Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.4
3.4 Het (alsnog) ontstaan van vergoedingsrechten
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947992:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie reeds eerder T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 82-83 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 19-20. Vgl. R.E. Brinkman, ‘Uitsluitingsclausule op het scherpst van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466; B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/6, p. 38-39 en C.M. Mellema & E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/6, p. 41-42. Zie voorts de punten 3.37-3.47, alsmede de punten 3.56 en 3.57 van de conclusie van A-G Lückers vóór HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:96, NJ 2023/146. Zie tevens punt 9 van de noot van Verstappen onder deze uitspraak in NJ 2023/146.
Zie B. Breederveld, ‘De bankrekening, de huwelijksgemeenschap en echtscheiding’, WPNR 2014/7006; Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 251 e.v.; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 83; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/175 en 299; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 122 en 133; C.A. Kraan, ‘Bankrekening en uitsluitingsclausule’, EB 2000/1; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/19; C.M. Mellema, ‘De uitsluitingsclausule bij vermenging van vermogens’, REP 2014/306; A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht 2018, p. 92; L.H.M. Zonnenberg, ‘Vergoedingsvordering en zaaksvervanging, EB 2013/60 en L.H.M. Zonnenberg, ‘Afwikkeling vergoedingsrechten’, EB 2019/69, p. 148.
Zie HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225, waarover hierna meer in de hoofdtekst onder randnummers 639 en 640. Zie voor de beeldspraak van het ‘passeren van de poort van de gemeenschap’ L.H.M. Zonnenberg, ‘Afwikkeling vergoedingsrechten’, EB 2019/69, p. 148.
Zie in die zin P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27; A.J.M. Nuytinck, ‘Uitsluitingsclausule, “reprises” en “recompenses”, kosten van de huishouding: HR 5 april 2019: ECLI:NL:HR:2019:504’, AA 2019, p. 384-389 en L.H.M. Zonnenberg, ‘Afwikkeling vergoedingsrechten’, EB 2019/69.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 22-23. Zie in gelijke zin R.E. Brinkman, ‘Uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466; C.M. Mellema & E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 46 en B. Breederveld, ‘Vergoedingsrecht en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38.
Zie L.C.A. Verstappen in de (terecht kritische) punten 3-5 van zijn noot onder deze uitspraak in NJ 2023/46.
Vgl. voor de hierna volgende drie situaties waarin tóch een vergoedingsrecht ontstaat T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 85-86 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 23-24.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 24.
Vgl. HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 24.
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/3.1 en B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019, mede onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1332; Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 520 en HR 21 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3905, NJ 1989/11.
Vgl. T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 26.
Zie HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1943, NJ 2005/200 en HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9732, NJ 2012/89. Zie tevens F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. 15) 2019/7.2; F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/30.3; B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019/48 en W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (R&P nr. 94) 1996, p. 269-273.
638. In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat de enkele girale betaling van een privévordering of de overboeking van privégelden naar een reeds bestaande bankrekening van één of beide echtgenoten nog niet betekent dat die privégelden door vermenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren, óók niet wanneer deze betaling of overboeking geschiedt ten gunste van een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Aldus is óók niet direct een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap ontstaan.1 De enkele betaling/overboeking zorgt er immers nog niet voor dat er privévermogen in het vermogen van de huwelijksgemeenschap is gevloeid. In de literatuur en rechtspraak wordt daar ook wel anders over gedacht. Bepleit wordt dan dat, wanneer een privévordering wordt voldaan op een bankrekening die tot de gemeenschap van goederen behoorde, het geldbedrag door vermenging deel is gaan uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Een vergoedingsrecht is dan gegeven, omdat privégeld in de huwelijksgemeenschap is gevloeid.2 Om dat vergoedingsrecht aan te kunnen nemen is dan voldoende dat de echtgenoot die stelt een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap te hebben, stelt en bewijst dat er privégelden van hem op een bankrekening van de huwelijksgemeenschap terecht zijn gekomen. Dat de gelden op enig moment ook weer zijn uitgegeven, doet aan het vergoedingsrecht dan niets meer af. Het geld is immers ‘de poort van de gemeenschap’ gepasseerd, waardoor de gemeenschap is gebaat en dus het vergoedingsrecht is gegeven.3 De echtgenoot wiens privémiddelen op een bankrekening van de huwelijksgemeenschap terecht zijn gekomen, zit bij deze visie in een zetel. Hij hoeft immers alleen maar te stellen en bewijzen dat er privévermogen terecht is gekomen op een bankrekening die tot huwelijksgemeenschap behoorde. Slaagt hij daar in, dan is zijn vergoedingsrecht gegeven.
