Zie de cassatieschriftuur, onder 5. Het hof heeft immers, zo betoogt de steller van het middel, “niets (…) overwogen of vastgesteld over de aard en de ernst van de aanranding en wat daarover door of namens de (verdachte) in hoger beroep naar voren is gebracht. De overweging van het hof maakt tevens niet duidelijk of het hof de feitelijke toedracht die aan het verweer ten grondslag ligt niet aannemelijk heeft geoordeeld, dan wel of die toedracht een beroep op noodweer niet rechtvaardigt.”
HR, 09-12-2025, nr. 23/04199
ECLI:NL:HR:2025:1849
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
23/04199
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1849, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1265
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:4385
ECLI:NL:PHR:2025:1265, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1849
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandeling bij burenruzie, art. 300.1 Sr. Noodweer, art. 41.1 Sr. Heeft hof voldoende (nauwkeurige) vaststellingen gedaan over aard en ernst van aanranding en over feitelijke toedracht die aan verweer ten grondslag is gelegd, en kon hof oordelen dat niet is voldaan aan proportionaliteitsvereiste? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04199
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2023, nummer 20-001220-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van de Kerkhof bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, en de opgelegde taakstraf van 60 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mishandeling burenruzie. Verwerping beroep op noodweer. Proportionaliteitseis. Middel faalt (art. 81 RO). Ambtshalve opmerking redelijke termijn. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04199
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen, waarvan achtentwintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof een, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissing genomen over de schadevergoedingsvordering van de benadeelde partij.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg , heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer.
De bewezenverklaring
3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 februari 2022 te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, in het gezicht, te slaan.”
De bewijsvoering
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende vijf bewijsmiddelen (zoals opgenomen in het bestreden arrest (p. 2-3)):
“1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2022 (pg. 3-5), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op zaterdag 12 februari 2022 (...) werd ik gestuurd naar de [a-straat 1] te [plaats] . Ik ben ter plaatse gegaan. (...) Ter plaatse aan het genoemde adres zag ik meerdere mensen op straat staan. Ik zag dat een jongeman voorover gebogen stond en ik zag dat het bloed uit zijn gezicht stroomde. (...) Verder zag ik een man in een zwart joggingpak rondlopen met zijn armen wijd. Ik zag dat de man opgefokt rond liep. (...)
Ik ben eerst naar de man met het bebloede gezicht gelopen. (...) Ik zag dat de bewoonster van [a-straat 2] zich ontfermde over de man. Ik hoorde dat de bewoonster van [a-straat 2] zei: “Het is echt niet normaal, hij bleef op zijn gezicht slaan en hij wilde [slachtoffer] met zijn kop op de tegels slaan.”
Ik heb de man met het bebloede gezicht mee naar binnen begeleid. Later bleek dit [slachtoffer] te zijn.
Ik ben daarna naar de opgefokte man toegelopen. Ik pakte hem vast en ik vroeg waar hij woonachtig was. Ik hoorde de man zeggen dat hij op [a-straat 3] zou wonen. (...) De opgefokte man bleek [verdachte] te zijn. (…).
Ik ben daarna het verhaal aan gaan horen bij [a-straat 2] . Binnen in de woning zaten [getuige] en [slachtoffer] . Ik zag dat heel het gelaat van [slachtoffer] onder het bloed zat. Ik zag dat de neusjukbenen en eigenlijk heel het gelaat opgezwollen was. Ik zag meerdere rode plekken op het hoofd. Ook zag ik op meerdere plekken blauwe verkleuringen ondanks dat de mishandeling nog maar net was gebeurd.
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [plaats] .
