Zie HR 23 januari 2009 nr. 43299 LJN: BD4446 met commentaar van Oenema in FED 2009/28.
HR, 14-08-2015, nr. 14/02490
14/02490
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-08-2015
- Zaaknummer
14/02490
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:2164, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑08‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:2614, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑08‑2015
- Vindplaatsen
Belastingadvies 2015/18.2
FED 2015/84 met annotatie van F. Belhaj
NTFR 2015/2286 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
NTFR 2016/186
FutD 2015-2015
Viditax (FutD) 2015081403
Uitspraak 14‑08‑2015
Inhoudsindicatie
Art. 16, lid 4, AWR. Ook de twaalfjaarstermijn wordt verlengd met het voor het doen van aangifte verleende uitstel.
Partij(en)
14 augustus 2015
nr. 14/02490
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 maart 2014, nrs. 13/00001 en 13/00002, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 11/3507 en 11/3583) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1997 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de over het jaar 1998 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (hierna: VB) en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 1997 en VB 1998.
2.1.2.
Belanghebbende heeft een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ingezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn aan de Inspecteur toegezonden bij een brief van 20 november 2009.
2.1.3.
Met dagtekening 31 december 2009 zijn de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en VB 1998 opgelegd. Belanghebbende is uiterlijk 4 maart 2010 met deze navorderingsaanslagen bekend geraakt.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de in artikel 16, lid 4, AWR vermelde termijn van twaalf jaar, evenals de termijn van vijf jaar in het derde lid, wordt verlengd met de duur van het voor het doen van aangifte verleende uitstel. Tegen dit oordeel keert zich het eerste middel.
2.2.2.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het op grond van de verklaring van belanghebbendes belastingadviseur, de uitdraai uit het automatiseringssysteem van de Belastingdienst en de datum van indiening van het aangiftebiljet duidelijk kenbaar was dat uitstel was verzocht en verleend. Uitgaande van dit verleende uitstel (elf maanden) zijn de navorderingsaanslagen tijdig vastgesteld. Tegen dit oordeel richt zich het tweede middel.
2.3.
Blijkens het vierde lid van artikel 16 AWR vervalt de bevoegdheid tot navorderen in het daar vermelde geval door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, "in afwijking in zoverre van het derde lid". Deze afwijking ziet blijkens haar tekst op, en blijft daarom beperkt tot, de eerste volzin van het derde lid. Het vierde lid bevat derhalve niet een afwijking van de tweede volzin van het derde lid, waarin is bepaald dat de navorderingstermijn wordt verlengd met de duur van het uitstel dat voor het doen van aangifte is verleend. Deze uitleg is voorts in overeenstemming met een uitlating in de Nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II, 1990/91, 21 423, nr. 7, blz. 5). Het eerste middel faalt derhalve.
2.4.
Het tweede middel kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.
Beroepschrift 14‑08‑2015
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 16, lid 4 AWR en meer algemeen van de beginselen van behoorlijk bestuur, doordien het Hof in de rechtsoverweging 4.4. ten onrechte heeft geoordeeld dat de twaalfjaarstermijn kan worden verlengd met verleend uitstel voor het indienen van de aangifte. Artikel 16, lid 4 AWR bevat een bevoegdheid tot navordering in geval van in buitenland opgekomen inkomen of vermogen waarbij blijkens de duidelijke tekst van deze wettelijke bepaling een afwijkende termijn geldt, te weten een termijn van twaalf jaren in plaats van vijf jaren. Door desniettemin te oordelen dat de navorderingstermijn van twaalf jaren wordt verlengd met de termijn van het verleende uitstel is 's Hofs uitspraak in strijd met de wet en getuigt deze derhalve van een onjuiste rechtsopvatting.
1.0. Toelichting op het middel
1.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de navorderingstermijn van twaalf jaren verlengd wordt met de duur van het verleende uitstel voor het indienen van het aangiftebiljet. Dit oordeel getuigt gelet op het navolgende van een onjuiste rechtsopvatting.
1.2.
Dat de termijn van artikel 16, lid 4 AWR ten hoogste twaalf jaar bedraagt en geen dag langer blijkt allereerst duidelijk uit de tekst van de wettelijke bepaling. Daarin is niet — zoals in artikel 16, lid 3 AWR — de mogelijkheid van verlenging wegens verleend uitstel voor het indienen van de aangifte opgenomen. In het vierde lid van artikel 16 AWR is niet verwoord dat de overige volzinnen van overeenkomstige toepassing zijn. De twaalfjaarstermijn van artikel 16, lid 4 AWR is dan ook autonoom.1.
