NJB 2025/1856
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Bereidheid zich te doen horen. Hoge Raad: Niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene langs andere weg bekend was met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Bij die stand van zaken kon de rechtbank niet vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
HR 20-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:972
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 juni 2025
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broe
- Zaaknummer
24/04664
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:972, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:392, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑03‑2025
- Wetingang
Essentie
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Bereidheid zich te doen horen. Hoge Raad: Niet blijkt dat de rechtbank heeft onderzocht of betrokkene behoorlijk was opgeroepen. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene langs andere weg bekend was met de plaats en het tijdstip van de mondelinge behandeling. Bij die stand van zaken kon de rechtbank niet vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Partij(en)
Betrokkene, adv. mr. D. Rijpma, vs. de officier van justitie, niet verschenen.
Uitspraak
Procesverloop
In dit geding heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging. Op de mondelinge behandeling is betrokkene ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.