Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2760.
HR, 27-10-2023, nr. 22/02531
ECLI:NL:HR:2023:1486, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-10-2023
- Zaaknummer
22/02531
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1486, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑10‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:544, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:2760, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2023:544, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1486, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2022
- Vindplaatsen
Notamail 2023/250
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/637
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2023-0099
JERF Actueel 2023/444
NJB 2023/2551
RvdW 2023/1019
ERF-Updates.nl 2023-0470
RFR 2024/15
RN 2024/1
JERF 2024/21 met annotatie van prof. mr. J.W.A. Biemans
NJ 2024/64 met annotatie van S. Perrick
FJR 2024/28.4
JERF Actueel 2023/241
ERF-Updates.nl 2023-0313
Uitspraak 27‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Art. 4:43 lid 2 BW. Is erfstelling vernietigbaar omdat deze op onjuiste beweegreden berust? Aan wie komt mogelijkheid toe om vernietiging van uiterste wilsbeschikking in te roepen? Is beweegreden in uiterste wil zelf aangeduid, nu deze is opgenomen in bijlage bij het testament? Appelprocesrecht. Is hof buiten het door de grieven ontsloten gebied getreden?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/02531
Datum 27 oktober 2023
ARREST
In de zaak van
[de dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de dochter,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,
tegen
[de zoon] ,
wonende te [woonplaats] , Noorwegen,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: de zoon,
advocaat: A.C. van Schaick.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak NL19.848 van de rechtbank Gelderland van 16 maart 2020;
b. de arresten in de zaak 200.279.983 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 november 2021 en 12 april 2022.
De dochter heeft tegen het arrest van het hof van 12 april 2022 beroep in cassatie ingesteld.
De zoon heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
De moeder van partijen (hierna: de moeder) heeft in haar testament de dochter tot enige erfgename benoemd. In deze procedure vordert de zoon vernietiging van deze erfstelling op de grond dat deze berust op een onjuiste beweegreden.
2.2
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 tot en met 1.17. Die feiten komen op het volgende neer.
(i) De ouders van partijen waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden en zijn in 1984 gescheiden. De tussen hen bestaande gemeenschap van vruchten en inkomsten is in 1987 bij akte van dading verdeeld, waarbij aan de moeder is toegedeeld “een perceeltje appelboomgaard gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , uitmakende een ter plaatse afgepaald ongeveer oostelijk gedeelte ter grootte van ongeveer twaalf aren en vijftig centiare van het perceel [001] ” (hierna: het perceeltje appelboomgaard). De akte van dading hield tevens in dat de vader op eigen kosten tot een beloop van ƒ 165.000,-- een Noorse hut voor de moeder zal bouwen op het perceeltje appelboomgaard en dat hij de kosten – gewaardeerd op ƒ 21.000,-- – draagt van (tijdelijke) woonruimte voor de moeder. Ten slotte is in de akte opgenomen dat de vader voor ƒ 140.000,-- aan de zoon verkoopt het aan de vader toebedeelde perceel weiland, houtwal en appelboomgaard van ongeveer 4.85.00 hectare van het perceel [001] en dat de zoon de koopsom zal voldoen door overname van de verplichtingen van de vader jegens de moeder om een Noorse hut te bouwen en te voorzien in tijdelijke woonruimte voor haar.
(ii) In het vervolgens aan de moeder verstrekte notariële eigendomsbewijs is het perceeltje appelboomgaard omschreven als “een perceeltje appelboomgaard gelegen aan de [a-straat] te [plaats] , uitmakende een ter plaatse afgepaald ongeveer oostelijk resterend gedeelte ter grootte van ongeveer twaalf aren en vijftig centiare van het perceel [001] ”.
(iii) In 1991 is het perceeltje appelboomgaard kadastraal opgemeten, waarna het kadaster aan de moeder heeft bericht dat het nieuwe kadastrale perceel is gevormd en ingeschreven als haar eigendom met de volgende omschrijving: “ [plaats] [sectie] 1126, (...) [a-straat 1] , de grootte is 0 ha 10 a 55 ca”.
(iv) De vader is in 2009 overleden. Hij heeft bij testament de dochter en de zoon tot zijn enige erfgenamen benoemd.
(v) De moeder is in 2018 overleden. Zij heeft in 2011 bij testament onder ‘Erfstelling’ het volgende verklaard:
“Ik benoem mijn dochter tot mijn enige en algehele erfgename zulks met plaatsvervulling als volgens de wet. Ter toelichting van deze erfstelling verwijs ik naar de aan dit testament gehechte bijlage.”
In die bijlage staat het volgende:
“Mijn zoon (…) heeft, begin jaren zeventig, een stuk grond en huis gekregen van mijn schoonvader. Deze schenking ging af van de erfenis die mijn toenmalige man, (…), van zijn vader zou krijgen. Mijn man heeft daarna geen testament gemaakt waarin mijn dochter ook een evenredig deel zou krijgen.
Omdat ik gescheiden ben van mijn man, (…), moest er een verdeling komen van ons gezamelijke bezit. Dit is uiteindelijk zo gegaan dat ik een perceel appelboomgaard zou krijgen waarop mijn zoon een Noorse blokhut zou bouwen ter waarde van fl. 165.000.
Omdat ik in die periode veel nare zaken aan mijn hoofd had en er van uit ben gegaan dat ik mijn zoon kon vertrouwen heb ik mij niet altijd met de details bemoeid. Mijn advocaat liet mij in de brief van 23 januari 1987 weten dat ik de appelboomgaard zou krijgen met de Noorse hut. Dat mijn zoon gecompenseerd zou worden om mij in de tijd van de bouw onder te brengen. En dat mijn zoon rekening en verantwoording hierover af zou leggen.
Mijn zoon zou een weiland ter waarde van fl 140.000 krijgen en zijn schulden aan zijn grootvader ter waarde van fl 52.000 gingen over naar zijn vader. Deze schulden werden kwijtgescholden. In totaal dus een waarde van fl 192.000.
Mijn zoon zei dat hij wel een deel van de boomgaard wilde onderhouden omdat het te groot voor mij was. Dat vond ik een goed idee. Ik zei dat hij een hekje kon plaatsen om een afscheiding te maken.
Na de scheiding, 3 februari 1987, ben ik in een woonwagen gaan wonen in de appelboomgaard en heeft mijn zoon een Noors huisje gebouwd. Toen ik er in ging wonen was het niet helemaal afgewerkt.
Mijn dochter (…) woonde in deze periode in buitenland.
Ik heb nooit precies begrepen waarom [de zoon], zonder het mij te vertellen, een deel van de boomgaard op zijn naam heeft gezet. Daar had hij helemaal geen recht op. [De zoon] heeft dat deel van de boomgaard nooit van mij gekocht of gekregen. De verhouding met mijn zoon en schoondochter was in die tijd verre van plezierig en om de vrede te bewaren heb ik er nooit naar gevraagd. Ik had ook niet door dat de waarde van mijn huisje aanzienlijk lager was geworden door het verkleinen van het perceel waar ik recht op had. En dat niet alleen ik maar ook mijn dochter daar door ernstig benadeeld zou worden. Later begreep ik ook dat de waarde van de blokhut nooit fl 165.000 is geweest. De boomgaard was fl 50.000 waard maar daar was een groot deel vanaf gehaald. Het huisje was met materiaal neer gezet dat misschien niet meer dan fl 30.000 was. Mijn zoon heeft daarover nóóit verantwoording willen afleggen.
Mijn zoon heeft door zijn handelingen zijn deel van de erfenis van mij zelf toegeëigend. Om deze reden wil ik hem onterven. Zijn legitieme deel heeft hij al gehad door mij niet alles te geven waar ik recht op had bij de echtscheiding.”
2.3
De zoon vordert in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, vernietiging van het testament van de moeder op de voet van art. 4:43 lid 2 BW. De dochter heeft een tegenvordering ingesteld, die – voor zover in cassatie van belang – ertoe strekt dat de zoon wordt veroordeeld de waarde van het gedeelte van de appelboomgaard dat hij zich heeft toegeëigend aan de nalatenschap te vergoeden, dan wel dit gedeelte van de appelboomgaard aan de nalatenschap terug te leveren.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
In 1991 heeft het kadaster metingen verricht in het kader van de splitsing van perceel [001] en geconstateerd dat het perceel van de moeder 10.55 are was. Kennelijk was het perceel van de moeder geen 12.50 are, maar slechts 10.55 are. (rov. 4.17)
De zoon heeft in ieder geval vanaf 1991 de rest van de boomgaard in zijn bezit gehad. De rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is verjaard en de zoon is, in ieder geval door verjaring, eigenaar geworden van dat stuk boomgaard. Tot de nalatenschap van de moeder behoort dan ook slechts 10.55 are boomgaard. (rov. 4.18)
Niet is gebleken dat de zoon zich grond van de moeder heeft toegeëigend en evenmin dat de zoon zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. (4.20).
2.5
Het hof1.heeft de hiervoor in 2.2 onder (v) genoemde uiterste wilsbeschikking vernietigd en het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen.
“4.10 Anders dan [de dochter] is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat [de zoon] in de loop van de tijd ten gunste van zichzelf het aan moeder toebehorende perceel grond heeft verkleind. Van een onrechtmatig handelen van [de zoon] is dan ook niet gebleken. (…).
4.11
Het hof stelt voorop dat uit de akte van dading van 3 februari 1987 volgt dat vader en moeder zijn overeengekomen dat aan moeder in het kader van de scheiding en deling een perceeltje boomgaard (…) ter grootte van 12 aren en 50 centiaren is toegedeeld. (…) Dat moeder, zoals [de dochter] stelt, ten tijde van het verlijden van de akte ervan uitging dat het aan haar toegedeelde perceel een andere, grotere maat had dan in de akte staat vermeld, betekent niet dat aan haar ook meer is toegedeeld dan een perceel van ongeveer 12.50 are.
(…)
4.14
Zoals hiervoor al is vermeld is aan moeder bij de dading een afgepaald gedeelte van de boomgaard ter grootte van 12.50 are toegedeeld. Zij is hierdoor eigenaar geworden van dat gedeelte van het perceel. Gesteld noch gebleken is dat moeder een deel groot 200 m2 op enig moment aan [de zoon] heeft geleverd, dan wel [de zoon] dit stuk grond zich heeft toegeëigend. Het feit dat het kadaster in het kader van een meting al dan niet op verzoek van moeder een kleiner perceel inmeet, maakt dit niet anders. Zij was immers krachtens de afspraken en de ter uitvoering daarvan verrichte levering eigenaar van een afgepaald gedeelde ter grootte van 12.50 are. Het voorgaande heeft tot gevolg dat ten tijde van het overlijden van moeder tot haar nalatenschap een perceel grond van 12.50 are behoorde. Dat [de zoon] tijdens de meting willens en wetens het perceel van moeder ten gunste van zichzelf heeft verkleind heeft [de dochter] onvoldoende onderbouwd. [De zoon] heeft die stelling van [de dochter] gemotiveerd betwist en [de dochter] heeft ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, hetgeen wel op haar weg lag.
(…)
4.18
De toelichting van moeder staat niet in haar testament zelf (‘uiterste wil’), maar is verwoord in een niet ondertekende bijlage bij dat testament. Tussen partijen is allereerst in geschil of de bijlage bij het testament wel onderdeel uitmaakt van het testament en of de beweegreden, zoals artikel 4:43 lid 2 BW verlangt, wel in de uiterste wil is aangeduid. Het hof is van oordeel dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als ‘in de uiterste wil aangeduid’ geldt. De bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel. In het testament zelf staat de uiterste wilsbeschikking waar het moeder om gaat: de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon]; in de bijlage is de toelichting daarop verwoord. De uiterste wilsbeschikkingen van moeder zijn vervat in een notariële akte en voldoen daardoor aan de vormeis die daaraan wordt gesteld (artikel 4:42 lid 3 BW en artikel 4:94 BW). Dat die toelichting is vermeld in een bijlage bij het testament doet in dit geval geen afbreuk aan de verplichte notariële tussenkomst en de daaraan verbonden waarborgen, zoals het bewaken van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming. Die waarborgen gelden zowel voor het testament als de bijlage. Dat de bijlage niet door moeder is ondertekend maakt dat niet anders. Door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit haar toelichting is.
4.19
Vervolgens dient het hof te beoordelen of in het testament sprake is van onjuiste beweegredenen die leiden tot vernietigbaarheid van het testament. Het hof is van oordeel dat moeder de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon] heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. In de bijlage is vermeld dat moeder [de zoon] heeft onterfd, omdat moeder in de veronderstelling was dat [de zoon] een deel van de boomgaard zonder haar medeweten op zijn naam heeft gezet, terwijl hij volgens moeder daar geen recht op had. Verder was zij in de veronderstelling dat de waarde van de blokhut door het verkleinen van het perceel aanzienlijk lager was geworden. Hierdoor zouden zij en [de dochter] zijn benadeeld.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.10 tot en met 4.14 is overwogen blijkt dat de veronderstellingen van moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest. Bij de scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten zijn moeder en vader immers overeengekomen dat moeder een deel groot 12.50 are van de boomgaard zou krijgen toegedeeld. Dit deel van de boomgaard behoorde op het moment van overlijden van moeder nog steeds tot haar vermogen. Van enige benadeling van moeder of [de dochter] door [de zoon] of van het zich al toe-eigenen van de erfenis van moeder door [de zoon] kan dan ook niet worden gesproken.
4.20
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of moeder [de zoon] niet impliciet zou hebben onterfd, indien zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis had gedragen.
[De zoon] stelt dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals [de dochter] voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen. Die stelling van [de zoon] wordt door [de dochter] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep en van het middel in het incidentele beroep
3.1.1
Onderdeel C.4 van het middel in het principale beroep en het middel in het incidentele beroep zijn beide gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.14 dat tot de nalatenschap van de moeder een perceel grond van 12.50 are behoort (en niet een perceel van slechts 10.55 are).
De dochter heeft onderdeel C.4 aangevoerd onder de voorwaarde dat de onderdelen A en B in het principale beroep niet slagen. Aan die voorwaarde is voldaan, zoals hierna in 3.2.1-3.4 bij de behandeling van die onderdelen blijkt. Onderdeel C.4 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de zoon geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon in ieder geval vanaf 1991 ‘de rest van de boomgaard’ in zijn bezit heeft gehad en daarvan in ieder geval door verjaring eigenaar is, zodat tot de nalatenschap van de moeder slechts 10.55 are boomgaard behoort en dat de dochter in hoger beroep evenmin heeft bestreden dat de zoon een deel van het perceel in bezit heeft genomen. Het hof heeft de aldus getrokken grenzen van de rechtsstrijd miskend, aldus het onderdeel.
De zoon heeft met het middel in het incidentele beroep onder meer aangevoerd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu geen van beide partijen een grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon in ieder geval vanaf 1991 de rest van de boomgaard in zijn bezit had en daarvan door verjaring eigenaar is geworden.
3.1.2
Deze klachten slagen. Het hof heeft niet vastgesteld dat de dochter of de zoon een grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 (zie hiervoor in 2.4) dat tot de nalatenschap slechts behoort een perceel ter grootte van 10.55 are en dat de zoon, in ieder geval als gevolg van verjaring, eigenaar is van de rest van de boomgaard. De zoon heeft in zijn memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de dochter geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 en aangevoerd dat daarom vaststaat dat tot de nalatenschap van de moeder slechts 10.55 are boomgaard behoort en dat de zoon (in ieder geval door verjaring) eigenaar is van de rest van de boomgaard. De dochter heeft dat bij de mondelinge behandeling niet bestreden. De gedingstukken laten ook geen andere uitleg toe dan dat geen van partijen een (voldoende kenbare) grief heeft gericht tegen het hier bedoelde oordeel van de rechtbank. Met zijn oordeel dat tot de nalatenschap van de moeder een perceel grond van 12.50 are behoort, is het hof dan ook buiten het door de grieven ontsloten gebied getreden.
3.1.3
Het oordeel van het hof dat bij het overlijden van de moeder een perceel van 12.50 are tot haar vermogen behoorde, ligt mede ten grondslag aan zijn oordeel in rov. 4.19 dat de erfstelling berust op onjuiste beweegredenen. Het slagen van onderdeel C.4 in het principale beroep, heeft daarom tot gevolg dat ook dit oordeel niet in stand blijft. In zoverre slaagt de voortbouwende klacht van onderdeel C.6 in het principale beroep. Onderdeel C.8 in het principale beroep, dat klaagt over de vaststelling van het hof dat de beweegredenen genoemd in de bijlage bij het testament onjuist zijn, behoeft daarom geen behandeling.
3.2.1
Onderdeel A van het middel in het principale beroep verwijt het hof te hebben miskend dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op het onderhavige geval. Onderdeel A.1 bepleit onder meer dat onder een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in art. 4:43 lid 2 BW niet mede verstaan wordt een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van middellijke onterving van een wettelijk erfgenaam als nevengevolg van een erfstelling en de erfstelling zelf niet berust op een onjuiste beweegreden. Onderdeel A.2 stelt onder meer dat een vordering op de voet van art. 4:43 lid 2 BW tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking niet toekomt aan degene die is onterfd, maar slechts aan de rechtsopvolgers van de erflater. Onderdeel A.3 berust op de stelling dat art. 4:43 lid 2 BW uitsluitend van toepassing is op aanduidingen van de persoon ten behoeve van wie de erfstelling of het legaat is gemaakt.
3.2.2
Art. 4:43 lid 2 BW houdt in dat een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, slechts dan vernietigbaar is, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van die veronderstelling had kennis gedragen. In art. 4:42 lid 1 BW is een uiterste wilsbeschikking gedefinieerd als een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in Boek 4 BW is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. Een erfstelling is volgens art. 4:115 BW een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Een uiterste wilsbeschikking kan ook een onterving inhouden (art. 4:1 lid 2 BW).
Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat de erfstelling van de dochter, waarmee de moeder naar het oordeel van het hof tevens beoogde de zoon te onterven, een uiterste wilsbeschikking is, waarop art. 4:43 lid 2 BW kan worden toegepast. In het oordeel van het hof in rov. 4.19 ligt bovendien besloten dat de beweegredenen om de dochter tot enig erfgename te benoemen dezelfde zijn als die welke ten grondslag liggen aan de (impliciete) onterving van de zoon.
De hiervoor in 3.2.1 genoemde klacht van onderdeel A.1 faalt dus.
3.2.3
Onderdeel A.2 faalt eveneens. De door dit onderdeel verdedigde opvatting dat een beroep op art. 4:43 lid 2 BW niet toekomt aan diegene die is onterfd, maar alleen aan de rechtsopvolger(s) van de erflater, is niet juist.
Aangenomen moet worden dat de mogelijkheid om een grond tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking in te roepen, ten dienste staat van degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat. Wie tot die kring behoort, moet in dit verband worden vastgesteld aan de hand van de tekst of strekking van art. 4:43 lid 2 BW.
Zoals hiervoor in 3.2.2 is overwogen, is art. 4:43 lid 2 BW ook van toepassing op een geval als het onderhavige, waarbij een erfstelling mede een onterving van een wettelijk erfgenaam inhoudt. De aldus onterfde wettelijk erfgenaam behoort daarom tot de kring van degenen aan wie de mogelijkheid toekomt om de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking in te roepen.
3.2.4
Ook onderdeel A.3 faalt. Anders dan dit onderdeel betoogt, is art. 4:43 lid 2 BW niet uitsluitend van toepassing op aanduidingen van personen of hun hoedanigheid.
3.3.1
Onderdeel B van het middel in het principale beroep bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.18 dat de bijlage bij het testament deel uitmaakt van de uiterste wil van de moeder en dat hetgeen daarin staat, geldt als ‘in de uiterste wil aangeduid’ als bedoeld in art. 4:43 lid 2 BW. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW toetsing van de beweegredenen slechts mogelijk maakt indien de beweegredenen in de uiterste wil zijn opgenomen. Dat laatste is hier niet het geval, gelet op de vaststelling van het hof dat de toelichting van de moeder niet in haar testament zelf staat, maar is verwoord in een niet ondertekende bijlage bij dat testament, aldus het onderdeel.
