CAG van 25 januari 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO3400.
HR, 22-10-2024, nr. 22/04148
ECLI:NL:HR:2024:1508
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
22/04148
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1508, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3046
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:781
ECLI:NL:PHR:2024:781, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1508
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0251
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Bedreiging met terroristisch misdrijf door in penitentiaire inrichting te zeggen dat verdachte op de Dam iedereen met een AK-47 zal doodschieten, art. 285.3 Sr. Is sprake van bedreiging van toezichthouder van P.I. en medegedetineerde met terroristisch misdrijf tegen derden? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1890 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. bedreiging met terroristisch misdrijf. Hof heeft geoordeeld dat verdachte toezichthouder en medegedetineerde heeft bedreigd met terroristisch misdrijf door tegen hen te zeggen dat hij naar de Dam zou gaan en iedereen met een AK-47 zou doodschieten en dat bij toezichthouder en medegedetineerde in redelijkheid vrees kon ontstaan dat verdachte een misdrijf zou plegen dat erop was gericht (deel van) Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is niet van belang of diegenen tegen wie in bedreiging bedoeld terroristisch misdrijf (hier bestaande uit doden van nog onbekende personen met oogmerk (deel van) bevolking vrees aan te jagen) zou worden gepleegd, met deze bedreiging bekend zijn geworden en of opzet van verdachte ook op dit bekend worden was gericht. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04148
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 oktober 2022, nummer 23-001659-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F. van Baarlen, advocaat in Eindhoven, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake was van bedreiging van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met een terroristisch misdrijf tegen derden.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 2 april 2016 tot en met 23 augustus 2016 te [plaats] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk en openlijk in P.I. [A] gezegd:- dat hij naar de Dam gaat en iedereen met een AK-47 doodschiet en- “Al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK47 neer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 9 augustus 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 020-021:
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 augustus 2016 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1] :
Ik ben werkzaam als toezichthouder op de werkzalen van de Penitentiaire Inrichting [A] te [plaats] . Op mijn werkzaal heb ik gedetineerde [verdachte] aan het werk.
Het voorval van vanochtend [het hof begrijpt: 9 augustus 2016] is dat [verdachte] het aan de werktafel had over: “al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK-47 neer”. Een medegedetineerde zei: “dat gebeurt niet, zo maak je onschuldige slachtoffers”. [verdachte] antwoordde dat dit wel ging gebeuren en verwees naar de aanslagen in België en Frankrijk.
Hij klinkt als een ideologische IS-aanhanger omdat hij dat op die wijze verkoopt en verheerlijkt. [Het is] vooral gericht tegen Hollanders, ongelovigen.
2. Een proces-verbaal van 16 januari 2019, opgemaakt door [verbalisant 3] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, losbladig.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 januari 2019 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1] :
[verdachte] werkte bij mij op de werkzaal. Ik wist nog dat hij had gezegd dat hij op de Dam met een AK-47 op Nederlanders zou gaan schieten toen ik de uitnodiging [het hof begrijpt: voor het verhoor] ontving. Ik wist nog dat hij in augustus zou vrijkomen en dat hij had gezegd dat hij dan in het rond zou gaan schieten met een AK-47. Hij deed deze uitspraak op zaal en ik heb hem bij het kantoor naar binnen gehaald. Hij ontkende deze bewoordingen niet en heeft dit [het hof begrijpt: die bewoordingen] op kantoor herhaald. Dit is wat ik heb deze dag specifiek horen zeggen. Ik nam serieus wat hij die dag zei. Wanneer u mij vraagt of [betrokkene 2] erbij zat zeg ik u: ‘ja’. Ik hoorde de verdachte roepen over de Dam en de AK-47. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat dat niet kan en niet mag en dat dat onschuldige slachtoffers zou opleveren. Er was sprake van stemverheffing van beide kanten.
3. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 augustus 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 029-031.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 2] :
Ik heb gesprekken gevoerd met [verdachte] . Hij had het vooral over die Hollanders, dat ze allemaal dood moeten, dat het in Nederland ook gaat gebeuren en dat ze er wel achter komen wat er gaat gebeuren. Hij zei dat hij op de Dam zou gaan schieten met een AK. Hij zei dat hij uit de straat zal komen waarbij het Paleis aan de linkerkant staat en het vrijheidsmonument aan de rechterkant. Hij gaat dan op dat punt staan en vanaf daar gaat hij ‘maaien’. Dat vertelt hij met gebaren. Hij heeft het er continu over. Het komt er altijd op neer dat hij met een mitrailleur wil schieten. Als de PIW’ers er niet bij zijn, maakt hij schietende gebaren alsof hij met een mitrailleur in het rond schiet. Hij zei dat Nederland wel aan de beurt komt.
Hij zegt dat hij connecties heeft waar hij wapens kan kopen. Hij zegt dat hij voor 1.000 euro een AK-47 kan kopen. Hij zei dat hij genoeg contacten heeft die dingen kunnen doen en dat ze elkaar allemaal kennen, zoals de mensen die aanslagen in België en Frankrijk hebben gepleegd. De aanslagen in Amerika en in Frankrijk zit hij te vieren, dat vindt hij geweldig.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Redelijke vrees, terroristisch misdrijfVoor een bewezenverklaring van een bedreiging met een terroristisch misdrijf is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf betreft en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Dit betreft een geobjectiveerde toets. Niet is vereist dat de bedreigde zich zelf bedreigd voelde, of dat de bedreiging (het misdrijf waarmee werd gedreigd) gericht was tot de bedreigde. Vastgesteld moet worden dat de gebruikte woorden naar hun aard geschikt zijn en onder dusdanige omstandigheden zijn geuit, dat de hiervoor bedoelde redelijke vrees kon ontstaan bij de bedreigde en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte tegen zijn medegedetineerde [betrokkene 2] en tegen [betrokkene 1] , toezichthouder op de werkzalen van de Penitentiaire Inrichting [A] , heeft gezegd dat hij met een AK-47 naar de Dam zou gaan en daar iedereen zou (dood)schieten of ‘neer roeien’ met een AK-47. De verdachte verwees daarbij naar de destijds recente (terroristische) aanslagen in België en Frankrijk en zei dat ‘die kanker Hollanders’ er ‘wel achter komen’ en dat ‘ze [de Hollanders] allemaal dood moeten’. De verdachte heeft volgens [betrokkene 2] bovendien gezegd dat hij (de verdachte) ‘voor 1000 euro een AK-47 kan kopen’ en ‘dat hij genoeg contacten heeft die dingen kunnen doen, dat ze elkaar allemaal kennen, zoals de mensen die aanslagen in België en Frankrijk hebben gepleegd’, en voorts dat de verdachte zijn woorden kracht bijzette door het maken van schietende bewegingen met zijn hand. De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte de ideologie van IS ‘verkoopt en verheerlijkt’. Naar het oordeel van het hof kon gelet op het samenstel van deze woorden en feitelijkheden zowel bij [betrokkene 2] als bij [betrokkene 1] de redelijke vrees worden opgewekt dat de verdachte daadwerkelijk de daad bij het woord zou voegen. Het misdrijf waarmee gedreigd werd ‑ het in het wilde weg met een AK-47 doodschieten van alle personen (‘iedereen’) op een meestentijds zeer drukbezochte plek als de Dam te Amsterdam ‑ betreft gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen voorts een terroristisch misdrijf (zie artikelen 288a jo. 83 en 83a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Bij de bedreigden kon in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze uitlatingen zijn gedaan.
(...)
Gedeeltelijke vrijspraakHet hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat door het handelen van de verdachte de Nederlandse bevolking als zodanig met een terroristisch misdrijf is bedreigd. Om die reden zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Wel is komen vast te staan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar objectieve maatstaven zijn bedreigd. Gezien hetgeen voorop is gesteld doet daaraan niet af dat zij zich persoonlijk niet bedreigd zouden hebben gevoeld.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- artikel 285 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
- artikel 83, aanhef en onder 1º en 3º, Sr:
“Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:1º elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;3° elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel 79 van de Kernenergiewet.”
- artikel 83a Sr:
“Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”
2.4
Artikel 285 lid 3 Sr stelt de eis dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf. Daaruit volgt dat het bij dit dreigen om een van de in artikel 83 Sr genoemde misdrijven moet gaan. Daarvoor is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden plaatsvindt dat bij de bedreigde (zijnde degene tegen wie de bedreiging wordt geuit) in redelijkheid de vrees kon ontstaan (a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo’n terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo’n veroordeling vereist dat het – ten minste voorwaardelijke – opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan. (Vgl. HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890.)
