Zie ook J.M. ten Voorde, in: T&C Strafrecht, commentaar op die titel V, “Inleidende opmerkingen”, aant. 1 en 3, bijgewerkt t/m 1 juli 2024.
HR, 26-11-2024, nr. 22/03956
ECLI:NL:HR:2024:1727
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-11-2024
- Zaaknummer
22/03956
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1727, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:8721
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1067
ECLI:NL:PHR:2024:1067, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1727
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑07‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0301
Uitspraak 26‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen achterlaten van ‘nepbom’ (koffer met inhoud) in eetzaal van legercomplex door journalist, art. 142a.1 Sr. 1. Voorwerp en oogmerk a.b.i. art. 142a.1 Sr. Kan koffer worden aangemerkt als “voorwerp” en is sprake van “oogmerk” van verdachte om ander ten onrechte te doen geloven dat ontploffing kon worden teweeggebracht? 2. Beroep op recht op vrijheid van meningsuiting a.b.i. art. 10 EVRM. Komt verdachte beroep toe op “journalistieke exceptie”? Ad 1. Van het in art. 142a.1 Sr omschreven “oogmerk” is sprake als dader met achterlaten van voorwerp bedoeling heeft om ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor ontploffing kan worden teweeggebracht, of als dat achterlaten als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengt of kan brengen dat hij hierdoor ander ten onrechte doet geloven dat ontploffing kan worden teweeggebracht (vgl. HR:2013:94). Of in concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van dit oogmerk zal, als verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat t.t.v. gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van feitelijke omstandigheden van geval. Daarbij zijn van belang uiterlijk en inhoud van betreffend voorwerp, locatie waar voorwerp wordt achtergelaten, persoon die voorwerp achterlaat, zijn (eventuele) uitlatingen die verband hielden met voorwerp of achterlaten of aantreffen daarvan en overige omstandigheden van het geval. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het in art. 142a.1 Sr bedoelde ander “doen geloven dat ontploffing kan worden teweeggebracht” dat het (behalve i.g.v. contra-indicaties) niet anders kan zijn dan dat verdachte dat oogmerk had. Opvatting dat slechts dan sprake is van “voorwerp” a.b.i. art. 142a.1 Sr als betreffend voorwerp “zodanig afwijkend is van alledaags voorwerp en zodanig gevaarlijke indruk maakt op omstanders, dat het door hen wordt herkend als bom”, is te beperkt en daarom onjuist. Art. 142a.1 Sr stelt immers geen specifieke eisen aan het in die bepaling genoemde voorwerp dat wordt achtergelaten. Uiterlijk en inhoud van voorwerp kunnen wel mede van belang zijn bij beantwoording van vraag of sprake is van het in art. 142a.1 Sr omschreven oogmerk. ’s Hofs oordeel dat het, gelet op plaatsing, aard en manier van verpakking van voorwerpen door verdachte, niet anders kan zijn dan dat hij heeft beseft en ook bedoeling heeft gehad dat koffer met inhoud werd gezien als geïmproviseerd explosief en dus dat verdachte oogmerk heeft gehad ander ten onrechte te doen geloven dat ontploffing kon worden teweeggebracht met de door hem geplaatste koffer met inhoud, getuigt, gelet op wat is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR mede in aanmerking dat door hof als bewijsmiddel gebruikte reactie van verdachte op mededeling dat “door u nepbom werd achtergelaten in kantine” inhoudt: “dat is correct”. Dat zich in koffer ook papieren bevonden waaruit bij bestudering had kunnen worden afgeleid dat het om nepbom ging, maakt voorgaande niet anders. Ad 2. Bij beoordeling van toelaatbaarheid van vervolging en van strafbaarheid van bewezenverklaard feit n.a.v. beroep op journalistieke vrijheid van meningsuiting moet ernst van inbreuk op rechtsorde door overtreding van strafrechtelijke norm, gelet op belang van geschonden voorschrift, worden afgewogen tegen maatschappelijk belang van de door bewezenverklaard feit voorbereide openbaarmaking, daadwerkelijk nadeel dat door bewezenverklaard feit is ontstaan en mate waarin openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid (vgl. HR:2013:BY3752). Hof heeft geoordeeld dat verdachte met plaatsen van nepbom onrust en aanmerkelijke financiële schade heeft veroorzaakt en dat er voor verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden waren, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van art. 142a Sr had kunnen realiseren. Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het vervolgen en bestraffen a.g.v. overtreding van art. 142a Sr mede als doel heeft om te voorkomen dat opnieuw dergelijke onrust en financiële schade worden veroorzaakt. Naar oordeel van hof was door verdachte ingezet middel, mede gelet op gevolgen die dit heeft gehad en bestaan van minder vergaande alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig om de door verdachte beoogde doeleinden te bereiken. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat vervolging en bestraffing met geldboete noodzakelijk zijn om duidelijk te maken dat plaatsen van “nepbom” niet mocht en om zo’n situatie in toekomst te voorkomen en dat veroordeling van verdachte (ook al pleegde hij bewezenverklaard feit als journalist) niet in strijd is met art. 10 EVRM, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03956
Datum 26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2022, nummer 21-001462-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben E.H.A. van Luijk en E.M. Witjens, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de in de bewezenverklaring bedoelde koffer een ‘voorwerp’ is in de zin van artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het tweede cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover deze inhoudt dat de verdachte een voorwerp heeft achtergelaten ‘met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht’. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:
“hij op 21 augustus 2018 te ’t Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging, een voorwerp, te weten een zwarte attachékoffer met daarin o.a. een nepbom, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij Oldebroek, heeft achtergelaten, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 0156-, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [verdachte]:
Uit de beelden van deze betreffende uitzending maken wij op dat onder andere door u de legerplaats werd betreden en dat vervolgens door u een nepbom werd achtergelaten in de kantine.
V: Wat is uw reactie hierop?
A: Dat is correct.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0021-0022, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [betrokkene 2], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
Op 21 augustus 2018 omstreeks 12.34 uur kreeg ik van de meldkamer KMar (OPS) via de portofoon het verzoek om te gaan naar gebouw 172 (keuken en kantine) van de LbO. Hier was een onbeheerde koffer aangetroffen. Ik hoorde de centralist van de OPS zeggen dat personeel van Defensie Bewakings en Beveiligings Organisatie (DBBO) al aanwezig was.
Ik zag dat de ruimte om de koffer, op ongeveer 2 meter, met rood wit afzetlint was afgezet. Ik zag naast een tafel, tegen een plantenbak, een zogenoemde attache koffer staan. Ik zag verder geen bijzonderheden aan of rond de koffer.
Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij die morgen werkzaam was in de eetzaal en dat er die morgen iets voor 11.30 uur 2 mannen in burgerkleding de eetzaal waren binnengekomen. Ik vroeg [betrokkene 3] of hij de personen kon omschrijven. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij alleen nog maar wist dat het 2 mannen waren waarvan een wat oudere man een koffer droeg en een wat jongere man een rugzak op de rug had.
Ik heb telefonisch contact opgenomen met de TEV en hoorde ik hem desgevraagd zeggen dat de eetzaal moest worden ontruimd. Hierop heb ik, samen met een medewerker van DBBO, de aanwezige gasten in de eetzaal op een rustige manier verzocht de eetzaal te verlaten.
Ik zag dat de TEV (opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee [betrokkene 4]) omstreeks 13.30 uur arriveerde waarna ik hem de plaats van de koffer heb gewezen. Nadat ik de TEV bovenstaande informatie had doorgegeven zag ik dat hij bij de koffer ging kijken. Toen de TEV hiervan terugkwam hoorde ik hem zeggen dat het om een nieuwe koffer ging met een cijferslot welk op “000” stond. Verder hoorde ik hem zeggen dat er een naamlabel aan de koffer hing waar hij een foto van had genomen.