3.3.2
Deze klacht faalt. De erfstelling waarbij de moeder de dochter tot enig erfgename heeft benoemd, is een uiterste wilsbeschikking (art. 4:115 BW). Deze wilsbeschikking is, in overstemming met de vormvoorschriften van art. 4:42 lid 3 BW en art. 4:94 BW, opgenomen in een notarieel testament. De erfstelling zelf verwijst ter toelichting naar de aan het testament gehechte bijlage, waarin staat waarom de zoon (impliciet) is onterfd. Naar de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof vormt de bijlage één geheel met de uiterste wil en doet het feit dat de toelichting in een bijlage is vermeld in dit geval geen afbreuk aan het bewaken door de notaris van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming.
Tegen deze achtergrond heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bijlage geldt als in de uiterste wil aangeduide beweegreden als bedoeld in art. 4:43 lid 2 BW.
3.4
De overige klachten van het middel in het principale beroep en van het middel in het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep en in het incidentele beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 27 oktober 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑10‑2023
Conclusie 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Vordering tot vernietiging testament wegens ‘onjuiste beweegreden’ op voet art. 4:43 lid 2 BW; toelichting in bijlage bij testament waarnaar in erfstelling is verwezen; geldt bijlage als ‘in de uiterste wil aangeduid’ in zin art. 4:43 lid 2 BW?; art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing op ‘middellijke’ onterving? Motiveringsklachten. Devolutieve werking appel.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02531
Zitting 26 mei 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de dochter]
(hierna: de dochter)
tegen
[de zoon]
(hierna: de zoon)
Deze zaak heeft betrekking op de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking op de voet van art. 4:43 lid 2 BW. Erflaatster heeft haar dochter tot enig erfgenaam benoemd en daarmee haar zoon impliciet onterfd. De zoon vordert de vernietiging van deze erfstelling, omdat erflaatster deze zou hebben gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden. In het principaal cassatieberoep komen onder meer de volgende vragen aan de orde: (i) is art. 4:43 lid 2 BW van toepassing op een ‘middellijke’ onterving, (ii) komt de (impliciet) onterfde een beroep toe op 4:43 lid 2 BW, en (iii) hoe moeten in dit geval de voorwaarden die art. 4:43 lid 2 BW stelt aan vernietiging, worden uitgelegd en toegepast? Verder wordt zowel in het principaal als in het incidenteel cassatieberoep geklaagd dat het hof de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep heeft miskend.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan, kort weergegeven, van het volgende worden uitgegaan.1.Partijen zijn de kinderen van [de moeder] (hierna: moeder), geboren op [geboortedatum] 19182., en [de vader] (hierna: vader). Vader en moeder waren met elkaar gehuwd onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden (gemeenschap van vruchten en inkomsten).
1.2
Vader en moeder zijn in 1984 gescheiden. Tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten behoorde een perceel met opstallen te [gemeente X] (destijds kadastrale percelen gemeente [X] [sectie] nummer [001] en [002] ). Op 3 februari 1987 is de akte van dading gepasseerd waarin scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten van vader en moeder heeft plaatsgevonden. Daarin is onder meer opgenomen dat bij wijze van dading aan vader wordt toegedeeld:
a) het woonhuis, schuren, stal en een stuk grond in [gemeente X] van ongeveer 1.72.20 hectare, deel uitmakend van perceel [001] , zoals ter plaatse afgepaald en perceel [002] van 6 centiaren;
b) een perceel weiland, houtwal en appelboomgaard in [gemeente X] van ongeveer 4.85.00 hectare van het perceel [001] .
Aan moeder is toegedeeld ‘een perceeltje appelboomgaard gelegen aan [adres] in [gemeente X]’ van circa 12.50 are, deel uitmakend van perceel [001] , zoals ter plaatse afgepaald.
1.3
In de akte is ook bepaald dat vader zich verplicht om op eigen kosten een Noorse hut voor moeder te bouwen tot een beloop van ƒ 165.000, dat hij de kosten van (tijdelijke) woonruimte – gewaardeerd op ƒ 21.000 – voor moeder betaalt en dat vader aan de zoon (eveneens als comparant genoemd in de akte) voor ƒ 140.000 het hierboven onder b) genoemde aan vader toegedeelde registergoed verkoopt. In de akte is bepaald dat de koopsom door de zoon wordt voldaan door overname van de verplichtingen van vader jegens moeder om een Noorse hut voor moeder te bouwen en de tijdelijke woonruimte voor haar te realiseren en te betalen (schuldoverneming).
1.4
Bij akte van levering van 20 maart 1987 heeft vader het onder b) genoemde registergoed aan de zoon geleverd ten titel van koop voor ƒ 140.000. De koopsom is verrekend conform de akte van dading. Moeder heeft toestemming gegeven voor de schuldoverneming.
1.5
In het ‘Eigendomsbewijs’ van 20 maart 1987 is het aan moeder toegedeelde perceel beschreven als ‘een perceeltje appelboomgaard (...) uitmakende een ter plaatse afgepaald ongeveer oostelijk en resterend gedeelte ter grootte van ongeveer 12 aren en 50 centiaren van het perceel, (...) nummer [001] ’.
1.6
De zoon heeft vervolgens op het gedeelte van de grond van moeder een blokhut voor moeder laten bouwen, waar moeder in augustus 1987 is gaan wonen.
1.7
In 1991 heeft kadastrale opmeting van het perceel van moeder plaatsgevonden. Bij kennisgeving van 20 maart 1991 heeft het Kadaster moeder bericht dat het nieuwe kadastrale perceel is gevormd en ingeschreven als haar eigendom met de volgende omschrijving: ‘[gemeente X] [sectie] [003] (...) [adres], de grootte is 0 ha 10 a 55 ca’.
1.8
Vader is op 13 mei 2009 overleden. Hij heeft bij testament van 14 januari 2005, aangevuld bij testamenten van 14 juli 2006 en 13 maart 2008, de dochter en de zoon tot zijn enig erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard.
1.9
Moeder is op 14 juni 2018 overleden. Bij testament van 23 november 2011 heeft zij voor de afwikkeling van haar nalatenschap gekozen voor toepassing van Nederlands recht, eerder door haar gemaakte testamenten herroepen en onder 3 ‘Erfstelling’ het volgende verklaard:
‘Ik benoem mijn dochter tot mijn enige en algehele erfgename zulks met plaatsvervulling als volgens de wet. Ter toelichting van deze erfstelling verwijs ik naar de aan dit testament gehechte bijlage.’
1.10
In die bijlage is het volgende opgenomen:
‘Mijn zoon [verweerder in cassatie, A-G] heeft, begin jaren zeventig, een stuk grond en huis gekregen van mijn schoonvader. Deze schenking ging af van de erfenis die mijn toenmalige man, (…), van zijn vader zou krijgen. Mijn man heeft daarna geen testament gemaakt waarin mijn dochter [eiseres tot cassatie, A-G] ook een evenredig deel zou krijgen.
Omdat ik gescheiden ben van mijn man, (…), moest er een verdeling komen van ons gezamelijke bezit. Dit is uiteindelijk zo gegaan dat ik een perceel appelboomgaard zou krijgen waarop mijn zoon een Noorse blokhut zou bouwen ter waarde van ƒl.165.000.
Omdat ik in die periode veel nare zaken aan mijn hoofd had en er van uit ben gegaan dat ik mijn zoon kon vertrouwen heb ik mij niet altijd met de details bemoeid. Mijn advocaat liet mij in de brief van 23 januari 1987 weten dat ik de appelboomgaard zou krijgen met de Noorse hut. Dat mijn zoon gecompenseerd zou worden om mij in de tijd van de bouw onder te brengen. En dat mijn zoon rekening en verantwoording hierover af zou leggen.
Mijn zoon zou een weiland ter waarde van ƒl 140.000 krijgen en zijn schulden aan zijn grootvader ter waarde van ƒl 52.000 gingen over naar zijn vader. Deze schulden werden kwijtgescholden. In totaal dus een waarde van ƒl192.000.
Mijn zoon zei dat hij wel een deel van de boomgaard wilde onderhouden omdat het te groot voor mij was. Dat vond ik een goed idee. Ik zei dat hij een hekje kon plaatsen om een afscheiding te maken.
Na de scheiding, 3 februari 1987, ben ik in een woonwagen gaan wonen in de appelboomgaard en heeft mijn zoon een Noors huisje gebouwd. Toen ik er in ging wonen was het niet helemaal afgewerkt.
Mijn dochter woonde in deze periode in buitenland.
Ik heb nooit precies begrepen waarom [de zoon], zonder het mij te vertellen, een deel van de boomgaard op zijn naam heeft gezet. Daar had hij helemaal geen recht op. [De zoon] heeft dat deel van de boomgaard nooit van mij gekocht of gekregen. De verhouding met mijn zoon en schoondochter was in die tijd verre van plezierig en om de vrede te bewaren heb ik er nooit naar gevraagd. Ik had ook niet door dat de waarde van mijn huisje aanzienlijk lager was geworden door het verkleinen van het perceel vaar [lees: waar, A-G] ik recht op had. En dat niet alleen ik maar ook mijn dochter daar door ernstig benadeeld zou worden. Later begreep ik ook dat de waarde van de blokhut nooit ƒl 165.000 is geweest De boomgaard was ƒl 50.000 waard maar daar was een groot deel vanaf gehaald. Het huisje was met materiaal neer gezet dat misschien niet meer dan ƒl 30.000 was. Mijn zoon heeft daarover nóóit verantwoording willen afleggen.
Mijn zoon heeft door zijn handelingen zijn deel van de erfenis van mij zelf toegeëigend. Om deze reden wil ik hem onterven. Zijn legitieme deel heeft hij al gehad door mij niet alles te geven waar ik recht op had bij de echtscheiding.’
1.11
De zoon heeft op 8 januari 2019 de dochter gedagvaard voor de rechtbank Gelderland (zittingsplaats Zutphen) en, voor zover in cassatie van belang, de vernietiging van het testament van moeder op de voet van art. 4:43 lid 2 BW gevorderd. De dochter heeft, voor zover in cassatie van belang, een tegenvordering ingesteld, die – kort gezegd – ertoe strekt dat de zoon wordt veroordeeld de waarde van de resterende boomgaard aan de nalatenschap te vergoeden, dan wel het door hem onrechtmatig toegeëigende gedeelte van de boomgaard (ten koste van het gedeelte van moeder) aan de nalatenschap terug te leveren.
1.12
Bij vonnis van 16 maart 20203.heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de beweegredenen om de zoon te onterven die niet in het testament van moeder zijn opgenomen maar in een daarbij behorende bijlage, niet kunnen leiden tot vernietiging van het testament op grond van art. 4:43 lid 2 BW.
1.13
De zoon is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en de dochter heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 12 april 2022 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in het principaal hoger beroep het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij de vordering van de zoon tot vernietiging van het testament is afgewezen, en voor het overige het vonnis bekrachtigd. Opnieuw rechtdoende, heeft het hof de erfstelling van de dochter in het testament van moeder vernietigd en de overige uiterste wilsbeschikkingen in het testament in stand gelaten. Het hof heeft het incidenteel hoger beroep verworpen.
1.14
Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof het volgende overwogen. Het hof ziet aanleiding om eerst het incidenteel hoger beroep van de dochter te bespreken (rov. 4.7). Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de zoon in de loop van de tijd ten gunste van zichzelf het aan moeder toebehorende perceel grond heeft verkleind, noch dat de zoon onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 4.10). Het hof stelt voorop dat aan moeder in het kader van de scheiding en deling een deel van de boomgaard ter grootte van (ongeveer) 12.50 are is toegedeeld (rov. 4.11). De zoon was geen partij en slechts zijdelings betrokken bij de dading en scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten van vader en moeder, zodat alleen al daarom niet gezegd kan worden dat hij het gedeelte van de boomgaard dat door vader aan hem is verkocht, ten nadele van moeder op zijn naam heeft gezet. Daarbij komt dat de zoon aan vader als koopprijs voor het weiland, de houtwal en het andere gedeelte van de boomgaard een bedrag van ƒ 140.000 diende te voldoen, conform de opgestelde taxatie. De zoon heeft die koopprijs voldaan doordat hij voor zijn rekening nam en als eigen schuld voldeed de schuld van vader ten behoeve van de bouw van de blokhut voor moeder en een schuld van ƒ 25.000, waarin een bedrag van ƒ 21.000 was begrepen voor de tijdelijke huisvesting van moeder (rov. 4.12). In 1991 heeft het Kadaster het perceel grond van moeder ingemeten, waarbij de kennisgeving een grootte van 10.55 are vermeldt (rov. 4.13). Vervolgens heeft het hof overwogen:
‘4.14 Zoals hiervoor al is vermeld is aan moeder bij de dading een afgepaald gedeelte van de boomgaard ter grootte van 12.50 are toegedeeld. Zij is hierdoor eigenaar geworden van dat gedeelte van het perceel. Gesteld noch gebleken is dat moeder een deel groot 200 m2 op enig moment aan [de zoon] heeft geleverd, dan wel [de zoon] dit stuk grond zich heeft toegeëigend. Het feit dat het kadaster in het kader van een meting al dan niet op verzoek van moeder een kleiner perceel inmeet, maakt dit niet anders. Zij was immers krachtens de afspraken en de ter uitvoering daarvan verrichte levering eigenaar van een afgepaald gedeelde ter grootte van 12.50 are. Het voorgaande heeft tot gevolg dat ten tijde van het overlijden van moeder tot haar nalatenschap een perceel grond van 12.50 are behoorde. Dat [de zoon] tijdens de meting willens en wetens het perceel van moeder ten gunste van zichzelf heeft verkleind heeft [de dochter] onvoldoende onderbouwd. [De zoon] heeft die stelling van [de dochter] gemotiveerd betwist en [de dochter] heeft ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, hetgeen wel op haar weg lag.’
Op grond van het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat de grieven van de dochter in het incidenteel hoger beroep falen (rov. 4.15).
1.15
In het principaal hoger beroep heeft het hof over de vraag of aan de vereisten van art. 4:43 lid 2 BW is voldaan het volgende overwogen:
‘4.18 De toelichting van moeder staat niet in haar testament zelf (‘uiterste wil’), maar is verwoord in een niet ondertekende bijlage bij dat testament. Tussen partijen is allereerst in geschil of de bijlage bij het testament wel onderdeel uitmaakt van het testament en of de beweegreden, zoals artikel 4:43 lid 2 BW verlangt, wel in de uiterste wil is aangeduid. Het hof is van oordeel dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als ‘in de uiterste wil aangeduid’ geldt. De bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel. In het testament zelf staat de uiterste wilsbeschikking waar het moeder om gaat: de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon]; in de bijlage is de toelichting daarop verwoord. De uiterste wilsbeschikkingen van moeder zijn vervat in een notariële akte en voldoen daardoor aan de vormeis die daaraan wordt gesteld (artikel 4:42 lid 3 BW en artikel 4:94 BW). Dat die toelichting is vermeld in een bijlage bij het testament doet in dit geval geen afbreuk aan de verplichte notariële tussenkomst en de daaraan verbonden waarborgen, zoals het bewaken van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming. Die waarborgen gelden zowel voor het testament als de bijlage. Dat de bijlage niet door moeder is ondertekend maakt dat niet anders. Door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit haar toelichting is.
4.19
Vervolgens dient het hof te beoordelen of in het testament sprake is van onjuiste beweegredenen die leiden tot vernietigbaarheid van het testament. Het hof is van oordeel dat moeder de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon] heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. In de bijlage is vermeld dat moeder [de zoon] heeft onterfd, omdat moeder in de veronderstelling was dat [de zoon] een deel van de boomgaard zonder haar medeweten op zijn naam heeft gezet, terwijl hij volgens moeder daar geen recht op had. Verder was zij in de veronderstelling dat de waarde van de blokhut door het verkleinen van het perceel aanzienlijk lager was geworden. Hierdoor zouden zij en [de dochter] zijn benadeeld. Uit hetgeen hiervoor onder 4.10 tot en met 4.14 is overwogen blijkt dat de veronderstellingen van moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest. Bij de scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten zijn moeder en vader immers overeengekomen dat moeder een deel groot 12.50 are van de boomgaard zou krijgen toegedeeld. Dit deel van de boomgaard behoorde op het moment van overlijden van moeder nog steeds tot haar vermogen. Van enige benadeling van moeder of [de dochter] door [de zoon] of van het zich al toe-eigenen van de erfenis van moeder door [de zoon] kan dan ook niet worden gesproken.
4.20
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of moeder [de zoon] niet impliciet zou hebben onterfd, indien zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis had gedragen. [De zoon] stelt dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals [de dochter] voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen. Die stelling van [de zoon] wordt door [de dochter] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.’
1.16
Het hof is tot de slotsom gekomen dat voldaan is aan de vereisten van art. 4:43 lid 2 BW, zodat het testament van moeder voor zover het de erfstelling van de dochter betreft, moet worden vernietigd (rov. 4.21).
1.17
De dochter heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De zoon heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan en incidenteel cassatieberoep ingesteld. De dochter heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, gevolgd door re- en dupliek.
2. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
2.1
Het principaal cassatieberoep heeft betrekking op de reikwijdte en de toepassing van art. 4:43 lid 2 BW. Het middel bevat een korte beschrijving van het geschil (onder I), een schets van het procesverloop (onder II) en diverse klachten (onder III). De klachten vallen in drie onderdelen uiteen. In onderdeel A wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op ‘middellijke’ onterving. Onderdeel B klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onjuiste beweegreden die is opgenomen in de bijlage bij de uiterste wil, geldt als in de uiterste wil zelf aangeduid. In onderdeel C wordt geklaagd dat het hof de voorwaarden van art. 4:43 lid 2 BW onjuist heeft toegepast en/of zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.2
Onderdeel B bespreek ik als eerste, omdat dit onderdeel de verste strekking heeft. Bij het eventueel slagen van dit onderdeel zouden immers de overige klachten geen behandeling behoeven.
2.3
Onderdeel B is gericht tegen rov. 4.18 van het bestreden arrest, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat de bijlage bij het testament deel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen daarin staat, geldt als ‘in de uiterste wil aangeduid’. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 4:43 lid 2 BW uitdrukkelijk vereist dat de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is opgenomen. Verder klaagt het onderdeel (onder 7) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het tegenstrijdig is met zijn oordeel dat de erfstelling in het testament zelf staat en de toelichting daarop in de bijlage. Ook betoogt het onderdeel (onder 8) dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat de wil van moeder erop was gericht de beweegredenen deel te laten uitmaken van het testament. Verder klaagt het onderdeel (onder 13) dat het hof heeft miskend dat de notariële tussenkomst er (ook) toe leidt dat de bedoeling van erflater wordt geredigeerd en dat de rechtszekerheid meebrengt dat de erflater erop mag vertrouwen dat beweegredenen die hij in een ‘toelichting’ heeft gegeven, de uiterste wil niet aantastbaar maken op de voet van art. 4:43 lid 2 BW. Tot slot betoogt het onderdeel (onder 14) dat het hof van de juistheid had moeten uitgaan van, althans bij zijn oordeel had moeten betrekken, de stelling van de dochter dat moeder ervoor heeft gekozen de bijlage géén deel te laten uitmaken van haar testament, welke stelling door de zoon niet (gemotiveerd) is betwist.
2.4
Voor het gemak van de lezer citeer ik art. 4:43 BW:
‘1. Een uiterste wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
2. Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.
3. Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.’
2.5
Art. 4:43 lid 2 BW geeft een bijzondere regeling voor dwaling bij het maken van een uiterste wilsbeschikking.4.Een uiterste wilsbeschikking die onder invloed van dwaling in de beweegreden is gemaakt, is slechts vernietigbaar indien (i) de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is aangeduid en (ii) de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van de beweegreden op de hoogte was geweest. Een beweegreden is onjuist, wanneer een erflater tot een beschikking wordt bewogen door een omstandigheid, die hij ten onrechte als bestaand aanmerkt of die ontijdig opgehouden heeft te bestaan of door een verwachting die niet in vervulling is gegaan.5.