2.5.1
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf door, kort gezegd, tegen hen te zeggen dat hij naar de Dam zou gaan en iedereen met een AK-47 zou doodschieten en dat bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de verdachte een misdrijf zou plegen dat erop was gericht (een deel van) de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor onder 2.4 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Anders dan het cassatiemiddel betoogt, is daarbij niet van belang of diegenen tegen wie het in de bedreiging bedoelde terroristisch misdrijf – hier bestaande uit het doden van nog onbekende personen met het oogmerk (een deel van) de bevolking vrees aan te jagen – zou worden gepleegd, met deze bedreiging bekend zijn geworden en of het opzet van de verdachte ook op dit bekend worden was gericht.
2.5.2
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. M1 stelt de vraag aan de orde of het voor veroordeling voor een bedreiging met een terroristisch misdrijf nodig is dat de degene tegen wie dit misdrijf zich richt van deze bedreiging op de hoogte is. Verder middelen over de bewezenverklaring (M2) en de vaststelling dat een terbeschikkingstelling is opgelegd voor een geweldsmisdrijf (M3). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04148
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 27 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. "bedreiging met een terroristisch misdrijf, meermalen gepleegd", 2. primair “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” en 3. “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd, de vordering van een benadeelde partij toegewezen en hiermee verbonden de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en F. van Baarlen, advocaat in Eindhoven, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en het tweede middel
2.1
De middelen hebben betrekking op de bewijsvoering ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde. Voor ik nader op de klachten inga, geef ik eerst de relevante onderdelen van het arrest weer.
2.2
Aan de verdachte was onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2016 tot en met 23 augustus 2016 te [plaats] , gemeente [plaats] , in elk geval in Nederland, De Nederlandse bevolking en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een (of meer) onbekend gebleven perso(o)n(en) in [PI] , heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijftegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk en openlijk in de [PI] gezegd:
dat hij na zijn vrijlating naar de Dam gaat en iedereen met een AK-47 doodschiet en/of
"Al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK47 neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking”
2.3
Door het hof is hiervan ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 2 april 2016 tot en met 23 augustus 2016 te [plaats] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk en openlijk in [PI] gezegd:
dat hij naar de Dam gaat en iedereen met een AK-47 doodschiet en
“Al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK47 neer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
2.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“De raadsvrouw en de verdachte hebben vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte nimmer de in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen heeft gedaan en dat de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Als het hof van oordeel mocht zijn dat de verdachte die uitlatingen wel heeft gedaan, ontbrak bij hem het opzet op het aanjagen van vrees, omdat die woorden in een moment van frustratie en boosheid zijn geuit. Bovendien voelden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich niet bedreigd en is de Nederlandse bevolking niet op de hoogte geraakt van de bedreigingen. Het is tot slot ook maar de vraag of de uitlatingen een terroristisch misdrijf zouden opleveren.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tenlastegelegde bedreiging met een terroristisch misdrijf jegens [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de Nederlandse bevolking bewezenverklaard kan worden.
Uitlatingen
Het hof stelt allereerst vast dat op geen enkele wijze is gebleken dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op elkaar zijn afgestemd, zodat het verweer in zoverre faalt. Op basis van die verklaringen acht het hof bewezen dat de verdachte deze uitlatingen heeft gedaan.
Redelijke vrees, terroristisch misdrijf
Voor een bewezenverklaring van een bedreiging met een terroristisch misdrijf is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaat dat het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf betreft en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Dit betreft een geobjectiveerde toets. Niet is vereist dat de bedreigde zich zelf bedreigd voelde, of dat de bedreiging (het misdrijf waarmee werd gedreigd) gericht, was tot de bedreigde. Vastgesteld moet worden dat de gebruikte woorden naar hun aard geschikt zijn en onder dusdanige omstandigheden zijn geuit, dat de hiervoor bedoelde redelijke vrees kon ontstaan bij de bedreigde en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte tegen zijn medegedetineerde [betrokkene 2] en tegen [betrokkene 1] , toezichthouder op de werkzalen van de [PI] , heeft gezegd dat hij met een AK-47 naar de Dam zou gaan en daar iedereen zou (dood)schieten of ‘neer roeien’ met een AK-47. De verdachte verwees daarbij naar de destijds recente (terroristische) aanslagen in België en Frankrijk en zei dat ‘die kanker Hollanders’ er ‘wel achter komen’ en dat ‘ze [de Hollanders] allemaal dood moeten’. De verdachte heeft volgens [betrokkene 2] bovendien gezegd dat hij (de verdachte) ‘voor 1000 euro een AK-47 kan kopen’ en ‘dat hij genoeg contacten heeft die dingen kunnen doen, dat ze elkaar allemaal kennen, zoals de mensen die aanslagen in België en Frankrijk hebben gepleegd’, en voorts dat de verdachte zijn woorden kracht bijzette door het maken van schietende bewegingen met zijn hand. De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte de ideologie van IS ‘verkoopt en verheerlijkt’. Naar het oordeel van het hof kon gelet op het samenstel van deze woorden en feitelijkheden zowel bij [betrokkene 2] als bij [betrokkene 1] de redelijke vrees worden opgewekt dat de verdachte daadwerkelijk de daad bij het woord zou voegen. Het misdrijf waarmee gedreigd werd - het in het wilde weg met een AK-47 doodschieten van alle personen (‘iedereen’) op een meestentijds zeer drukbezochte plek als de Dam te Amsterdam - betreft gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen voorts een terroristisch misdrijf (zie artikelen 288a jo. 83 en 83a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Bij de bedreigden kon in redelijkheid de vrees ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht de Nederlandse bevolking of een deel daarvan ernstige vrees aan te jagen, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze uitlatingen zijn gedaan.
Opzet
Het argument dat de woorden zijn geuit in een moment van frustratie en woede bij de verdachte en dat daarom de opzet op het aanjagen van vrees ontbrak, mist doel. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte, nadat hij zijn gewraakte woorden had geuit, is meegelopen naar het kantoor van [betrokkene 1] en zijn woorden daar heeft herhaald. Van een onbewaakt ogenblik waarin de verdachte zijn zelfbeheersing even had verloren, was dus geen sprake. Gelet daarop, alsook op de aard van de uitlatingen en de verdere omstandigheden waaronder de verdachte deze woorden heeft geuit, neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte opzet heeft gehad op het aanjagen van de vrees dat hij een terroristisch misdrijf zou uitvoeren; hij heeft minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de betrokkenen in redelijkheid die vrees kon ontstaan.
Gedeeltelijke vrijspraak
Het hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat door het handelen van de verdachte de Nederlandse bevolking als zodanig met een terroristisch misdrijf is bedreigd. Om die reden zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Wel is komen vast te staan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar objectieve maatstaven zijn bedreigd. Gezien hetgeen voorop is gesteld doet daaraan niet af dat zij zich persoonlijk niet bedreigd zouden hebben gevoeld.
Slotsom
Op grond van bovenstaande verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer in alle onderdelen behoudens voor zover het ziet op - kort gezegd - het tenlastegelegde onderdeel ‘de Nederlandse bevolking’. Het onder 1 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen op de wijze zoals hierna weergegeven.”
2.5
In de bewijsmiddelenbijlage zijn de volgende voor feit 1 relevante bewijsmiddelen opgenomen:
“1. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 9 augustus 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 020-021.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 augustus 2016 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1]:
Ik ben werkzaam als toezichthouder op de werkzalen van de [PI] te [plaats] . Op mijn werkzaal heb ik gedetineerde [verdachte] aan het werk.
Het voorval van vanochtend [het hof begrijpt: 9 augustus 2016] is dat [verdachte] het aan de werktafel had over: “al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK-47 neer”. Een medegedetineerde zei: “dat gebeurt niet, zo maak je onschuldige slachtoffers”. [verdachte] antwoordde dat dit wel ging gebeuren en verwees naar de aanslagen in België en Frankrijk.
Hij klinkt als een ideologische IS-aanhanger omdat hij dat op die wijze verkoopt en verheerlijkt. [Het is] vooral gericht tegen Hollanders, ongelovigen.