De TEV liet mij de foto van de naamlabel zien en ik zag dat er op dit label met pen een naam en telefoonnummer was geschreven. Ik zag de naam “[betrokkene 1]” en daaronder het nummer “06-[telefoonnummer]”.
Na overleg met de TEV heb ik met mijn diensttelefoon om 13.43 uur het nummer 06-[telefoonnummer] gebeld met de bedoeling de eigenaar ter plaatse te laten komen om de koffer op te halen. Ik hoorde dat oproep niet werd beantwoord. Om 13.44 uur heb ik dit nogmaals geprobeerd maar ook toen werd mijn oproep niet beantwoord.
Om 13.47 uur zag ik dat ik werd gebeld op mijn diensttelefoon. Ik zag op het scherm van mijn telefoon het nummer welke op het naamlabel van de onbeheerde koffer stond. Ik heb de oproep beantwoord en mijzelf voorgesteld als de “Wijkopper van de KMar”. Ik hoorde een mannenstem zeggen “met [betrokkene 1], je belt zeker voor de koffer”. Ik heb toen gezegd dat dat inderdaad het geval was en dat ik graag wilde dat hij de koffer kwam ophalen omdat de koffer op dat moment als verdacht object werd beschouwd. Ik hoorde dat de man zei dat dat niet mogelijk was omdat hij al in de auto zat en onderweg was naar Amsterdam, en dat hij morgen een conferentie had in Luxemburg. Ik zei tegen deze man dat in dat geval mijn collega nog wel een aantal vragen voor hem had en heb gezegd dat ik de telefoon over zou geven aan mijn collega, ik hoorde dat de man zei dat dat goed was. Hierop heb ik mijn telefoon over gegeven aan collega [betrokkene 4] (TEV) en hoorde ik dat [betrokkene 4] in gesprek ging met de man welke zich als [betrokkene 1] had voorgesteld.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0024-0025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van P. [betrokkene 4], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
Ik gaf aan betrokkene aan dat ik TEV was en dat wij de eigenaar van de koffer wilden achterhalen. Ik hoorde een, voor mij onbekende, mannenstem zeggen dat hij inderdaad een koffer had laten staan. Ik, [betrokkene 4], heb toen een aantal vragen gesteld aan de man, ter verificatie of hij wel de eigenaar van de koffer was.
Ik hoorde de man zeggen dat hij bij de MIVD werkte. Toen ik hem vroeg naar zijn geboorteplaats en geboortedatum, gaf hij op geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn adres. Ik hoorde hem toen zeggen dat hij op een vakantiepark in [plaats] woonde, maar dat hij het adres niet wist. Hij woonde daar met een vriendin. Hij was daar wel ingeschreven en hij vertelde dat hij net uit een scheiding kwam. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn peoplesoft nummer. Ik hoorde hem zeggen dat hij deze zo niet wist. Ik vroeg hem hoe hij op de kazerne was gekomen. Hierop antwoorde hij net zoals altijd. Ik vroeg hem wie de andere persoon was met wie hij samen was. Hij antwoorde hierop dat dit [betrokkene 5] (fonetisch) was. [betrokkene 5] was naar zeggen van de man ook een collega werkzaam bij de MIVD. De man gaf aan dat hij mijn chef wel zou bellen om aan te geven wanneer hij de koffer zou ophalen. Vervolgens heb ik hem gevraagd naar de inhoud van de koffer. Hierop hoorde ik hem zeggen defensiepapieren, een camera en een plastic doosje. Hierna heb ik gevraagd wie de leidinggevende van de man was. Hierop hoorde ik hem zeggen dat hij hier geen zin in had. Vervolgens verbrak de man de verbinding. Gedurende het gehele gesprek klonk de man geïrriteerd.
Ik, [betrokkene 4], heb vervolgens de namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de real time intelligence desk van de Koninklijke Marechaussee. Hierop kreeg ik als antwoord dat betreffende namen niet bekend zijn binnen het Ministerie van Defensie en dat deze personen niet werkzaam zijn bij de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Door mij, [betrokkene 4], is de analyse uitgevoerd naar aanleiding van bovenstaande bevindingen. Mijn uitkomst was:
“verdachte situatie JA / WEL DREIGING”. Vervolgens heb ik een afzetting gerealiseerd van 50 meter en gebouw laten ontruimen en het verzoek gedaan om de komst van een hondengeleider explosieven.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0028-0029, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [betrokkene 6], adjudant onderofficier der Koninklijke Marechaussee:
Ik, [betrokkene 6], gaf mijn diensthond “[naam]” de opdracht om te beginnen met zoeken bij de stoelen voor de plantenbak. Ik zag dat mijn diensthond tijdens het af zoeken van de plantenbak ook de attachekoffer af zocht. Ik zag aan mijn diensthond geen verandering van gedrag en zag niet dat hij geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof.
Naar aanleiding van de gedragingen van mijn diensthond waarin geen veranderingen waar te nemen waren en het feit dat mijn diensthond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof, heb ik, [betrokkene 6], besloten de koffer aan een nader veiligheidsonderzoek te onderwerpen zonder diensthond.
Hierop heb ik, [betrokkene 6], de koffer geopend en zag dat er een camera in de koffer aanwezig was met een brandend groene lampje. Ik zag dat er links naast de camera een plastic bakje zat met deksel. Ik zag dat dit bakje en de camera vast zaten met zwarte tape. Ik zag in het plastic bakje ongeveer 20 centimeter x 15 centimeter was en ongeveer 5 centimeter hoog. Ik zag dat er in het plastic bakje losse metalen voorwerpen zaten, zoals moeren. Ik zag onder deze metalen voorwerpen een wit kleiachtig organisch materiaal zitten. Ik zag in het vak boven in de koffer nog 2 voorwerpen zitten, die ik niet nader kon duiden. Ik zag dat door de koffer een wit kabeltje liep. Toen ik deze waarnemingen deed, heb ik tegen mijn collega [betrokkene 4] geroepen “IED”. Ik, [betrokkene 6], heb nog gevoeld hoe vast het tape zat aan de camera. Ik voelde dat er geen beweging in kwam. Hierop heb ik, [betrokkene 6], in samenspraak met de TEV, [betrokkene 4], het plaats incident te verlaten. Ik heb besloten het plaats incident te verlaten, omdat er nog andere strijdmiddelen zijn waarmee een aanslag gepleegd kan worden, zoals chemische en biologische strijdmiddelen.
16.32
uur arriveerde de EODD ruimingseenheid. Wij, TEV [betrokkene 4] en ik, hebben de collega’s van de EODD onze bevindingen medegedeeld over het incident. Hierna zijn zij aan hun onderzoek begonnen. Tijdens hun onderzoek zagen zij op hun camera die gemonteerd is op hun robot dat de attache koffer gedeeltelijk gesloten was.