2.6
In art. 4:42 lid 3 BW is bepaald dat een uiterste wilsbeschikking alleen bij uiterste wil kan worden gemaakt. De op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm van de uiterste wil is geregeld in afdeling 4 van titel 4 van Boek 4. Zo bepaalt art. 4:94 BW dat – behoudens in de wet genoemde uitzonderingen – een uiterste wil alleen kan worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Door tussenkomst van een notaris wordt gewaarborgd dat ‘de testateur van specifieke erfrechtelijke kennis wordt voorzien en tot weloverwogen beschikkingen komt’6., zodat de ‘ware wil’ van de erflater in het testament gestalte krijgt.7.Het incorporeren van stukken is op zichzelf niet verboden, mits niet tegen de strekking van de vormdwang wordt gehandeld.8.Deze vormdwang brengt mee dat het wezen van de uiterste wilsbeschikking in de uiterste wil moet zijn neergelegd en niet kan blijken uit een stuk, waarnaar de beschikking verwijst.9.
2.7
In art. 4:43 lid 2 BW heeft de wetgever met ‘uiterste wil’ echter niet een aan vormvoorschriften gebonden akte bedoeld, maar ‘het geheel van uiterste wilsbeschikkingen welke de erflater in een of meer akten heeft getroffen’.10.De term heeft in art. 4:43 lid 2 BW dus een materiële betekenis, in tegenstelling tot de meeste andere bepalingen van Boek 4 waarin ‘uiterste wil’ de genoemde formele betekenis heeft.11.
2.8
Voor de zaak die in cassatie aan de orde is, brengt het bovenstaande mee dat de vraag moet worden beantwoord of de beweegredenen voor de erfstelling, zoals verwoord in de bijlage bij het testament (de uiterste wil in de formele betekenis), moeten worden geacht in de erfstelling (de uiterste wilsbeschikking) zelf te zijn aangeduid. Het hof heeft deze vraag in rov. 4.18 kennelijk bevestigend beantwoord, op grond van de volgende omstandigheden: (i) de bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel; (ii) de bijlage bevat de toelichting op de uiterste wilsbeschikking waar het om gaat; (iii) de uiterste wilsbeschikking is vervat in een notariële akte en voldoet aan de vormeis; (iv) de waarborgen van notariële tussenkomst gelden ook voor de bijlage; en (v) door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit de toelichting van moeder is.
2.9
In cassatie is onbestreden de vaststelling van het hof dat de bijlage is gehecht aan de uiterste wil en daarmee één geheel vormt.12.Naar mijn mening geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de erfstelling zelf wordt ter toelichting verwezen ‘naar de aan dit testament gehechte bijlage’. Deze toelichting bevat de beweegreden(en) voor de erfstelling van de dochter, en daarmee de (impliciete) onterving van de zoon. Door uitdrukkelijk te verwijzen naar de toelichting in de erfstelling zelf, moet de wil van moeder worden geacht erop te zijn gericht de in de toelichting vervatte beweegreden(en) in de uiterste wilsbeschikking zelf aan te duiden. Het zou anders liggen wanneer in de uiterste wilsbeschikking niet zou zijn verwezen naar de bijlage bij de uiterste wil, terwijl deze bijlage wél aan de uiterste wil zou zijn gehecht. In zo’n geval kan moeilijk worden gezegd dat de beweegreden ‘in de uiterste wil zelf is aangeduid’. Of de notariële waarborgen ook gelden voor de bijlage kan verder in het midden blijven, gezien de materiële betekenis van het begrip ‘uiterste wil’ in art. 4:43 lid 2 BW.
2.10
Verder is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof heeft overwogen dat de toelichting van moeder niet in haar uiterste wil zelf staat, sluit niet uit dat het hof tot het oordeel is gekomen dat die toelichting moet worden beschouwd als onderdeel van de uiterste wil van moeder en daarmee als ‘in de uiterste wil aangeduid’. De stelling van de dochter dat moeder ervoor heeft ‘gekozen om haar overwegingen voor de erfstelling (een toelichting op de erfstelling) aan het testament te laten hechten om discussies achteraf te voorkomen’13.is niet onderbouwd en brengt – indien juist – ook niet mee dat de wil van moeder er niet op zou zijn gericht de toelichting onderdeel te laten zijn van de erfstelling. Indien moeder dat had willen voorkomen, had het juist voor de hand gelegen de bijlage niet aan de uiterste wil te hechten en/of niet in de erfstelling zelf te verwijzen naar de bijlage ter toelichting daarop.14.Het hof kan dan ook niet worden verweten deze stelling niet (kenbaar) bij zijn overwegingen te hebben betrokken.15.
2.11
Ik kom tot de slotsom dat de klachten van onderdeel B tevergeefs zijn voorgesteld.
2.12
Onderdeel A betoogt dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op de situatie van ‘middellijke’ onterving. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.
2.13
Onderdeel A.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op ‘middellijke’ onterving – door het hof in rov. 4.16 en 4.19 omschreven als impliciete onterving – waarbij de onterving een nevengevolg is van een erfstelling en daarom op zichzelf niet als uiterste wilsbeschikking kwalificeert. Verder meent het onderdeel dat de (beweerdelijk) onjuiste beweegreden geen betrekking heeft op de erfstelling, zodat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de erfstelling te vernietigen, althans zijn oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.14
Art. 4:43 lid 2 BW is van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen. Art. 4:42 lid 1 BW definieert een uiterste wilsbeschikking als volgt:
‘Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.’
2.15
In afdeling 1 van titel 5 van Boek 4 is de erfstelling geregeld. Art. 4:115 BW bepaalt dat een erfstelling een uiterste wilsbeschikking is, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Art. 4:1 lid 2 BW bepaalt voorts dat bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling inhoudt, kan worden afgeweken van de erfopvolging bij versterf.
2.16
Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat de erfstelling van de dochter een uiterste wilsbeschikking is, waarop art. 4:43 lid 2 BW kan worden toegepast, ook indien die erfstelling de onterving van de zoon tot gevolg heeft gehad. Dat een impliciete onterving als zodanig niet als uiterste wilsbeschikking kwalificeert, doet daaraan niet af.16.Noch de tekst van de wet, noch de parlementaire geschiedenis biedt enige steun aan een andere opvatting.
2.17
Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof de erfstelling niet had mogen vernietigen omdat alleen de onterving wordt geraakt door een onjuiste beweegreden17., mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 4.16 – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de zoon door de erfstelling impliciet is onterfd, in de bijlage de erfstelling en onterving zijn toegelicht en de vordering van de zoon is gericht tegen de erfstelling en de onterving. Ook valt niet in te zien waarom het al dan niet bestaan van een onjuiste beweegreden, zoals bepleit door partijen18.en onderzocht door het hof, geen betrekking zou hebben op de erfstelling van de dochter, aangezien die erfstelling – blijkens de bewoordingen van de erfstelling en de toelichting daarop19.– uitdrukkelijk was gemotiveerd door de wens van moeder om de zoon te onterven. Kortom, niet kan worden gezegd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de erfstelling te vernietigen of zijn oordeel daaromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd. De klachten falen dus.
2.18
Onderdeel A.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat een beroep op art. 4:43 lid 2 BW niet toekomt aan diegene die is onterfd, maar alleen aan de rechtsopvolger(s) van de erflater. Door de erfstelling ten behoeve van de dochter te vernietigen vanwege de omstandigheid dat de onterving van de zoon onder invloed van een onjuiste beweegreden tot stand is gekomen, heeft het hof bovendien een nadere invulling gegeven aan de wil van moeder, hetgeen in strijd is met de testeervrijheid. Het valt immers niet uit te sluiten dat moeder, indien zij op de hoogte was geweest van de onjuiste beweegreden, tot een andere verdeling van de nalatenschap was gekomen dan die overeenkomt met de regels van het versterferfrecht, aldus het onderdeel.
2.19
De uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling.20.Titel 2 van Boek 3 BW (‘Rechtshandelingen’) is rechtstreeks van toepassing, voor zover de bepalingen in Boek 4 daarvan niet afwijken.21.Art. 3:50 lid 1 BW bepaalt dat een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn.22.Aangenomen wordt dat hetzelfde geldt voor de vernietiging in rechte.23.De vraag in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van de tekst en/of strekking van de toepasselijke regel.24.In het geval van een wilsgebrek zoals dwaling is dat normaliter de persoon die de rechtshandeling heeft verricht en daarop wenst terug te komen.25.
2.20
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever met art. 4:43 lid 2 BW de belangen van bepaalde personen op het oog heeft gehad.26.Het ligt voor de hand dat de erfgenamen van de ‘dwalende’ erflater in ieder geval worden aangemerkt als personen in wiens belang deze vernietigingsgrond bestaat.27.Zij kunnen bijvoorbeeld nadeel ondervinden van een onder invloed van een onjuiste beweegreden tot stand gekomen legaat aan een derde en met een beroep op art. 4:43 lid 2 BW het desbetreffende vermogensbestanddeel terugbrengen in de nalatenschap. Het lijkt mij echter niet juist – zoals het onderdeel bepleit – om een beroep op art. 4:43 lid 2 BW tot deze categorie van personen te beperken. Hiervoor kwam aan de orde dat art. 4:43 lid 2 BW van toepassing is op alle in de wet geregelde vormen van uiterste wilsbeschikkingen, waaronder de erfstelling. Met een erfstelling kan worden afgeweken van de erfopvolging bij versterf. Het moet ook voor hen die zonder de onder invloed van een onjuiste beweegreden gemaakte erfstelling erfgenaam (bij versterf) zouden zijn, mogelijk zijn om een beroep op art. 4:43 lid 2 BW te doen. Een andere opvatting leidt tot een niet te rechtvaardigen en bovendien willekeurige bevoordeling van hen die aanvankelijk tot erfgenaam zijn benoemd, maar mogelijk onder invloed van een onjuiste beweegreden. Met Perrick28.en Breemhaar29.ben ik dan ook van mening dat degene die de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking onmiddellijk ten voordeel zal komen, is aan te merken als degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat. Daaronder valt ook hij die zonder de erfstelling erfgenaam zou zijn.30.
2.21
De vernietigbaarheid van art. 4:43 lid 2 BW treft uitsluitend de uiterste wilsbeschikking die op grond van een onjuiste beweegreden is gemaakt31.en werkt op de voet van art. 3:53 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de uiterste wilsbeschikking is gemaakt. Na vernietiging vindt de erfopvolging plaats alsof de desbetreffende uiterste wilsbeschikking niet is gemaakt, te weten op basis van de eventuele overige bepalingen van het testament en de wet (het versterferfrecht). Aan de omstandigheid dat de erflater, indien hij op de hoogte zou zijn geweest van de onjuiste beweegreden wellicht tot een andere verdeling van de nalatenschap zou zijn gekomen, kan niet anders dan voorbij worden gegaan, tenzij in het testament daaromtrent iets is bepaald. De erflater kan immers zijn (alternatieve) wil niet meer kenbaar maken. Niet valt in te zien waarom de testeervrijheid daardoor in het gedrang zou komen. Een geslaagd beroep op art. 4:43 lid 3 BW impliceert juist dat de op gebrekkige wijze tot stand gekomen wil van de erflater wordt hersteld. Er bestaat bovendien geen reden om een erfstelling met een onterving tot gevolg anders te behandelen dan andere uiterste wilsbeschikkingen. Ook na vernietiging van andere uiterste wilsbeschikkingen dan een erfstelling kan immers de vraag rijzen of de erflater bij kennis van de onjuiste beweegreden niet tot andere beschikkingen zou zijn gekomen. Daarmee falen de klachten van dit onderdeel.
2.22
Onderdeel A.3 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW uitsluitend van toepassing is op aanduidingen van de persoon of van diens hoedanigheid.
2.23
Art. 4:43 lid 2 BW is – zoals gezegd – van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen. Voor vernietigbaarheid op de voet van art. 4:43 lid 2 BW gelden geen andere voorwaarden dan dat (i) de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is aangeduid en (ii) de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van de beweegreden op de hoogte was geweest. Anders dan het onderdeel betoogt, biedt ook de parlementaire geschiedenis geen steun aan de opvatting dat art. 4:43 lid 2 BW alleen van toepassing is indien de onjuiste beweegreden is gelegen in aanduidingen van de persoon of van diens hoedanigheid. De klacht faalt daarom.
2.24
Onderdeel C klaagt dat de toetsing van het hof aan de voorwaarden van art. 4:43 lid 2 BW blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De klachten onder 4 en 5 hebben betrekking op het incidenteel hoger beroep. De klacht onder 4 is gericht tegen rov. 4.14 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat aan moeder een perceel van 12.50 are is toegedeeld. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat in hoger beroep vaststond dat de zoon een deel van het perceel (het verschil tussen 12.50 en 10.55 are, te weten: 195 m2) in bezit heeft genomen. De klacht onder 5 meent dat het hof, indien en voor zover zijn oordeel inhoudt dat in hoger beroep vaststond dat de zoon dat deel van de boomgaard in eigendom heeft verkregen op grond van verkrijgende verjaring, ten onrechte niet heeft beslist op de vordering van de dochter tot waardevergoeding, althans levering van het onrechtmatig verkregen deel van de boomgaard aan de nalatenschap.
2.25
De rechtbank heeft in rov. 4.17 van het vonnis geoordeeld dat uit de kadastrale opmeting moet worden afgeleid dat het perceel van moeder kennelijk 10.55 are was, maar dat dat echter nog niet tot de conclusie leidt dat de zoon zich een stuk van de boomgaard heeft toegeëigend of moeder heeft misleid. Bij de verdeling is immers geen exacte afmeting aangeduid en moeder heeft na de kadastrale opmeting geen actie ondernomen, aldus de rechtbank. Vervolgens heeft de rechtbank in rov. 4.18 geoordeeld dat dit (‘het voorgaande’) met zich brengt dat de zoon in ieder geval vanaf 1991 de rest van de boomgaard in zijn bezit heeft gehad en dat de zoon door middel van verkrijgende verjaring ook eigenaar is geworden van dat deel van de boomgaard. Tot slot heeft de rechtbank in rov. 4.20 (nogmaals) geoordeeld dat niet is gebleken dat de zoon zich grond van moeder heeft toegeëigend en niet van de zoon kan worden gezegd dat het in bezit nemen en houden van de grond onrechtmatig jegens moeder was.
2.26
Anders dan de rechtbank, heeft het hof in rov. 4.14 geoordeeld dat aan moeder bij de dading een afgepaald gedeelte van de boomgaard ter grootte van 12.50 are is toegedeeld, zij hierdoor eigenaar is geworden van dat gedeelte en ten tijde van het overlijden van moeder tot haar nalatenschap een perceel grond van 12.50 are behoorde. Het feit dat het Kadaster een kleiner perceel heeft ingemeten, maakt dat niet anders, aldus het hof. Met de rechtbank heeft het hof echter ook geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de zoon zich een deel van de boomgaard heeft toegeëigend.
2.27
Het onderdeel (onder 4) klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat partijen niet hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon de rest van de boomgaard in ieder geval vanaf 1991 in bezit heeft gehad. Het onderdeel gaat er echter aan voorbij dat de rechtbank daarvóór – kennelijk in primaire zin – heeft geoordeeld dat aan moeder een perceel van 10.55 are is toegedeeld, welk oordeel door het hof – kennelijk ten gunste van de dochter – is verlaten. Indien en voor zover partijen niet hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon de rest van de boomgaard in ieder geval vanaf 1991 in bezit heeft gehad, dan had dit de dochter niet (verder) kunnen baten, aangezien het hof reeds van oordeel was dat een perceel van 12.50 are tot de nalatenschap van moeder behoorde. Bovendien brengt het oordeel over de inbezitneming niet automatisch mee dat de zoon onrechtmatig jegens moeder heeft gehandeld door zich een deel van de boomgaard toe te eigenen. Zowel de rechtbank als het hof hebben geconcludeerd dat daarvan nu juist geen sprake is. Het ontbreekt de dochter dan ook aan belang, zodat de klacht faalt.
2.28
De klacht onder 5 is voorwaardelijk opgeworpen, indien en voor zover het hof als vaststaand heeft aangenomen dat de zoon het resterende deel van de boomgaard in eigendom heeft verkregen op grond van verkrijgende verjaring. De overwegingen van het hof geven geen blijk van een dergelijk (impliciet) oordeel. Het hof heeft immers geoordeeld dat aan moeder een perceel van 12.50 are is toegedeeld en dat deel van het perceel tot haar nalatenschap behoorde. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.29
De overige klachten van onderdeel C hebben betrekking op het principaal hoger beroep. De klacht onder 6 betreft een voortbouwende klacht. De klachten onder 7 en 8 zijn gericht tegen rov. 4.19, waarin het hof heeft geoordeeld, onder verwijzing naar rov. 4.10 t/m 4.14, dat moeder de erfstelling van de dochter en de impliciete onterving van de zoon heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat toetsing aan art. 4:43 lid 2 BW vergt dat van alle, in de bijlage genoemde beweegredenen moet worden vastgesteld of deze onjuist zijn, dan wel dat de stelplicht en bewijslast op de zoon rusten, ofwel dat het hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd door een en ander niet (kenbaar) bij zijn overwegingen te betrekken. De klachten onder 9 en 10 zijn gericht tegen rov. 4.20, waarin het hof heeft geoordeeld dat de dochter niet, althans onvoldoende gemotiveerd, de stelling van de zoon heeft betwist dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals de dochter voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen, zodat is voldaan aan de tweede voorwaarde van art. 4:43 lid 2 BW. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
2.30
De klacht onder 6 bouwt voort op de klacht onder 5 en deelt het lot daarvan.
2.31
Over de klachten onder 7 en 8 merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 4.19 overwogen dat in de bijlage is vermeld dat moeder de zoon heeft onterfd, omdat moeder in de veronderstelling was dat de zoon een deel van de boomgaard zonder haar medeweten op zijn naam heeft gezet, terwijl hij volgens moeder daar geen recht op had, en dat de waarde van de blokhut door het verkleinen van het perceel aanzienlijk lager was geworden, waardoor moeder en de dochter zouden zijn benadeeld. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat in de bijlage een ‘veelheid aan beweegredenen’ wordt genoemd en iedere beweegreden dragend kan zijn geweest voor de erfstelling. De samenvatting van de beweegredenen van moeder in rov. 4.19 geeft ervan blijk dat het hof de toelichting als geheel voor ogen heeft gehad en meerdere beweegredenen in zijn beoordeling heeft betrokken, zodat de opgeworpen rechtsklacht faalt. Verder licht de klacht niet toe welke beweegreden(en) van moeder, in aanvulling op de beweegredenen zoals omschreven in rov. 4.19, het hof in aanmerking had moeten nemen, anders dan ‘het geschonden vertrouwen in haar zoon’ en de ‘slechte verhouding met haar zoon en schoondochter’. In het licht van de toelichting in de bijlage is niet onbegrijpelijk dat het hof aan eerstgenoemde omstandigheid geen zelfstandige betekenis heeft toegekend ten opzichte van de veronderstelling dat de zoon een deel van de boomgaard zonder medeweten van moeder op zijn naam heeft gezet. Ook blijkt uit de toelichting dat de laatstgenoemde omstandigheid door moeder als verklaring is opgeworpen voor het feit dat zij niet bij de zoon om opheldering heeft gevraagd en dus niet zozeer als beweegreden voor de erfstelling, zodat niet onbegrijpelijk is dat het hof daaraan voorbij is gegaan. Aldus kan niet worden gezegd dat het hof een onbegrijpelijke lezing heeft gegeven van de in de toelichting weergegeven beweegredenen van moeder voor de erfstelling, dan wel zijn oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarom faalt ook de motiveringsklacht.