2. Een proces-verbaal van 16 januari 2019, opgemaakt door [verbalisant 3] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, losbladig.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 januari 2019 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 1]:
[verdachte] werkte bij mij op de werkzaal. Ik wist nog dat hij had gezegd dat hij op de Dam met een AK-47 op Nederlanders zou gaan schieten toen ik de uitnodiging [het hof begrijpt: voor het verhoor] ontving. Ik wist nog dat hij in augustus zou vrijkomen en dat hij had gezegd dat hij dan in het rond zou gaan schieten met een AK-47. Hij deed deze uitspraak op zaal en ik heb hem bij het kantoor naar binnen gehaald. Hij ontkende deze bewoordingen niet en heeft dit [het hof begrijpt: die bewoordingen] op kantoor herhaald. Dit is wat ik heb deze dag specifiek heb horen zeggen. Ik nam serieus wat hij die dag zei. Wanneer u mij vraagt of [betrokkene 2] erbij zat zeg ik u: ‘ja’. Ik hoorde de verdachte roepen over de Dam en de AK-47. Ik hoorde [betrokkene 2] zeggen dat dat niet kan en niet mag en dat dat onschuldige slachtoffers zou opleveren. Er was sprake van stemverheffing van beide kanten.
3. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 augustus 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 029-031.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 2] : Ik heb gesprekken gevoerd met [verdachte] . Hij had het vooral over die Hollanders, dat ze allemaal dood moeten, dat het in Nederland ook gaat gebeuren en dat ze er wel achter komen wat er gaat gebeuren. Hij zei dat hij op de Dam zou gaan schieten met een AK. Hij zei dat hij uit de straat zal komen waarbij het Paleis aan de linkerkant staat en het vrijheidsmonument aan de rechterkant. Hij gaat dan op dat punt staan en vanaf daar gaat hij ‘maaien’. Dat vertelt hij met gebaren. Hij heeft het er continu over. Het komt er altijd op neer dat hij met een mitrailleur wil schieten. Als de PlW’ers er niet bij zijn, maakt hij schietende gebaren alsof hij met een mitrailleur in het rond schiet. Hij zei dat Nederland wel aan de beurt komt. Hij zegt dat hij connecties heeft waar hij wapens kan kopen. Hij zegt dat hij voor 1.000 euro een AK-47 kan kopen. Hij zei dat hij genoeg contacten heeft die dingen kunnen doen en dat ze elkaar allemaal kennen, zoals de mensen die aanslagen in België en Frankrijk hebben gepleegd. De aanslagen in Amerika en in Frankrijk zit hij te vieren, dat vindt hij geweldig.”
De beoordeling van het eerste middel
2.6
In (de toelichting op) het eerste middel wordt een drietal klachten naar voren gebracht tegen de bewezenverklaring. Volgens de eerste klacht volgt uit de bewijsmiddelen niet dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zelf zijn bedreigd met een terroristisch misdrijf. Over degenen die wel zijn bedreigd, te weten ‘Nederlanders op de Dam’, houden de bewijsmiddelen niet in dat deze personen op de hoogte zijn geraakt van deze bedreiging, aldus de tweede klacht. De derde klacht is dat het bewijs ontbreekt dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet had dat deze personen kennis zouden krijgen van deze bedreiging.
2.7
Ik stel vast dat de laatste twee klachten slechts betekenis hebben als de eerste zou slagen. Als immers het oordeel van het hof overeind blijft dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn bedreigd, dan volgt uit de bewijsmiddelen zonder meer dat zij van de bedreiging op de hoogte waren en dat de verdachte daarop ook het opzet had. De bewijsmiddelen houden immers in dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] de bedreiging zelf uit de mond van de verdachte hebben vernomen.
2.8
De eerste klacht stelt de vraag aan de orde of bewezen kan worden dat een persoon is bedreigd met een terroristisch misdrijf als uit de bewijsmiddelen niet volgt dat die persoon zou worden getroffen als dit misdrijf zou worden uitgevoerd. Ik zal hier nader op ingaan, waarbij ik voortborduur op twee conclusies van voormalig AG Knigge1.en van AG Keulen.2.
2.9
De tenlastelegging in deze zaak is toegesneden op art. 285 lid 3 Sr, zodat moet worden aangenomen dat het begrip “bedreigd met een terroristisch misdrijf” in de tenlastelegging is gebruikt in de betekenis van die bepaling. Voor een goed begrip haal ik de relevante wetsartikelen aan.
“Artikel 285 Sr
1. Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met de misdrijven omschreven in de artikelen 241 en 243, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
(…)
3. Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Artikel 83 Sr
Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:
1º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2º. elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 114a, 114b, 120a, 120b, 130a, 138b, vijfde lid, 176a, 176b, 282c, 289a, 304a, 304b, 354a, tweede lid,415a en 415b, alsmede artikel 80, derde lid, van de Kernenergiewet gevangenisstraf is gesteld;
3º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel 79 van de Kernenergiewet.
Artikel 83a Sr
Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.”
2.10
Binnen de delictsomschrijving van bedreiging kunnen drie personen of geadresseerden worden onderscheiden. Ik volg hier Knigge (randnummer 16 van de genoemde conclusie) die zich weer baseerde op Lindenberg:
- degenen tegen wie de bedreiging wordt geuit (het uitingsobject);
- hetgeen of datgene waartegen de eventuele verwezenlijking van de bedreiging zich richt (het schadeobject);
- degene bij wie de vrees ontstaat voor de verwezenlijking van de bedreiging (het vreesobject).
2.11
In veel gevallen van strafbare bedreiging vallen deze objecten samen. Als A tegen B roept: “ik schiet je dood!”, dan is B degene tegen wie de bedreiging is geuit, zou B het leven laten als A daadwerkelijk (raak) zou schieten en is B degene die bang is dat A zijn daad gaat uitvoeren.
2.12
Er zijn hier echter variaties op mogelijk die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad eveneens een strafbare bedreiging opleveren. Eén van die variaties is dat degene tegen wie de dader zijn bedreigende uitlating doet (oftewel het ‘directe uitingsobject’) niet ook het schade- en het vreesobject is, dus als A tegen zijn buurman zegt dat hij B gaat doodschieten. Dit is strafbaar als B (oftewel het ‘indirecte uitingsobject’) daadwerkelijk op de hoogte raakt van de bedreiging, dus bijvoorbeeld als de buurman hem dat vertelt, én het opzet van A daarop was gericht. Dit komt terug in de standaardoverweging van de Hoge Raad over bedreiging:
“Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, LJN AT3659, NJ 2005, 448) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, NJ 1984, 479).”3.
2.13
Een andere variant is dat het schade- en het vreesobject uiteenlopen. Een voorbeeld daarvan is dat A tegen B zegt dat hij de dochter van B gaat doodschieten. Een dergelijk geval was aan de orde in HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, met daaraan voorafgaand die hiervoor genoemde conclusie van Knigge. In die zaak was ten laste gelegd dat de verdachte het slachtoffer had bedreigd met de mededeling dat binnenkort wel wat mensen langs zouden gaan bij haar moeder. Het cassatieberoep was gegrond omdat het opzet van de verdachte niet kon volgen uit de bewijsmiddelen, maar de Hoge Raad overwoog ook het volgende:
“3.1. Hoewel het bestreden arrest op grond van hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen niet in stand kan blijven, ziet de Hoge Raad aanleiding ook het tweede middel te bespreken. Dat middel klaagt dat het Hof door te oordelen dat sprake was van "bedreiging met zware mishandeling" van [slachtoffer] terwijl het misdrijf waarmee volgens de bewezenverklaring werd gedreigd zich richtte tegen de moeder van [slachtoffer], een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 285 Sr.
3.2.
Het middel stelt de vraag aan de orde of voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr genoemd misdrijf is vereist dat dat misdrijf is gericht tegen de bedreigde persoon zelf.
3.3.
Die - in de wetsgeschiedenis niet expliciet behandelde - vraag moet ontkennend worden beantwoord. Daarbij is van belang dat art. 285 Sr is geplaatst in Titel XVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin strafbaar zijn gesteld 'Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid'. Dit door art. 285 Sr beschermde rechtsgoed kan ook op het spel staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad. De omstandigheid dat de in dezelfde Titel opgenomen art. 284 en 284a Sr uitdrukkelijk óók spreken over bedreiging met een tegen een derde gericht misdrijf, noopt niet tot een ander oordeel, mede omdat uit de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen kan worden opgemaakt dat deze explicitering slechts een verduidelijking betrof, terwijl voorts niet valt in te zien waarom de reikwijdte van de betrokken bepalingen in dit opzicht zou moeten uiteenlopen.”