Om 22.13 uur hoorde ik de ruimer van de EOD het sein “veilig” geven.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0235, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [betrokkene 7], senior medewerker Forensische Opsporing:
Door mij werd onderzoek verricht aan de op de eettafel aangetroffen goederen (foto 26)
Ik zag dat zich op een steriel laken de volgende goederen lagen:
- Een “GAMMA” zakmes (foto 27)- Een Nokia gsm voorzien van een T-Mobile SIM kaart (foto’s 28 t/m 30)- Een middels tape aan elkaar verbonden Power bank en dual band wifi Hotspot (foto 31)- Een Power bank (foto 32)- Een zwartkleurige kabel met zwartkleurige tape (foto 33)- Middels zwart kleurige tape aan elkaar verbonden USB kabel, nest camera, camerahouder en plastic deksel (foto’s 34 t/m 36)- Een plastic bakje met inhoud: grijskleurige usb kabel, diverse schroeven, 5 stuks witkleurige modelleerklei en een gebruiksaanwijzing modelleerklei op witkleurig papier (foto’s 37 t/m 39)- Een A4 enveloppe (foto 44)
Door mij werd onderzoek verricht aan de op de grond aangetroffen actekoffer (foto’s 40 t/m 42):
Ik zag dat zich in de binnenzijde van de koffer diverse stukken zwartkleurige tape waren vastgeplakt. Ik zag dat zich in een binnenvakje een witkleurige USB kabel bevond. Aan de buitenzijde bevond zich een naam/adres label aan de koffer (foto 40 en 41). Ik zag dat er in het blauw op het kaartje was geschreven: [betrokkene 1] 06-[telefoonnummer] (foto 41). Ik zag dat zich in de twee cijfersloten van de koffer nog rode vergrendelingen in het slot bevonden (foto 42). Ik zag dat de stapel A4 vellen uit 23 losse vellen bestonden waarop zich diverse foto’s en teksten bevonden (foto 43).
Conclusies
Op basis van het door mij uitgevoerde forensische onderzoek stel ik vast dat de koffer met inhoud dusdanig in elkaar was gezet en achtergelaten, om te doen voorkomen als zijnde een geïmproviseerd explosief (nepbom).
6. Bijlage 2 bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 0164, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bijlage 02 betreffende een foto:
[betreft een foto van (de inhoud van) de koffer].”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder – deels met de rechtbank – als volgt.
Door de verdediging wordt niet betwist dat verdachte samen met een ander op 21 augustus 2018 in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats te Oldebroek een koffer met inhoud onbeheerd heeft achtergelaten en zich vervolgens die dag tijdens een telefoongesprek met [betrokkene 2] en [betrokkene 4] heeft voorgedaan als [betrokkene 1].
Is er sprake van een nepbom?
Het hof dient eerst te beoordelen of de koffer met inhoud een voorwerp is als bedoeld in artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht. Voldoende is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. De vraag is dus kort gezegd of verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat voor de beoordeling hiervan de gesloten koffer niet los kan worden gezien van de inhoud van deze koffer. Bij de beoordeling gaat het hof dus uit van dat wat verdachte in de eetzaal heeft achtergelaten, een koffer met inhoud.
Verbalisant [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 12.34 uur een melding ontving over een onbeheerde koffer in de eetzaal. Er was toen al personeel van de Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie (DBBO) aanwezig en de ruimte rondom de koffer was afgezet met afzetlint. Een Teamleider Explosieven Verkenner (TEV) was onderweg. [betrokkene 2] heeft zorg gedragen voor ontruiming van de eetzaal. Na de komst van de TEV heeft [betrokkene 2] tweemaal gebeld met het telefoonnummer dat op het naamlabel (“[betrokkene 1]”) van de koffer vermeld stond. De oproepen werd niet beantwoord. Enkele minuten later werd [betrokkene 2] gebeld met vermelding van dit telefoonnummer. Een man zei: “Met [betrokkene 1], je belt zeker voor de koffer.” [betrokkene 2] heeft dat bevestigd en gemeld dat de koffer als verdacht object werd beschouwd. Hierna heeft hij de telefoon aan zijn collega [betrokkene 4] gegeven. [betrokkene 4] heeft de man kenbaar gemaakt dat hij de Teamleider Explosieven Verkenner was. Deze [betrokkene 4] hoorde een mannenstem op vragen antwoorden dat hij (‘[betrokkene 1]’) de koffer had laten staan, samen met [betrokkene 5] op de kazerne was geweest en dat beiden bij de MIVD werkten. Hij gaf op geboren te zijn in Apeldoorn op 20 juni 1958 en zou met een vriendin wonen op een vakantiepark in Apeldoorn, waarvan hij het adres niet wist. Zijn peoplesoft nummer wist hij zo niet en hij was op dezelfde manier als altijd op het kazerneterrein gekomen. Gevraagd naar de inhoud van de koffer antwoordde ‘[betrokkene 1]’ dat daarin defensiepapieren, een camera en een plastic doosje zaten. Toen [betrokkene 4] ‘[betrokkene 1]’ vroeg naar de naam van zijn leidinggevende heeft ‘[betrokkene 1]’ gezegd dat hij ‘hier geen zin in had’, waarop ‘[betrokkene 1]’ de verbinding heeft verbroken.
[betrokkene 4] heeft hierop de door ‘[betrokkene 1]’ opgegeven namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de Real Time Intelligence Desk van de Koninklijke Marechaussee. Hieruit kwam naar voren dat beide namen niet bekend waren binnen het Ministerie van Defensie en de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft [betrokkene 4] een analyse uitgevoerd waarvan de uitkomst was “verdachte situatie ja / wel dreiging”. Hierop heeft hij een afzetting gerealiseerd van 50 meter en het gebouw laten ontruimen.
Vervolgens is er een hondengeleider explosieven, [betrokkene 6], ingeschakeld. Hij heeft met zijn gecertificeerde speurhond explosieven onderzoek uitgevoerd op de koffer. [betrokkene 6] concludeerde naar aanleiding hiervan dat de hond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof. Hierop heeft [betrokkene 6] de koffer geopend. In de koffer trof hij – voor zover hij kon zien – aan:
- een camera met een brandend groen lampje, die vast zat met zwart tape;- een plastic bakje, dat met zwart tape zat vastgemaakt, van ongeveer 20 x 15 x 5 cm met een deksel;- in het bakje losse metalen voorwerpen, zoals moeren;- onder de metalen voorwerpen een wit kleiachtig organisch materiaal;- in het vak boven in de koffer nog 2 voorwerpen, die hij niet nader kon duiden;- een witte kabel die door de koffer heen liep.
Nadat [betrokkene 6] zijn waarnemingen deed heeft hij IED (Improvised Explosive Device) geroepen.
Hierop heeft de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) nader onderzoek gedaan met onder meer een robot. Uiteindelijk is na onderzoek om 22.13 uur het sein “veilig” gegeven.
Na onderzoek na inbeslagname van de koffer bleek hier in te zitten:
- Aan de binnenzijde stukken zwartkleurig tape en in een binnenvakje bevond zich een witkleurig USB-kabel;- Zakmes, merk Gamma;
- GSM, merk Nokia, voorzien van een T-mobile simkaart;
- Powerbank en een dualband WiFi hotspot (met tape aan elkaar verbonden);- Powerbank;
- Kabel, zwartkleurig, met zwartkleurig tape;
- USB-kabel, Nest-camera, camerahouder en plastic deksel (met zwartkleurig tape aan elkaar verbonden);
- Plastic bakje met inhoud: grijskleurig USB-kabel, diverse schroeven, 5 stuks witkleurig modelleerklei en een gebruiksaanwijzing modelleerklei op witkleurig papier;
- A4 enveloppe;
- 23 stuks A4 vellen met diverse foto’s en teksten.
In het dossier bevinden zich foto’s van de koffer met inhoud. Deze foto’s zijn besproken ter zitting van het hof. Onder meer is gesproken over de telefoon die blijkens de foto’s zich bevond in het plastic bakje. Eén van de besproken foto’s staat op pagina 0164 van het dossier.