1.3.
Indien de wetgever ook ter zake van de termijn van twaalf jaar de betreffende verlenging mogelijk had willen maken, had dit uitdrukkelijk in de wettekst dienen te worden opgenomen. Van de in de wet opgenomen aanslagtermijn dient een belastingplichtige op aan te kunnen. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat een belastingplichtige na het verstrijken van enige aanslagtermijn er vanuit moet kunnen gaan dat het heffingsrecht is vervallen. Nu in de tekst van artikel 16, lid 4 AWR niet expliciet is opgenomen dat deze termijn kan worden verlengd, dient op grond van dit beginsel te worden uitgegaan van een termijn van maximaal 12 jaar.
1.4.
Dat in de parlementaire geschiedenis bij dit artikel is gesteld dat de twaalfjaarstermijn wel kan worden opgerekt met de duur van uitstel voor het indienen van de aangifte doet aan het voorgaande niet af.2. Een dergelijke inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel kan niet louter worden gestoeld op een passage uit de wetsgeschiedenis. Bovendien wordt in de fiscale rechtspraktijk wel vaker nauwelijks, tot geen waarde gehecht aan dergelijke passages in het kader van het wetgevingsproces. Een treffend voorbeeld daarvan is de mogelijkheid tot het opleggen van een vergrijpboete ex artikel 67d AWR.
1.5.
In de Nota van Wijziging had de staatssecretaris van Financiën opgemerkt dat deze vergrijpboete bij primitieve aanslag uitsluitend zou worden opgelegd als er sprake is van opzet, fraude of zwendel.3. In de rechtspraak is evenwel gebleken dat deze beperking blijkens de parlementaire geschiedenis van de mogelijkheid een artikel 67d-boete op te leggen, weinig voorstelt. Dienaangaande kan onder andere worden verwezen naar het arrest van uw Raad van 22 juni 2007. In zijn noot bij dit arrest schrijft De Bont (BNB 2007/292):
‘De Hoge Raad overweegt in het onderhavige arrest dat opzet in art. 67d AWR gelijk is aan dit begrip in de andere boetebepalingen. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de in de parlementaire stukken opgeroepen veronderstelling dat voor een vergrijpboete bij primitieve aanslag iets meer nodig is dan ‘gewone’ opzet.’
1.6.
Vorenstaand voorbeeld illustreert dat de bedoeling van de wetgever bij de uitleg van een bepaling niet leidend kan worden geacht en door de rechtsprekende macht kan worden geëcarteerd. Ook de onderhavige intentie van de wetgever om de verlenging van de aanslagtermijn mogelijk te kunnen maken, moet terzijde worden gesteld.
1.7.
Het vertrouwen, dat de termijn van artikel 16, lid 4 AWR zich niet voor verlenging leent kan ook worden afgeleid uit het standpunt, dat namens de Nederlandse regering naar voren is gebracht in het kader van de prejudiciële procedures bij het HvJ EU inzake X en Passenheim-van Schoot.4. In deze procedure heeft de Nederlandse regering door haar vertegenwoordigers standpunten naar voren laten brengen omtrent de strekking, aard en reikwijdte van het bepaalde in artikel 16 lid 4 AWR. Daarop heeft het HvJ EU zijn arresten mede gebaseerd. Reden temeer om deze standpunten ook in de Nederlandse rechtspraktijk te respecteren.
1.8.
Zo heeft de Nederlandse regering uiteengezet, dat de termijn van 12 jaar is gekoppeld aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijf van belastingfraude (zie onder meer de gepubliceerde Hof-arresten sub 55). In dat kader werd door de regering met geen woord gerept over de mogelijkheid, dat die termijn van 12 jaar nog eens verlengd zou kunnen worden met de duur van het verleende uitstel voor het indienen van de desbetreffende aangiften.
1.9.
Niet alleen het HvJ EU moet kunnen vertrouwen op uitlatingen van de zijde van de Nederlandse regering, ook de Nederlandse burger mag daaraan uiteraard vertrouwen ontlenen, dat de gegeven toelichting door de eigen (fiscale) autoriteiten wordt gerespecteerd en in de praktijk wordt gebracht. Daarmee verdraagt zich niet een beroep op een verdere verlenging van de twaalfjaarstermijn naar analogie van een uitstel, als bedoeld in artikel 16, lid 3 AWR.