2.14
Vertaald naar dit analysekader klaagt de steller van het middel in de onderhavige zaak dat ‘de Nederlanders op de Dam’ het schadeobject zijn en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] het uitingsobject alsmede wellicht het vreesobject en dat deze objecten bij een bedreiging met een terroristisch misdrijf niet (op deze wijze) mogen uiteenlopen.
2.15
Deze kwestie is zijdelings aan de orde geweest in de hiervoor genoemde conclusie van Keulen voorafgaand aan HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1890, NJ 2020/215, m.nt. Rozemond. In dit arrest heeft de Hoge Raad een aantal algemene overwegingen geweid aan bedreiging met een terroristisch misdrijf:
“3.3 De tenlastelegging is toegesneden op art. 285, derde lid, Sr. Daarin is strafbaar gesteld de bedreiging met een terroristisch misdrijf.
3.4.1
Uit de bewoordingen van art. 285, derde lid, Sr en de hiervoor kort weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat voor een veroordeling op grond van die bepaling - voor zover hier aan de orde - toereikend is dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf, dus een misdrijf als bedoeld in art. 83 Sr. Niet is vereist dat de bedreiging zelf met een terroristisch oogmerk plaatsvindt. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het.
3.4.2
Het voorgaande laat onverlet dat voor een bewezenverklaring van een van de in art. 285 Sr strafbaar gestelde vormen van bedreiging steeds ook is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd ook zou worden uitgevoerd, alsmede dat het opzet van de verdachte op het wekken van die vrees was gericht.
3.4.3
Art. 285, derde lid, Sr stelt de eis dat wordt gedreigd met een terroristisch misdrijf. Daaruit volgt dat het bij dit dreigen om een van de in art. 83 Sr genoemde misdrijven moet gaan. Voor zover uit art. 83 Sr volgt dat dit terroristisch misdrijf het in art. 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk vereist, brengt die omstandigheid - zoals onder 3.4.1 is aangegeven - echter niet mee dat de verdachte van de in art. 285, derde lid, Sr bedoelde bedreiging met een terroristisch misdrijf zelf ook met dit terroristische oogmerk moet hebben gehandeld. Wel is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan (a) dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf betreft en (b) dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd. Gelet op de omschrijving van een terroristisch oogmerk in art. 83a Sr brengt dit voor de terroristische misdrijven die dit oogmerk vereisen mee dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zo een terroristisch misdrijf is vereist dat uit de bewijsvoering blijkt dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf dat zou worden uitgevoerd erop was gericht (i) de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel (ii) een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel (iii) de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of vernietigen. Daarnaast is voor zo een veroordeling vereist dat het - tenminste voorwaardelijke - opzet van de verdachte erop was gericht deze vrees te laten ontstaan.(…)”
2.16
Deze overwegingen gaan over wat er moet worden verstaan onder een ‘bedreiging met een terroristisch misdrijf’, over het al dan niet vereiste terroristisch oogmerk en over het vereiste opzet. De Hoge Raad laat zich niet uit over de vraag tegen wie de bedreiging moet zijn gericht. Opvallend is dat dat de Hoge Raad niet het deel van zijn standaardoverweging herhaalt dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte moet zijn geraakt van de bedreiging. Daar kunnen echter niet zonder meer conclusies aan worden verbonden omdat de Hoge Raad de eisen voor een veroordeling nadrukkelijk formuleert “voor zover hier aan de orde”.
2.17
AG Keulen signaleerde het probleem in zijn conclusie wel.4.In deze zaak was bewezen verklaard dat de verdachte “een ander heeft gedreigd” met een terroristisch misdrijf. Keulen stelt vast dat dit een weinig expliciete aanduiding is en dat niet het woord ‘bedreigd’, maar “gedreigd” is gebruikt. De oorzaak hiervoor “lijkt de gedachte te zijn dat de bedreigde (alleen) de persoon is tegen wie het misdrijf waarmee gedreigd wordt gericht zou zijn”. Volgens Keulen is dit een misvatting en hij wijst daarbij op de het hiervoor onder 2.13 aangehaalde arrest uit 2011. Hij vervolgt (met weglating van voetnoten):
“29. In de wetsgeschiedenis van art. 285, derde lid, Sr is de vraag of vereist is dat het terroristische misdrijf gericht is tegen de bedreigde persoon zelf niet expliciet behandeld. De aard van het terroristische misdrijf brengt naar het mij voorkomt mee dat er geen aanleiding is om deze eis hier, in afwijking van voorgaand arrest, wel te stellen. Het gaat bij terroristische misdrijven om zeer ernstige misdrijven, die ook inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van personen die daar niet rechtstreeks door worden getroffen. Tegen die achtergrond kan er naar het mij voorkomt mee worden volstaan in tenlastelegging en bewezenverklaring tot uiting te brengen tegen wie de bedreiging met een terroristisch misdrijf is uitgesproken.”
2.18
Een blik op de feitenrechtspraak leert dat de door Keulen gesignaleerde worsteling met de vraag wie met het terroristisch misdrijf bedreigd is, nog niet tot het verleden behoort. Geheel in lijn met de aangehaalde conclusie is Rechtbank Overijssel 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:3107. Daarin is bewezen verklaard dat de verdachte “heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf door tegen een centralist van het operationeel centrum Driebergen te zeggen dat hij, verdachte, een aanslag gaat plegen op het Koningshuis”. Deze dreiging had (een lid van) het koningshuis niet bereikt. De rechtbank overwoog echter dat “voor bedreiging met een terroristisch misdrijf niet is vereist dat de bedreigde zichzelf bedreigd voelde, of dat de bedreiging direct gericht was tot de bedreigde of de bedreigde daadwerkelijk heeft bereikt”.
2.19
Andere uitspraken zijn minder expliciet, maar houden niettemin veroordelingen in zonder dat is vastgesteld dat het vrees- en schadeobject samenvallen. Ik wijs op Rechtbank Den Haag 9 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13569, waarin bewezen werd geacht dat “bezoekers” van een YouTube-filmpje zijn bedreigd met een terroristisch misdrijf omdat de verdachte als commentaar bij dit filmpje had aangekondigd dat hij op de kerstmarkt mensen omver ging rijden en vervolgens alle blanke Nederlanders zou neersteken en -schieten. Het vonnis legde geen verband tussen degenen die het commentaar lazen en de aanwezigheid op een kerstmarkt. Hiermee vergelijkbaar is Rechtbank Amsterdam 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5796. Bewezenverklaard werd de bedreiging met een terroristisch misdrijf van “een of meer (thans nog onbekend gebleven) personen” door op Instagram berichten te plaatsen over een “mass shooting|” die de verdachte aan het plannen was.5.
2.20
Hiertegenover staat een vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1197, met een bewezenverklaring die voor een dreiging met een bom op een vrachtschip nauwkeurig specificeert dat dit een bedreiging was van de kapitein en de bemanning, de reder, onbekend gebleven personen nabij de vaarroute en onbekend gebleven personen nabij de bestemming van het schip. In de bewijsoverwegingen heeft de rechtbank vastgesteld dat al deze (groepen) personen op de hoogte zijn geraakt van de bommelding, onder andere door de daaraan gegeven publiciteit. Ten slotte wijs ik nog op Rechtbank Midden-Nederland 30 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4694. Hier kwam de rechtbank tot vrijspraak van de tenlastegelegde bedreiging met onder andere een terroristisch misdrijf van “de politie althans de autoriteiten en/of deelnemers aan de demonstratie op het Jaarbeursplein en/of mensen op het Jaarbeursplein”. De verdachte had gedreigd de volgende dag om drie uur mensen neer te schieten die zich zonder masker voor het Beatrixtheater aldaar zouden bevinden. De bedreiging was geuit in een voicemailbericht aan één persoon die dit vervolgens aan de politie had gemeld. De rechtbank kon echter niet vaststellen dat de bezoekers van het Jaarbeursplein daadwerkelijk op de hoogte waren geraakt van de bedreiging en sprak daarom vrij.
2.21
Gelet op deze feitenrechtspraak zou ik nog eens een lans willen breken voor het voorstel van Keulen, namelijk dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring van bedreiging met een terroristisch misdrijf alleen tot uiting hoeft te worden gebracht tegen wie de bedreiging met een terroristisch misdrijf is uitgesproken.
2.22
Deze opvatting stuitte op kritiek van Rozemond in zijn noot onder het arrest van 10 december 2019, NJ 2020/215. Hij zag de analogie met het arrest van 25 januari 2011 niet omdat “aan de telefonist [niet] wordt (…) gemeld dat er een terreuraanslag zal worden gepleegd om die telefonist de vrees aan te jagen dat zijn naasten iets heel ergs zal worden aangedaan met de bedoeling om een inbreuk te maken op de persoonlijke vrijheid van de telefonist”.