2. De eigen waarneming van het hof van de foto die als bijlage bij het zojuist genoemde proces-verbaal is gevoegd inhoudende, dossierpagina 7:
Op deze foto van het letsel aan het gezicht van [slachtoffer] , zijn naar het oordeel van het hof meerdere verwondingen aan het gezicht te zien, vanaf de kin tot op het voorhoofd, waaronder ook een blauwe oogkas en een blauwe neus.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2022 (pg. 8-10), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Ik, verbalisant, kwam op zaterdag 12 februari 2022 ter plaatse in de [a-straat] in [plaats] . (...) Wij, verbalisanten, zijn de woning [a-straat 2] in [plaats] in gelopen en ik zag dat daar een man op een stoel zat. Ik zag dat diens gezicht met bloed besmeurd was en ik zag diverse kneuzingen en zwellingen in zijn gelaat. Ik, verbalisant, hoorde later hoe deze man zich had opgegeven te zijn: [slachtoffer] . Ik hoorde hoe [slachtoffer] verklaarde dat hij (...) geslagen werd door de bewoner van [a-straat 3] . Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij meerdere klappen in zijn gezicht kreeg van deze man.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2022 (pg. 22), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op 13 februari 2022 ben ik langs gegaan aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] en aan de [b-straat 1] . Hier zijn alle slachtoffers en getuigen woonachtig. (...) Betrokkene [slachtoffer] gaf aan dat hij een gebroken neus had.
5. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2023, voor zover inhoudende:
Ik heb [slachtoffer] een klap gegeven.”
5. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen (onderstrepingen mijnerzijds):
“Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdachte komt derhalve een geslaagd beroep op noodweer toe en dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde mishandeling. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
Op 12 februari 2022 is er een ruzie ontstaan tussen de verdachte en zijn buren. De vader van de verdachte die daarbij aanwezig was, kwam ongelukkig ten val en had veel pijn en letsel aan zijn been. Hij lag in een parkeervak op de weg tussen twee geparkeerde auto’s in en de verdachte stond naast hem, deels op de weg. De verdachte geeft aan dat [slachtoffer] op dat moment met zijn auto op hem kwam ingereden, waardoor de verdachte achteruit moest springen om niet geraakt te worden. Volgens de lezing van de verdachte kwam [slachtoffer] onmiddellijk op de verdachte af – waarbij hij het portier van de auto zelfs nog open liet staan – en gaf de verdachte een klap op zijn gezicht. Verdachte heeft daarvan – naar eigen zeggen – geen letsel bekomen. De verdachte heeft zich hierop verdedigd door [slachtoffer] een vuistslag terug te geven. In de worsteling die vervolgens ontstond zijn zij beiden op grond beland, waardoor de verwondingen in het gezicht van [slachtoffer] (mede) kunnen zijn ontstaan.
Het hof overweegt als volgt.
Art. 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht luidt ‘Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.’ Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van [slachtoffer] weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, maar kan het beroep op noodweer door de verdachte niet slagen, omdat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
[slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte hem meerdere keren in zijn gezicht heeft geslagen, waardoor hij onder andere een gebroken neus heeft opgelopen. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige] (zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 3-5; bewijsmiddel 1) en in het letsel van [slachtoffer] . Het hof overweegt dat, aan de hand van de foto in het dossier op pagina 7 en de beschrijvingen van de verbalisanten, vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] verschillende verwondingen verspreid over zijn gezicht had, vanaf zijn kin tot op zijn voorhoofd. Het letsel van [slachtoffer] betrof een gebroken neus, een blauwe oogkas en open verwondingen in zijn gezicht. Dit letsel past naar het oordeel van het hof niet bij enkel een val, dan wel een klap en een val, zoals de verdachte heeft verklaard, maar bij het meermalen slaan in het gezicht zoals bewezen is verklaard.
Gezien het letsel van [slachtoffer] , kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen. Gezien deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de gekozen gedragingen van de verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding, welke aanranding aan de zijde van de verdachte niet tot letsel heeft geleid. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen. Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.”
Een nadere omschrijving van het middel
6. Uit de toelichting op het middel destilleer ik twee klachten. De eerste klacht komt er in de kern op neer dat het hof onvoldoende (nauwkeurige) vaststellingen heeft gedaan over de aard en de ernst van de aanranding, alsook over de feitelijke toedracht die aan het verweer ten grondslag is gelegd.1.