(...)
Aan de buitenzijde van de koffer bevond zich een naam/adreslabel. Op het label was geschreven: [betrokkene 1] 06-[telefoonnummer].
Verdachte heeft over de inhoud van het koffertje tijdens de zitting in hoger beroep herhaald dat het een ‘Bassie en Adriaan-achtige’ nepbom was. Het was geen nepbom in juridische zin, aldus verdachte. Hij heeft zodanige voorwerpen uitgekozen dat het meteen duidelijk zou zijn dat het geen echte bom was. Zo zat de gebruiksaanwijzing van de klei nog in het doosje waarin de klei was verpakt. Ook heeft hij een stapel papieren in de koffer – bovenop de overige inhoud – gedaan, betreffende artikelen over zijn eerdere reportages over gebrekkige beveiliging van defensieterreinen, met daarop onder meer zijn foto. In de koffer zat daarnaast een draaiende camera en aan de koffer zat een label met de naam [betrokkene 1]. Volgens verdachte had door al deze elementen snel duidelijk moeten zijn dat het geen terroristische aanslag was en dat verdachte de persoon was die zij zochten.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het oproepen van beveiligingspersoneel en een TEV, het afzetten van het gebied rond de koffer en het ontruimen van de eetzaal dat al voor het telefoontje met (naar later bleek) verdachte en het openen van de koffer sprake was van een situatie die door de betrokkenen als verdacht werd beschouwd en dat rekening werd gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een explosief in de koffer. Met de rechtbank overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Door tijdens het telefoongesprek een valse naam, valse geboortedatum en -plaats op te geven en bovendien te beweren dat hij en zijn mededader bij de MIVD werkten, heeft hij meerdere rookgordijnen opgeworpen. Uit eerdergenoemde reactie van [betrokkene 4] blijkt ook dat dit telefoongesprek heeft bijgedragen aan zijn conclusie dat er sprake was van een dreiging.
Ter zitting in hoger beroep is verdachte nader bevraagd over de redenen voor het plaatsen van bepaalde voorwerpen in de koffer. Over de metalen schroefjes heeft hij verklaard dat dit was om eventuele beveiliging door middel van een scanapparaat op het terrein te kunnen testen. Over de mobiele telefoon heeft hij verklaard dat de personen die de koffer onderzochten hiermee hadden kunnen bellen. Ten aanzien van de aanwezigheid van de klei heeft verdachte verklaard dat dit was om het ‘Bassie en Adriaan-gehalte’ van de ‘nepbom’ te verhogen. Het bakje en de camera waren met zwart tape vastgemaakt zodat de camera stabiel in de koffer bleef zitten.
Met de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat verdachte een nepbom - een voorwerp in de zin van artikel 142a Wetboek van Strafrecht - heeft gebruikt. Gelet op de combinatie van voorwerpen in de koffer, de koffer zelf, de wijze waarop de objecten in de koffer zijn vastgemaakt met zwart tape en de omstandigheden waaronder de koffer onbeheerd in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij Oldebroek is achtergelaten, is het hof van oordeel dat er sprake is van een voorwerp dat sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. Zoals eerder opgemerkt is het een feit van algemene bekendheid dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat mobiele telefoons als onderdeel van een ontsteker voor een bom kunnen worden gebruikt, dat kleine metalen voorwerpen worden verwerkt in spijkerbommen en dat voor kneedbommen materialen gebruikt worden die qua uiterlijk overeenkomsten vertonen met de aangetroffen klei.
Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat de papieren die verdachte in de koffer heeft gedaan niet de dreiging die van de nepbom uitging konden wegnemen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van een draaiende camera. Het hof begrijpt dat verdachte de camera in de koffer heeft geplaatst om beelden voor zijn uitzending te maken, maar deze intentie staat los van de indruk die een draaiende camera met een brandend lampje – in combinatie met de andere voorwerpen in de koffer – kan maken op de vinder van de koffer. Het hof merkt op dat het bij aanslagen niet ongebruikelijk is om de actie te filmen. Ten aanzien van het in de koffer aanwezige stapeltje papieren – waarbij het ook om andere papieren gaat dan die rechtstreeks te linken zijn aan het programma van verdachte – overweegt het hof dat nergens in die papieren staat dat het slechts gaat om een nepbom en/of dat het om een actie van verdachte gaat. Daarnaast is het moeilijk voorstelbaar dat bij het aantreffen van een onbeheerde koffer met een inhoud als eerder beschreven, teksten of afbeeldingen op bijgevoegde papieren rustig zullen worden bekeken of kunnen maken dat de situatie direct als minder bedreigend wordt ingeschat. Zij doen immers op zich niet af aan de samenstelling van de nepbom en het beeld dat daarmee wordt opgeroepen.
Ook het toevoegen (of het niet verwijderen) van de gebruiksaanwijzing voor de klei heeft geen invloed gehad op de dreiging die van de nepbom uitging. Die gebruiksaanwijzing zat immers onder de klei en werd pas zichtbaar nadat het na onderzoek van de EODD veilig was gebleken om de inhoud van de koffer nader te onderzoeken.
Het hof concludeert dat verdachte een voorwerp als bedoeld in artikel 142a Wetboek van Strafrecht heeft achtergelaten in de eetzaal.
Heeft verdachte het oogmerk gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat met het voorwerp (te weten de koffer met inhoud) een ontploffing kon worden teweeggebracht?
Verdachte stelt nimmer de bedoeling te hebben gehad om mensen te doen denken dat het daadwerkelijk ging om een voorwerp dat kon ontploffen en stelt er juist alles aan te hebben gedaan om dit te voorkomen.
Hetgeen verdachte stelt komt niet overeen met de feiten. Toen verdachte (kort nadat de door verdachte geplaatste koffer was aangetroffen) de Teamleider Explosieven Verkenner ([betrokkene 4]) aan de telefoon had, heeft verdachte niet kenbaar gemaakt wie hij was. Ook heeft hij niet kenbaar gemaakt dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was. Verdachte heeft tijdens het telefoongesprek gebruik gemaakt van een valse naam en zodanige informatie gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4]) juist sterker werd.
Daarnaast heeft verdachte – en dit is tevens doorslaggevend voor het bewijs van tenlastegelegde oogmerk – zodanige voorwerpen uitgekozen en zodanig verpakt en achtergelaten in de eetzaal van gebouw 172 op de legerplaats bij Oldeboek dat anderen (zoals [betrokkene 6], werkzaam als hondengeleider Explosieven) serieus rekening hielden (en konden houden) met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de EODD werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen. Gelet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachte, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief.
Naar het oordeel van het hof kan dus bewezen worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de door hem geplaatste koffer met inhoud.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 142a lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrippen ‘voorwerp’ en ‘oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht’ zijn gebruikt in de betekenis die deze begrippen hebben in die bepaling.
2.3.2
Artikel 142a lid 1 Sr luidt:
“Hij die een voorwerp verzendt of op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaat of plaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
2.3.3
De toelichting bij de derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima, Stb. 2006, 11, waarbij artikel 142a Sr is ingevoerd, houdt over artikel 142a Sr onder meer in:
“Deze derde nota van wijziging introduceert, naast een aantal wijzigingen van technische aard, een afzonderlijke strafbaarstelling van de valse bommelding en het plaatsen van een nep-bom. (...)
Wat betreft het oogmerk verdient het navolgende de aandacht. Het oogmerk heeft de in het Wetboek van Strafrecht gebruikelijke betekenis. Benadrukt moet worden dat ook de personen die «voor de grap» een valse bommelding doen met het in de voorgestelde bepaling vervatte oogmerk handelen. Ook in dat geval is het oogmerk erop gericht om een ander te doen geloven dat ergens een bom is.