639. Voorstanders van deze visie lijken voor hun opvatting steun te kunnen vinden in de uitspraak HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225. In deze zaak moest de Hoge Raad oordelen over een geval waarin een vrouw, die in 1985 met de man in de wettelijke gemeenschap van goederen was gehuwd, onder uitsluitingsclausule een bedrag geschonken had verkregen. De gelden werden betaald op een en/of-rekening van partijen, en vervolgens op een later niet meer te traceren wijze besteed. Als partijen in 2014 uit elkaar gaan stelt de vrouw dat zij een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap heeft. De man betwist dat, omdat de gelden zijn besteed en niet meer te herleiden is waar deze gelden aan zijn opgegaan. Rechtbank en hof zijn het niet met elkaar eens. De rechtbank wees het vergoedingsrecht van de vrouw toe. Het hof nam géén vergoedingsrecht aan. Die beslissing kan niet op goedkeuring van de Hoge Raad rekenen. De Hoge Raad oordeelde dat de vrouw wél een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap heeft. Daarbij oordeelde hij:
“3.3.2 […]
Uitgangspunt in deze zaak is voorts dat de door de vrouw ontvangen schenkingen van in totaal € 30.000,-- uitsluitend aan haar toekomen, nu die schenkingen zijn gedaan onder de in art. 1:94 lid 2, onder a, (oud) BW omschreven uitsluitingsclausule.
Doordat de geschonken bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn overgeboekt, is het totaalbedrag van € 30.000,--, naar het in zoverre onbestreden oordeel van het hof, door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren (rov. 3.6.4.4). Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) BW).
3.3.3 Het door de vrouw onder de uitsluitingsclausule verkregen bedrag van € 30.000,-- dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is overgeboekt, is volgens de vaststelling van het hof (rov. 3.6.4.5 en 3.6.4.7) aangewend voor diverse bestedingen. Die omstandigheid doet echter op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw zoals hiervoor in 3.3.2 (slot) omschreven, omdat het erom gaat of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden dan wel op privéschulden van de vrouw.
Voor zover uit het gemeenschapsvermogen (de gemeenschappelijke bankrekening waarop het bedrag van € 30.000,-- is overgeboekt) gemeenschapsschulden zijn voldaan, brengt dat geen wijziging in het recht van de vrouw op vergoeding als bedoeld aan het slot van 3.3.2 hiervoor. Dan geldt immers nog steeds dat de gemeenschap is gebaat door het aan de vrouw toekomende bedrag van € 30.000,--.
Voor zover echter uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan, is zij op grond van art. 1:96 lid 5 (voorheen lid 4) BW gehouden tot vergoeding van het daarmee gemoeide bedrag aan de gemeenschap. In dat geval zal de hiervoor in 3.3.2 (slot) bedoelde vergoedingsvordering van de vrouw verrekend kunnen worden met haar schuld uit hoofde van art. 1:96 lid 5 BW.
3.3.4 Uit de regel van art. 1:94 lid 5 (oud) BW dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de aldaar onder a en b genoemde schulden en van de in art. 1:94 lid 3 (oud) BW (thans lid 5) bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht, volgt het vermoeden dat de tijdens huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een huwelijksgemeenschap ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Hetzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is.
In dit geval, waarin uitgaven zijn gedaan van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, geldt dus ten gunste van de vrouw het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is (zie hiervoor in 3.3.3). Het ligt op de weg van de andere echtgenoot, de man in dit geval, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan (zie hiervoor in 3.3.3), of indien uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgesproken dat de vrouw met betrekking tot bepaalde uitgaven ter zake van gemeenschapsschulden geen aanspraak op vergoeding heeft, ook al zijn die uitgaven geheel of ten dele gefinancierd uit aan haar toekomend vermogen.