7. De tweede klacht spitst zich toe op de (onbegrijpelijke) wijze waarop het hof invulling heeft gegeven aan het proportionaliteitsvereiste, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad2.en hetgeen de verdediging op de zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Daarbij merkt de steller van het middel bovendien op dat het hof óók in het midden heeft gelaten of en zo ja welke alternatieve verdedigingsmiddelen de verdachte dan tot zijn beschikking had, gelet op de wijze waarop hij werd aangevallen.
8. Het voorgaande brengt met zich dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
Het beoordelingskader
9. In zijn overzichtsarrest van 22 maart 2016, heeft de Hoge Raad het juridisch kader geschetst dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt.3.Hoewel ik dit kader bekend veronderstel, merk ik gelet op de in het middel voorgestelde klachten in het bijzonder nog het volgende op.
De feitelijke grondslag van het beroep
10. Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn.4.Voor de aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht.5.Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, of wanneer hij oordeelt dat de door hem aannemelijk geachte feitelijke toedracht het beroep niet kan doen slagen omdat niet aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat beroep is voldaan, verwerpt hij het beroep. Daarbij geldt dat de rechter het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep ook achterwege kan laten, als hij tot het oordeel komt dat – veronderstellenderwijs uitgaand van de aannemelijkheid van de gestelde feitelijke toedracht – het beroep niet kan slagen. Wel moet uit de uitspraak volgen op welke grond de verwerping berust.6.
Proportionaliteit: verdediging moet geboden zijn
11. Een beroep op noodweer komt – zo heeft de Hoge Raad onder meer bepaald in zijn overzichtsarrest – niet toe aan de verdachte die met zijn gedraging verder gaat dan door de noodzakelijke verdediging ‘geboden’ is.7.Dat is het geval indien de gedraging als verdedigingsmiddel in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Bij beoordeling van de vraag of aan deze – tot terughoudendheid nopende – ‘proportionaliteitsmaatstaf’ is voldaan, staan de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt centraal.8.De rechtspraak van de Hoge Raad laat zien dat bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding, betekenis toekomt aan de concrete omstandigheden van het geval. Zo blijkt dat het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in beginsel niet in verhouding staat met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist,9.maar dat het bestaan van bijzondere omstandigheden de feitenrechter tot een ander oordeel kan nopen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte wordt geconfronteerd met een overtalsituatie en niet kan wegkomen,10.de aanranding – naast blote handen of vuisten – ook bestaat uit het langdurig dichtknijpen van de keel,11.of de verdachte wordt aangevallen door een persoon die veel groter is dan hij.12.
De bespreking van het middel
De bespreking van de eerste klacht
12. Zoals ik het bestreden arrest begrijp, is het hof veronderstellenderwijs uitgegaan van de hierna genoemde feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd. Het hof heeft dus (omwille van de discussie) vastgesteld dat zich jegens de verdachte een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft voorgedaan, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Die veronderstelde aanranding heeft erin bestaan (i) dat de aangever bij gelegenheid van een burenruzie op straat met zijn auto op de verdachte kwam afrijden, waardoor de verdachte achteruit moest springen, (ii) dat de aangever zijn auto verliet, op de verdachte afliep en hem een klap in het gezicht gaf (waaraan de verdachte geen letsel heeft overgehouden).
13. Tegen deze achtergrond faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De bespreking van de tweede deelklacht
14. Nadat het hof heeft overwogen dat de gedragingen van de aangever kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, heeft het vervolgens geoordeeld dat verdachte’s beroep op noodweer niet kan slagen, omdat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Naar het oordeel van het hof stonden de gekozen gedragingen van de verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. In zijn oordeel heeft het hof betrokken dat de verdachte – naar eigen zeggen – van de aanranding van de aangever geen letsel heeft bekomen, terwijl de aangever (zo blijkt uit de foto in het dossier en de beschrijvingen van de verbalisanten) wél aanzienlijk letsel heeft opgelopen, bestaand uit een gebroken neus, blauwe oogkas en open verwondingen in zijn gezicht. Gezien het letsel van de aangever kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte de aangever meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen.