2.32
Voor zover het middel nog betoogt dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de onjuistheid van de beweegreden(en) op de zoon rusten, geldt het volgende. In rov. 4.19 heeft het hof overwogen dat uit hetgeen in rov. 4.10 t/m 4.14 is overwogen blijkt dat de veronderstellingen van moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest. Verder heeft het hof in rov. 4.19 overwogen dat bij de scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten moeder en vader zijn overeengekomen dat aan moeder een deel groot 12.50 are van de boomgaard zou worden toegedeeld en dat dit deel van de boomgaard op het moment van overlijden nog steeds tot haar vermogen behoorde, zodat van enige benadeling van moeder of de dochter door de zoon of van het zich al toe-eigenen van de erfenis van moeder door de zoon niet kan worden gesproken. Uit deze overwegingen blijkt niet dat het hof de bewijslastverdeling zou hebben miskend. Ook kan niet worden gezegd dat het hof (al dan niet ten onrechte) heeft volstaan met een verwijzing naar hetgeen het hof in het kader van het incidenteel hoger beroep heeft overwogen, aangezien het hof (ook) in rov. 4.19 heeft toegelicht dat de onjuistheid van de beweegreden(en) volgt uit de bij de scheiding en deling gemaakte afspraken over de boomgaard. Tot slot kan het hof niet worden verweten de stellingen van de dochter zoals weergegeven onder (a) t/m (d) niet kenbaar bij zijn beoordeling te hebben betrokken, aangezien die niet (kunnen) afdoen aan het oordeel van het hof dat aan moeder een deel van 12.50 are van de boomgaard is toegedeeld bij de akte van dading en dit deel op het moment van overlijden nog steeds tot haar vermogen behoorde. De klachten zijn dus tevergeefs voorgesteld.
2.33
Voor de behandeling van de klachten onder 9 en 10 is het volgende van belang. De partij die zich beroept op art. 4:43 lid 2 BW moet stellen, en indien nodig, bewijzen dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van zijn beweegreden kennis had gedragen. Onder het oude recht (art. 4:937 BW (oud)) was vereist dat uit de bewoordingen van de uiterste wil zelf bleek dat de daarin aangeduide omstandigheid een beweegreden tot de beschikking was geweest, maar die eis is onder het huidige recht verlaten. Volgens de wetgever zou de mogelijkheid tot vernietiging anders te zeer afhankelijk zijn van een toevallige woordkeus bij het in geschrift brengen van de uiterste wilsbeschikking.32.Onder het huidige recht kan het bewijs van het beslissende karakter van de beweegreden ook worden geleverd aan de hand van omstandigheden buiten het testament om.33.In de Toelichting Meijers is er verder op gewezen dat de wet het bewijs van het beslissende karakter van de beweegreden niet te veel moet bemoeilijken, omdat bijna iedere beweegreden ook een beslissende beweegreden is.34.Volgens Breemhaar wordt deze eis onder het huidige recht dan ook niet streng gehandhaafd.35.
2.34
In rov. 4.20 heeft het hof getoetst of moeder de erfstelling, en daarmee de impliciete onterving, niet zou hebben gemaakt, indien zij van de onjuistheid van haar beweegreden(en) kennis had gedragen. Het hof heeft dan ook niet miskend dat art. 4:43 lid 2 BW een dergelijke voorwaarde stelt, noch geven zijn overwegingen in dit verband blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslastverdeling. De opgeworpen rechtsklachten stuiten hierop af.
2.35
Het oordeel over de vraag of een bepaalde stelling gemotiveerd is betwist, is zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat dit in cassatie niet op juistheid, maar slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.36.Volgens het hof heeft de zoon gesteld dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals de dochter voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen.37.Anders dan de klacht betoogt, betreft dit niet een zuiver blote stelling. Zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het herroepen testament van moeder van 9 maart 2010 ter sprake gekomen, waarover de zoon heeft verklaard dat hij denkt dat hij op basis van dat testament mede-erfgenaam was en dat de dochter moeder ertoe zou hebben bewogen om hem te onterven.38.Ook heeft de zoon verklaard dat het testament aldus moet worden uitgelegd dat het de bedoeling van moeder was om beide kinderen financieel gelijk te behandelen, waarin zij – onbedoeld, onder invloed van een onjuiste beweegreden – niet is geslaagd.39.Volgens het hof heeft de dochter deze stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Uit het procesdossier blijkt dat de dochter heeft aangevoerd dat moeder ook zonder ‘deze bevoordelingsgedachte’ de zoon had onterfd, omdat zij teleurgesteld was in de zoon, althans zich door hem ‘bedonderd’ voelde.40.Deze stelling heeft de dochter echter niet verder onderbouwd. In het licht wat hiervoor is opgemerkt over de eisen die in dit verband aan de bewijslast mogen worden gesteld, is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, zodat ook de opgeworpen motiveringsklachten falen.
2.36
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep faalt.
3. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
3.1
Het middel in het incidenteel cassatieberoep is gericht tegen rov. 4.14 van het bestreden arrest, waarin het hof onder meer heeft geoordeeld dat moeder eigenaar was van een perceel van 12.50 are. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat in hoger beroep niet zijn bestreden de oordelen van de rechtbank in rov. 4.17 van het vonnis dat het gedeelte van de boomgaard dat aan moeder is toegedeeld 10.55 are was en in rov. 4.18 van het vonnis dat de zoon in ieder geval vanaf 1991 de rest van de boomgaard in zijn bezit heeft gehad en daarvan eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring. Op grond van (de negatieve zijde van) de devolutieve werking viel de omvang van het perceel van moeder buiten de rechtsstrijd in hoger beroep, aldus het middel. Subsidiair acht het middel de overwegingen van het hof in rov. 4.14 ook onbegrijpelijk, mede gelet op hetgeen het hof in rov. 2.3 als vaststaande feiten heeft aangenomen.
3.2
De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het gehele geschil zoals dat zich in eerste aanleg heeft ontwikkeld, in beginsel wordt voorgelegd aan de appelrechter.41.De devolutieve werking wordt evenwel begrensd door het grievenstelsel, hetgeen inhoudt dat de appelrechter slechts heeft te oordelen over behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven tegen de uitspraak in eerste aanleg.42.Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dienen als grieven te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd.43.Die gronden moeten voor de wederpartij voldoende kenbaar in de procedure naar voren zijn gebracht.44.De uitleg van de grieven is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.45.
3.3
In het kader van onderdeel C van het principaal cassatieberoep heb ik uiteengezet dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het perceel van moeder slechts 10.55 are was (rov. 4.17) en dat de zoon in ieder geval vanaf 1991 – het moment van de kadastrale opmeting en inschrijving – de rest van de boomgaard in zijn bezit heeft gehad en door verkrijgende verjaring ook daarvan eigenaar is geworden (rov. 4.18). Het hof heeft echter geoordeeld dat bij akte van dading aan moeder een perceel van 12.50 are is toegedeeld en dat perceel ook tot haar nalatenschap behoorde (rov. 4.14). Het middel betoogt dat het hof niet tot dit oordeel had mogen komen, omdat partijen niet zouden hebben gegriefd tegen de oordelen van de rechtbank omtrent de grootte van het perceel van moeder.
3.4
In de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, van 26 januari 2021 heeft de dochter de volgende stellingen ingenomen:
(i) moeder ging ervan uit dat de gehele boomgaard aan haar was toegedeeld, maar dat bleek slechts een perceel van 12.50 are te zijn;46.
(ii) na de kadastrale opmeting bleek het perceel van moeder nog maar 10.55 are te zijn;47.
(iii) op beide momenten heeft de zoon het perceel van moeder ten gunste van hemzelf verkleind.48.
Verder heeft de dochter in het incidenteel hoger beroep gevorderd dat het hof de zoon veroordeelt tot vergoeding aan de nalatenschap van de waarde van de resterende boomgaard, althans levering van dat deel aan de nalatenschap.
3.5
In het licht hiervan is niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van de dochter kennelijk zo heeft opgevat dat zij heeft gegriefd tegen enerzijds het oordeel van de rechtbank in rov. 4.17 dat het perceel van moeder 10.55 was49.en anderzijds het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 dat de zoon eigenaar is geworden van ‘de rest van de boomgaard’. De zoon heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook gereageerd op bovenstaande stellingen van de dochter, zodat de daarin besloten grieven moeten worden geacht voldoende kenbaar te zijn geweest voor de zoon.50.Tot slot merk ik op dat in de procesinleiding51.niet valt te lezen dat de dochter niet zou hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon eigenaar is geworden van ‘de rest van de boomgaard’, aangezien de dochter daar slechts de stelling heeft ingenomen dat zij niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in dezelfde rechtsoverweging dat de zoon een deel van het perceel van moeder in bezit heeft genomen, met het oog op – zo neem ik aan – haar vordering tot waardevergoeding, althans levering van dat deel aan de nalatenschap.
3.6
Ook kan niet worden gezegd dat het oordeel van het hof in rov. 4.14 tegenstrijdig is met, althans onbegrijpelijk in het licht van, hetgeen het hof in rov. 2.3 als vaststaande feiten heeft aangenomen. Dat (het hof heeft vastgesteld dat) bij akte van dading aan moeder is toegedeeld een perceel van ‘circa 12,5 aren, (…) zoals ter plaatse afgepaald’ brengt niet mee dat het hof niet kon oordelen dat tot het nalatenschap van moeder een perceel grond van 12.50 are behoorde. Dat oordeel moet kennelijk aldus worden begrepen dat het tot de nalatenschap van moeder behorende deel van de boomgaard correspondeert met hetgeen bij akte van dading aan haar is toebedeeld en niet met hetgeen door het Kadaster later is ingemeten, zodat – anders dan het middel suggereert – geen beslissende betekenis toekomt aan het voorzetsel ‘circa’.
3.7
De slotsom is dat het incidenteel cassatieberoep faalt.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑05‑2023
Zie rov. 2.1 t/m 2.10 van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2760, JERF 2022/115, m.nt. L.A.G.M. van der Geld. Zie ook W. Burgerhart, ‘Onterven. Weet waar je aan begint!’, EstateTip Review 2022/20.
De geboortedatum van moeder is vermeld in haar testament van 23 november 2011, opgenomen als productie 1 bij de inleidende dagvaarding van 8 januari 2019.
Niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Zie over art. 4:43 lid 2 BW in algemene zin: W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/48; Asser/Perrick 4 2021/165; M.J.A. van Mourik & F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/38; N.V.C.E. Bauduin & T.F.H. Reijnen, Uiterste wil en onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen (Mon. BW nr. B21) 2021/51; F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020/VI.2.3; Klaassen/Luijten & Meijer 2008/122; Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht 2004/225; W. Breemhaar, De uiterste wilsbeschikking, 1992, nr. 38-40.
Zie Van der Burght, Ebben & Kremer, Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 265 (TM) en 266 (MvA II).
Zie B.C.M. Waaijer, in: Handboek Erfrecht 2020/VI.3.3.
Zie J.B. Vegter, ‘Over de achtergrond van de formele aard van de wetsbepalingen betreffende uiterste wilsbeschikkingen’, WPNR 2022/7381, p. 574.
Zie Asser/Perrick 4 2021/149 onder verwijzing naar HR 22 april 1955, ECLI:NL:HR:1955:3, NJ 1955/403, m.nt. L.E.H. Rutten. Zie over de aanhechting van stukken aan een notariële akte o.a.: Melis/Waaijer, De Notariswet 2019/6.8.
Zie Asser/Perrick 4 2021/149; Bauduin & Reijnen, a.w., 2021/43: Breemhaar, a.w., nr. 78.
Zie Van der Burght, Ebben & Kremer, Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 219 (MvA II).
Zie Asser/Perrick 4 2021/150; Waaijer, a.w., 2020/VI.3.1.
Vgl. nr. 8 onder B van de procesinleiding, waarin slechts wordt geklaagd dat deze omstandigheid niet dragend kan zijn voor het oordeel van het hof dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als ‘in de uiterste wil aangeduid’ geldt.
Zie nr. 11 van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, van 26 januari 2021.
Vgl. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/70; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 4.6.3; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/188; nr. 2.6 van de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2010:BN6254) vóór HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6254, RvdW 2010/1334.
In rov. 4.16 heeft het hof de onterving van de zoon als uiterste wilsbeschikking gekwalificeerd, hetgeen strikt genomen onjuist is.
Zie nr. 3 onder A.1 van de procesinleiding.
Vgl. de stellingen van de dochter in nr. 13 van de akte vermeerdering tegenvordering van 2 december 2019 en nr. 21 van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, van 26 januari 2021.
Zie rov. 2.9 van het bestreden arrest, met name de slotparagraaf van de tekst in de bijlage: ‘Om deze reden wil ik [de zoon] onterven.’
Zie over het ongerichte karakter van de uiterste wilsbeschikking: C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling, 2016, nr. 291; Breemhaar, a.w., nr. 9.
Zie Huijgen, a.w., 2022/48; Asser/Perrick 4 2021/133 en 147.
Zie hierover ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/620.
Zie P.M. Verbeek, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:49 BW, aant. 5.
Zie Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, 1988, p. 136.
Zie Hijma, a.w., p. 125-126.
Zie ook Breemhaar, a.w., nr. 115.
Zie bijv. Pitlo/Van der Burght & Ebben, Erfrecht 2004/225.
Zie Asser/Perrick 4 2021/230. Perrick noemt verder de legataris/niet-erfgenaam, wiens legaat zou worden verminderd indien het vernietigbare legaat in stand blijft, als persoon in wiens belang art. 4:43 lid 2 BW (ook) bestaat.
Zie Breemhaar, a.w., nr. 115.
Zie ook Schols, a.w., 2020/VI.2.4.
Zie Van der Burght, Ebben & Kremer, Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 266 (MvA II) en p. 271 (MvA I). Zie hierover ook Huijgen, a.w., 2022/49; Asser/Perrick 4 2021/165; Schols, a.w., 2020/VI.2.3; Pitlo/Van der Burght & Ebben, a.w., 2004/225.
Zie Pitlo/Van der Burght & Ebben, a.w., 2004/225.
Zie Van der Burght, Ebben & Kremer, Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 265 (TM).
Zie Breemhaar, a.w., nr. 38.
Zie Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/68.
Zie nr. 31 en 50 van de memorie van grieven van de zoon van 3 november 2020.
Zie p. 8 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie nr. 10 van de pleitaantekeningen van de zoon voor de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie nr. 21 en 23 van de memorie van antwoord van de dochter van 26 januari 2021 en nr. 7 van de pleitaantekeningen van de dochter voor de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/81 en 125; H.E. Ras & A.Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4), 2017/61; H.J. Snijders & A. Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2), 2009/216.
Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/101; Ras & Hammerstein, a.w., 2017/16; Snijders & Wendels, a.w., 2009/162.
Zie o.a. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. J.M.M. Maeijer, H.J. Snijders, rov. 4.2.1; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.1.
Zie o.a. HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278, NJ 2006/120, rov. 4.3; HR 19 juni 2009, reeds aangehaald, rov. 2.4.1, HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158, rov. 3.3.2.
Zie bijv. HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1557, JBPr 2014/39, m.nt. G.C.C. Lewin.
Zie o.a. nr. 45, 61 en 67. Zie ook de verklaringen van de dochter op p. 4-6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie o.a. nr. 50 en 73.
Zie o.a. nr. 61, 64 en 72. Zie ook nr. 9-10 van de pleitnotities van de dochter voor de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie ook nr. 56 van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, van 26 januari 2021 van de dochter, waarin wordt gesteld dat de grieven van de dochter o.a. tegen rov. 4.17 van het vonnis zijn gericht.
Zie de verklaringen van de zoon op p. 6-7 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 maart 2022.
Zie nr. 4 onder C.
Beroepschrift 02‑09‑2022
Doss. 40.222.0278
Hoge Raad der Nederlanden
Zitting van 2 september 2022
VERWEERSCHRIFT TOT VERWERPING VAN HET CASSATIEBEROEP
TEVENS INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
in zake:
[de zoon],
wonende te [woonplaats], Noorwegen,
verweerder in het principale cassatieberoep,
eiser in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. A.C. van Schaick,
tegen:
[de dochter],
wonende te [woonplaats],
eiseres tot cassatie,
verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen worden hierna [de zoon] en [de dochter] genoemd.
Het principale cassatieberoep
[de zoon] doet eerbiedig zeggen dat het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 april 2022 dient te worden verworpen, omdat [de dochter] bij haar klachten geen belang heeft, althans omdat het hof in het bestreden arrest niet op de aangevoerde gronden het recht heeft geschonden, noch vormen heeft verzuimd die op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen.
Het incidentele cassatieberoep
In het incidentele cassatieberoep voert [de zoon] tegen voormeld arrest het volgende middel van cassatie aan.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat het hof in zijn hier bestreden arrest heeft overwogen en beslist als daarbij is geschied, op de in dat arrest genoemde en hier als ingelast te beschouwen gronden, ten onrechte, om de volgende reden.
Klacht in het incidentele cassatieberoep
Door zijn overwegingen in rov. 4.14 van zijn arrest van 12 april 2022 dat (in 1987) aan erflaatster een afgepaald gedeelte van de boomgaard van 12.50 are is toegescheiden1. en dat zij eigenaar was van een afgepaald gedeelte ter grootte van 12.50 are, zodat ten tijde van haar overlijden een perceel grond van 12.50 are tot haar nalatenschap behoorde, heeft het hof de (negatieve zijde van de) devolutieve werking miskend en is het getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het arrest van het hof geeft in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk.
Het hof had moeten beslissen dat het perceel dat in 1987 aan erflaatster is toegescheiden, een oppervlakte had althans thans heeft van 10,55 are, nu geen van beide partijen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissingen in die zin in het eindvonnis van de rechtbank Zutphen van 16 maart 2020, rov. 4.17 en rov. 4.18.
Toelichting bij de klacht in het incidentele cassatieberoep
Tot de vaststaande feiten (zie rov. 2.3 van het bestreden arrest en rov. 2.4 van het eindvonnis van 16 maart 2020) behoort dat bij gelegenheid van de akte van dading van 3 februari 1987 aan moeder is toegescheiden een perceeltje appelboomgaard gelegen aan de [a-straat] te [a-plaats] van circa 12,5 aren, deel uitmakend van perceel [001], zoals ter plaatse afgepaald. Het hof is gehouden geweest zijn oordeel mede op dit vaststaande feit te baseren (HR 17 januari 2014, NJ 2014/223, rov. 3.3.2; HR 12 februari 2016, RvdW 2016/280, rov. 3.3.2; HR 5 juli 2019, RvdW 2019/819, rov. 4.4.2).
Volgens de rechtbank (eindvonnis van 16 maart 2020, rov. 4.17) had het perceel dat erflaatster in 1987 in eigendom verkreeg, blijkens de kadastrale inmeting van 1991 in werkelijkheid een oppervlakte van 10,55 are, en beantwoordde die oppervlakte ook volgens erflaatster aan hetgeen zij in 1987 toegescheiden had gekregen, wat mede blijkt uit het uitblijven van enige klacht over de kadastrale inmeting.2. Voor het geval hierover anders zou moeten worden gedacht, heeft de rechtbank overwogen (rov. 4.18) dat (ten gevolge van de kadastrale opmeting in 1991 is gebleken dat) [de zoon] dan (weliswaar geen eigenaar, maar) in ieder geval bezitter is geworden van de grond waarover erflaatster niet de beschikking had gekregen. Zelfs als [de zoon] zou moeten worden aangemerkt als een bezitter niet te goeder trouw, zou [de zoon] dan ten gevolge van de werking van art. 3:105 in ieder geval vanaf 2011 eigenaar van de desbetreffende grond zijn. Erflaatster was dus op het moment van haar overlijden op [overlijdensdatum] 2018 (zie het bestreden arrest, onder 2.9) eigenaar van een perceel met een oppervlakte van 10,55 are.
[de dochter] voert terecht aan (cassatieprocesinleiding, p. 21, onder 4 i.f.) dat (het hof heeft miskend dat) noch [de zoon] noch [de dochter] tegen deze beslissingen van de rechtbank heeft gegriefd. Rechtens staat dus vast dat het perceel waarvan erflaatster in 1991 het gebruik en genot had, een oppervlakte had van 10,55 are, en dat [de zoon] toen eigenaar van het overige deel van de boomgaard was omdat deze oppervlakte bij gelegenheid van de kadastrale inmeting de concretisering bleek van ‘circa 12,50 are’, althans dat [de zoon] in 1991 ten minste het bezit van 195 m2 grond had, zodat hij in ieder geval vanaf 2011 eigenaar van die 195 m2 grond was. Daarmee staat óók vast dat het perceel ten tijde van het overlijden van erflaatster in 2018 een oppervlakte had van 10,55 are.