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat denkbaar is dat de vrouw minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij in haar verhouding tot de man op grond van art. 1:84 BW gehouden was. In dat geval – ter zake waarvan de stelplicht en bewijslast eveneens op de man rusten – heeft (niet de gemeenschap maar) de man aanspraak erop dat de vrouw het tekort aan hem vergoedt. Een dergelijke vordering op grond van art. 1:84 BW is in deze zaak echter niet aan de orde. In de praktijk zal een zodanige vordering vaak verdisconteerd kunnen worden bij de verdeling van de gemeenschap tussen de echtgenoten.”
Uit deze overwegingen volgt dat wanneer men ervan uitgaat dat het enkele feit dat privébedragen naar een ‘gemeenschapsrekening’ zijn overgeboekt tot gevolg heeft dat deze door vermenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren, de echtgenoot wiens privébedrag het betrof in beginsel een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap heeft. Het ligt vervolgens op de weg van de andere echtgenoot om omstandigheden te stellen en bewijzen op grond waarvan dat vergoedingsrecht toch niet, of niet volledig, geldend gemaakt kan worden. Dat zal het geval zijn, wanneer op enig moment uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de betreffende echtgenoot zijn voldaan. In dat geval ontstaat een vergoedingsrecht van de gemeenschap op de betreffende echtgenoot, welk vergoedingsrecht verrekend kan worden met het vergoedingsrecht dat de betreffende echtgenoot eerder jegens de huwelijksgemeenschap heeft verkregen. Daarbij creëert de Hoge Raad het vermoeden dat tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn, en overweegt hij dat óók uitgaven voor consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Datzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 1:84 BW, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is. Dat ten laste van het saldo van de bankrekening waar de privégelden op terecht zijn gekomen consumptieve uitgaven zijn gedaan, of kosten van de huishouding zijn betaald, maakt dus niet dat het eerdere vergoedingsrecht niet meer (volledig) geldend gemaakt kan worden. Wel kan het zo zijn dat uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgesproken dat de betreffende echtgenoot afstand heeft gedaan van zijn vergoedingsrecht, of dat hij met betrekking tot bepaalde uitgaven geen aanspraak op vergoeding heeft. Het is echter aan de andere echtgenoot om dit alles te stellen en te bewijzen. Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten, zodat hij op grond van artikel 149 en 150 Rv ook de stelplicht en bewijslast daarvan draagt.
640. Uit deze uitspraak van de Hoge Raad lijkt afgeleid te kunnen worden dat hij de visie volgt dat het enkele feit dat een privévordering wordt voldaan op een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de gemeenschap van goederen behoorde, een vergoedingsrecht doet ontstaan.4 Toch is dat niet het geval. Uit de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 3.3.2 blijkt immers dat in cassatie niet bestreden was het oordeel van het hof dat de privégelden door vermenging tot het gemeenschapsvermogen waren gaan behoren. Dit oordeel was dan ook het uitgangspunt waar de Hoge Raad aan was gebonden.5 Gaat men van dat uitgangspunt uit, dan is een vergoedingsrecht inderdaad gegeven. In dat geval is immers privévermogen in de huwelijksgemeenschap gevloeid, en moet de echtgenoot wiens privébedragen het betrof daar middels een vergoedingsrecht voor gecompenseerd worden. Als de Hoge Raad dit echter niet als uitgangspunt had hoeven nemen, is het de vraag of hij tot hetzelfde oordeel was gekomen. In dat kader is ook de uitspraak HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:96, NJ 2023/146 relevant. In die zaak ging het eveneens om echtgenoten die in de wettelijke gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vrouw had onder uitsluitingsclausule privébedragen ontvangen, die werden bijgeschreven op een bankrekening uitsluitend op haar naam, op welke bankrekening op dat moment reeds enig creditsaldo werd gehouden. Daarna werden ten laste van het saldo van deze bankrekening kosten van de huishouding voldaan. Toen partijen uit elkaar gingen stelde vrouw zich op het standpunt dat zij door bijschrijving van haar privégelden op voornoemde bankrekening een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap had verkregen. Daarbij deed zij onder meer een beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019. Het hof wees het vergoedingsrecht van de vrouw echter volledig af, waarbij het overwoog dat het feit dat de erfenis was overgeboekt op een bankrekening die op haar naam stond, nog niet inhield dat de erfenis daarmee ‘tot het gemeenschapsvermogen was gaan behoren’ als bedoeld door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 5 april 2019. Evenmin was deze enkele omstandigheid volgens het hof voldoende om de erfenis als ‘deel uitmakend van de huwelijksgemeenschap’ aan te merken. De vrouw stelde tegen dit oordeel cassatieberoep in. De Hoge Raad wees dit echter af, en overwoog daartoe:
“3.1.4 Op grond van het in deze zaak toepasselijke art. 1:94 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BW kwamen de door de vrouw ontvangen bedragen ter zake van de erfenis uitsluitend aan haar toe. In dit geval staat vast waaraan de erfenis is besteed, namelijk aan kosten van de huishouding en voor € 40.000,-- aan een tot de maatschap behorend actief.