2.23
Naar mijn mening dient aan het begrip ‘persoonlijke vrijheid’ echter een ruime invulling te worden gegeven die past bij dreiging met een terroristisch misdrijf. Gelet op de hiervoor weergegeven omschrijving van een terroristisch oogmerk in art. 83a Sr ziet dit oogmerk per definitie op effecten die verdergaan dan enkel het schadeobject. Wie de aankondiging hoort van een schietpartij op een kerstmarkt of het Jaarbeursplein én die aankondiging serieus mag nemen, dat is immers de voorwaarde die de Hoge Raad stelt, zal niet alleen vrezen voor geweld dat willekeurige personen kan raken, maar ook voor de effecten die met dit geweld worden beoogd. De eis dat schadeobject en vreesobject samenvallen zou miskennen dat het de bedreiger niet in de eerste plaats is te doen om degenen die door het gedreigde misdrijf zouden worden getroffen.
2.24
De aard van de dreiging met een terroristisch misdrijf als bedoeld in art. 83 Sr brengt verder in veel gevallen mee dat de schadeobjecten, degenen die daadwerkelijk zullen worden getroffen door het misdrijf waarmee wordt gedreigd, niet concreet identificeerbaar zijn en daarmee ook niet is vast te stellen dat zij op de hoogte waren van de dreiging. Wie zich op een tijdstip in de toekomst zal bevinden op een kerstmarkt of het Jaarbeursplein of wie slachtoffer zal worden van een niet nader aangeduide “mass shooting”, is niet vast te stellen. In het hiervoor beschreven geval van de bommelding op het vrachtschip berust de bewezenverklaring van de bedreiging van de omwonenden van de vaarroute en de bestemming van het schip, op niet meer dan de aanname dat de publiciteit rondom de bedreiging deze personen heeft bereikt, terwijl de afbakening van die groepen weinig exact is. De constructie doet kunstmatig aan om de zaak te redden en illustreert daarmee dat ook als de bedreiging concreter van aard is, de door het middel voorgestane eis voor een veroordeling wegens bedreiging met een terroristisch misdrijf niet goed werkbaar is. Daarbij wil ik niet onvermeld laten dat ruchtbaarheid geven aan een dreiging met een terroristisch misdrijf niet altijd opportuun is.
2.25
In de parlementaire geschiedenis van de invoering van de strafbaarstelling van art. 285 lid 3 Sr vind ik geen aanwijzing dat de wetgever een reikwijdte van deze bepaling voor ogen had met de hier beschreven beperkingen.
2.26
Ik concludeer dan ook dat voor het bewijs van ‘bedreiging met een terroristisch misdrijf’ voldoende is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de bedreiging is geuit tegen een ander. Dit is in de onderhavige zaak het geval zodat de eerste klacht en daarmee ook de tweede en de derde klacht van het eerste middel niet kunnen slagen.
De beoordeling van het tweede middel
2.27
Met het tweede middel wordt de klacht aan de Hoge Raad voorgelegd dat
“de door het hof voor de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde periode gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen, althans uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bedreiging over bewezen verklaarde periode heeft plaats gehad, waardoor de uitspraak niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed.”
2.28
Ik begrijp deze klacht aldus, dat niet beoogd wordt te klagen over de bewezenverklaarde periode als zodanig,6.maar de klacht inhoudt dat het hof onterecht een pluraliteit van bedreigingen heeft bewezenverklaard in plaats van één bedreiging.
2.29
In de toelichting op het middel lees ik immers een citaat van een in hoger beroep gevoerd verweer, kort gezegd inhoudende dat een getuige zou hebben verklaard dat de verdachte zijn bedreigingen maar op één dag zou hebben geuit (vierde pagina schriftuur, verwezen zal worden naar p. 3, onder 12 van de pleitnota). Volgens de steller van het middel had het hof “moeten responderen op het door de verdediging uitdrukkelijk gevoerd en onderbouwd standpunt dat de verweten gedragingen zich op 1 dag en niet een periode hebben afgespeeld” (vijfde pagina, bovenaan).
2.30
De vraag of het hier een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betrof, laat ik rusten. De klacht vindt zijn weerlegging immers al in de bewijsmiddelen. Met opname van bewijsmiddel 3 heeft het hof vastgesteld dat de uitlatingen van de verdachte “continu” plaatsvonden en dat zijn bedreigingen er “altijd op neer[komen] dat hij met een mitrailleur wil schieten”. Met deze vaststelling heeft het hof voldoende gereageerd op het ter zitting ingenomen - en al dan niet uitdrukkelijk onderbouwde - standpunt.
2.31
Het middel faalt.
Het derde middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat een zogenoemde “gemaximeerde tbs” niet aan de orde is. Dit betreft de vraag of de totale duur van een terbeschikkingstelling met het bevel tot verpleging van overheidswege vier jaar te boven kan gaan omdat de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (art. 38e lid 1 Sr). Ik lees in de toelichting twee klachten. Ten eerste dat het hof “geen geweldselementen [heeft] genoemd waardoor bewezenverklaarde feiten, ook als zij gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam vormen tevens tot geweldsmisdrijven in casu dienen te worden gerekend”. Ten tweede dat het oordeel van het hof “niet een definitieve beslissing tot een ongemaximeerde tbs in[houdt] maar een voornemen niet zonder meer te maximeren”.
3.2
Beide klachten berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan ten grondslag ligt aan de tweede klacht, is het niet de rechter die de maatregel van terbeschikkingstelling oplegt die bepaalt hoelang de maatregel duurt. Deze opleggingsrechter stelt alleen vast of de maatregel is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf en dit oordeel dient te zijn gebaseerd op de aard van het feit. Het is de rechter die oordeelt over de verlenging van de maatregel die de totale duur van de terbeschikkingstelling bepaalt.7.
3.3
Wat de eerste klacht betreft, geldt dat de opleggingsrechter op grond van art. 359 lid 7 Sv onder opgave van redenen in het vonnis aan dient te geven of de maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of8.gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat naast die vaststelling nog enig (ander) geweldselement zou moeten worden benoemd, volgt niet uit de wet.
3.4
In de delen van de pleitnota die het middel aanhaalt, klinkt door dat de verdachte slechts ter zake van een bedreiging zou worden veroordeeld. Dit miskent dat de verdachte ook is veroordeeld wegens de onder 2 primair en 3 tenlastegelegde gekwalificeerde mishandelingen en dat het hof expliciet overweegt dat de maatregel ook voor deze misdrijven wordt opgelegd.9.Dit zijn ook alle drie misdrijven waarvoor volgens art. 37a lid 1 onder 2, Sr de maatregel kan worden opgelegd omdat zowel op de bedreiging met een terroristisch misdrijf als op deze gekwalificeerde mishandelingen naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaar of meer is gesteld.10.Een mishandeling kan zonder meer worden aangemerkt als een geweldsmisdrijf.
3.5
Ook het derde middel faalt.
Afronding
4.1
Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
CAG van 17 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:995.
Bijvoorbeeld HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3135, rov. 3.3.
ECLI:NL:PHR:2019:895, randnr. 27-29.
Voor nog een voorbeeld zie Rechtbank Den Haag 31 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9624.
Een klacht die overigens zou afstuiten op de rechtspraak van de Hoge Raad dat bewezenverklaring van een periode niet betekent dat de verdachte gedurende die gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht, vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, rov. 2.3.
HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:760. rov. 6.2.
In het middel wordt ten onrechte gesteld dat hier niet het woord “of” maar het woord “en” staat.
Zie p. 10 van het arrest.
Zie voor de betekenis van strafverzwarende gronden voor de vraag of een terbeschikkingstelling kan worden opgelegd F.J.H. Hovens, Terbeschikkingstelling (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 74.
Beroepschrift 04‑05‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE DRIE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: mr. F. van Baarlen
In de zaak van:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1981, thans verblijvende in het justitieel complex te [verblijfplaats], verzoeker tot cassatie van een hem onder parketnummer 23-001659-20 gewezen arrest van het gerechtshof uitgesproken op 27 oktober 2022.