Op grond van de (negatieve zijde van de) devolutieve werking viel de omvang van het perceel van erflaatster buiten de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof had te respecteren dat dit perceel een oppervlakte heeft van 10,55 are. Door niettemin te beslissen (rov. 4.14) dat aan erflaatster een afgepaald gedeelte van de boomgaard ter grootte van (precies) 12,5 are is toegedeeld en dat ten tijde van haar overlijden een perceel grond van 12,5 are aan haar toebehoorde, heeft het hof dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn beslissing, mede gelet op hetgeen het hof in rov. 2.3 zelf als vaststaand feit heeft beschreven, onbegrijpelijk.
Het bestreden arrest kan op dit punt niet in stand blijven.
Conclusie in het incidentele cassatieberoep
[de zoon] concludeert op grond van het hiervoor geformuleerde middel van cassatie in het incidentele cassatieberoep dat het in deze zaak door het hof Arnhem-Leeuwarden op 12 april 2022 gewezen eindarrest moet worden vernietigd, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
Conclusie in het principale en het incidentele cassatieberoep
[de zoon] concludeert dat [de dochter] moet worden veroordeeld in de kosten van het principale en het incidentele cassatieberoep, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest heeft betaald.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑09‑2022
De akte van dading is verleden op 3 februari 1987 (verweerschrift in conventie/eis in reconventie, productie16) dus onder vigeur van het oude BW, toen een dading en scheiding en deling declaratieve werking hadden, en een perceel niet werd toegedeeld (noodzakelijk gevolgd door een levering, vgl. art. 3:186 BW) maar toegescheiden. Zie ook het ‘eigendomsbewijs’ van 20 maart 1987 (verweerschrift in conventie/eis in reconventie, productie 18 en het eindvonnis, rov. 2.4), dat in (rov. 4.16 van het) het eindvonnis en (rov. 2.5 van het) bestreden arrest ten onrechte een ‘akte van levering’ wordt genoemd. Zie ook rov. 4.14 van het bestreden arrest, waarin ten onrechte wordt gesproken van ‘de afspraken en de ter uitvoering daarvan verrichte levering’.
Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 maart 2022, p. 6: ‘In de dading staat wel duidelijk dat zij een stuk krijgt van ongeveer 12,5 are. Je weet dan dat het een beetje kleiner kan zijn als dat later wordt opgemeten.’
Beroepschrift 08‑07‑2022
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD ALS BEDOELD IN ART. 407 RV
Eiseres tot cassatie is:
[de dochter], wonende te [woonplaats] ([postcode]) aan de [adres] te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Johan van Oldenbarneveltlaan nr. 36 (2582 NT), (postbus 82230, 2508 EE), ten kantore van mr. J. van Duijvendijk-Brand, advocaat bij de Hoge Raad, die door haar wordt aangewezen om haar te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 407 lid 3 en 4 Rv):
Verweerder in cassatie is:
[de zoon], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats], Noorwegen.
Verweerder heeft in de vorige instantie in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. J.W, Damstra (Oranje Parck Advocatuur B.V.), kantoorhoudende aan de Kerklaan 37, (7311 AC) te Apeldoorn.
Oproep
Verweerder in cassatie kan in deze procedure ten laatste verschijnen op vrijdag 26 augustus 2022, niet in persoon, doch vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan zal worden gehouden in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout nr. 8 te Den Haag.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoeld overzicht van zaken, op vrijdagen om 10.00 uur, zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (Stcrt. 2017/5928).
Bestreden arrest
Eiseres stelt hierdoor beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen het arrest van 12 april 2022 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gewezen onder zaaknummer 200.279.983 tussen [de dochter] als geïntimeerde in het principaal hoger beroep/appellante in het incidenteel hoger beroep en [de zoon] als appellant in het principaal hoger beroep/geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep.
Middel van cassatie
Eiseres tot cassatie richt zich tegen voormeld arrest met het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het Hof op grond van de in zijn arrest van 12 april 2022, waarvan beroep, vermelde gronden en het dictum heeft beslist, zulks ten onrechte op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
I. Het geschil
1.
Het geschil tussen partijen heeft betrekking op het testament van de moeder van partijen, die op [overlijdensdatum] 2018 is overleden. In haar testament van 23 november 2011 heeft moeder haar dochter [de dochter] tot enige en algehele erfgename benoemd, daarmee de facto haar zoon [de zoon] (in de stukken en ook hierna aangeduid als: [de zoon]) ontervend. Aan het testament is een bijlage gehecht, inhoudende een (niet door de moeder ondertekende) verklaring van de moeder, waarin zij aangeeft welke de redenen waren om haar zoon de facto te onterven.
2.
In het testament onder 3 ‘Erfstelling’ heeft erflaatster verklaard:
‘Ik benoem mijn dochter tot mijn enige en algehele erfgename zulks met plaatsvervulling volgens de wet. Ter toelichting van deze erfstelling verwijs ik naar de aan dit testament gehechte bijlage.’
3.
In die bijlage is het volgende opgenomen:
‘Mijn zoon [de zoon] heeft, begin jaren zeventig, een stuk grond en huis gekregen van mijn schoonvader. Deze schenking ging af van de erfenis die mijn toenmalige man, [de vader] van zijn vader zou krijgen. Mijn man heeft daarna geen testament gemaakt waarin mijn dochter ook een evenredig deel zou krijgen.
Omdat ik gescheiden ben van mijn man, [de vader], moest er een verdeling komen van ons gezamenlijk bezit. Dit is uiteindelijk zo gegaan dat ik een perceel appelboomgaard zou krijgen waarop mijn zoon een Noorse blokhut zou bouwen ter waarde van € 165.000.
Omdat ik in die periode veel nare zaken aan mijn hoofd had en er van uit ben gegaan dat ik mijn zoon kon vertrouwen heb ik mij niet altijd met de details bemoeid. Mijn advocaat liet mij in de brief van 23 januari 1987 weten dat ik de appelboomgaard zou krijgen met de Noorse hut. Dat mijn zoon gecompenseerd zou worden om mij in de tijd van de bouw onder te brengen. En dat mijn zoon rekening en verantwoording hierover af zou leggen.
Mijn zoon zou een weiland ter waarde van fl. 140.000 krijgen en zijn schulden aan zijn grootvader ter waarde van fl. 52.000 gingen over naar zijn vader. In totaal dus een waarde van fl. 192.000.
Mijn zoon zei dat hij wel een deel van de boomgaard wilde onderhouden omdat het te groot voor mij was. Dat vond ik een goed idee. Ik zei dat hij een hekje kon plaatsen om een afscheiding te maken.
Na de scheiding, 3 februari 1987, ben ik in een woonwagen gaan wonen in de appelboomgaard en heeft mijn zoon een Noors huisje gebouwd. Toen ik er ging wonen was het niet helemaal afgewerkt.
Mijn dochter [de dochter] woonde in deze periode in het buitenland.
Ik heb nooit precies begrepen waarom [de zoon], zonder het mij te vertellen, een deel van de boomgaard op zijn naam heeft gezet. Daar had hij helemaal geen recht op. [de zoon] heeft dat deel van de boomgaard nooit van mij gekocht of gekregen. De verhouding met mijn zoon en schoondochter was in die tijd verre van plezierig en om de vrede te bewaren heb ik er nooit naar gevraagd. Ik had ook niet door dat de waarde van mijn huisje aanzienlijk lager was geworden door het verkleinen van het perceel waar ik rechtop had. En dat niet alleen ik maar ook mijn dochter daardoor ernstig benadeeld zou worden.
Later begreep ik ook dat de waarde van de blokhut nooit fl. 165.000 is geweest. De boomgaard was fl. 50.000 waard maar daar was een groot deel vanaf gehaald. Het huisje was met materiaal neergezet dat misschien niet meer dan fl. 30.000 was. Mijn zoon heeft daarover nooit verantwoording willen afleggen. Mijn zoon heeft door zijn handelingen zijn deel van de erfenis van mij zelf toegeëigend. Om deze reden wil ik hem onterven. Zijn legitieme heeft hij al gehad door mij niet alles te geven waar ik recht op had bij de echtscheiding.’
II. Schets van het procesverloop
[de zoon] heeft [de dochter] gedagvaard en wijziging van het testament gevorderd (in dier voege dat [de zoon] op gelijke wijze als [de dochter] erfgenaam is) op grond van art. 4:46 lid 1 en/of 2 BW (uitleg van het testament) en omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat eiser is onterfd op grond van onjuiste veronderstellingen van moeder. De dagvaarding bevat een relaas waarom de redenen die erflaatster in de bijlage voor de onterving heeft genoemd feitelijk onjuist zouden zijn. Gegeven de grondslag van de vordering op dat moment is in het verweerschrift namens [de dochter] primair betoogd, dat voor uitleg van het testament geen plaats is en dat dit voor het terzijde stellen van het testament op grond van de redelijkheid en billijkheid eveneens geldt. Verder is gereageerd op het feitenrelaas van [de zoon] over de gestelde onjuiste veronderstellingen van de moeder, die met name zien op ‘de gang van zaken met betrekking tot de boomgaard’. Ook zijn tegenvorderingen ingesteld, die er kort gezegd toe strekken dat de benadeling die [de zoon] aan moeder heeft toegebracht wordt vergoed aan de nalatenschap. Het gaat daarbij goeddeels om hetzelfde feitencomplex als de moeder in de bijlage bij het testament heeft opgenomen. [de zoon] heeft daarna een conclusie van antwoord in reconventie tevens inhoudende akte overlegging producties genomen en [de dochter] heeft daarna een antwoordakte houdende aanvulling grondslag en aanvulling producties tevens vermeerdering tegenverzoeken genomen, waarna elk der partijen nog een akte heeft genomen.
Op 2 december 2019 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. [de zoon] heeft op die datum een akte aanvulling gronden (tevens pleitnotitie) genomen, waarin hij voor het eerst een beroep doet op art. 4:43 lid 2 BW (onjuiste beweegredenen). Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat er vooral over de feiten is gesproken en slechts beperkt over die nieuwe grondslag. Het debat bleef daarbij ook beperkt tot de vraag (opgeworpen door de rechter, zie p. 19 en 20 van het p-v) of de toelichting (de bijlage dus) deel uitmaakt van het testament.
Op 16 maart 2020 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Zij heeft geoordeeld dat art. 4:43 lid 2 BW geen grondslag kan bieden voor de gevorderde vernietiging van het testament, omdat de bijlage geen onderdeel uitmaakt van het testament, zodat reeds om die reden niet aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan (rov. 4.3). De vordering kan evenmin worden toegewezen op grond van de overige grondslagen (uitleg en redelijkheid en billijkheid), aldus de rechtbank. De rechtbank heeft eveneens de tegenvorderingen van [de dochter] afgewezen.
[de zoon] is in hoger beroep gekomen van het vonnis bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In grief I komt [de zoon] op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 met — kort samengevat — het betoog dat de bijlage onlosmakelijk deel uitmaakt van het testament. Tevens wordt in de grief nogmaals uiteengezet dat de beweegredenen die moeder heeft gegeven onjuist zijn. Grief II ziet op de verwerping van de vordering op de overige grondslagen en kan hier verder onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor grief III.
[de dochter] heeft bij memorie van antwoord in het principaal appel de zienswijze van [de zoon] als onjuist betiteld, daarbij wijzend op het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen en betoogd dat een valse beweegreden alleen tot vernietigbaarheid kan leiden als de beweegreden in het testament zelf is opgenomen, hetgeen hier niet het geval is (nrs. 10 t/m 12, 21 en 22), Ook is betwist dat er sprake is geweest van een onjuiste beweegreden (nr. 22) en betoogd dat moeder [de zoon] ook onterfd zou hebben als zij had geweten dat [de dochter] de handelingen van [de zoon] in de toekomst zou terugdraaien (nr. 23). [de dochter] heeft van haar kant incidenteel appel ingesteld tegen de afwijzing van haar tegenvorderingen. [de zoon] heeft daar nog op gereageerd bij memorie van antwoord in het incidentele appel. Op 22 maart 2022 heeft [de zoon] nog een memorie vermeerdering van eis genomen. Het hof heeft de eisvermeerdering niet toelaatbaar geacht (rov. 4.6 van het arrest van 12 april 2022), zodat deze verder buiten beschouwing kan blijven.
Op 22 maart 2022 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is uitvoerig over de inhoud van de bijlage bij het testament en de (al dan niet juistheid van de) daarin veronderstelde feiten en omstandigheden gesproken. Ook is door de voorzitter de vraag aangestipt of de bijlage wel onderdeel uitmaakt van het testament. Namens [de dochter] is nogmaals herhaald dat de bijlage geen onderdeel uitmaakt van het testament en dat er ook geen sprake is van onjuiste beweegredenen.
Het hof heeft in zijn arrest van 12 april als eerste het incidentele hoger beroep van [de dochter] behandeld en geoordeeld dat de grieven in het incidentele hoger beroep alle falen. Het heeft in het principale hoger beroep geoordeeld (1) dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van de moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als ‘in de uiterste wil aangeduid’ geldt (rov. 4.18). Het hof heeft vervolgens, met verwijzing naar hetgeen het hof in het kader van het incidentele hoger beroep heeft overwogen, geoordeeld (2) dat de veronderstellingen van de moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest (rov. 4.19), (3) dat de stelling van [de zoon] dat moeder hem niet impliciet zou hebben onterfd, indien zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis zou hebben gedragen, door [de dochter] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist (rov. 4.20), zodat (4) aan de vereisten van art. 4:43 lid 2 BW is voldaan, zodat het testament van moeder voor zover het de erfstelling betreft (‘Ik benoem mijn dochter tot mijn enige en algehele erfgename zulks met plaatsvervulling als volgens de wet’) dient te worden vernietigd en dat het testament voor het overige in stand blijft.
III. Klachten
Onderdeel A: art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing op (middellijke) onterving
Aan de vraag of aan de voorwaarden voor vernietigbaarheid wegens onjuiste beweegredenen als voorzien in art. 4:43 lid 2 BW is voldaan, gaat logischerwijs de vraag vooraf of de bepaling op de onderhavige situatie van toepassing is. Het hof heeft die laatste vraag kennelijk impliciet, gelet op zijn oordeel in rov. 4.16 t/m 4.21, bevestigend beantwoord. Dat oordeel geeft om meerdere redenen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hierna geformuleerde klachten A.1, A.2 en A.3 hangen ten nauwste samen en Uw Raad wordt verzocht ze in onderlinge samenhang te lezen en de argumenten die in onderdeel A.2 en A.3 worden aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in onderdeel A.1 en vice versa.
Onderdeel A.1: art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing op ‘middellijk onterving’
1.
Weliswaar blijkt uit rov. 4.20 dat het hof heeft onderkend dat sprake is van een middellijke onterving als nevengevolg van de erfstelling ten behoeve van [de dochter] — het spreekt daar immers over ‘impliciete’ onterving — maar het heeft ten onrechte verzuimd daaraan het gevolg te verbinden dat art. 4:43 lid 2 BW reeds om die reden op de onderhavige zaak niet van toepassing is.
2.
Art. 4:43 lid 2 BW bepaalt — kort samengevat — dat een ‘uiterste wilsbeschikking’ gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden vernietigbaar is, als aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan. Dat doet de vraag rijzen wat een ‘uiterste wilsbeschikking’ is. De wet geeft in art. 4:42 lid 1 BW een definitie van een uiterste wilsbeschikking:
‘een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.’
Uit het slot van dit artikellid blijkt dat sprake is van een gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Er is sprake van een limitatieve opsomming. Anders gezegd: een ‘uiterste wilsbeschikking’ is alleen een ‘uiterste wilsbeschikking’ als zij in de limitatieve opsomming voorkomt. Uiterste wilsbeschikkingen die in titel 4.5. zijn te vinden, zijn onder meer de erfstelling (art. 4:115 BW) en het legaat (art. 4:117 e.v. BW). Verder volgt uit art. 4:1 lid 2 BW dat een erflater niet alleen door het maken van een erfstelling, maar ook door het ‘maken van een onterving’ van de versterfopvolging kan afwijken. In het laatste geval is sprake van een ‘uiterste wilsbeschikking’ die onmiddellijk gericht is op de onterving van één of meer door de wet geroepen erfgenamen als zodanig. Hiervan moet worden onderscheiden de situatie waarin — zoals in de onderhavige zaak — sprake is van middellijke onterving van een door de wet geroepen erfgenaam als nevengevolg van een erfstelling. In het laatste geval is géén sprake van een ‘uiterste wilsbeschikking tot onterving’.1. Reeds op grond daarvan moet de conclusie zijn, dat art. 4:43 lid 2 BW op de onderhavige zaak geen toepassing kan vinden, in die zin dat zij geen grondslag kan bieden voor de door [de zoon] ingestelde vordering strekkende tot ‘vernietiging’ van zijn ‘middellijke onterving’.
3.
Toepassing van de bepaling in het onderhavige geval heeft het hof ertoe gebracht de erfstelling ten behoeve van [de dochter] te vernietigen. Dat valt echter niet in het systeem te passen. Een uiterste wil kan meerdere uiterste wilsbeschikkingen bevatten en algemeen wordt geleerd2., dat een eventuele vernietigbaarheid ex art. 4:43 lid 2 BW uitsluitend de uiterste wilsbeschikking treft die is gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden. De erfstelling ten behoeve van [de dochter] is echter niet gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden: zij is een van de wettige erfgenamen van de moeder en de moeder heeft haar in haar uiterste wil ook als (enig) erfgename benoemd. Dat hieraan een valse beweegreden ten grondslag heeft gelegen is gesteld, noch gebleken. (Indien het hierover anders zou hebben geoordeeld, is het niet alleen buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, maar is zijn oordeel ook, waar iedere motivering ontbreekt, ontoereikend gemotiveerd).
4.
Het hof heeft het vorenstaande miskend en heeft de vordering van [de zoon] derhalve toegewezen op grond van een wettelijke bepaling die niet van toepassing is. Het hof had ambtshalve (art. 25 Rv) moeten beoordelen of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten de vordering konden dragen, zelfs nu daar door [de dochter] geen verweer op was gevoerd3. en had die vraag vervolgens ontkennend moeten beantwoorden en de vordering van [de zoon] gebaseerd op art. 4:43 lid 2 BW als niet op de wet gegrond moeten afwijzen.
Onderdeel A.2: art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing op onterving
1.
Ook los van hetgeen hiervoor in onderdeel A.1 is betoogd, geldt dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat art. 4:43 lid 2 BW in de onderhavige situatie toepassing kan vinden, in dier voege dat het een grondslag kan bieden voor de door [de zoon] ingestelde rechtsvordering (tot vernietiging van de erfstelling ten behoeve van [de dochter]), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een beroep op vernietigbaarheid van een uiterste wilsbeschikking op grond van onjuiste beweegredenen als bedoeld in art. 4:43 lid 2 BW komt namelijk niet toe ‘aan degene die is onterfd’ in die hoedanigheid, maar aan de (rechtsopvolgers van) de erflater. Een andere rechtsopvatting staat haaks op het algemene leerstuk van vernietigbaarheid van rechtshandelingen wegens wilsgebreken, leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op de testeervrijheid van de erflater en laat zich evenmin verenigen met de bijzondere uitlegbepalingen voor uiterste willen. Deze klacht zal hierna verder worden uitgewerkt en toegelicht.
Onverenigbaar met het algemene leerstuk van vernietigbaarheid van rechtshandelingen wegens wilsgebreken
2.