Voor zover de geërfde gelden zijn besteed aan kosten van de huishouding, zijn met aan de vrouw toebehorend vermogen gemeenschapsschulden voldaan. Ingevolge art. 1:96 lid 3 (oud) BW kwam haar op die grond in beginsel een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap toe. In zoverre doet dus niet ter zake of de erfenis door vermenging tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren, zoals onderdeel 1 betoogt. Reeds uit de vaststaande besteding daarvan vloeide immers in beginsel een vergoedingsrecht voort. Voorts is op zichzelf juist dat, zoals onderdeel 2 aanvoert, de draagplicht van de vrouw jegens de man voor de kosten van de huishouding losstaat van dat vergoedingsrecht. Nu evenwel vaststaat dat de vrouw op grond van art. 1:84 lid 1 BW gehouden was het volledige bedrag dat uit de geërfde gelden aan die kosten is besteed voor dat doel aan de gemeenschap ter beschikking te stellen, komt haar per saldo geen vergoeding ten laste van de gemeenschap toe. Dat de vrouw deze verplichting had jegens de man doet daaraan niet af: waar het om gaat, is dat er een rechtsgrond bestond voor de vrouw om het geld voor de voldoening van gemeenschapsschulden aan te wenden.”
Volgens de Hoge Raad heeft de vrouw dus in beginsel een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap verkregen, omdat zij met privégelden gemeenschapsschulden heeft voldaan. Desalniettemin komt haar per saldo toch geen vergoedingsrecht toe, omdat die gemeenschapsschulden op grond van de regeling van artikel 1:84 lid 1 BW door dat privévermogen gedragen moesten worden. Wat betreft de uitkomst is deze uitspraak te billijken. De redenering roept echter de nodige vraagtekens op, met name waar de Hoge Raad oordeelt dat in beginsel van een vergoedingsrecht sprake is omdat de vrouw met privévermogen gemeenschapsschulden heeft voldaan, maar haar per saldo toch geen vergoedingsrecht toekomt. Waar is deze ‘per saldo’ op gebaseerd, en welke juridische figuur ligt daarin besloten? In de woorden ‘per saldo’ lijkt besloten te liggen dat de vrouw weliswaar een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap heeft verkregen, maar dat de huwelijksgemeenschap een tegenvordering op haar verkregen heeft, welke vorderingen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan. Zoals Verstappen in zijn noot in NJ onder deze uitspraak opmerkt impliceert dat een soort verrekening.6 Volgens mij zou van verrekening echter geen sprake moeten zijn, maar heeft de vrouw eenvoudigweg geen vergoedingsrecht verkregen. Haar privégelden zijn besteed aan de delging van schulden die ook door dat privévermogen gedragen moesten worden. Daaraan doet niet af dat die schulden als ‘gemeenschapsschulden’ kwalificeerden. Die kwalificatie betekent alleen maar dat wanneer er gemeenschapsmiddelen zouden zijn geweest, deze schulden door die gemeenschapsmiddelen gedragen hadden moeten worden. Nu die gemeenschapsmiddelen er niet waren, en er louter privévermogen van de vrouw aanwezig was, moesten deze schulden door dat privévermogen gedragen worden. Aldus heeft er geen ongerechtvaardigde vermogensverschuiving opgetreden, en is er dus überhaupt geen vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap ontstaan. Anders dan de Hoge Raad overweegt, is bij dit alles wél van belang of de erfenis van de vrouw door vermenging tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Als de door erfenis verkregen middelen door vermenging tot de huwelijksgemeenschap zouden zijn gaan behoren, zouden die middelen vanaf dat moment niet meer als privémiddelen, maar als gemeenschapsmiddelen kwalificeren. Alsdan zou dus géén sprake meer zijn van een situatie dat gemeenschapsschulden met privémiddelen zijn voldaan, maar van een situatie dat gemeenschapsschulden met gemeenschapsmiddelen zijn betaald. Het resultaat daarvan zou dan zijn dat de vrouw wel degelijk een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap zou hebben verkregen. In dat geval zouden er immers privémiddelen in de huwelijksgemeenschap zijn gevloeid die daardoor als gemeenschapsmiddelen zijn gaan kwalificeren, en zou dus – geheel in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 – een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap zijn ontstaan, ongeacht wat er later met die middelen is gebeurd. Gaat men hiervan uit, dan heeft de uitspraak van de Hoge Raad eigenlijk alleen maar tot stand kunnen komen onder de impliciete aanname dat de privégelden van de vrouw niet door vermenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren.