Het oogmerk kan worden bewezen met een bekennende verklaring van de verdachte; een bekennende verklaring is bewijsrechtelijk gezien echter zeker niet zonder meer noodzakelijk. Het oogmerk kan, bij ontkennende verdachten, ook uit de omstandigheden worden afgeleid. Als het opsporingsonderzoek bijvoorbeeld aantoont dat het de verdachte is geweest die de valse bommelding heeft gedaan, en op de aangegeven plaats is geen bom aangetroffen, dan is het oogmerk daarmee min of meer gegeven.”
(Kamerstukken II 2003/04, 28484, nr. 23, p. 2-3.)
2.4.1
Bij de beoordeling van de cassatiemiddelen moet het volgende worden vooropgesteld. Van het in artikel 142a lid 1 Sr omschreven ‘oogmerk’ is in een geval als dit sprake als de dader met het (op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats) achterlaten van een voorwerp de bedoeling heeft om een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, of als dat achterlaten – naar hij beseft of moet hebben beseft – als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich brengt of kan brengen dat hij hierdoor een ander ten onrechte doet geloven dat een ontploffing kan worden teweeggebracht (vgl., over artikel 312 Sr, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:94, rechtsoverweging 2.4.2).
2.4.2
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van dit oogmerk zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven over wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van belang het uiterlijk en de inhoud van het betreffende voorwerp, de locatie waar het voorwerp wordt achtergelaten, de persoon die het voorwerp achterlaat, zijn (eventuele) uitlatingen die verband hielden met het voorwerp of het achterlaten of aantreffen daarvan, en de overige omstandigheden van het geval. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het in artikel 142a lid 1 Sr bedoelde een ander ‘doen geloven dat een ontploffing kan worden teweeggebracht’ dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte dat oogmerk had.
2.5
Voor zover het eerste cassatiemiddel berust op de opvatting dat slechts dan sprake is van een ‘voorwerp’ in de zin van artikel 142a lid 1 Sr als het betreffende voorwerp “zodanig afwijkend is van een alledaags voorwerp en een zodanig gevaarlijke indruk maakt op omstanders, dat het door hen wordt herkend als een bom”, gaat het uit van een te beperkte en daarom onjuiste rechtsopvatting. Artikel 142a lid 1 Sr stelt immers geen specifieke eisen aan het in die bepaling genoemde voorwerp dat wordt achtergelaten. Zoals volgt uit wat is overwogen onder 2.4.2, kunnen het uiterlijk en de inhoud van dat voorwerp wel mede van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van het in artikel 142a lid 1 Sr omschreven oogmerk.
2.6.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft op 21 augustus 2018 samen met een ander, beiden gekleed in burgerkleding, in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats in Oldebroek een attachékoffer met inhoud onbeheerd achtergelaten. De verbalisant [betrokkene 2] heeft – nadat hij een melding had ontvangen over die koffer en ter plaatse was gekomen – tevergeefs tweemaal gebeld naar het telefoonnummer dat op het naamlabel van de koffer vermeld stond. De verdachte heeft vervolgens teruggebeld en gesproken met [betrokkene 2] en [betrokkene 4], de Teamleider Explosieven Verkenner. Daarbij heeft de verdachte niet kenbaar gemaakt wie hij was en ook niet dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was. De verdachte heeft tijdens het telefoongesprek gebruikgemaakt van een valse naam en zodanige informatie gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder anderen [betrokkene 4]) juist sterker werd. Daarna is het gebouw ontruimd en een hondengeleider explosieven ingeschakeld. Vervolgens heeft deze hondengeleider de koffer geopend, en naar aanleiding van zijn waarnemingen aan en in de koffer heeft de Explosieven Opruimings Dienst Defensie nader onderzoek gedaan. In de koffer bevonden zich onder meer een zakmes, een mobiele telefoon, powerbanks, kabels, een camera, schroeven en modelleerklei.
2.6.2
Het hof heeft daarnaast overwogen dat al voor het telefoongesprek met de verdachte en het openen van de koffer door de hondengeleider sprake was van een situatie die door de betrokkenen werd beschouwd als verdacht en dat rekening werd gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een explosief in de koffer. Bovendien heeft de verdachte volgens het hof zodanige voorwerpen uitgekozen en zodanig verpakt en achtergelaten in de eetzaal dat anderen serieus rekening hielden en konden houden met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de Explosieven Opruimings Dienst Defensie werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen.
2.6.3
Het oordeel van het hof dat het, gelet op de plaatsing, de aard en de manier van verpakking van de voorwerpen door de verdachte, niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien als een geïmproviseerd explosief en dus dat de verdachte het oogmerk heeft gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de door hem geplaatste koffer met inhoud, getuigt, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat de door het hof als bewijsmiddel 1 gebruikte reactie van de verdachte op de mededeling dat “door u een nepbom werd achtergelaten in de kantine” inhoudt: “dat is correct”. Dat zich in de koffer ook papieren bevonden waaruit bij bestudering had kunnen worden afgeleid dat het om een nepbom ging, maakt het voorgaande niet anders.
2.7
De cassatiemiddelen falen.
3. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep van de verdachte op het in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Het voert daartoe aan dat de verdachte een beroep toekomt op de ‘journalistieke exceptie’.
3.2.1
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Strafbaarheid van het feit
Standpunt verdediging
De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, waarbij een beroep is gedaan op de journalistieke exceptie als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij hebben hiertoe, kort gezegd en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verdachte te goeder trouw was bij zijn handelen en een zorgvuldige uitzending heeft gewijd aan zijn handelen en bevindingen. Hij heeft een uitvoerige toelichting gegeven op de concrete uitvoering van zijn actie en het maatschappelijke belang daarvan onder meer onderstreept door politici aan het woord te laten over zijn bevindingen. De inbreuk op de rechtsorde is zeer gering geweest. De intentie van verdachte is van groot belang bij de belangenafweging. Hij had journalistieke beweegredenen. Het oordeel moet dan ook zijn dat het maatschappelijk belang van de journalistieke handeling moet prevaleren boven het belang van strafrechtelijke vervolging en bestraffing van verdachte.
(...)
Oordeel hof
Artikel 10 lid 1 EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht is echter niet onbegrensd. Artikel 10 lid 2 EVRM laat beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting toe, mits dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving is ter bescherming van de in lid 2 genoemde belangen waaronder het voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van rechten van anderen.
Het hof stelt verder dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat journalisten in beginsel niet op basis van de hun door art. 10 EVRM gegeven bescherming kunnen worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. Hiervan kan slechts sprake zijn onder bijzondere omstandigheden.
Bij de vraag naar de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit in verband met het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dient onder meer gelet te worden op:
- de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift;
- het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan;
- het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking en
- de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.
Verdachte heeft verklaard dat het doel van zijn handelen drieledig was. Hij had aanwijzingen dat de beveiliging op legerterreinen in zijn algemeenheid nog steeds niet op orde was. Allereerst wilde hij daarom de beveiliging aan de poort testen. Ten tweede wilde hij de beveiliging op het terrein zelf testen. En tot slot wilde hij de opsporing nadien testen. Hiervoor was het meebrengen en achterlaten van de koffer met de door hem bewust gekozen inhoud noodzakelijk, aldus verdachte.
