NJB 2024/2152
Schuld als delictsbestanddeel: in het algemeen geldt dat daaronder een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Die ‘schuld’ bestaat als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Schuld aan een verkeersongeval, art. 6 WVW 1994: daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin. Zo kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte een andere verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest en de verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, nog niet volgen dat de verdachte zich “aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig” heeft gedragen. Uit deze rechtspraak kan echter niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt. In casu kon het hof oordelen dat de verdachte door zonder duidelijke aanleiding, als bestuurder niet zoveel mogelijk rechts te houden, maar zoveel naar links te sturen dat zij op de voor het haar tegemoetkomende verkeer bestemde rijstrook is terechtgekomen, zich ‘dermate aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend’ heeft gedragen dat het verkeersongeval aan haar schuld is te wijten.
HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1398
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, C. Caminada, T. Kooijmans
- Zaaknummer
22/04003
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1398, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:632, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑11‑2023
- Wetingang
(art. 6 WVW)
Essentie
Schuld als delictsbestanddeel: in het algemeen geldt dat daaronder een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Die ‘schuld’ bestaat als delictsbestanddeel in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.