641. Zet men dit alles op een rij, dan kan noch uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019, noch uit de uitspraak van de Hoge Raad van 27 januari 2023, worden afgeleid dat hij de visie zou volgen dat reeds een vergoedingsrecht ontstaat wanneer een echtgenoot een privévordering tot betaling van een geldsom laat uitbetalen op een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Integendeel; uit de uitspraak van 27 januari 2023 is indirect af te leiden dat door die enkele overboeking juist nog géén vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap ontstaat. Betekent dit dat er dan nooit vergoedingsrechten kunnen ontstaan? Nee, dat is niet het geval.7 Ten eerste kan een vergoedingsrecht ontstaan in die gevallen dat een privébedrag wordt gestort op een bankrekening die op dat moment een negatief saldo had. Op grond van de rekening-courantverhouding vindt dan op grond van artikel 6:140 lid 1 BW direct verrekening plaats. De schuld uit hoofde van het negatieve saldo wordt dan verrekend met de vordering die de rekeninghouder door creditering op de bank heeft verkregen. Behoorde het negatieve saldo als schuld tot de huwelijksgemeenschap, dan is in dat geval een schuld van de gemeenschap met privévermogen van een echtgenoot voldaan. Daardoor heeft die echtgenoot op grond van artikel 1:96 lid 4 BW een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap verkregen. Het is daarbij dan wel aan de echtgenoot wiens privévermogen het betrof om te stellen en bewijzen dat het negatieve saldo op de bankrekening een gemeenschapsschuld was, en dat die schuld op enig moment teniet is gegaan door verrekening met de privévordering die hij door creditering van de bankrekening op de bank heeft verkregen. Deze echtgenoot doet immers een beroep op de rechtsgevolgen daarvan (het ontstaan van een vergoedingsrecht), en draagt dus op grond van artikel 149 en 150 Rv de stelplicht en bewijslast daarvan. Voldoet hij niet aan die stelplicht en bewijslast, dan kan dus géén vergoedingsrecht worden aangenomen.8 Daarbij zal het door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 5 april 2019 geformuleerde bewijsvermoeden hem niet helpen. Zoals hiervóór reeds gebleken, houdt dat bewijsvermoeden immers in dat schulden die met gemeenschapsgelden zijn betaald, worden vermoed gemeenschapsschulden te zijn. De betreffende echtgenoot heeft echter niets aan dit bewijsvermoeden, omdat hij zich er juist op beroept dat hij met privégelden een schuld van de gemeenschap heeft voldaan.