Leidend beginsel van het Nederlandse erfrecht is de testeervrijheid van de erflater. Deze testeervrijheid wordt slechts beperkt door de regeling van de legitieme (boek 4, titel 4, afdeling 3) en de andere wettelijke rechten (boek 4, titel 3, afdeling 2). De beweegredenen voor het maken van een uiterste wilsbeschikking zijn in beginselniet relevant (dit blijkt uit de wetstekst zelf en wordt ook in de handboeken geleerd).
3.
De uiterste wil is geregeld in Boek 4, titel 4. Artikel 4:42 lid 1 BW omschrijft de uiterste wil als een eenzijdige rechtshandeling4. waarbij een erflater een beschikking maakt die eerst na zijn overlijden werkt en die in boek 4 is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt. Met het woord ‘rechtshandeling’ is buiten twijfel gesteld dat de uiterste wilsbeschikking een rechtshandeling is in de zin van art. 3:32 BW. De artikelen van het algemene vermogensrecht van titel 3.2 BW zijn — zo wordt algemeen geleerd5. — op de uiterste wil van toepassing, behoudens voor zover in boek 4 anders wordt bepaald. Dat betekent onder meer dat de regeling voor wilsgebreken in boek 3, afdeling 2 op de uiterste wilsbeschikking van toepassing is, indien en voor zover in boek 4 daarvan niet wordt afgeweken.
4.
Daarmee komt art. 4:43 BW in beeld, dat een specifieke regeling geeft voor wilsgebreken bij het maken van een uiterste wilsbeschikking. In het eerste lid wordt het wilsgebrek ‘misbruik van omstandigheden’ uitdrukkelijk uitgesloten (daarover hieronder meer). Bedreiging en bedrog worden niet uitgesloten. Daaruit kan worden afgeleid dat art. 3:44 BW in zoverre wel van toepassing is (zij het, dat lid 3 van art. 4:43 BW een bijzondere regeling geeft voor ‘bevestiging’). Voor de wijzen van vernietiging van rechtshandelingen in het algemeen geven de artikelen 3:49-51 BW een regeling. Art. 3:50 BW spreekt over degene ‘in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat’. Bij wilsgebreken is dat de persoon wiens wil gebrekkig is gevormd. Een beroep op vernietigbaarheid komt uitsluitend het ‘slachtoffer’ toe, dus degene die bedreigd is of bedrogen.6. Toegepast op de situatie van een uiterste wilsbeschikking betekent dit dat het beroep op vernietigbaarheid wegens bedreiging of bedrog uitsluitend toekomt aan degene die namens en ten behoeve van de nalatenschap (erflater) optreedt en niet aan de bedreiger of bedrieger.7. De rechtsvordering tot vernietiging wordt ingesteld tegen hen die partij zijn bij de rechtshandeling. Voor de vernietiging van uiterste wilsbeschikkingen is dan art. 3:56 sub b BW van belang. Dit artikellid bepaalt dat voor de toepassing van de artikelen 3:50-55 BW bij ‘ongerichte eenzijdige rechtshandelingen’ mede als partij worden aangemerkt ‘zij die onmiddellijk belanghebbenden zijn bij de instandhouding van die handeling’.
5.
Ook voor het wilsgebrek dwaling, zoals geregeld in boek 6 (art. 6: 228 BW), geldt dat een beroep op dwaling uitsluitend toekomt aan de partij die gedwaald heeft en niet aan de ‘wederpartij’.8. De vernietigingsgrond is gegeven in het belang van de dwalende en de bevoegdheid om een beroep te doen op de vernietigbaarheid (zijnde een wilsrecht) komt derhalve uitsluitend aan hem toe. Dat voor het wilsgebrek ‘dwaling’/onjuiste beweegredenen zoals geregeld in art. 4:43 lid 2 BW deze beperking niet zou gelden valt niet wel in te zien. Asser/Perrick 4 2013, 230 stelt ‘Het ligt voor de hand dat degene die onmiddellijk voordeel heeft van de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking is aan te merken als degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat.’ Dat ligt, zoals hiervoor is betoogd, nu juist niet voor de hand. Degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat is de ‘dwalende’ — de erflater dus — en na diens overlijden zijn dat diens erfgenamen (bij versterf) die hun bevoegdheid uitoefenen namens en ten behoeve van de nalatenschap.
‘Dit volgt ook uit art. 4:54 BW dat een regeling geeft voor verjaring en verval van rechtsvorderingen tot vernietiging van uiterste wilsbeschikkingen. Het artikel spreekt over degene aan wie de bevoegdheid toekomt dan wel zijn rechtsvoorganger. Over de betekenis van de toevoeging ‘dan wel van zijn rechtsvoorganger is door de Minister van Justitie opgemakt: ‘Met de woorden ‘dan wel zijn rechtsvoorganger’ is aangeduid dat degene op wie na de dood van de erflater b.v. door een nieuwe vererving de bevoegdheid om de vernietigbaarheid in te roepen over ging (…) gebonden is aan de termijn die is gaan lopen sinds zijn rechtsvoorganger van de dood van de erflater, de beschikking en de oorzaak van de vernietigbaarheid kennis kreeg.’ (onderstreping toegevoegd, advocaat)9.
6.
Het klopt dat de erfgenamen bij versterf ook degenen zijn die ‘onmiddellijk voordeel hebben’ van de vernietiging van een making (erfstelling of legaat), maar dat is niet het beslissende criterium. Dit kan ook worden verduidelijkt door naar de ‘partijposities’ te kijken. Zoals hiervoor in randnummer 4 al is opgemerkt, staat tegenover de partij die een beroep op dwaling toekomt bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen de ‘partij’ die onmiddellijk belanghebbende is bij de instandhouding van die handeling. Toegepast op de onderhavige situatie betekent dit dat [de zoon] (door het arrest van het hof) de positie toegedeeld heeft gekregen om ‘namens de erflaatster’ de vernietigingsgrond in te roepen, waartegenover [de dochter] dan als onmiddellijk belanghebbende bij de instandhouding van de handeling moet worden beschouwd. Het behoeft geen betoog, dat die rolverdeling systematisch niet klopt: [de zoon] heeft dan ‘twee petten op’, hij vertegenwoordigt (en wel alleen en dus niet samen met [de dochter]) de nalatenschap, maar hij doet dit niet ten behoeve van de nalatenschap; hij dient immers (vooral) zijn eigen belang. Dit terwijl [de dochter] (als enige en algehele erfgename) in de positie van verwerende partij wordt gebracht: degene die ‘onmiddellijk belang heeft bij de instandhouding van de handeling’. Deze benadering staat haaks op de algemene regeling voor wilsgebreken en de wet zelf geeft voor een dergelijke afwijking geen enkel aanknopingspunt, terwijl de wetsgeschiedenis uitsluitend aanwijzingen voor het tegendeel bevat, zoals hierna in randnummers 7 e.v, nog nader uiteen zal worden gezet.
Toekenning van een actie aan [de zoon] om alleen ‘namens de nalatenschap’ op te treden, is ook onverenigbaar met de (de strekking van de) rechtspraak van de Hoge Raad over het toepassingsbereik van art. 3:171 BW (HR 6 april 2018, ECLI:2018:NL:HR:2018:535, m.nt. Perrick). Voormeld artikel geeft iedere deelgenoot de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsvordering en het indienen van een verzoekschrift ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, maar deze regel ziet volgens de Hoge Raad in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. Voor vorderingen en verzoeken ten behoeve van een gemeenschap tegen een deelgenoot is art. 3:170 BW geschreven, dat evenwel eist dat alle deelgenoten aan die actie deelnemen (hetgeen in casu niet het geval is). Deze beperking in de toepassing van art. 3:171 BW en art. 3:170 BW strekt ertoe om een ‘twee petten situatie’ (zoals die in casu nu aan de orde is) te voorkomen. Het hof had dus via (analoge) toepassing van deze rechtsregel ambtshalve (art. 25 Rv) tot de conclusie moeten komen, dat [de zoon] niet-ontvankelijk was in zijn vordering. Ook daaraan heeft het hof voorbij gezien en ook dat maakt dat het hof het recht heeft geschonden.
7.
In art. 4:43 lid 1 BW wordt vernietigbaarheid op de grond dat een uiterste wilsbeschikking tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden expliciet uitgesloten. In de Toelichting Meijers op art. 4.3,1.3 (4:43 BW) wordt daarover het volgende opgemerkt:
‘‘Het eerste lid van dit artikel is in overeenstemming met hetgeen in Boek 3 voor rechtshandelingen in het algemeen is bepaald. Misbruik van omstandigheden is hier niet genoemd, omdat, daaruit geen benadeling van de erflater voortkomen kan. Het is ook niet gewenst om een misbruik van omstandigheden als grond voor vernietiging van uiterste wilsbeschikkingen te erkennen, omdat dit juist bij uiterste willen een voortdurende bron van processen zou zijn; degenen die door een testament in hun verwachtingen zijn teleurgesteld, menen bijna steeds dat de bevoordeelden een onoirbare invloed hebben uitgeoefend om de erflater tot het maken van zijn uiterste wil te bewegen,’ (onderstreping toegevoegd, advocaat)’10.
Tijdens de behandeling van boek 4 in de Eerste Kamer zijn over deze passage in de Toelichting Meijers en het verschil in behandeling van bedrog en bedreiging enerzijds en misbruik van omstandigheden anderzijds vragen gesteld door de Commissie. Ook is de vraag gesteld waarom een schenking bij leven wel vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden en een uiterste wilsbeschikking niet.11. De minister heeft daarop onder meer het volgende geantwoord:
‘dat het verschil dit is: een nadeel opkomend na de dood van de handelende persoon wordt voor deze nooit meer ‘voelbaar’, is dus nooit een nadeel voor de handelende persoon, hoogstens voor zijn erfgenamen.’12.
Reeds uit het vorenstaande blijkt dat de wetgever ‘benadeling van de erflater’ als voorwaarde ziet voor vernietigbaarheid op grond van onjuiste beweegredenen in de zin van art. 4:43 lid 2 BW en dat de bepaling dus alleen ziet op makingen (erfstellingen en legaten) en niet op ontervingen. Alleen in het eerste geval kan immers sprake zijn van ‘benadeling’ van de erflater (zijn erfgenamen), in het laatste geval niet.
8.
Uit de beantwoording van vragen over art. 4.3.1.3. lid 2 (het huidige art. 4:43 lid 2 BW) blijkt dit nog duidelijker. Naar aanleiding van een opmerking van de notariële commissie dat men verwacht dat men onder het nieuwe wetboek te maken zal krijgen met kleurloze testamenten waarin het notariaat iedere omschrijving van de persoon van de bevoordeelde, uitgaande boven zijn personalia zal vermijden, merkt de minister op dat het notariaat de testator uitdrukkelijk de vraag moet voorhouden dat deze zich de vraag moet stellen:
‘‘of hij zijn beschikking behoudens herroeping bij later testament, ook wil maken voor het geval dat een door hem ter sprake gebrachte hoedanigheid van dete bevoordelen persoonof andere omstandigheid mocht komen te vervallen.’ (vetmarkering toegevoegd, advocaat).’13.
9.
Wat het weglaten van misbruik van omstandigheden betreft, merkt de minister nog op, dat voor hem het zwaarste weegt als argument, dat van een dergelijke vernietigingsgrond een toevloed aan processen te vrezen zou zijn en voegt daaraan toe:
‘dat aantasting in processen ook vergemakkelijkt zou worden, doordat de beslissende getuige, de erflater zelf, er niet meer is om een en ander te weerleggen’.
Het hoeft geen betoog dat dit evenzeer geldt indien een onterving door de onterfde zou kunnen worden aangetast op grond van dwaling.
10.
Veelzeggend is ook dat in de handboeken over erfrecht14. uitsluitend voorbeelden worden gegeven van toepassingen van art. 4:43 lid 2 BW die gaan over makingen (erfstellingen en legaten) en niet over ontervingen, ‘middellijke’ of ‘onmiddellijke’. In de rechtspraak zijn daarvan evenmin voorbeelden te vinden. Meest bekende voorbeeld van een ‘valse beweegreden’ onder het oude recht is de zogenaamde ‘echtgenoten-problematiek’ (HR 5 januari 1962, NJ 1963, 117). Dat voorbeeld behoort ook tot de categorie ‘makingen’.
11.
Kortom, toepassing van art. 4:43 lid 2 BW op ontervingen, in dier voege dat aan de onterfde (in die hoedanigheid) een beroep op vernietigbaarheid van de uiterste wilsbeschikking toekomt wegens ‘onjuiste beweegreden’ is onverenigbaar met het algemene leerstuk van vernietigbaarheid van rechtshandelingen wegens wilsgebreken en de algemene bepalingen die daarover in boek 3, titel 2 een boek 6 te vinden zijn. Uit tekst van de bepaling blijkt niet, dat van het uitgangspunt van deze algemene bepalingen — dat een beroep op vernietigbaarheid alleen toekomt aan de persoon wiens wil gebrekkig is gevormd, toekomt — wordt afgeweken. De wetsgeschiedenis biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten, maar slechts argumenten die daartegen pleiten. In de rechtsliteratuur wordt kennelijk ook uitgegaan van een toepassingsbereik van art. 4:43 lid 2 BW dat beperkt blijft tot ‘makingen’. Die ‘makingen’ kunnen worden vernietigd indien komt vast te staan dat ze zijn gemaakt op grond van onjuiste beweegredenen. De bevoegdheid om de vernietigbaarheid in te roepen ten behoeve van de nalatenschap komt toe aan de erfgenamen (bij versterf) en strekt ertoe om het vermogen dat ‘ten onrechte’ (namelijk op grond van onjuiste beweegredenen van de erflater) het vermogen van erflaatster/de nalatenschap heeft verlaten daarin weer te doen terugkeren. Art. 4:43 lid 2 BW strekt er niet toe een ‘onterving’ aantastbaar te maken op grond van onjuiste beweegredenen.
In strijd met beginsel van testeervrijheid en beperkte uitleg mogelijkheden uiterste wilsbeschikkingen
12.
Zoals hiervoor al werd opgemerkt, wordt het Nederlandse erfrecht gekenmerkt door het beginsel van testeervrijheid. Zij vloeit voort uit het beginsel van de partijautonomie. De testeervrijheid brengt mee a. de vrijheid om al dan niet een uiterste wilsbeschikking te maken, b. een uiterste wilsbeschikking te maken ten behoeve van wie men wil en c. de inhoud, werking en voorwaarden van de uiterste wil naar eigen inzichten te bepalen.15. Het beginsel is verankerd in art. 4:1 lid 2 BW, maar vindt ook zijn weerslag in andere bepalingen, zoals bijvoorbeeld de specifieke regels voor de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:46 BW). Degene die over de bedoeling van de uiterste wilsbeschikking zou kunnen verklaren is er immers niet meer en om die reden is voor uitleg van uiterste wilsbeschikkingen slechts zeer beperkt plaats. Wanneer men het oordeel van het hof vanuit deze invalshoek bekijkt, blijkt dat het oordeel óók onverenigbaar is met het beginsel van testeervrijheid. Een en ander zal hierna verder worden uitgewerkt en toegelicht.
13.
Een uiterste wil kan bestaan uit meerdere wilsbeschikkingen. De toets of sprake is geweest van een valse beweegreden moet worden betrokken op de betreffende wilsbeschikking en indien de valse beweegreden komt vast te staan treft de vernietigbaarheid (of nietigheid) alleen die wilsbeschikking.16.
In het geval van een ‘legaat’ kan en dient de toets ‘zou erflater de beschikking niet hebben gemaakt’ dus te worden betrokken op het ‘legaat’, de ‘prestatie’. Indien deze toets leidt tot de conclusie dat het legaat is gemaakt op grond van een ‘valse beweegreden’ in de zin van art. 4:43 lid 2 BW, valt het legaat/de bevoordeling na een geslaagd beroep op de vernietigbaarheid daarvan weg (is nietig). Er is dan geen reden/noodzaak (en ook geen grond) om na te gaan wat de erflater dan met het gelegateerd goed zou hebben gewild, het goed valt in de nalatenschap. Aan de wil van erflater wordt verder niet ‘gemorreld’. Deze wordt ook niet ingevuld/aangevuld, er wordt slechts door middel van het wilsgebrek aan de zijde van erflater de werking ontnomen aan het legaat dat op een valse beweegreden was gestoeld. Indien erflater een erfstelling ten behoeve van X zou hebben gemaakt, geldt mutatis mutandis hetzelfde: door het wegvallen van de erfstelling ten behoeve van X, treden de regels van het versterfrecht weer in werking. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de rechten van de (overige) erfgenamen, de nietigheid van het legaat of de erfstelling kunnen slechts het gevolg hebben dat hun rechten in positieve zin gewijzigd worden.
14.
In het geval waarin erflater door het maken van een testament afwijkt van de regels van het versterferfrecht en één van de wettige erfgenamen onterft (onmiddellijk of middellijk), ligt dit principieel anders. Er is in dat geval niet een specifieke bevoordeling/making waaraan kan worden getoetst. Het aannemen van vernietigbaarheid van de onterving leidt er in dat geval in feite toe dat het hele testament als vernietigbaar wordt aangemerkt, al formuleert het hof dat anders (‘erfstelling ten behoeve van dochter wordt nietig verklaard’) met als gevolg dat wordt teruggevallen op het versterferfrecht: beide kinderen worden daardoor (wettige) erfgenaam. Daarmee verandert niet alleen de positie van de onterfde maar ook de positie van degene die volgens de uiterste wil enig en algeheel erfgenaam was — in dit geval [de dochter] — in aanzienlijke mate: in plaats van enig erfgenaam met het recht op alle goederen van de nalatenschap, komt deze nu in een positie waarin hij en de onterfde in gelijke mate recht hebben op toedeling van de tot de nalatenschap behorende goederen. Toegespitst op de onderhavige zaak, valt dan met name te denken aan de woning van erflaatster. Beide partijen hebben aan het hof kenbaar gemaakt dat zij deze woning toegedeeld wensen te krijgen.17. De ‘toedeling’ aan [de dochter] was op grond van het door de moeder gemaakte testament een gegeven. Door nu de nietigheid van de onterving van [de zoon] aan te nemen (door middel van de vernietiging van de erfstelling ten behoeve van [de dochter]), geeft het hof een nadere invulling gegeven aan de wil van erflaatster waarvoor rechtens geen basis bestaat. Dat erflaatster, indien zij op de hoogte was geweest van de ‘onjuistheid van haar beweegredenen’ (genoemd in de bijlage bij het testament) niet óók een testament zou hebben gemaakt en daarin bijvoorbeeld tot een andere verdeling van haar nalatenschap tussen haar kinderen zou zijn gekomen, valt immers niet uit te sluiten. Art. 4:43 lid 2 BW strekt ertoe de testeervrijheid van de erflater te waarborgen en niet — hetgeen het gevolg is van de toepassing die het hof aan de bepaling heeft gegeven — om deze te beperken.
15.
Kortom, ook het leidend beginsel van het erfrecht, de testeervrijheid, daaronder begrepen de waarborg dat wil erflater niet wordt aangevuld/ingevuld, maakt eveneens dat de schoen van art. 4:43 lid 2 BW in het geval van een onterving niet past.
Onderdeel A.3: art. 4:43 lid 2 BW uitsluitend van toepassing op ‘aanduidingen’ van de persoon
1.
De toelichting die de moeder heeft gegeven waarom zij [de dochter] tot enige algehele erfgename heeft benoemd en [de zoon] daarmee middellijk heeft onterfd, behelst een heel epistel (zie hiervoor Inleiding I, onder 3), waarin niet alleen feiten worden genoemd (zoals de moeder die heeft gepercipieerd), maar ook uiting wordt gegeven aan gevoelens van teleurstelling en gerept wordt van verstoorde verhoudingen met [de zoon]. Over de vraag of die ‘feiten’ als ‘juist’ zijn aan te merken is in twee instanties uitvoerig gedebatteerd. Het betreft in wezen een debat tussen de moeder en [de zoon], zij het dat de moeder is overleden en [de dochter] in de positie is gedwongen om het standpunt van de moeder te verwoorden. Dat de rolverdeling tussen partijen niet past in het wettelijk systeem is hiervoor in de onderdelen A.1 en A.2 al betoogd. Maar er is nog een reden waarom art. 4:43 lid 2 BW hier geen toepassing kan vinden, te weten dat uit de wetsgeschiedenis en de rechtsliteratuur blijkt dat het toepassingsbereik van deze bepaling beperkt is tot zogenoemde ‘aanduidingen van de persoon’.