15. Ik acht ’s hofs oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt op de grond dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis (en de verdachte dus vérder is gegaan dan door de noodzakelijke verdediging geboden is), niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel wil, ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat zich i.c. geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat het oordeel van het hof dat de noodzakelijke verdediging als disproportioneel moet worden aangemerkt, onbegrijpelijk zou zijn.
Slotsom
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
17. Ambtshalve merk ik op dat de termijn van afdoening binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 27 oktober 2023 niet is gehaald. Gelet op de strafmodaliteiten, alsook op de mate van overschrijding van de redelijke termijn, meen ik dat met de enkele constatering daarvan kan worden volstaan.13.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑11‑2025
In zijn schriftuur doet de steller van het middel een beroep op HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512. Zie onder voetnoot 12.
Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.1.-3.5.3. Zie ook HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, NJ 2022/178 m.nt. Machielse.
Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer/noodweerexces), rov. 3.1.2. Vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0737, NJ 1997/657.
Vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, rov. 2.3.3. “Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.”
Vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, rov. 2.3.4. Zie daarnaast de conclusie van a-g Van Wees van 12 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1115, onder 3.5 (HR art. 81 RO). Van Wees merkt op: “Het is (…) onjuist om te stellen dat de rechter altijd eerst moet vaststellen of wel of niet sprake was van een noodweersituatie alvorens aan de proportionaliteitstoets toe te komen. Hij mag ook veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van een gestelde feitelijke toedracht (leidende tot de conclusie dat sprake was van een noodweersituatie) om vervolgens alsnog te oordelen dat het beroep niet kan slagen (bijvoorbeeld omdat, ook uitgaande van de juistheid van een gestelde feitelijke toedracht, niet aan de eisen van proportionaliteit is voldaan).”Zie in dit verband ook HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1611, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof, waarin het hof het beroep op noodweer(exces) verwierp, casseerde, en overwoog: “De overweging van het hof maakt niet duidelijk of het hof de feitelijke toedracht die de verdachte en de raadsman aan het verweer ten grondslag hebben gelegd, niet aannemelijk heeft geoordeeld, dan wel of die toedracht een beroep op noodweer respectievelijk noodweerexces niet rechtvaardigt. De verwerping van het verweer is dus ontoereikend gemotiveerd.”
Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9177, NJ 2006/650, en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010/391 m.nt. Buruma, rov. 2.5.1-2.5.2.Zie ook J.M. ten Voorde Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 41 Sr, aant. 4g (actueel t/m 15 april 2025). Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371, en HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773.In de aanduiding “geboden door de noodzakelijke verdediging” komen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit beide tot uitdrukking. Aangenomen wordt dat in deze – met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden – eisen de proportionaliteitsgedachte met name ligt besloten in de eis van het ‘geboden’ zijn van de verdediging, terwijl de subsidiariteit haar neerslag vindt in de eis van het ‘noodzakelijk’ zijn van de verdediging.
Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, rov. 4.4; HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1162, NJ 2018/131, m.nt. Wolswijk, rov. 2.3; HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.3; HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.3; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.3; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2013, NJ 2021/247 m.nt. Jörg, rov. 2.3, en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.3.
Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, NJ 2008/233, rov. 5.1-5.3.In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag, had de verdachte zich tegen de aanval verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen. Het beroep op noodweer werd door het hof verworpen. “Het hof is (…) gelet op de aard van de aanval, te weten het slaan met de blote hand dan wel vuist, van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend in die situatie disproportioneel was. Door het mes te hanteren zoals bewezenverklaard heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet minder vergaande middelen ter beschikking stonden dan gebruikmaking van het mes. Zo had verdachte bijvoorbeeld het mes uit zijn handen kunnen laten vallen en zich aldus met de blote hand tegen de aanval kunnen verdedigen.” Dit oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog: “Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen omdat de verdachte door het gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dat heeft aangewend de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist.”Zie ook HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond (overzichtsarrest noodweer c.q. noodweerexces), rov. 3.5.3.
