Zie o.a. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41, r.o. 2.1 en HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:268, r.o. 2.1.
HR, 27-05-2025, nr. 23/01124
ECLI:NL:HR:2025:824
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
23/01124
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:824, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:2298
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:320
ECLI:NL:PHR:2025:320, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:824
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandelen van hond die hij traint, art. 2.1.1 Wet dieren. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Kan klacht dat arrest hof geheel en zonder enige motivering voorbijgaat aan werkelijkheid, datering van beelden, enkele cruciale onderdelen van politierapport, feitelijke situatie en wijze waarop verdachte zijn verweer ttz. heeft laten voorleggen, worden aangemerkt als cassatiemiddel? Als cassatierechter onderzoekt HR alleen cassatiemiddelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. Geen middelen ingediend, verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01124
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2023, nummer 21-000177-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.J.M. Kobossen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. Deze schriftelijke reactie is in strijd met artikel 432a van het Wetboek van Strafvordering en artikel 4.2.4. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden niet ingediend door plaatsing in het webportaal. De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen maar daarvan is geen gebruik gemaakt. De Hoge Raad zal daarom op deze schriftelijke reactie geen acht slaan.
2. Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
2.2
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 437.2 Sv. Geen cassatiemiddel in de zin van de wet. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01124
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 17 maart 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (21-000177-22) wegens “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast de onttrekking aan het verkeer bevolen van vier (prik)halsbanden en vier losse schakels voor prikbanden.
1.2
Namens de verdachte heeft F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, een schriftuur ingediend.
2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1
De schriftuur bevat één voorgesteld cassatiemiddel, dat luidt:
“Het recht is geschonden en/of de naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd, doordat het arrest geheel en zonder enige motivering voorbijgaat aan de werkelijkheid , de datering van beelden, enkele cruciale onderdelen van het politierapport, de feitelijke situatie en de wijze waarop [verdachte] , die op juiste gronden meent " part noch deel" aan de feitelijke situaties te hebben, zijn verweer ter zitting heeft laten voorleggen aan het hof, waarbij tevens fundamentele rechten van [verdachte] zijn geschonden”.
2.2
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen als in de wet bedoeld. Volgens vaste rechtspraak kan als cassatiemiddel alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.1.
2.3
Het voorgestelde cassatiemiddel, ook bezien in samenhang met de toelichting daarop en de overgelegde producties, voldoet niet aan dit vereiste, zodat het onbesproken moet blijven.
2.4
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet voldaan aan art. 437 lid 2 Sv. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen.2.
3. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat de schriftuur een klacht over de bewijsvoering bevat die als een cassatiemiddel moet worden aangemerkt, dan ligt niet voor de hand de zaak af te doen op de voet van art. 81 lid 1 RO. De verdachte is in eerste aanleg immers vrijgesproken (vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.5). Overigens meen ik dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd (vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Frielink van 21 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:84, voetnoot 6).