2.
Zoals hiervoor in onderdeel A.2, randnummer 10 al is opgemerkt, zien alle voorbeelden van ‘onjuiste beweegredenen’ in de zin van art. 4:43 lid 2 BW die in de handboeken over erfrecht worden genoemd op ‘makingen’. Ze hebben echter nog iets anders gemeen, ze hebben een eenvoudige structuur: ze gaan over ‘aanduidingen van de persoon ten behoeve van wie de erfstelling of het legaat is gemaakt’. Die aanduiding kan de vraag oproepen of de erflater daarmee beoogd heeft de bevoordeelde nader te omschrijven, of dat de aanduiding als een beweegreden moet worden gelezen. Enkele voorbeelden uit de handboeken: ‘X, mijn vriend’, ‘Y mijn huishoudster’ en het al eerdergenoemde voorbeeld ‘Z die mij van de verdrinkingsdood heeft gered’. De vraag rijst dan: wat nu als X ten tijde van het overlijden niet meer zijn vriend is, Y niet meer zijn huishoudster en na de dood van erflater blijkt dat niet Z maar Y hem van de verdrinkingsdood heeft gered, De vraag of er sprake is van een ‘ten onrechte veronderstelde omstandigheid’ is in die gevallen relatief eenvoudig te beantwoorden en de rechtens te beantwoorden vraag spitst zich dan toe op de vraag of de toevoeging (vriend, huishoudster et cetera) slechts al een nadere aanduiding is bedoeld dan wel als een beweegreden.
3.
De meeste schrijvers manen de notaris tot voorzichtigheid bij het opnemen van aanduidingen van de persoon van de bevoordeelde en raden deze aan zich te beperken tot de personalia, omdat daarmee de dwalingsproblematiek buiten de deur wordt gehouden en de rechtszekerheid wordt gediend.18.
4.
Ook uit de parlementaire geschiedenis (zie daarover hiervoor reeds onderdeel A.2 randnummers 7 t/m 9) blijkt dat de wetgever met ‘onjuiste beweegredenen’ uitsluitend het oog heeft gehad op ‘aanduidingen van de persoon’ of ‘aanduidingen van diens hoedanigheid’. Bovendien blijkt daaruit dat een beslissende reden voor het weglaten van het wilsgebrek ‘misbruik van omstandigheden’ is geweest dat dit zou leiden tot een voortdurende bron van processen en dat dit temeer onwenselijk werd geacht omdat (in de woorden van de Minister van Justitie) ‘de beslissende getuige, de erflater zelf, er niet meer is om een en ander te weerleggen’.
5.
Dat de wetgever bij de vernietigbaarheid op grond van ‘onjuiste beweegredenen’ beweegredenen een eenvoudige structuur voor ogen heeft gestaan, blijkt ook uit het volgende. Art. 4:937 (oud) BW eiste ook dat uit het testament zelf blijkt dat de beweegreden beslissend was (voor de making). Art. 4:43 lid 2 BW stelt die eis niet. Meijers heeft daarover in de toelichting opgemerkt:
‘(…) bijna iedere beweegreden is ook een beslissende beweegreden; daarom moet de wet niet naast het bewijs van het bestaan van een valse beweegreden nog het bewijs van het beslissende karakter van die beweegreden te veel bemoeilijken’19.
Die zienswijze valt alleen te begrijpen als het toepassingsbereik van de bepaling is beperkt tot ‘aanduidingen van de persoon’ of ‘aanduidingen van diens hoedanigheid’, ofwel — eenvoudig gezegd — tot de aanduiding van ‘een’ beweegreden en dus niet ziet op een relaas over (meerdere) feiten en gebeurtenissen van erflater, omdat in het laatste geval wellicht nog wel kan worden vastgesteld of een (ten onterechte veronderstelde) omstandigheid mede beslissend is geweest voor het maken van de uiterste wilsbeschikking, maar niet of deze omstandigheid uitsluitend beslissend is geweest.
6.
Ook hieraan heeft het hof voorbij gezien en derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en ook hiervoor geldt dat het hof ambtshalve (art. 25 Rv) had moeten beoordelen of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten de vordering van [de zoon] konden dragen, zelfs nu daar door [de dochter] geen verweer op was gevoerd en had het die vraag vervolgens ontkennend moeten beantwoorden en de vordering van [de zoon] gebaseerd op art. 4:43 lid 2 BW als niet op de wet gegrond moeten afwijzen.
Onderdeel B: is voldaan aan de eis dat de ten onrechte veronderstelde omstandigheid die de beweegreden tot de beschikking is geweest in de uiterste wil zelf is aangeduid?
1.
Het hof heeft deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend beantwoord, op de grond dat de bijlage waarin de beweegredenen zijn aangeduid — en waarnaar in het testament wordt verwezen — integraal onderdeel uitmaakt van de uiterste wil/het testament. Het overwoog daartoe in rov. 4.18:
‘De toelichting van moeder staat niet in het testament zelf (‘uiterste wil’), maar is verwoord in een niet ondertekende bijlage bij dat testament. Tussen partijen is allereerst in geschil of de bijlage bij het testament wel onderdeel uitmaakt van het testament en of de beweegreden, zoals artikel 4:43 lid 2 BW verlangt, wel in de uiterste wil is aangeduid. Het hof is van oordeel dat de bijlage onderdeel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen in de bijlage staat als in de ‘uiterste wil aangeduid’ geldt. De bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel. In het testament zelf staat de uiterste wilsbeschikking waar het moeder om gaat: de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon]; in de bijlage is de toelichting daarop verwoord. De uiterste wilsbeschikkingen zijn vervat in een notariële akte en voldoen daardoor aan de vormeis die daaraan wordt gesteld (artikel 4:42 lid 3 BW en artikel 4:94 BW). Dat die toelichting is vermeid in een bijlage bij het testament doet in dit geval geen afbreuk aan de verplichte notariële tussenkomst en de daaraan verbonden waarborgen, zoals het bewaken van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming. Die waarborgen gelden zowel voor het testament als de bijlage. Dat de bijlage niet door de moeder is ondertekend maakt dat niet anders. Door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit haar toelichting is.’
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet voorzien van een voldoende begrijpelijke motivering om de navolgende redenen.
2.
De uiterste wilsbeschikking is aan een vorm onderworpen. Dat roept — in een iets breder verband — de vraag op in hoeverre de vormdwang toelaat te verwijzen naar stukken buiten de uiterste wil. Een dergelijke verwijzing wordt door de schrijvers ontoelaatbaar geacht. Asser/Perrick20. merkt daarover op, dat bij men bij de beantwoording van de vraag in hoever de vormdwang toelaat te verwijzen naar stukken buiten de uiterste wil, moet men bedenken, dat strikt genomen de uiterste wil niet anders is dan een stuk papier met lettertekens, dat eerst zijn zin krijgt door het te betrekken op hetgeen daarbuiten ligt, maar ‘Dit betrekken mag niet zo ver gaan, dat het wezen van de beschikking wordt gevonden in een stuk, waarnaar de beschikking verwijst.’ (cursivering, advocaat). Ook Breemhaar21. merkt op dat de erflater ‘ten aanzien van het rechtsgevolg waarop een uiterste wilsbeschikking is gericht’ niet kan verwijzen naar andere stukken.
3.
Is de beweegreden voor de ‘middellijke onterving’ (door middel van de erfstelling ten gunste van [de dochter]) ‘het wezen van de beschikking’, of, in de woorden van Breemhaar: is die beweegreden ‘het rechtsgevolg waarop de uiterste wilsbeschikking is gericht’?
4.
Het antwoord op die vraag hangt af van hoe men tegen de ‘middellijke onterving’ aankijkt. In de zienswijze van [de dochter] (zie hiervoor middelonderdeel A.1) is van een ‘uiterste wilsbeschikking tot onterving’ geen sprake en dan komt men aan de vraag naar het karakter van de bijlage en ‘het wezen’ van de beschikking helemaal niet toe.
5.
Als die rechtsopvatting geen stand zou houden, gaat het erom of de wil van erflaatster erop is gericht de beweegreden deel uit te laten maken van de uiterste wil. Als die vraag ontkennend zou worden beantwoord, kan art. 4:43 lid 2 BW geen toepassing vinden, omdat de bijlage dan niet meer is dan wat het woord zegt: ‘een bijlage’.
6.
Als men — zoals het hof kennelijk heeft gedaan — het uitgangspunt kiest dat erflaatster (gelet op de verwijzing in het testament naar de bijlage) de bijlage met daar in de ‘beweegredenen’ onderdeel van haar testament wilde doen zijn, moet de vraag bevestigend worden beantwoord. Aan de voorwaarde ‘wezen van de beschikking’ en ‘het rechtsgevolg waarop de uiterste wilsbeschikking is gericht’ is dan voldaan, zodat de enkele verwijzing naar de bijlage ontduiking van de vormdwang oplevert. Art. 4:43 lid 2 BW maakt ‘toetsing’ van de beweegredenen onder bepaalde voorwaarden mogelijk, maar eist daarvoor nu eenmaal uitdrukkelijk dat de beweegredenen in de uiterste wil zelf zijn opgenomen. Het hof heeft dat miskend en heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
7.
Het oordeel van het hof is ook onbegrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig, nu het hof nota bene zelf overweegt:
‘In het testament zelf staat de uiterste wilsbeschikking waar het moeder om gaat: de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon]; in de bijlage is de toelichting daarop verwoord.’
Zonder nadere — ontbrekende — motivering, valt niet goed te begrijpen waarom het hof de ‘toelichting’ dan kennelijk toch beschouwt als ‘het wezen van de beschikking’ en daarmee als onderdeel uitmakend van de uiterste wil.
8.
Hetgeen het hof verder nog aan zijn oordeel ten grondslag legt, kan zijn oordeel ook niet dragen. Zo is de overweging ‘De bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel.’ een voorbeeld van een ‘non sequitur’: het door het hof gebezigde argument (aanhechting aan het testament van de bijlage) kan de door hem getrokken conclusie immers niet dragen. Het gaat er om of de wil van erflaatster erop was gericht de beweegredenen deel uit te laten maken van het testament (en daarmee om de vraag of haar wil erop was gericht die beweegredenen op grond van art. 4:43 lid 2 BW toetsbaar te maken). De door erflaatster in het testament gebezigde bewoordingen — ‘ter toelichting’ — wijzen in de richting dat de wil van erflaatster er niet op was gericht de beweegredenen deel uit te laten maken van het testament en dus evenmin om die beweegredenen toetsbaar te laten maken. Het hof geeft geen inzicht in zijn gedachtegang waarom het tot een andere uitleg van die bewoordingen is gekomen, terwijl evenmin uit zijn arrest blijkt op grond van welke (andere) argumenten het dan tot de conclusie is gekomen dat de wil van erflaatster erop gericht was de ‘toelichting’ in de bijlage onderdeel te laten uitmaken van de uiterste wil zelf.
9.
Ook hetgeen het hof aan het slot van rov. 4.18 overweegt kan zijn oordeel niet dragen.
- —
‘De uiterste wilsbeschikkingen zijn vervat in een notariële akte en voldoen daardoor aan de vormeis die daaraan wordt gesteld (artikel 4:42 lid 3 BW en artikel 4:94 BW).’ Dat is juist, maar dat is niet de vraag waar het hier om gaat.
10.
En:
- —
‘Dat die toelichting is vermeld in een bijlage bij het testament doet in dit geval geen afbreuk aan de verplichte notariële tussenkomst en de daaraan verbonden waarborgen, zoals het bewaken van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming. Die waarborgen geiden zowel voor het testament als de bijlage. Dat de bijlage niet door de moeder is ondertekend maakt dat niet anders. Door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit haar toelichting is.’22.
11.
Om met dat laatste te beginnen: of de ‘toelichting’, zoals het hof de bijlage van de moeder hier met juistheid aanduidt, háár toelichting is, is tussen partijen niet langer In geschil. Dat is niet de vraag die aan het hof ter beantwoording voorlag. Dat de notaris die het testament verlijdt en die zich dus dient te vergewissen van de wilsbekwaamheid en de vrije wilsvorming van erflaatster, bij een bevestigend antwoord voor wat betreft het maken van de uiterste wilsbeschikking niet (licht) tot een ander oordeel zal komen ten aanzien van het opstellen van de toelichting, zoals het hof lijkt te redeneren, kan worden beaamd, maar als het hof bedoelt dat dit de enige reden is voor de notariële tussenkomst is die conclusie rechtens onhoudbaar.
12.
De waarborgen van de notariële tussenkomst bestaan ook daaruit dat de notaris de bedoelingen van de erflater zodanig (strak) redigeert dat deze geen onduidelijkheid laten bestaan. Het behoeft geen betoog dat de ‘toelichting’ van erflaatster deze drempel bij lange na niet haalt en dat het — hetgeen een feit van algemene bekendheid mag heten — eenvoudigweg ondenkbaar is dat een (redelijk bekwame) notaris de tekst in de ‘toelichting’ van erflaatster letterlijk zou hebben overgenomen in de uiterste wil. Tegen de achtergrond van de hiervoor in onderdeel A.3 randnummer 3 geschetste notariële praktijk is het ondenkbaar dat een notaris een toelichting zoals de moeder die in de bijlage heeft gegeven zou opnemen in de uiterste wil zelf. Ondenkbaar is ook, dat als hij dat wel zou hebben gedaan, hij erflaatster niet zou hebben gewaarschuwd voor de gevolgen daarvan. Dat brengt zijn ‘Belehrungspflicht’ immers mee. Gesteld noch gebleken is dat de notaris erflaatster heeft ‘beleerd’ De redenering van het hof houdt dus geen stand.
13.
De relevante vraag in dezen is of erflaatster de beweegredenen voor de (middellijke) onterving van [de zoon] aan haar uiterste wil ten grondslag heeft willen leggen en dus toetsbaar aan art. 4:43 lid 2 BW heeft willen maken, dan wel dat zij eenvoudigweg de behoefte heeft gevoeld om haar keuze om [de dochter] als enige en algehele erfgename te benoemen toe te lichten in een geschrift dat door de notaris aan het testament is gehecht, zoals [de dochter] heeft gesteld?23. De waarborgen waarover het hof rept zijn, wat dit aspect betreft, primair in de wet zelf verankerd doordat art. 4:43 lid 2 BW bepaalt dat alleen beweegredenen die in de uiterste wil zelf zijn opgenomen de uiterste wil aantastbaar kunnen maken, indien de beweegredenen achteraf blijken te zijn. De rechtszekerheid vergt dat de erflater erop mag vertrouwen dat beweegredenen die hij in een ‘toelichting’ heeft gegeven zijn uiterste wil achteraf niet aantastbaar kunnen maken.
14.
Het hof dat ofwel miskend, daarmee blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel (kennelijk) geoordeeld dat de wil van erflaatster erop was gericht de beweegredenen aan haar uiterste wil ten grondslag te leggen, in welk geval het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De in het testament gebezigde bewoordingen (‘ter toelichting’) bieden daarvoor geen enkel aanknopingspunt en het hof heeft aan zijn oordeel (niet kenbaar) andere omstandigheden ten grondslag gelegd die zijn oordeel kunnen dragen. Bovendien heeft [de dochter] gesteld dat de moeder ervoor heeft gekozen de bijlage géén onderdeel uit te laten maken van haar testament, welke stelling door [de zoon] niet (gemotiveerd) is betwist, zodat het hof van de juistheid van die stelling had dienen uit te gaan. In ieder geval had het hof, waar het een essentiële stelling van [de dochter] betreft, deze stelling kenbaar in zijn oordeel moeten betrekken, hetgeen het ten onrechte heeft nagelaten.
Onderdeel C: toetsing aan de voorwaarden van art. 4:43 lid 2 BW rechtens onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd
1.
Uitsluitend voor het geval Uw Raad zou oordelen dat geen van de hiervoor in onderdelen A.1, A.2, A.3 en B geformuleerde rechtsklachten (en motiveringsklachten) zou slagen en derhalve zou oordelen dat art. 4:43 lid 2 BW in beginsel óók op een ‘(middellijke) onterving’ — als waarvan hier sprake is — van toepassing is en bovendien aan de voorwaarde ‘aangeduid in het testament zelf’ is voldaan, wenst [de dochter] nog de navolgende rechtsklachten en motiveringsklachten naar voren te brengen.
2.
Het hof heeft als eerste het incidentele hoger beroep van [de dochter] behandeld en geoordeeld dat de grieven in het incidentele hoger beroep alle falen. Het heeft vervolgens, met verwijzing naar hetgeen het hof in het kader van het incidentele hoger beroep heeft overwogen, geoordeeld dat de veronderstellingen van de moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest (rov. 4.19), dat de stelling van [de zoon] dat moeder hem niet impliciet zou hebben onterfd, indien zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis zou hebben gedragen, door [de dochter] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist (rov. 4.20), zodat aan de vereisten van art. 4:43 lid 2 BW is voldaan, zodat het testament van moeder voor zover het de erfstelling betreft (‘Ik benoem mijn dochter tot mijn enige en algehele erfgename zulks met plaatsvervulling als volgens de wet’) dient te worden vernietigd en dat het testament voor het overige in stand blijft.
3.
De door het hof gekozen volgorde (eerst behandeling van het incidentele beroep en daarna het principale beroep) en methodiek (voor de vaststelling van de feiten in het principale beroep verwijzen naar de vaststellingen in het principale beroep) bevreemden. Weliswaar gaat het om hetzelfde feitencomplex, maar de stelplicht en bewijslast liggen in het principale en incidentele beroep anders: in het principale beroep ligt de stelplicht en bewijslast op [de zoon] en uitsluitend in het incidentele beroep ligt dat andersom. Het hof heeft dat op meerdere punten miskend (zie hierna onder 8).
In het incidentele hoger beroep
4.
In rov. 4.11 t/m 4.14 komt het hof bij de bespreking van de incidentele grieven van [de dochter] — samengevat — tot het oordeel dat de vader en moeder van partijen in de akte van dading van 3 februari 1987 zijn overeengekomen dat de moeder in het kader van de scheiding en deling eert perceeltje boomgaard afgepaald ter grootte van 12 are en 50 centiaren is toegedeeld en dat gesteld noch gebleken is dat de moeder een deel van 200m2 op enig moment aan [de zoon] heeft geleverd dan wel dat [de zoon] zich dit stuk grond heeft toegeëigend en:
‘‘Het feit dat het kadaster in het kader van een meting al dan niet op verzoek van moeder een kleiner perceel inmeet, maakt dit niet anders. Zij was immers krachtens de afspraken en de ter uitvoering daarvan verrichte levering eigenaar van een afgepaald gedeelte ter grootte van 12.50 are. Het voorgaande heeft tot gevolg dat ten tijde van het overlijden van moeder tot haar nalatenschap een perceel grond van 12.50 are behoorde. Dat [de zoon] tijdens de meting willens en wetens het perceel van moeder ten gunste van zichzelf heeft verkleind heeft [de dochter] onvoldoende onderbouwd. [de zoon] heeft die stelling van [de dochter] gemotiveerd betwist en [de dochter] heeft ook geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, hetgeen wel op haar weg lag.’ (onderstreping toegevoegd, advocaat)’
Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk. [de zoon] heeft betoogd dat hij door bezit en bevrijdende verjaring eigenaar is van het resterende deel van de boomgaard en de moeder van 10 are en 55 centiaren.24. De rechtbank heeft in rov. 4.18 van haar vonnis 16 maart 2020 die zienswijze gevolgd en geoordeeld dat [de zoon] in ieder geval vanaf 1991 ‘de rest van de boomgaard’ in zijn bezit beeft gehad, dat niet is gebleken dat de moeder in de 20 jaren na 1991 heeft geprobeerd dat bezit te beëindigen, zodat [de zoon] in ieder geval vanaf 2011 eigenaar was van het resterende gedeelte van de boomgaard en tot de nalatenschap van moeder slechts 10 are en 50 centiaren boomgaard behoren. [de zoon] heeft in hoger beroep die ‘inbezitneming’ van een deel van het perceel van de moeder niet bestreden, maar nota bene betoogd, dat [de dochter] geen grief tegen voormeld oordeel van de rechtbank heeft ingediend, zodat in zijn zienswijze het oordeel (over bezit én verjaring) gezag van gewijsde heeft gekregen.25. Dat [de zoon] een deel van het perceel in bezit heeft genomen, is door [de dochter] in hoger beroep evenmin bestreden. Die inbezitneming staat dus rechtens vast. Het hof heeft dit ofwel miskend, daarmee de grenzen van de rechtsstrijd miskennend, ofwel is zijn oordeel zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk.26.