Vgl. HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434, rov. 2.4. Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnr. 3.13).In de zaak die ten grondslag lag aan HR 26 maart 2019 werd het beroep op noodweer door het hof verworpen omdat het met een mes steken door de verdachte in de borststreek van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot een aanval die bestond uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist en omdat de verdachte niet eerst had gepoogd een minder verstrekkend verdedigingsmiddel toe te passen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof óók had vastgesteld dat “(i) de verdachte meermalen werd geconfronteerd met het slachtoffer en een voor hem onbekende man; (ii) de laatste confrontatie uiteindelijk uitliep op een gevecht tussen de verdachte en de twee anderen, waarbij de verdachte meermalen op het hoofd, waaronder met vuisten, is geslagen en letsel heeft opgelopen; en (iii) de verdachte op het moment van de aanranding door het slachtoffer niet weg kon komen”.
Vgl. HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1813, rov. 2.4. In cassatie achtte de Hoge Raad het oordeel waarin het hof het beroep op noodweer verwierp – omdat het met een mes steken door de verdachte in het bovenlichaam van het slachtoffer niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding die bestond uit het slaan met blote handen of vuisten – niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad overwoog: “Het Hof is bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op noodweer immers uitgegaan van de verklaring van de verdachte over de feitelijke gang van zaken die op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van (slachtoffer). Die verklaringen houden echter blijkens het hiervoor weergegeven verweer alsmede bewijsmiddel 2 onder meer in dat (slachtoffer) de verdachte ook bij zijn keel heeft vastgepakt en tijdens de vechtpartij is blijven vasthouden, wat het Hof niet kenbaar bij zijn beoordeling van het beroep op noodweer heeft betrokken.” Zie ook de conclusie van Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:602 (onder randnummer 3.14).Vgl. in dat verband ook HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1245, rov. 2.4, waarin het hof overwoog dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar het beroep op noodweer desondanks verwierp omdat de door de verdachte gegeven “keiharde vuistslag” tegen het hoofd van de aangever in onredelijke verhouding stond tot de ernst van die aanranding. De Hoge Raad casseerde en nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld dat de aangever de verdachte meermalen had geduwd en vervolgens had geslagen – zonder dat het hof nadere vaststellingen had gedaan over de aard en ernst van deze geweldsuitoefening door de aangever op de verdachte – waarna de verdachte één vuistslag tegen het hoofd van de aangever had gegeven.
Vgl. HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:512, NJ 2020/176, rov. 2.4. Ook in deze zaak hield de verwerping van het noodweerverweer in cassatie geen stand. De Hoge Raad overwoog: “Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte eerst door de aangever is geslagen en dat de verdachte vervolgens de aangever met een keukenmes in diens arm heeft gestoken. Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar op het moment van het slaan door de aangever sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever waartegen de verdachte zich mocht verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet voldaan is aan de proportionaliteitseis. Daartoe heeft het hof overwogen dat het steken met een keukenmes door de verdachte “in geen enkele verhouding” tot “de ernst van de aanranding” stond. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en wat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd over de ernst van de door de aangever begane aanranding en de situatie waarin de verdachte op dat moment verkeerde, waarvan het hof de juistheid deels in het midden heeft gelaten.”Zie overigens ook de conclusie van Van Wees van 12 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1115, onder voetnoot 14 (HR art. 81 RO), waarin Van Wees over de zaak die ten grondslag lag aan HR 14 april 2020 opmerkte: “In deze zaak had de verdachte het hem belagende slachtoffer gestoken in zijn onderarm, waardoor vanzelfsprekend eerder aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan.”
Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2; HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.1-3.6.2.