Het onderhavige geval kenmerkt zich door het gegeven dat de naar aanleiding van het handelen van de verdachte gemaakte uitzending van 31 augustus 2018 zonder enige belemmering kon worden uitgezonden en dat de verdachte ook overigens geen belemmering heeft ondervonden bij het uitdragen van de door hem als cruciaal ervaren boodschap, met name het tekortschieten van de beveiliging van legerterreinen. Aan de orde is slechts de vraag of bestraffing van het handelen van de verdachte ter voorbereiding van de openbaarmaking van deze boodschap, welk handelen bestond uit, kort gezegd, het achterlaten van een koffer met daarin een nepbom op een legerbasis, een zodanige beperking vormt van de vrijheid van de journalistieke meningsuiting van de verdachte dat art. 10 EVRM in de weg staat aan toepassing van de strafwet, te weten aan bestraffing ter zake van art. 142a Sr.
Met het plaatsen van een nepbom heeft verdachte onrust en – vanwege de inzet van verschillende personen en diensten – aanmerkelijke financiële schade veroorzaakt. Vervolging en bestraffing voor het overtreden van artikel 142a Sr heeft mede als doel om te voorkomen dat opnieuw dergelijke onrust en financiële schade wordt veroorzaakt.
Naar het oordeel van het hof waren er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van artikel 142a Sr had kunnen realiseren. Minder vergaand, maar toch doeltreffend was bijvoorbeeld geweest als verdachte een geopende en daardoor zichtbaar lege koffer had achtergelaten met daarbij een briefje met de tekst ‘hier zit geen bom in, maar het had gekund’. Weliswaar had een dergelijke aanpak minder spannende televisie opgeleverd, maar dat is in het kader van het beroep op artikel 10 EVRM niet relevant. Ook het argument dat de koffer zekere materialen moest bevatten om zodoende ook een eventuele scan op het legerterrein te testen brengt niet met zich dat die materialen vervolgens op zo’n wijze in de koffer moesten worden gerangschikt dat ze tezamen de indruk wekten van een bom. Bovendien verklaart het niet waarom die materialen daar in de koffer achtergelaten moesten worden.
Het hof is aldus van oordeel dat het door verdachte ingezette middel (namelijk het plaatsen van een nepbom), mede gelet op de gevolgen die het heeft gehad en het bestaan van alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken. Vervolging en bestraffing is noodzakelijk om duidelijk te maken dat het plaatsen van een nepbom niet mocht en om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Veroordeling van verdachte is daarom niet in strijd met artikel 10 EVRM.
Het hof wijst het beroep op art. 10 EVRM af.”
3.2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 4.750 en over deze strafoplegging onder meer overwogen:
“De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 2000,-.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, gelet ook op de persoon van de verdachte en zijn financiële draagkracht. Het hof ziet daarin redenen om verdachte te veroordelen tot een geldboete. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft een nepbom achtergelaten in de eetzaal van gebouw 172 van de Legerplaats bij Oldebroek. Hij heeft daarmee teweeggebracht dat grote onrust is ontstaan en dat tot laat in de avond meerdere personen en instanties zijn ingezet. Dit is een ernstig feit en verdachte had zich – juist gelet op zijn ervaring met het aan de kaak stellen van misstanden en zijn journalistieke werk – moeten realiseren dat hij een strafrechtelijke grens overging.
Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof gelet op straffen die eerder zijn opgelegd bij het achterlaten van een nepbom. Het gaat dan veelal om taakstraffen, soms in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. De eis van de advocaat-generaal is gelet hierop in beginsel dan ook passend.
Uit het meest recente Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende verdachte leidt het hof af dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, maar wel vaker – (ook) in het kader van zijn werk als journalist – met politie en justitie in aanraking is geweest. Dit weegt in het voordeel noch in het nadeel mee voor verdachte.
Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval ziet het hof aanleiding om te kiezen voor een andere strafmodaliteit dan de advocaat-generaal. De achtergrond van de zaak is niet vergelijkbaar met andere zaken waarin een nepbom is geplaatst. Zoals eerder overwogen komt verdachte voor wat betreft de strafbaarheid van het feit geen beroep op de journalistieke exceptie toe, maar dit betekent niet dat in de bepaling van de strafmaat geen rekening kan worden gehouden met de context waarbinnen het feit gepleegd is. Duidelijk is dat verdachte (mede) heeft gehandeld vanuit zijn rol als onderzoeksjournalist, maar hij heeft hierbij een strafrechtelijke grens overschreden die niet verontschuldigbaar is enkel op basis van deze journalistieke achtergrond. Hij is te ver gegaan en had dit moeten beseffen. Dit besef heeft verdachte ook in hoger beroep niet getoond.
Verdachte heeft met zijn handelen veel schade en overlast veroorzaakt.”
3.3
Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting moet, vooropgesteld dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3752 en, over artikel 10 EVRM, EHRM 20 oktober 2015, nr. 11882/10 (Pentikäinen/Finland), overweging 87-91.)
3.4.1
Uit de onder 3.2.1 weergegeven overwegingen van het hof volgt dat de verdachte aanwijzingen had dat de beveiliging op legerterreinen in zijn algemeenheid nog steeds niet op orde was en hij daarom de beveiliging aan de poort, de beveiliging op het terrein zelf en de opsporing daarna wilde testen. Gelet hierop was het volgens de verdachte noodzakelijk om een koffer met de door hem bewust gekozen inhoud mee te nemen en achter te laten. Het hof heeft verder overwogen dat de naar aanleiding van het handelen van de verdachte gemaakte televisie-uitzending zonder enige belemmering kon worden uitgezonden en dat de verdachte ook overigens geen belemmering heeft ondervonden bij het uitdragen van de door hem als cruciaal ervaren boodschap, met name het tekortschieten van de beveiliging van legerterreinen.
3.4.2
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte met het plaatsen van de nepbom onrust en – vanwege de inzet van verschillende personen en diensten – aanmerkelijke financiële schade heeft veroorzaakt en dat er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden waren, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van artikel 142a Sr had kunnen realiseren. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het vervolgen en bestraffen als gevolg van een overtreding van artikel 142a Sr mede als doel heeft om te voorkomen dat opnieuw dergelijke onrust en financiële schade worden veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof was het door de verdachte ingezette middel, mede gelet op de gevolgen die dit heeft gehad en het bestaan van minder vergaande alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig om de door de verdachte beoogde doeleinden te bereiken. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat vervolging en bestraffing met een geldboete noodzakelijk zijn om duidelijk te maken dat het plaatsen van een ‘nepbom’ niet mocht en om zo’n situatie in de toekomst te voorkomen en dat een veroordeling van de verdachte – ook al pleegde hij het bewezenverklaarde feit als journalist – niet in strijd is met artikel 10 EVRM, getuigt, in het licht van wat onder 3.3 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
3.5
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 4.750, subsidiair 57 dagen hechtenis.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 4.275, subsidiair 52 dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2024.
Conclusie 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Journalist laat een koffer met daarin een nepbom achter op een legerplaats. Het eerste middel komt met een rechtsklacht op tegen het oordeel dat de koffer een voorwerp is a.b.i. art. 142a.1 Sr. De AG concludeert op basis van tekst en wordingsgeschiedenis van het artikel dat de opvatting dat enkel voorwerpen die als een nepbom of nepexplosief kunnen worden aangemerkt onder de definitie van een ‘voorwerp’ a.b.i. art. 142a.1 Sv vallen, geen steun in het recht vindt. Voorts wordt door de AG gewezen op enige rechtspraak in Nederland en rechtsvergelijkende beschouwingen gewijd aan buitenlands recht. Het tweede middel is gericht tegen het oordeel dat de verdachte het oogmerk had een ander ten onrechte te doen geloven dat door de koffer een ontploffing kon worden teweeggebracht. Het derde middel klaagt over het gebruik van een foto van de koffer voor het bewijs. Het vierde middel richt zijn pijlen op de verwerping door het hof van het OVAR-verweer dat vervolging en bestraffing in strijd is met de journalistieke vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM. De AG meent dat al deze middelen falen. Het vijfde middel, dat klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn, slaagt zijns inziens wel. De conclusie strekt in zoverre tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03956
Zitting 15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
- 1.