1.10.
Het Hof heeft bij de beoordeling van dit geschilpunt het vorenstaande ten onrechte miskend, waardoor zijn oordeel over de verlenging van de twaalfjaarstermijn getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 16, lid 4 AWR en de beginselen van behoorlijke procesorde althans verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.7. heeft geoordeeld dat de termijn voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel als gevolg waarvan de navorderingsaanslagen tijdig zijn vastgesteld. Dit oordeel is onbegrijpelijk en niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed aangezien het Hof aan dit oordeel geen feiten en omstandigheden ten grondslag legt die de conclusie kunnen dragen dat aan belanghebbende en/of zijn belastingadviseur duidelijk kenbaar uitstel voor het indienen van de aangifte is verleend. Gelet hierop komt 's Hofs oordeel voor vernietiging in aanmerking.
2.0. Toelichting op het middel
1.1.
Het Hof baseert zijn oordeel op het arrest van uw Raad van 29 maart 2000, BNB 2001/45. In dit arrest liet uw Raad een oordeel in stand over de kenbaarheid van het verleende uitstel in relatie tot de BECON-regeling.
1.2.
In die zaak had belanghebbendes belastingconsulent erkend dat de betreffende belastingplichtige voorkwam op een — zo blijkt uit de feiten bij het arrest — van de belastingconsulent afkomstige uitstellijst en dat de belastingconsulent een zogeheten VA-biljet had ingeleverd om op grond van de BECON-regeling uitstel te verkrijgen. Onder die omstandigheden achtte het Hof een schriftelijke bevestiging van het verleende uitstel door de inspecteur niet noodzakelijk welke oordeel door uw Raad in stand werd gelaten.
1.3.
In de onderhavige zaak heeft het Hof geen feiten kunnen vaststellen waaruit van bekendheid bij de belanghebbende of zijn belastingconsulent volgt. Blijkens rechtsoverweging 4.5. heeft de belastingadviseur van belanghebbende juist geen stukken meer kunnen aantreffen omtrent het eventueel aanvragen en/of verkrijgen van uitstel voor de indiening van de aangifte over het onderhavige jaar. Het enige dat het Hof heeft kunnen vaststellen, is dat de betreffende belastingadviseur in een faxbericht ‘voor de jaren waarvoor hij het heeft kunnen controleren’ heeft gemeld dat belanghebbende ‘meeliep’ in de uitstelregeling. Dat zijn dus andere jaren. Welke is onduidelijk. Uit deze mededeling blijkt zeker niet voor welke jaren de belastingadviseur ‘dit’ heeft kunnen vaststellen. Bovendien ontbreken enige bewijsstukken van die mededeling.
1.4.
De uitdraai uit het automatiseringssysteem van de Belastingdienst is nietszeggend. Het is in ieder geval geen document waaruit blijkt dat bij belanghebbende dan wel diens belastingadviseur bekendheid bestond met enig uitstel voor het indienen van de aangifte. Zoals ook blijkt uit het hiervoor genoemde arrest BNB 2001/45 moet op zijn minst kunnen worden vastgesteld dat bij de belanghebbende zelf of diens adviseur bekendheid bestond met de toepassing van de uitstelregeling in het betreffende jaar. Die bekendheid kan ook blijken uit het indienen van een lijst en een VA-biljet. De uitdraai uit het automatiseringssysteem is niet van belanghebbende of diens consultent afkomstig zodat daarmee geen bekendheid bij hen mag worden aangenomen.
1.5.
Door desondanks op basis van deze overwegingen te oordelen dat kenbaar uitstel voor indiening van de aangifte is verleend is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk althans niet naar de eisen van de wet gemotiveerd.
Met conclusie:
dat het uw Raad moge behagen op voormelde en/of op door uw Raad ambtshalve te bevinden gronden de bestreden uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, alsook de litigieuze navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente integraal te vernietigen onder de bepaling, dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en tevens de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑08‑2015
EV, Kamerstukken II 1989/90, 21 423, nr. 6, pag. 3 en NEV, Kamerstukken II 1990/91, 21 423, nr. 7, pag. 5.
NvW, Kamerstukken II 1995/96, 24 800, nr. 5, pag. 16.
C155/08 en C157/08 LJN: BI 8987, VN 2009/29.6, r.o 69 en 70.