NJ 1932, p. 244
Valsche aangifte v. e. strafbaar feit. Vereischte inhoud der aangifte.
HR 26-10-1931, ECLI:NL:HR:1931:293, m.nt. Prof. Mr. W.P.J. Pompe
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 oktober 1931
- Magistraten
Mrs. Taverne, Schepel, de Menthon Bake, Fick en Meckmann
- Zaaknummer
[261931/NJ_1932,_p._244]
- Conclusie
Mr. Berger
- Noot
Prof. Mr. W.P.J. Pompe
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS103305:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1931:293, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑10‑1931
- Wetingang
(Sr art. 188.)
Essentie
Valsche aangifte v. e. strafbaar feit. Vereischte inhoud der aangifte.
Samenvatting
Voor toepassing van art. 188 Sr. wordt niet vereischt, dat een aangifte uitdrukkelijk alle bestanddeelen van een strafbaar feit inhoudt; voldoende is, dat daarin (verzonnen) feiten in zoodanige bewoordingen worden medegedeeld, dat degene, aan wien de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen, dat op zekeren tijd en ter aangegeven plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. De formuleering der aangifte, waarin wordt weergegeven, dat op 17 Nov. 1930 op den Gastelschendijk, zijnde deze plaatsaanduiding voor een wachtmeester der maréchaussée te D. van genoegzame duidelijkheid, t. o. v. requirant ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.