Verzoeker tot cassatie dient hierbij de volgende middelen in:
Middel I:
Het recht — en meer in het bijzonder artt. 83, 83a, 285, 285 lid 3 sr, 338, 350, 358 lid 2 en 3, 359 lid 2 sv en art. 6EVRM — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat:
de door het hof voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde -bedreiging van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met een terroristisch misdrijf- gebezigde bewijsmiddelen, de bewezenverklaring niet kunnen dragen, althans uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] (zelf) zijn bedreigd, althans niet kan worden afgeleid dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging, althans verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreigde op de hoogte zouden geraken, waardoor de uitspraak niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed.
Toelichting:
Het hof heeft het onder 1 primair ten laste gelegde bedreiging met een terroristisch misdrijf bewezen verklaard en heeft de bewezenverklaring gegrond op de feiten en omstandigheden zoals die in de bewijsmiddelen in het aanvullend arrest zijn vervat. Het hof heeft onder de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit overwogen dat
‘Voor een bewezenverklaring van een bedreiging met een terroristisch misdrijf is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaat dat het misdrijf waarmee gedreigd wordt een terroristisch misdrijf betreft en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd.’ En daarnaast dat ‘vastgesteld moet worden dat de gebruikte woorden naar hun aard geschikt zijn en onder dusdanige omstandigheden zijn geuit, dat de hiervoor bedoelde redelijke vrees kon ontstaan bij de bedreigde en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht’1.
Hiermee miskent het hof dat voor bewezenverklaring van bedreiging noodzakelijk is dat ook bewezen kan worden dat de bedreigde op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de verdachte het (voorwaardelijk) opzet daartoe had; dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bedreigingen ook terecht zouden komen bij degenen op wie ze betrekking hebben.
Een bedreiging is in beginsel alleen bewezen te verklaren als de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij bedreigde ook in redelijkheid vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee is gedreigd2. en dat de opzet op deze beide aspecten was gericht3..
Het vereiste dat de bedreigde op de hoogte moet zijn geraakt is nochtans de reden voor het hof om niet tot bewezenverklaring van bedreiging van de Nederlandse bevolking te komen met de overweging:
‘Het hof is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat door het handelen van de verdachte de Nederlandse bevolking als zodanig met een terroristisch misdrijf is bedreigd. Om die reden zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.’4.
Het hof overweegt vervolgens:
‘Wel is komen vast te staan dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] naar objectieve maatstaven zijn bedreigd. Gezien hetgeen voorop is gesteld doet daaraan niet af dat zij zich persoonlijk niet bedreigd zouden hebben gevoeld.’5.
Dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zich niet persoonlijk bedreigd hebben gevoeld doet daar inderdaad niet aan af en is ook zelfs niet relevant daar het ten laste gelegde een bedreiging aan het Nederlandse volk dat zich op de Dam bevindt betreft, niet een bedreiging aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. Het betreft een indirecte bedreiging.
Een bedreiging kan ook strafbaar zijn als deze is gericht aan een ander dan aan degene aan wie de bedreiging is geuit. Het vereiste dat de bedreigde op de hoogte moet zijn geraakt is juist ook bij indirecte bedreigingen een vereiste en kan in die gevallen worden afgeleid uit de vastgestelde feiten en omstandigheden.6. Het misdrijf in de bedreiging hoeft aldus niet tegen de persoon waartegen de bedreiging is geuit gericht te zijn, maar voor de strafbaarheid en bewezenverklaring is dan wel noodzakelijk dat minst genomen de kans is aanvaard dat de uitingen bij de bedreigden terecht zou komen7.. De bedreigden is in casu de Nederlandse bevolking, specifiek de Nederlandse bevolking op de Dam. Dit blijkt uit het ten laste gelegde (en bewezen verklaarde):
‘dat hij… … de Nederlandse bevolking heeft bedreigd … Immers heeft hij gezegd … dat hij na zijn vrijlating naar de Dam gaat en iedereen (daar; FB) met een AK-47 doodschiet en/of ‘Al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK47 neer’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.’8.
In de door het hof opgenomen bewijsmiddelen is in beide getuigenverklaringen neergelegd dat de uitlatingen zijn gedaan jegens de Nederlandse personen op de Dam.9. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden dat de Nederlandse bevolking (op de Dam) op de hoogte is geraakt of zou zijn geraakt van deze bedreigingen die in de beslotenheid van de PI tegen twee personen aldaar is geuit.
Daar valt niet tegen in te brengen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onderdeel uitmaken van die Nederlandse bevolking nu van deze getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet vast staat dat zij tot de Nederlandse bevolking behoren (Bij [betrokkene 2] zou je er wat de naam betreft een vermoeden van hebben maar dat is onvoldoende) en al helemaal niet dat zij zich binnenkort als verdachte vrij komt op de Dam zouden begeven ([betrokkene 1] hoogstwaarschijnlijk in ieder geval niet nu hij een medegedetineerde is van wie niet vaststaat of hij ook binnenkort vrij komt).
Met de overweging:
‘Naar het oordeel van het hof kon gelet op het samenstel van deze woorden en feitelijkheden zowel bij [betrokkene 1] als bij [betrokkene 2] de redelijke vrees worden opgewekt dat de verdachte daadwerkelijk de daad bij het woord zou voegen’10.
wordt duidelijk dat het hof voor de eis van bewezenverklaring van bedreiging met een terroristisch misdrijf dat de bij de bedreigden in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd een terroristisch misdrijf is en dat dit misdrijf ook zou worden uitgevoerd, als bedreigden heeft opgevat: [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Dit terwijl zoals hierboven uiteengezet uit de feiten en omstandigheden alsmede uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de bedreigde de Nederlandse bevolking betreft die via [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn bedreigd. Nergens in wet of jurisprudentie of parlementaire geschiedenis blijkt dat bij een bedreiging met een terroristisch misdrijf afgestapt wordt van de algemene eis bij bedreiging dat de bedreigde op de hoogte moet zijn geraakt van de bedreiging. Dit is bij alle vormen van bedreiging aan de orde.
Zonder een overweging omtrent minst genomen de aanmerkelijke kans dat de Nederlandse bevolking op de hoogte zou zijn geraakt van de bedreigingen is de bewezenverklaring op onjuiste/onvolledige gronden geschied en is de motivering van de bewezenverklaring op dit onderdeel onbegrijpelijk of onjuist of onvoldoende. Dit blijkt immers ook niet of onvoldoende uit de gehanteerde bewijsmiddelen of de feiten en omstandigheden van het geval. Uit de feiten en omstandigheden blijkt veeleer het tegendeel nu de uitingen zijn gedaan binnen de beslotenheid van de PI, niet in het openbaar. Overigens heeft de raadsvrouw dit ook aangevoerd in het kader van het vrijspraakverweer voor bedreiging van de Nederlandse bevolking11. hetgeen het hof ook heeft gehonoreerd.
Conclusie
De uitspraak is niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.
Middel II
Het recht — en meer in het bijzonder artt. 83, 83a, 285, 285 lid 3 sr, 338, 350, 358 lid 2 en 3, 359 lid 2 sv en art. 6EVRM — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat:
de door het hof voor de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde periode gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen, althans uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de bedreiging over bewezen verklaarde periode heeft plaats gehad, waardoor de uitspraak niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed.
Toelichting
De raadsvrouw en de verdachte hebben vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit en de raadsvrouw heeft subsidiair vrijspraak van de periode bepleit:
Indien uw Hof van mening is dat de uitlatingen wel degelijk een strafbare bedreiging opleveren, dan wil ik u nog meegeven dat het om één moment gaat in de gehele periode van bijna 5 maanden die is ten laste gelegd. Niet is gebleken dat cliënt meermalen dergelijke uitlatingen heeft gedaan. De anonieme getuige verklaart hierover bij de RC:
‘alleen die keer zijn deze uitlatingen gedaan. Niet tig keer, alleen die dag’
(…) ‘[verdachte] is doorgaans een rustige jongen’
(…) ’Dat van de Dam heeft hij 1 keer gezegd.12.
Het hof heeft in het arrest geen blijk gegeven dit verweer in het oordeel te hebben betrokken, heeft onder de bewijsoverwegingen geen overweging gewijd aan het standpunt van de verdediging dat het ten laste gelegde slechts 1 moment en niet een periode betreft. De conclusie van het hof houdt evenmin een overweging ten aanzien van dat standpunt. Het hof geeft weer:
‘Slotsom : Op grond van bovenstaande verwerpt het hof het tot Vrijspraak strekkende verweer in alle onderdelen behoudens voor zover het ziet op — kort gezegd — het tenlastegelegde onderdeel ‘de Nederlandse bevolking’. Het onder 1 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen op de wijze zoals hierna weergegeven.’
