludeerd wordt tot het niet inhoudelijk behandelen van het cassatieberoep, nu de voorwaarde waaronder het cassatieberoep is ingesteld niet in vervulling is gegaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Beroepschrift 18‑05‑2010
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], ten deze de verzoekster tot cassatie, die voor deze zaak domicilie heeft gekozen te 2517 AC 's‑Gravenhage aan de Laan van Meerdervoort nr. 33 ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P. Garretsen, die zich als zodanig stelt en die dit verzoekschrift tot cassatie ondertekent en indient.
1.
Partij [verzoekster] kan zich niet verenigen met het arrest d.d 10 mei 2010 door de sector civiel recht van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch onder zaaknummer HV 200.051.968/01 te harer aanzien gewezen. Bij dat arrest bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank Breda van 15 december 2009 waarbij die rechtbank kwam tot tussentijdse beëindiging van de wsnp, tot welke wsnp [verzoekster] bij vonnis van die rechtbank van 28 oktober 2008 definitief was toegelaten, met benoeming van mr. H.H. de Kroon-Biewenga tot rechter-commissaris en van dhr. A. Verkerk, verbonden aan Verkerk & Vos Bewindvoeringen, postbus 6 te 2957 ZG Nieuw-Lekkerland tot bewindvoerder.
2.
[verzoekster] stelt hierbij voorwaardelijk beroep in cassatie in tegen dat arrest, en draagt na te melden middel van cassatie voor.
3.
Die voorwaardelijkheid is daarin gelegen, dat de cassatietermijn slechts 8 dagen is, twee dagen daarin hier, voor wat betreft deze zaak al als een extra vrije (werk-)dag golden, het proces-verbaal van de hof-zitting dus nog niet beschikbaar is, zodat volstrekt onbekend is of na te melden middelonderdeel wel feitelijke grondslag heeft. Het belang bij [verzoekster] bij instandhouding van de wsnp rechtvaardigt in ieder geval dat het rechtsmiddel ten minste tijdig is c.q. wordt aangewend. Indien het middelonderdeel (voldoende) feitelijke grondslag heeft, ligt vernietiging van het hof-arrest in de rede, hetgeen een extra (zelfstandig) belang met zich meebrengt voor het (tijdig) instellen van beroep in cassatie.
4.
[verzoekster] meent dat het hof het recht heeft geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften verzuimd door te overwegen en te beslissen als in dit arrest is weergegeven en verwoord (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband en samenhang dient te worden gelezen en beschouwd).
4.1.
Het gaat hier om de rov.n 2.2, 3.5.1, 3.6.1 en 3.6.2 in dit arrest, in samenhang met rov. 3.7 en de vervolgens gegeven uitspraak onder 4 in dit arrest. Gemeend wordt dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, waartoe na te melden uitwerkingen en toelichting.
4.2.
Ter zitting van het hof waren aanwezig de advocaat van [verzoekster] en de partner van [verzoekster]. Laatstgenoemde is ongehuwd samenwonend met [verzoekster]; op basis van die status weigerde het hof hem toe te laten tot de ondersteuning van de advocaat door middel van het feitelijk toelichten of verduidelijken van de stukken c.q. de betreffende informatie. Als eerste klacht wordt derhalve opgeworpen dat het hof art. 6 EVRM heeft geschonden door die partner (dhr. [partner]) niet in rov. 2.2 als mede ter zitting verschenen persoon te duiden en gelet op rov. 3.5.1 niet toe te staan of toe te laten dat die partner namens [verzoekster] het woord voerde en/of inlichtingen verstrekte.
4.3.
In rov. 3.6.1. ontbreekt ook deze toetsingsvoorwaarde of betrokkene van het ontstaan of het voortbestaan van die situatie een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt. Het hof betrekt niet kenbaar dit element in zijn arrest, terwijl toch een opname in het PAAZ (rov. 3.5.1 hof-arrest) in samenhang met de in het beroepschrift reeds gestelde psychische problematiek duiden op haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden die — verplicht — in het kader van een tussentijdse beëindiging van de wsnp mede dienen te worden beoordeeld.
4.4.
Voor wat betreft rov. 3.5.1 heeft dan voorts te gelden dat jegens VGZ wèl een betalingsregeling is getroffen (die ook wordt nagekomen), met Aramis een betalingsregeling is getroffen (die evenzeer wordt nagekomen en waarvan de inlossing ook ter zitting is geduid), en dat jegens Essent evenzeer sprake is van een betalingsregeling, waartoe daadwerkelijke (maandelijkse) inlossingen plaats hebben. Uit het proces-verbaal van de Hof-zitting moet blijken wat er is gevraagd en welke de gegeven antwoorden zijn geweest. Zou het hof (aanstonds) die partner hebben gehoord, dan hadden mogelijk deze misverstanden reeds ter zitting kunnen worden opgehelderd, nu toch zijdens [verzoekster] die reeds getroffen betalingsregelingen al zijn geduid in het beroepschrift onder sub 12/13, alwaar ook nog eens de (bijzondere) positie van dhr. [partner] is geduid. Als bijlage 3.13 bij het beroepschrift is bovendien overgelegd een bankafschrift, waaruit die deel-betalingen blijken.
4.5.
Het hof heeft voorts niet onderkend, dat [verzoekster] op grond van haar persoonlijke situatie (die immers tussentijds is gewijzigd (zie het beroepschrift, sub 5 en 6 aldaar) in aanmerking komt voor belastingteruggaaf, zodat er niet alleen gelden vrijkomen ter delging van de boedelachterstand, maar ook er een herberekening dient te volgen van die boedelachterstand, nu deze gelet op die persoonlijke situatie van [verzoekster] tot een te hoog bedrag is berekend.
4.6.
Voorts nu van de zijde van [verzoekster] is aangegeven (beroepschrift sub 14) dat beschermingsbewind is aangevraagd, diende het hof te onderkennen dat daarmee de situatie zich voordoet dat [verzoekster] (orde-)maatregelen heeft getroffen ter beheersing van haar schulden-positie. (Ook) in dit verband verdient de reeds aanwezige begeleiding vanuit de levenspartner evenzeer vermelding en erkenning.
4.7.
Mede gelet op de reeds getroffen betalingsregelingen zijn rov. 3.6.1 en 3.6.2 dan ook niet-concludent. De verdere doorwerking regardeert rov. 3.7 en de vervolgens gedane uitspraak. Nu het hof niet meer of andere afwijzigingsgronden aan zijn oordeel te grondslag heeft gelegd, kan zijn uitspraak niet in stand blijven.
5.
Per de datum van indiening van dit verzoekschrift tot cassatie werd niet beschikt over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hoger beroep, zodat nadrukkelijk het recht wordt voorbehouden dit verzoekschrift tot cassatie aan te vullen of te wijzigen indien de kennisneming van de inhoud van dat proces-verbaal hiertoe noopt.
WESHALVE [verzoekster] zich wendt tot uw Hoge Raad der Nederlanden met het eerbiedig verzoek gemeld hof-arrest d.d. 10 mei 2010 te harer aanzien gewezen, te willen vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen behoren, kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 18 mei 2010.
Advocaat.