De verdachte is bij arrest van 12 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “het medeplegen van een voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaten met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht”, veroordeeld tot een geldboete van € 4750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 57 (zevenenvijftig) dagen hechtenis. Voorts is een inbeslaggenomen koffer verbeurdverklaard.
- 2.
Namens de verdachte hebben E.H.A. van Luijk en E.M. Witjens, beiden advocaat in Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
II.De achtergrond van de zaak
3. De verdachte, onderzoeksjournalist, heeft in het kader van opnames voor het televisieprogramma ‘Undercover’ samen met een collega op 21 augustus 2018 in een eetzaal van de Legerplaats bij [plaats] een attachékoffer met een zogenaamde ‘nepbom’ onbeheerd achtergelaten. Met deze actie wilde de verdachte naar eigen zeggen de beveiliging van defensieterreinen aan de kaak stellen. Aan de koffer hing een label met de naam “ [betrokkene 1] ” en daaronder een telefoonnummer. In de koffer waren verschillende voorwerpen met zwarte tape vastgemaakt, waaronder kabels, een telefoon (Nokia gsm), een bakje met losse metalen schroeven en een kleiachtig materiaal. In de koffer zat tevens een draaiende camera. Nadat de achtergelaten koffer was gesignaleerd, werd de Defensie Bewakings- en Beveiliging Organisatie (DBBO), een opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee en een Teamleider Explosieven Verkenner op de koffer afgestuurd. De ruimte rondom de koffer werd afgezet met afzetlint en is later ontruimd. Hierna is via het telefoonnummer dat stond op het label aan de koffer, contact gelegd met de verdachte. De verdachte heeft in dat gesprek valse namen van hem en zijn collega opgegeven en zich voorgedaan als medewerker van de MIVD. Nadat bleek dat de opgegeven namen niet bekend waren in de database van de marechaussee is de situatie als een “dreiging” ingeschaald, is een afzetting van 50 meter gerealiseerd, een ontruiming van het hele gebouw uitgevoerd en een hondengeleider explosieven ingeschakeld. Deze hondengeleider heeft onderzoek uitgevoerd op de koffer en vervolgens de hulp van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) ingeroepen. De EODD heeft toen onder meer met een robot onderzoek gedaan naar de koffer. Uiteindelijk is om 22.13, bijna tien uur na de melding over een onbeheerde koffer in de eetzaal, het sein “veilig” gegeven.
4. De verdachte is zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep veroordeeld wegens het plaatsen van een nepbom in de zin van art. 142a Sr. Namens de verdachte is in beide instanties onder meer aangevoerd dat (i) de koffer niet kwalificeert als een voorwerp als bedoeld in art. 142a Sr, (ii) de verdachte niet het oogmerk heeft gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de koffer en (iii) de verdachte een beroep toekomt op de journalistieke exceptie als bedoeld in art. 10 EVRM en derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5. Het is de respectieve verwerping door het hof van de verweren (i), (ii) en (iii) waartegen het eerste, het tweede en het vierde middel opkomen. Hier zij ook reeds opgemerkt dat het derde middel is gericht tegen het gebruik van een foto voor het bewijs en het vijfde middel erover klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Ten behoeve van de bespreking van het eerste, het tweede en het derde middel geef ik hieronder eerst de bewijsvoering van het hof weer.
III. De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof
III.1 De bewezenverklaring
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 21 augustus 2018 te ’t Harde, gemeente Elburg, tezamen en in vereniging, een voorwerp, te weten een zwarte attachékoffer met daarin o.a. een nepbom, op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats, in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij [plaats] , heeft achtergelaten, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.”
III.2 De bewijsmiddelen
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in een aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 0156-, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [verdachte]:
Uit de beelden van deze betreffende uitzending maken wij op dat onder andere door u de legerplaats werd betreden en dat vervolgens door u een nepbom werd achtergelaten in de kantine.
V: Wat is uw reactie hierop?
A: Dat is correct.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0021-0022. voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [betrokkene 2] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
Op 21 augustus 2018 omstreeks 12.34 uur kreeg ik van de meldkamer KMar (OPS) via de portofoon het verzoek om te gaan naar gebouw 172 (keuken en kantine) van de LbO. Hier was een onbeheerde koffer aangetroffen. Ik hoorde de centralist van de OPS zeggen dat personeel van Defensie Bewakings en Beveiligings Organisatie (DBBO) al aanwezig was.
Ik zag dat de ruimte om de koffer, op ongeveer 2 meter, met rood wit afzetlint was afgezet. Ik zag naast een tafel, tegen een plantenbak, een zogenoemde attaché koffer staan. Ik zag verder geen bijzonderheden aan of rond de koffer.
Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij die morgen werkzaam was in de eetzaal en dat er die morgen iets voor 11.30 uur 2 mannen in burgerkleding de eetzaal waren binnengekomen. Ik vroeg [betrokkene 3] of hij de personen kon omschrijven. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat hij alleen nog maar wist dat het 2 mannen waren waarvan een wat oudere man een koffer droeg en een wat jongere man een rugzak op de rug had.
Ik heb telefonisch contact opgenomen met de TEV en hoorde ik hem desgevraagd zeggen dat de eetzaal moest worden ontruimd. Hierop heb ik, samen met een medewerker van DBBO, de aanwezige gasten in de eetzaal op een rustige manier verzocht de eetzaal te verlaten.
Ik zag dat de TEV (opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee [betrokkene 4] ) omstreeks 13.30 uur arriveerde waarna ik hem de plaats van de koffer heb gewezen. Nadat ik de TEV bovenstaande informatie had doorgegeven zag ik dat hij bij de koffer ging kijken. Toen de TEV hiervan terugkwam hoorde ik hem zeggen dat het om een nieuwe koffer ging met een cijferslot welk op ‘000” stond. Verder hoorde ik hem zeggen dat er een naamlabel aan de koffer hing waar hij een foto van had genomen.
De TEV liet mij de foto van de naamlabel zien en ik zag dat er op dit label met pen een naam en telefoonnummer was geschreven. Ik zag de naam “ [betrokkene 1] ” en daaronder het nummer “ [telefoonnummer] ”.
Na overleg met de TEV heb ik met mijn diensttelefoon om 13.43 uur het nummer [telefoonnummer] gebeld met de bedoeling de eigenaar ter plaatse te laten komen om de koffer op te halen. Ik hoorde dat oproep niet werd beantwoord. Om 13.44 uur heb ik dit nogmaals geprobeerd maar ook toen werd mijn oproep niet beantwoord.