Het hof had moeten responderen op het door de verdediging uitdrukkelijk gevoerd en onderbouwd standpunt dat de verweten gedragingen zich op 1 dag en niet een periode hebben afgespeeld en dat dat ook blijkt uit de verklaringen van de getuigen. Minst genomen had het hof nadere toelichting moeten geven bij de bewezenverklaring van de periode nu dit niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt.
Voor zover u oordeelt dat het hof geen responsieplicht had omdat de verdediging een onvoldoende uitdrukkelijk standpunt heeft ingenomen of dat in de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen de verwerping voldoende besloten ligt, dient het volgende ter onderbouwing dat :
Uit de bewijsmiddelen door het hof gehanteerd blijkt ook dat de ten laste gelegde handelingen 1 specifiek moment betreffen: dat rekwirant aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en direct hierop bij herhaling in kantoor aan [betrokkene 2] zou hebben geuit dat hij op de dam zou gaan schieten. Dat is op 1 dag gebeurd. Uit de bewijsmiddelen is nergens te halen dat het om een periode zou gaan.
In de bewijsmiddelen is opgenomen als verklaring van [betrokkene 1]:
‘Ik heb gesprekken gevoerd met [verdachte]. Hij had het vooral over die Hollanders, dat ze allemaal dood moeten, dat het in Nederland ook gaat gebeuren en dat ze er wel achter komen wat er gaat gebeuren. Hij zei dat hij op de Dam zou gaan schieten met een AK. Hij zei dat hij uit de straat zal komen waarbij het Paleis aan de linkerkant staat en het vrijheidsmonument aan de rechterkant. Hij gaat dan op dat punt staan en vanaf daar gaat hij ‘maaien’. Dat vertelt hij met gebaren. Hij heeft het er continu over. Het komt er altijd op neer dat hij met een mitrailleur wil schieten. Als de PIW'ers er niet bij zijn, maakt hij schietende gebaren alsof hij met een mitrailleur in het rond schiet. Hij zei dat Nederland wel aan de beurt komt. Hij zegt dat hij connecties heeft waar hij wapens kan kopen. Hij zegt dat hij voor 1.000 euro een AK-47 kan kopen. Hij zei dat hij genoeg contacten heeft die dingen kunnen doen en dat ze elkaar allemaal kennen, zoals de mensen die aanslagen in België en Frankrijk hebben gepleegd. De aanslagen in Amerika en in Frankrijk zit hij te vieren, dat vindt hij geweldig.’13.
Hoewel in deze verklaring [betrokkene 1] het heeft over gesprekken (meervoud) en continu en altijd zijn die niet nader in datum geduid noch is geduid over welke periode [betrokkene 1] het heeft. Met betrekking tot de bewezenverklaarde uitingen vinden deze ondersteuning in de verklaringen van [betrokkene 2], die dit wel nader duidt, althans daaruit is af te leiden dat het om 9 augustus 2016 gaat:
‘Ik ben werkzaam als toezichthouder op de werkzalen van de Penitentiaire Inrichting [A] te [a-plaats]. Op mijn werkzaal heb ik gedetineerde [verdachte] aan het werk. Het voorval van vanochtend [het hof begrijpt: 9 augustus 2016] is dat [verdachte] het aan de werktafel had over: ‘al die kanker Hollanders komen er wel achter, binnenkort kom ik vrij en dan zullen ze het wel weten, op de Dam roei ik iedereen met een AK-47 neer’. Een medegedetineerde zei: ‘dat gebeurt niet, zo maak je onschuldige slachtoffers’. [verdachte] antwoordde dat dit wel ging gebeuren en verwees naar de aanslagen in België en Frankrijk. Hij klinkt als een ideologische IS-aanhanger omdat hij dat op die wijze verkoopt en verheerlijkt.[Het is] vooral gericht tegen Hollanders, ongelovigen.’14.
‘[verdachte] werkte bij mij op de werkzaal. Ik wist nog dat hij had gezegd dat hij op de Dam met een AK-47 op Nederlanders zou gaan schieten toen ik de uitnodiging [het hof begrijpt: voor het verhoor] ontving. Ik wist nog dat hij in augustus zou vrijkomen én dat hij had gezegd dat hij dan in het rond zou gaan schieten met een AK-47. Hij deed deze uitspraak op zaal en ik heb hem bij het kantoor naar binnen gehaald. Hij ontkende deze bewoordingen niet en heeft dit [het hof begrijpt: die bewoordingen] op kantoor herhaald. Dit is wat ik heb deze dag specifiek heb horen zeggen. Ik nam serieus wat hij die dag zei. Wanneer u mij vraagt of de heer [betrokkene 1] erbij zat zeg ik u: ‘ja’. Ik hoorde de verdachte roepen over de Dam en de AK-47. Ik hoorde de heer [betrokkene 1] zeggen dat dat niet kan en niet mag en dat dat onschuldige slachtoffers zou op leveren. Er was sprake van stemverheffing van beide kanten’15.
Het feit dat [betrokkene 1] het over meerdere niet naar datum geduide uitspraken heeft en een en ander algemener verwoord, doet niet af aan het feit dat [betrokkene 2] heel duidelijk het over 1 incident heeft. Hij benoemt in de latere verklaring specifiek dat dit is wat hij die dag hem specifiek heeft horen zeggen.
De bewezenverklaring behelst voorts alle specifiek op die dag geuite bewoordingen en niet meer bewoordingen die op een andere dag zouden zijn geuit. In dit licht en zeker in het licht van hetgeen de advocaat heeft aangevoerd:
‘De anonieme getuige verklaart hierover bij de RC:
‘alleen die keer zijn deze uitlatingen gedaan. Niet tig keer, alleen die dag’(…)
‘[verdachte] is doorgaans een rustige jongen’(…)
‘Dat van de Dam heeft hij 1 keer gezegd.’
Het hof heeft aldus de verwerping van het tot (gedeeltelijke) vrijspraak strekkende verweer onvoldoende gemotiveerd verworpen, wordt de bewezenverklaring van de periode niet gedragen door de aangevoerde bewijsmiddelen en/of is de motivering van het hof bij de bewezenverklaring van de periode onbegrijpelijk en/of ontoereikend.
Conclusie
De uitspraak is niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.
Middel III
Het recht — en meer in het bijzonder artt. 37, 37a, 38d, 38e sr, 351, 358 lid 2 en 3, 359 lid 7 sv en art. 6EVRM - is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat:
het hof het oordeel dat er een ongemaximeerde tbs moet worden opgelegd, althans dat een gemaximeerde tbs niet aan de orde is, heeft gebaseerd op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, althans de motivering voor dit oordeel, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, waardoor de uitspraak niet naar de eis der wet met voldoende redenen is omkleed.
Toelichting
De raadsvrouw heeft blijkens het arrest aangevoerd:
‘Mocht het hof wel tot de oplegging van een TBS-maatregel komen, zou deze gemaximeerd moeten zijn, aldus de raadsvrouw.’16.
Dit is nogal summier weergegeven nu de raadsvrouw blijkens haar pleitnota het volgende met betrekking tot een gemaximeerde tbs heeft aangevoerd:
‘Indien en voor zover uw Hof zou menen dat tbs met dwangverpleging de enige juiste en passende afdoening zou zijn, dan geldt in de visie van de verdediging nog dat de totale duur van de tbs een periode van vier jaar niet te boven mag gaan nu de tenlastegelegde verbale bedreiging geen misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, de zogenaamde gemaximeerde tbs.
Blijkens inmiddels bestendige jurisprudentie blijkt dat indien het delict van artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht slechts bestaat uit een verbale bedreiging, kan niet zonder meer worden aangenomen dat er sprake is van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (ECLI:NL:GHARN:2011: BR1161; ECLI:NL:GHARN:2022:BQ6616). Hof Arnhem is in zijn algemeen van oordeel (zie de twee arresten in de voetnoot) dat voor het aannemen van een misdrijf als hier bedoeld is vereist dat een dreigende uiting voorafgegaan, vergezeld, of gevolgd wordt door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde. Gedacht wordt b.v. aan het tonen van een wapen of het met een auto inrijden op een persoon.
