NJB 2014/1451
Afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de WOTS-vordering voor het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België, art. 328 jo. 331 jo. art. 315 Sv: Hoge Raad casseert niet aangezien de rechtbank het toepasselijke noodzakelijkheidscriterium hanteert, nu in haar oordeel besloten ligt dat het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België niet noodzakelijk is. A-G: anders
HR 01-07-2014, ECLI:NL:HR:2014:1597
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
1 juli 2014
- Magistraten
Mrs. A.J.A. van Dorst, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend
- Zaaknummer
14/00345
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Overdracht en overname strafvervolging
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2014:1597, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑07‑2014
ECLI:NL:PHR:2014:659, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑05‑2014
- Wetingang
Essentie
Afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de WOTS-vordering voor het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België, art. 328 jo. 331 jo. art. 315 Sv: Hoge Raad casseert niet aangezien de rechtbank het toepasselijke noodzakelijkheidscriterium hanteert, nu in haar oordeel besloten ligt dat het doen inwinnen van informatie over de mogelijkheid van voorlopige invrijheidstelling in België niet noodzakelijk is. A-G: anders
Uitspraak
Inleiding:
De vraag die in deze zaak speelt – aldus A-G Spronken (par. 4) – is of de veroordeelde in België al na tenuitvoerlegging van 1/3e van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.