5.
Kennelijk heeft het hof de zienswijze van [de zoon] dat [de dochter] in hoger beroep niet heeft bestreden dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden niet gevolgd. Dat oordeel komt [de dochter] rechtens juist en begrijpelijk voor en wordt in cassatie niet bestreden.27. Slechts voor het geval het arrest van bet hof anders moet worden gelezen en wel zou moeten worden uitgegaan van het in rechte vaststaan van de verkrijging door [de zoon] van een deel 200 m2 van het perceel van erflaatster, wordt de volgende klacht geformuleerd. Het hof heeft dan ten onrechte niet beslist op een deel van de vorderingen die [de dochter] heeft geformuleerd in haar incidentele hoger beroep. In haar grieven I, II, III en IV, heeft zij betoogd en gevorderd (zulks onder verwijzing naar HR 24 februari 2017, NJ 2018/141) — zeer kort samengevat — dat [de zoon] dient te worden veroordeeld om de waarde van de resterende boomgaard 13 are 45 centiare (namelijk: 24 are minus 10,55 are) aan de nalatenschap te vergoeden en — indien het hof die vordering niet toewijsbaar acht — [de zoon] te veroordelen tot levering van het door hem onrechtmatig verkregen gedeelte. Vaststaat dat het deel 200 m2 door [de zoon] onrechtmatig, zonder dat daaraan een levering door moeder aan [de zoon] ten grondslag heeft gelegen, is verkregen. [de dochter] heeft gesteld dat de inbezitneming door [de zoon] te kwader trouw is geschied en dat de moeder er pas veel later achter kwam dat [de zoon] een deel van haar perceel in bezit had genomen.28. Deze stelling is door [de zoon] niet gemotiveerd weersproken en de juistheid daarvan is door het hof in het midden gelaten, zodat van de juistheid daarvan (in ieder geval bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag) dient te worden uitgegaan.29. Waar in de vordering tot waarde vergoeding of levering van het (onrechtmatig verkregen) ‘resterende deel van de boomgaard’ (het meerdere) besloten ligt de vordering tot waarde vergoeding of levering van het (in de stellingen van [de dochter]: onrechtmatig — door verjaring — verkregen) stukje van 200 m2 van het perceel boomgaard van moeder, had het hof op die vordering een beslissing dienen te geven, hetgeen het hof ten onrechte, want in strijd met art. 23 Rv heeft nagelaten. Indien het hof zou hebben geoordeeld dat het mindere hier niet besloten lag in het meerdere, is dat oordeel zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk.
In het principale hoger beroep
6.
Na eerst in rov. 4.16 t/m 4.18 te hebben geoordeeld dat de toelichting die aan het testament van erflaatster is gehecht daar deel van uitmaakt, beoordeelt het hof in rov. 4.19 of sprake is van onjuiste beweegredenen die leiden tot vernietigbaarheid van het testament, welke vraag het hof ten onrechte, althans niet voorzien van een toereikende motivering, bevestigend beantwoordt:
‘‘4.19
(…) Het hof is van oordeel dat moeder de erfstelling van [de dochter] en de impliciete onterving van [de zoon] heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. In de bijlage is vermeld dat moeder [de zoon] heeft onterfd, omdat moeder in de veronderstelling was dat [de zoon] een deel van de boomgaard zonder haar medeweten op zijn naam heeft gezet, terwijl hij volgens moeder daar geen recht op had. Verder was zij in de veronderstelling dat de waarde van de blokhut door het verkleinen van het perceel aanzienlijk lager was geworden. Hierdoor zouden zij en [de dochter] zijn benadeeld.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.10 tot en met 4.14 is overwogen blijkt dat de veronderstellingen van moeder ten tijde van het opmaken van het testament onjuist zijn geweest. Bij de scheiding en deling van de gemeenschap van vruchten en inkomsten zijn moeder en vader immers overeengekomen dat moeder een deel groot 12.50 are van de boomgaard zou krijgen toegedeeld. Dit deel van de boomgaard behoorde op het moment van overlijden van moeder nog steeds tot haar vermogen. Van enige benadeling van moeder of [de dochter] door [de zoon] of van het zicht toe-eigenen van de erfenis door [de zoon] kan dan ook niet worden gesproken.’ (onderstreping toegevoegd, advocaat)’
Het oordeel (onderstreepte passage) is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk om de redenen als hiervoor in nummer 5 uiteengezet.
7.
Het oordeel van het hof is ook voor het overige rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk om de redenen die hierna uiteengezet worden.
8.
In de bijlage van de moeder wordt een veelheid aan beweegredenen genoemd. Toetsing aan art. 4:43 lid 2 BW vergt in dat geval dat inzake al die beweegredenen dient te worden vastgesteld — waarbij de stelplicht en bewijslast op [de zoon] rusten — of deze onjuist zijn. Elk van de redenen kan immers dragend zijn geweest voor de door erflater gemaakte uiterste wilsbeschikking en als er één onjuist blijkt te zijn, wil dat niet zeggen dat de beslissing van erflaatster niet door die andere redenen wordt gedragen.30. Het hof heeft dit miskend, daarmee blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd, om de navolgende redenen.
Het hof heeft de toetsing namelijk — zulks dus ten onrechte — (uitsluitend) toegespitst op de vraag of [de zoon] in 1987 het gedeelte van de boomgaard dat door de vader aan hem verkocht was ten nadele van zijn moeder op eigen naam heeft gezet (welke vraag het hof ontkennend beantwoordt, rov. 4.12 jo 4.19) en of hij zich op enig moment een deel groot 200 m2 heeft toegeēigend (rov. 4.14 jo 4.19), welke vraag het hof eveneens (ten onrechte, zie hiervoor in randnummer 4) ontkennend beantwoordt.
- a)
Het hof laat in het midden of, zoals [de dochter] heeft gesteld, de moeder er ten tijde van de akte van dading van uit ging dat het aan haar toegedeelde perceel een andere, grotere, maat had dan in de akte staat vermeld (rov. 4.11, slot jo 4.19), zodat van de juistheid van die stelling in cassatie bij wege van hypothetische feitelijke grondslag dient te worden uitgegaan.
- b)
Tevens staat rechtens vast dat [de zoon] (in ieder geval: zijdelings) bij de dading betrokken was (rov. 4.12 jo 4.19).
- c)
Verder heeft [de dochter] betwist dat de meting door het kadaster op verzoek van moeder heeft plaatsgevonden en dat zij daarbij aanwezig was.31. Het hof laat de juistheid van die stelling eveneens in het midden (rov. 4.14 jo 4.19), zodat van de juistheid van die stelling in cassatie eveneens dient te worden uitgegaan.
- d)
De moeder heeft in haar toelichting ook gesteld dat door de verkleining van het perceel de waarde van haar woning is verminderd. Die stelling is niet beperkt tot de 2400 are discussie, maar ziet ook op de verkleining naar 10 are en 55 centiare en is door [de zoon] kennelijk ook zo opgevat.32. [de dochter] heeft die stelling nog nader onderbouwd. Zij heeft een luchtfoto overgelegd van de percelen 1126 en 1176 en daarop aangegeven waar door [de zoon] in 1991 een hekje is geplaatst, dat vervolgens door erflaatster weer is verplaatst naar de plaats waar de grens volgens erflaatster hoorde te lopen; op de foto/tekening is ook aangegeven waar na de dood van erflaatster de grens door [de zoon] is getrokken.33. [de dochter] heeft aan de hand van deze foto/tekening uitgelegd dat er een verschil in waarde is tussen de waarde van perceel 1176 (oostelijk deel boomgaard toebehorend aan [de zoon]) als bosgrond of woeste grond en dat het dáár niet om draait maar wél om het verlies in waarde van perceel 1126 toebehorend aan erflaatster, doordat de grens nu vlak achter het huis loopt.34. Deze stellingen zijn door [de zoon] niet (gemotiveerd) bestreden, terwijl op hem nota bene de stelplicht en bewijslast rust dat de veronderstellingen van de moeder onjuist waren, waaraan het hof voorbij lijkt te zien. In het kader van het principale hoger beroep was het ook aan [de zoon] om te stellen en — gelet op de betwisting zijdens [de dochter] — te bewijzen dat hij dit stukje appelboomgaard van moeder niet te kwader trouw in bezit heeft genomen. Het hof heeft dit miskend en/of zijn oordeel niet voorzien van een toereikende motivering, waar het ter motivering van zijn oordeel dat — kort gezegd — niet is komen vast te staan dat het perceel van moeder door toedoen van [de zoon] is verkleind tot 10 are en 55 centiaren slechts verwijst naar hetgeen het in het kader van het incidentele hoger beroep van [de dochter] heeft overwogen.
Erflaatster heeft het in haar toelichting over geschonden vertrouwen in haar zoon, omdat hij haar belangen in 1987 niet goed heeft behartigd (‘mij niet altijd met details bemoeid’), de rechtens vaststaande feiten a. (moeder ging van andere, grotere, maten uit, namelijk gehele boomgaard35.), b. ([de zoon] was bij de akte van dading wel zijdelings betrokken) en c. (moeder was niet bij de uitmeting aanwezig) maken ook dat niet gezegd kan worden dat [de zoon] heeft aangetoond dat op dit punt sprake is geweest van een onjuiste veronderstelling bij erflaatster.
De moeder spreekt in haar toelichting verder over een slechte verhouding met haar zoon en schoondochter en over een waardedaling van haar huis. Gelet op hetgeen hiervoor achter d. is vermeld, moet de conclusie eveneens luiden dat [de zoon] de onjuistheid van die veronderstelling niet heeft aangetoond.
Het hof heeft dus ofwel miskend dat in een geval als het onderhavige aan alle omstandigheden/beweegredenen moet worden getoetst, dan wel heeft het de bewijslastverdeling miskend (stelplicht en bewijslast rusten op [de zoon]) ofwel zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd, omdat het hof een en ander niet (kenbaar) in zijn overwegingen heeft betrokken, zodat er geen inzicht bestaat in de door het hof gevolgde gedachtegang.
9.
In rov. 4.20 stelt het hof de vraag aan de orde of moeder [de zoon] niet impliciet zou hebben onterfd, indien zij van de onjuistheid van haar veronderstelling kennis zou hebben gedragen. Het overweegt dan:
‘[de zoon] stelt dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat evenals [de dochter] voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen. Die stelling van [de zoon] is door [de dochter] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.’
Het hof geeft er wederom blijk van de bewijslastverdeling te hebben miskend, althans is zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
10.
Zoals hiervoor in A.3 randnummer 5 is opgemerkt eiste art. 4:937 (oud) BW dat uit het testament zelf blijkt dat de beweegreden beslissend was (voor de making). Die eis werd door de wetgever te zwaar geacht36., maar buiten twijfel is dat voor een geslaagd beroep op art. 4:43 lid 2 BW óók inzake het tweede vereiste het nodige gesteld (en bij betwisting) aannemelijk gemaakt moet worden door degene die een beroep doet op de vernietigbaarheid. Anders gezegd: het tweede vereiste is geen wassen neus. Het hof lijkt dat te hebben miskend en heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. [de zoon] heeft volstaan met de blote stelling dat moeder hem evenals [de dochter] voor 50% in de nalatenschap had laten delen indien zij zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren37.. Daarmee heeft [de zoon] niet aan zijn stelplicht voldaan. Voor zover het hof daarover al zonder schending van het recht en zonder dat zijn oordeel als onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd moet worden beschouwd anders heeft kunnen oordelen, is in ieder geval zijn oordeel dat deze stelling van [de zoon] door [de dochter] niet, althans niet voldoende gemotiveerd is betwist, rechtens onjuist of onbegrijpelijk. Stelplicht en de eisen die aan de betwisting kunnen worden gesteld zijn communicerende vaten: hoe gemotiveerder eiser zijn stellingen onderbouwt, des te meer zal gedaagde zijn betwisting van die stellingen moeten onderbouwen. Aan de betwisting van een blote stelling kunnen daarom niet al te hoge eisen worden gesteld, eiser verzuimt dan immers om gedaagde handvatten aan te reiken voor een (uitvoerig) gemotiveerde betwisting. Bovendien hééft [de dochter] de stelling van [de zoon] wel gemotiveerd betwist, waar zij heeft gesteld dat erflaatster haar wil ook in deze vorm zou hebben opgemaakt indien zij had geweten dat [de dochter] de handelingen van [de zoon] in de toekomst zou terugdraaien, omdat erflaatster van mening was dat (in de woorden van erflaatster bij monde van [de dochter]) [de zoon] haar ‘bedonderd’ had.38.
D. Conclusie
De vernietiging van de erfstelling ten behoeve van [de dochter] kan niet in stand blijven, omdat de wet geen grondslag biedt voor de vordering van [de zoon] en hem ook geen actie geeft om alleen namens de nalatenschap op te treden. Zou dat anders zijn, dan heeft het hof de (in een geval als het onderhavige) aan een geslaagd beroep op art. 4:43 lid 2 BW te stellen voorwaarden en/of de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling miskend, althans een beslissing gegeven die ontoereikend is gemotiveerd. Tenslotte (voorwaardelijke klacht) heeft het hof verzuimd (art. 23 Rv) op een deel van de vorderingen van [de dochter] een beslissing te geven.
Mitsdien:
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest van 12 april 2022 waarvan beroep, te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
Datum: 8 juli 2022
Mr. J. van Duijvendijk-Brand (A06512)
advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑07‑2022
Dat de onmiddellijke en middellijke onterving verschillende figuren zijn en verschillende rechtsgevolgen hebben, wordt onder meer door Breemhaar in zijn dissertatie duidelijk gemaakt aan de hand van enkele voorbeelden. In geval van middellijke onterving van de bij versterf geroepen erfgenaam X zal indien de bij uiterste wil tot enig benoemde erfgenaam Y verwerpt, X alsnog als erfgenaam bij versterf worden geroepen. W. Breemhaar, De Uiterste wilsbeschikking, Serie Ars Notariatus LIV, Kluwer-Deventer, 1992, p. 108.
Asser/Perrick 4 2013, nr. 165.
Zie HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1787.
De uiterste wil is een eenzijdig ongerichte rechtshandeling, MvA, Kamerstukken I 1968/69, 3771, 133.
Zie onder meer Asser/Perrick 4 2013, 133, W. Breemhaar, De Uiterste wilsbeschikking, Serie Ars Notariatus LIV, Kluwer-Deventer, 1992, 23 en Jac. Hijma, Testament en rechtshandeling, van Maurik Bundel, Kluwer 2000, p. 93 e.v. Hijma acht het ook mogelijk dat een bepaling uit titel 3.2 BW op incidentele basis voor niet toepasbaar wordt gehouden in verband met de aard van de rechtshandeling.
Hijma, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 3:44 BW, aant. 3 en art. 3:50, aant. 3, sub a.
Asser/Perrick 4 2013, 230 kiest voor een ruimere benadering en betoogt dat in geval van een vernietigbaar legaat ook een andere legataris wiens legaat zou worden verminderd indien het vernietigbare legaat in stand blijft als belanghebbende dient te worden aangemerkt.
Zie voetnoot 6.
Art. 3.2.17, MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p, 234.
Opvallend is dat in de handboeken uitsluitend het tweede argument wondt genoemd en niet wordt gereleveerd aan de passage die in het hiervoor weergegeven citaat is onderstreept.
Voorlopig verslag (tweede gedeelte), Kamerstukken 1 1967/1968, 3771, 73a, p. 3.
MvA, Kamerstukken 1 1968/69, 3771, 133, p. 43.
MvA, Kamerstukken 1 1968/69, 3771, 133, p. 43.
Dit geldt ook voor de handboeken over het oude recht (art. 4:937 BW oud). Het meest bekend is het aan Pitlo ontleende voorbeeld dat erflater een legaat maakt ten behoeve van ‘X die mij van de verdrinkingsdood heeft gered’, terwijl later blijkt dat X dat niet heeft gedaan, maar Y.
Zie W.G. Huijen, Het beginsel van testeervrijheid in het erfrecht, Van Mourik Bundel, Kluwer 2000, p. 885 e.v.
Zie onder meer Asser/Perrick 4 2013, 165.
P.V.-blad 8.
In deze zin bijvoorbeeld Handboek erfrecht (2015), F.J.W.M. Schols, p. 129/130, Klaassen/Luljten & Meijer (2008), nr. 122 en — iets minder stellig — Asser/Perrick 4 2013, nr. 165.
Parl. Gesch. Boek 4, p. 265.
W. Breemhaar, De Uiterste wilsbeschikking, Serie Ars Notariatus LIV, Kluwer-Deventer, 1992, p. 62.
Onderstreping toegevoegd, advocaat.
Zie ook memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nr. 11 waar [de dochter] stelt dat de notaris er duidelijk voor heeft gekozen de bijlage geen onderdeel te laten uitmaken van het testament en dat erflaatster ervoor gekozen heeft om haar overwegingen aan het testament te laten hechten om discussies achteraf te voorkomen.
Conclusie van antwoord in reconventie d.d. 16 juli 2019, nr. 47 e.v. en memorie van antwoord in het incidenteel appel d.d, 6 april 2020, nr. 25.
Memorie van antwoord in het incidentele appel d.d. 6 april 2020, nr. 2S.
Deze fout werkt ook door in de beoordeling door het hof van het principale hoger beroep. Zie daarover hierna onder 6.
Zie met name het betoog in memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, incidentele grieven I, II, III en IV, toelichting nr. 64.
Memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, incidentele grieven I, II, III en IV, toelichting nrs. 63, 64, 66 en 73.
Nota bene: het hof oordeelt in rov. 4.14 slechts dat niet is komen vast te staan dat [de zoon] ‘tijdens de meting het perceel van de moeder ten gunste van zichzelf heeft verkleind’ (onderstreping toegevoegd, advocaat). Die overweging behelst geen vaststelling over de onrechtmatigheid van de inbezitneming door [de zoon] ná de meting.
Dit werkt ook door in de tweede toets, te weten de toets of de beschikking niet zou zijn gemaakt, indien erflater van de onjuistheid van zijn veronderstelling op de hoogte zou zijn geweest.
Antwoordakte houdende aanvulling grondslag d.d. 2 december 2019, nr. 24.
[de zoon] heeft de stelling van [de dochter] dat de waarde van de woning door de verkleining van het perceel is verminderd betwist met de stelling dat het maar ‘een stukje tuin’ betreft en dat het voor de waarde van het perceel niet veel uitmaakt of deze nu 1200 m2 groot is of 1055 m2. Aanvulling gronden, tevens houdende pleitnotitie d.d. 2 december 2019, nr. 31 en 42.
Productie 15 bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel d.d. 26 januari 2021.
Memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel d.d. 26 januari 2021, nr. 63.
[de dochter] heeft daar ook op gewezen en gesteld dat moeder van oordeel was dat [de zoon] haar (opzettelijk) in de waan had gelaten dat zij het volledige perceel boomgaard in eigendom had. Memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel d.d. 26 januari 2021, nr. 62.
De notariële Commissie Erfrecht heeft zich daarover kritisch uitgelaten, Commissie Erfrecht, rapport II, p. 265.
Memorie van grieven tevens vermeerdering/wijziging van eis d.d. 3 november 2020, nrs. 31 en 50.
Memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel d.d. 26 januari 2021, nr. 62.