Daarbij verwijs ik ook nog naar een recente soortgelijke uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:823) waarin de rechtbank de verdachte veroordeeld ter zake bedreiging met een terroristisch misdrijf, waarin soortgelijke uitspraken zijn gedaan als in onderhavige zaak (het willen opblazen van hele gezinnen met bommen en granaten, verwijzingen naar de Taliban etc.). De rechtbank stelt vast dat dit geen misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de tbs-maatregel is beperkt tot vier jaar.
Kortom: de maatregel tbs kan in de visie van de verdediging, mits deze wordt opgelegd, ten hoogste worden opgelegde voor een periode van maximaal vier jaar.’17.
Een tbs maatregel met ongemaximeerde duur kan alleen ter zake geweldsmisdrijven worden opgelegd; misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. In 359 lid 7 sv is bepaald dat indien tbs met dwang is opgelegd vanwege misdrijven begaan tegen en gevaar veroorzakend voor onaantastbaarheid van het lichaam van personen dient dit in het vonnis in de motivering van de maatregel te zijn weergegeven.
Het hof heeft overwogen dat ‘De maatregel zal worden opgelegd wegens een bedreiging met een terroristisch oogmerk, een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en de mishandeling van een ambtenaar in functie. Dit betreffen misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen’18. Los van een aantal overwegingen van de rapporteurs die het hof overneemt zoals dat verdachte extremistische en gewelddadige gedachten zou hebben en dat het bij zijn persoonlijkheid zou passen geweld te verheerlijken, zijn er (verder) geen overwegingen over een gewelddadig karakter van de bewezen verklaarde feiten. Er zijn geen geweldselementen genoemd waardoor bewezenverklaarde feiten, ook als zij gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam vormen tevens tot geweldsmisdrijven in casu dienen te worden gerekend. Bewezenverklaarde feiten zijn niet per definitie geweldsmisdrijven.
In aanmerking genomen hetgeen is overwogen door het hof en hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde bedreiging is begaan, is 's Hofs oordeel met betrekking tot een ongemaximeerde tbs niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft niet of onvoldoende weergegeven waarom de bewezenverklaring geweldsmisdrijven betreft en waarom niet anders dan tot een ongemaximeerde tbs moet worden besloten.
Het hof heeft conclusies van de rapporteurs overgenomen, ten aanzien van de duur waarin onder iv is weergegeven:
- ‘(iv)
De chronische psychose van de verdachte is tot op heden behandelresistent gebleken. Vanwege de therapieresistente zal het langere tijd vergen om de verdachte psychiatrisch te stabiliseren. … Een zorgmachtiging is als juridisch kader niet toereikend, omdat daarmee op lange termijn de veiligheid van de samenleving onvoldoende gewaarborgd is.’19.
Ten aanzien van de duur heeft het hof vervolgens overwogen:
Gebleken is dat de verdachte geruime tijd behandeld is. Die behandelingen hebben er tot op heden niet voor gezorgd dat het recidiverisico dat de verdachte in zich bergt, verminderd is. De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten voorts gepleegd terwijl hij zich in detentie bevond, zodat dit risico zelfs in een zeer gestructureerde setting onvoldoende ingeperkt kon worden. Daarbij speelt een rol dat de verdachte geen ziektebesef heeft en dus een intrinsieke motivatie om zich te laten behandelen, ontbreekt. Het hof is in het licht van het voorgaande van oordeel dat het, teneinde het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te brengen, noodzakelijk is dat hij langdurig klinisch wordt behandeld in een forensisch psychiatrische setting en wel op grond van een TBS-maatregel.20.
De overweging van rapporteurs dat het langere tijd zal duren om verdachte psychiatrisch te stabiliseren en dat het klinisch zal moeten geschieden en een zorgmachtiging onvoldoende waarborgen biedt kunnen de conclusie van het hof dat een langdurige behandeling noodzakelijk is en daarmee een ongemaximeerde tbs noodzakelijk onvoldoende dragen. Immers langere tijd is niet nader geduid, kan binnen vier jaar liggen, en klinisch ipv via de huidige zorgmachtiging zegt niks over de duur van een tbs met dwangverpleging.
In de slotsom overweegt het hof:
‘De maatregel zal worden opgelegd wegens een bedreiging met een terroristisch oogmerk, een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en de mishandeling van een ambtenaar in functie. Dit betreffen misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Dit brengt met zich dat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.’21.
Dit oordeel houdt niet een definitieve beslissing tot een ongemaximeerde tbs in maar een voornemen niet zonder meer te maximeren. In de overige overwegingen heeft het hof niet nader toegelicht waarom een gemaximeerde tbs niet alsnog kan worden opgelegd of waarom een ongemaximeerde tbs zonder meer moet worden opgelegd. De (overige) motivering van het hof kan de conclusie dat er een ongemaximeerde tbs dient te worden opgelegd dan ook niet dragen. Het hof overweegt niet met zoveel woorden dat er sprake is van een geweldsmisdrijf. Dat wordt ook niet in alle gevallen bij een terroristisch misdrijf aangenomen. Het hof heeft aangegeven dat er sprake is van misdrijven die de onaantastbaarheid van het lichaam in gevaar brengen maar dat niet nader onderbouwd. Bovendien draagt dit volgens het hof zoals gezegd slechts de conclusie dat de tbs niet op voorhand gemaximeerd is, niet dat deze sowieso ongemaximeerd dient te zijn. Er moet dus naar meer omstandigheden worden gekeken, hetgeen in de overwegingen van het hof ontbreekt, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
De slotsom ‘nu aan de verdachte een ongemaximeerde tbs-maatregel wordt opgelegd’22. is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, dan ook niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Gezien hetgeen door de verdediging is aangevoerd en gezien de jurisprudentie hieromtrent is de motivering van het hof eveneens onbegrijpelijk althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Het is ook nog eens zo dat in casu het gaat om een bedreiging van de Nederlandse bevolking, een ongedefinieerde groep personen. Aan het gevaar voor de algemene veiligheid dienen zwaardere eisen te worden gesteld dan aan gevaar voor individueel bepaalde personen- omdat de belangen voor een bredere onbeperkte kring beperkster zijn op te vatten. Het hof heeft geen blijk heeft gegeven die zwaardere eisen acht te hebben genomen.
Conclusie
De uitspraak is niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.
Conclusie
Bovenstaande schendingen van recht en/of verzuimen leiden ertoe dat de uitspraak van het hof (op genoemde onderdelen) dient te worden vernietigd en verzoeker u verzoekt de zaak terug te wijzen naar (een aangrenzend) hof, opdat het hof opnieuw kan oordelen over de bewezenverklaring, althans op de wijze zoals uw Raad voorstaat dient te worden afgehandeld.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. F. van Baarlen, praktijk voerend op de Torenallee 45 te (5617 BA) Eindhoven, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Eindhoven 4 mei 2023
mr. F. van Baarle
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑05‑2023
HR 7 juni 2005, UN AT3659, NJ 2005/448, HR 10 februari 2009, NJ 2009, 109
HR 17 januari 1984, NJ 1984/479, HR 19 juni 2007, RvdW 2007,672
idem
ECLI:NL:HR:2013:BY8996: verdachte heeft in een telefoongesprek met de dochter de moeder en de dochter bedreigd. Dat moeder hiervan op de hoogte was bleek uit de omstandigheid dat zij op het moment dat verdachte aan de deur kwam de dochter met een telefoon naar de badkamer heeft gestuurd en heeft opgedragen de alarmdienst te bellen.
Hof Den Bosch 9 februari 2007, LJN B4551: verdachte heeft zich met de bedreiging jegens zijn echtgenote en kinderen, geuit tegen een maatschappelijk werker, en met de indringende wijze waarop die werden geuit en met de personen tegenover wie deze zijn geuit willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die uitlatingen bij de echtgenote en kinderen terecht zouden komen
Aanvulling verkort arrest, p.1 en 2, bewijsmiddelen 1, 2, 3.
Blijkens o.m. de pleitnota p2, onder 6, en de overwegingen in het arrest ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, p.2 en onder gedeeltelijke vrijspraak, p.4
Pleitnota p3 onder 12
Aanvulling verkort Arrest p.2 onder 3
Aanvulling verkort arrest, p.1 onder 1
Aanvulling verkort arrest, p.1 onder 2
Arrest p7, oplegging van straf en tbs maatregel
Pleitnota p.7–8 onder 37–40
Arrest p.10, slotoverwegingen
Arrest, p.8, gedragsdeskundige rapportages
Arrest, p.9, overwegingen en gevolgtrekkingen van het hof
Arrest, p.10, slotoverwegingen
Arrest p.10, slotoverwegingen