642. De tweede situatie waarin vergoedingsrechten kunnen ontstaan is in het geval waarin dat deel van het saldo dat is ontstaan uit de creditering met privégelden niet meteen, maar pas later door verrekening tenietgaat. Ook dan kan een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap ontstaan. Dat zal het geval zijn wanneer op enig moment ten laste van dat privédeel een schuld van de gemeenschap is voldaan. Dat kunnen ook consumptieve uitgaven en kosten van de huishouding zijn.9 Ook hier geldt dan wel dat de echtgenoot die stelt een vergoedingsrecht te hebben verkregen, op grond van de hoofdregels van artikel 149 en 150 Rv de feiten en omstandigheden zal moeten stellen en bewijzen die tot dat vergoedingsrecht leiden.10 Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen daarvan. Ook hier zal het door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 5 april 2019 geformuleerde bewijsvermoeden hem dan niet helpen, omdat hij zich er ook hier juist op beroept dat hij met privégelden een schuld van de gemeenschap heeft voldaan. Daar komt dan nog eens als extra complicerende factor bij dat verrekening in een bankrekening-courant op basis van anciënniteit plaatsvindt.11 Een echtgenoot die een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap claimt, omdat er op enig moment een gemeenschapsschuld is voldaan ten laste van dat deel van het saldo van een bankrekening dat tot zijn privévermogen toebehoorde, zal strikt genomen dus niet alleen moeten stellen en bewijzen dat op enig moment een gemeenschapsschuld ten laste van het saldo van de bankrekening is voldaan, maar zal óók moeten stellen en bewijzen dat (i) in het saldo van de bankrekening privégelden van hem waren begrepen, en (ii) op basis van de regels van (de volgorde van) verrekening juist dat privédeel van het saldo van de bankrekening door voldoening van een gemeenschapsschuld teniet is gegaan. Ook hier geldt dus dat degene die stelt een vergoedingsrecht te hebben, het nodige zal moeten stellen en bewijzen om tot de vaststelling van dat vergoedingsrecht te kunnen komen.
643. De derde en laatste situatie waarin een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap kan ontstaan, is in die gevallen dat het privégeld van een echtgenoot terechtkomt op een bankrekening die uitsluitend ten name van de andere echtgenoot staat geregistreerd. In paragraaf 3.2.1 is reeds uiteengezet dat, en waarom, van zaaksvervanging in dat geval geen sprake kan zijn. De vervangende vordering die door creditering van de bankrekening ontstaat zal dus altijd – via het vermogen van de andere echtgenoot – krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Aldus zal er een vergoedingsrecht van de betreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap ontstaan. Anders dan in de hiervoor geschetste situaties hoeft de betreffende echtgenoot in dat geval alleen maar te stellen en te bewijzen dat er privégelden van hem op de bankrekening van de andere echtgenoot zijn voldaan. Als hij daarin slaagt staat immers vast dat er privégelden in de huwelijksgemeenschap zijn gevloeid. Aldus is een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap gegeven, ongeacht wat er later met die geldmiddelen is gebeurd. In dat geval geldt dus onverkort hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraak HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225 heeft overwogen.
644. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat zeker niet is uitgesloten dat vergoedingsrechten ontstaan wanneer privégelden terechtkomen op een bankrekening waarvan het saldo daarvóór tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Degene die stelt een vergoedingsrecht te hebben verkregen, zal in de meeste gevallen echter wel veel méér moeten doen dan enkel stellen en bewijzen dat er privégelden naar een bepaalde bankrekening zijn overgeboekt.12 Alleen wanneer het een storting op een bankrekening op naam van uitsluitend de andere echtgenoot betreft, kan die echtgenoot volstaan met te stellen en bewijzen dat die bankrekening met privégelden van hem is gecrediteerd. In alle andere gevallen volstaat dit niet. Om die reden kan een echtgenoot er belang hebben om een girale betaling van een privévordering van de andere echtgenoot op een bankrekening uitsluitend op zijn naam niet te accepteren. Hij kan in dat geval de boeking storneren. Een dergelijke stornering betreft een louter boekhoudkundige aanpassing van de rekening. De creditering blijkt dan achteraf überhaupt niet te hebben plaatsgevonden.13 Is de creditering het gevolg van de voldoening van een privévordering tot betaling van een geldsom, dan betekent dit dat die betaling achteraf niet blijkt te zijn geschied, zodat de privévordering ook niet teniet is gegaan. Dit heeft tot gevolg dat de andere echtgenoot zijn privévordering heeft behouden, en dat hij alsnog betaling daarvan kan verlangen, maar dan middels creditering van een bankrekening die (mede) op zijn naam is geregistreerd. Hetzelfde geldt wanneer de creditering van de bankrekening van een echtgenoot het gevolg is van een overboeking ten laste van het saldo van een bankrekening die tot het privévermogen van de andere echtgenoot behoort. Ook dan kan eerstgenoemde echtgenoot die betaling storneren, met als gevolg dat de betaling geacht wordt nooit te hebben plaatsgevonden. Een vergoedingsrecht is dan dus ook niet ontstaan.