Om 13.47 uur zag ik dat ik werd gebeld op mijn diensttelefoon. Ik zag op het scherm van mijn telefoon het nummer welke op het naamlabel van de onbeheerde koffer stond. Ik heb de oproep beantwoord en mijzelf voorgesteld als de “Wijkopper van de KMar”. Ik hoorde een mannenstem zeggen “met [betrokkene 1] , je belt zeker voor de koffer”. Ik heb toen gezegd dat dat inderdaad het geval was en dat ik graag wilde dat hij de koffer kwam ophalen omdat de koffer op dat moment als verdacht object werd beschouwd. Ik hoorde dat de man zei dat dat niet mogelijk was omdat hij al in de auto zat en onderweg was naar Amsterdam, en dat hij morgen een conferentie had in Luxemburg. Ik zei tegen deze man dat in dat geval mijn collega nog wel een aantal vragen voor hem had en heb gezegd dat ik de telefoon over zou geven aan mijn collega, ik hoorde dat de man zei dat dat goed was. Hierop heb ik mijn telefoon over gegeven aan collega [betrokkene 4] (TEV) en hoorde ik dat [betrokkene 4] in gesprek ging met de man welke zich als [betrokkene 1] had voorgesteld.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0024-0025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [betrokkene 4] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee:
Ik gaf aan betrokkene aan dat ik TEV was en dat wij de eigenaar van de koffer wilden achterhalen. Ik hoorde een, voor mij onbekende, mannenstem zeggen dat hij inderdaad een koffer had laten staan. Ik, [betrokkene 4] , heb toen een aantal vragen gesteld aan de man, ter verificatie of hij wel de eigenaar van de koffer was.
Ik hoorde de man zeggen dat hij bij de MIVD werkte. Toen ik hem vroeg naar zijn geboorteplaats en geboortedatum, gaf hij op geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn adres. Ik hoorde hem toen zeggen dat hij op een vakantiepark in [plaats] woonde, maar dat hij het adres niet wist. Hij woonde daar met een vriendin. Hij was daar wel ingeschreven en hij vertelde dat hij net uit een scheiding kwam. Ik vroeg hem vervolgens naar zijn peoplesoft nummer. Ik hoorde hem zeggen dat hij deze zo niet wist. Ik vroeg hem hoe hij op de kazerne was gekomen. Hierop antwoorde hij net zoals altijd. Ik vroeg hem wie de andere persoon was met wie hij samen was. Hij antwoorde hierop dat dit [betrokkene 5] (fonetisch) was. [betrokkene 5] was naar zeggen van de man ook een collega werkzaam bij de MIVD. De man gaf aan dat hij mijn chef wel zou bellen om aan te geven wanneer hij de koffer zou ophalen. Vervolgens heb ik hem gevraagd naar de inhoud van de koffer. Hierop hoorde ik hem zeggen defensiepapieren, een camera en een plastic doosje. Hierna heb ik gevraagd wie de leidinggevende van de man was. Hierop hoorde ik hem zeggen dat hij hier geen zin in had. Vervolgens verbrak de man de verbinding. Gedurende, het gehele gesprek klonk de man geïrriteerd.
Ik, [betrokkene 4] , heb vervolgens de namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de real time intelligence desk van de Koninklijke Marechaussee. Hierop kreeg ik als antwoord dat betreffende namen niet bekend zijn binnen het Ministerie van Defensie en dat deze personen niet werkzaam zijn bij de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Door mij, [betrokkene 4] , is de analyse uitgevoerd naar aanleiding van bovenstaande bevindingen. Mijn uitkomst was:
“verdachte situatie JA/WEL DREIGING”. Vervolgens heb ik een afzetting gerealiseerd van 50 meter en gebouw laten ontruimen en het verzoek gedaan om de komst van een hondengeleider explosieven.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0028-0029, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [betrokkene 6] , adjudant onderofficier der Koninklijke Marechaussee:
Ik, [betrokkene 6] , gaf mijn diensthond “ [naam] ” de opdracht om te beginnen met zoeken bij de stoelen voor de plantenbak. Ik zag dat mijn diensthond tijdens het af zoeken van de plantenbak ook de attachékoffer af zocht. Ik zag aan mijn diensthond geen verandering van gedrag en zag niet dat hij geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof.
Naar aanleiding van de gedragingen van mijn diensthond waarin geen veranderingen waar te nemen waren en het feit dat mijn diensthond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof, heb ik, [betrokkene 6] , besloten de koffer aan een nader veiligheidsonderzoek te onderwerpen zonder diensthond.
Hierop, heb ik, [betrokkene 6] , de koffer geopend en zag dat er een camera in de koffer aanwezig was met een brandend groene lampje. Ik zag dat er links naast de camera een plastic bakje zat met deksel. Ik zag dat dit bakje en de camera vast zaten met zwarte tape. Ik zag in het plastic bakje ongeveer 20 centimeter x 15 centimeter was en ongeveer 5 centimeter hoog. Ik zag dat er in het plastic bakje losse metalen voorwerpen zaten, zoals moeren. Ik zag onder deze metalen voorwerpen een wit kleiachtig organisch materiaal zitten. Ik zag in het vak boven in de koffer nog 2 voorwerpen zitten, die ik niet nader kon duiden. Ik zag dat door de koffer een wit kabeltje liep. Toen ik deze waarnemingen deed, heb ik tegen mijn collega [betrokkene 4] geroepen “ IED ”. Ik, [betrokkene 6] , heb nog gevoeld hoe vast het tape zat aan de camera. Ik voelde dat er geen beweging in kwam. Hierop heb ik, [betrokkene 6] , in samenspraak met de TEV, [betrokkene 4] , het plaats incident te verlaten. Ik heb besloten het plaats incident te verlaten, omdat er nog andere strijdmiddelen zijn waarmee een aanslag gepleegd kan, worden, zoals chemische en biologische strijdmiddelen.
16.32
uur arriveerde de EODD ruimingseenheid. Wij, TEV [betrokkene 4] en ik, hebben de collega’s van de EODD onze bevindingen medegedeeld over het incident. Hierna zijn zij aan hun onderzoek begonnen. Tijdens hun onderzoek zagen zij op hun camera die gemonteerd is op hun robot dat de attache koffer gedeeltelijk gesloten was.
Om 22.13 uur hoorde ik de ruimer van de EOD het sein “veilig” geven.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen op pagina 0235, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [betrokkene 7] , senior medewerker Forensische Opsporing:
Door mij werd onderzoek verricht aan de op de eettafel aangetroffen goederen (foto 26)
Ik zag dat zich op een steriel laken de volgende goederen lagen:
- Een "GAMMA” zakmes (foto 27)
- Een Nokia gsm voorzien van een T-Mobile SIM kaart (foto’s 28 t/m 30)
- Een middels tape aan elkaar verbonden Power bank en dual band wifi Hotspot (Toto 31)
- Een Power bank (foto 32)
- Een zwartkleurige kabel met zwartkleurige tape (foto 33)
- Middels zwart kleurige tape aan elkaar verbonden USB kabel, nest camera, camerahouder en
plastic deksel (foto’s 34 t/m 36)
- Een plastic bakje met inhoud: grijskleurige usb kabel, diverse schroeven, 5 stuks witkleurige
modelleerklei en een gebruiksaanwijzing modelleerklei op witkleurig papier (foto's 37 t/m 39)
- Een A4 enveloppe (foto 44)
Door mij werd onderzoek verricht aan de op de grond aangetroffen actekoffer (foto's 40 t/m 42):
Ik zag dat zich in de binnenzijde van de koffer diverse stukken zwartkleurige tape waren vastgeplakt. Ik zag dat zich in een binnenvakje een witkleurige USB kabel bevond. Aan de buitenzijde bevond zich een naam/adres label aan de koffer (foto 40 en 41). Ik zag dat er in het blauw op het kaartje was geschreven: [betrokkene 1] [telefoonnummer] (foto 41). Ik zag dat zich in de twee cijfersloten van de koffer nog rode vergrendelingen in het slot bevonden (foto 42). Ik zag dat de stapel A4 vellen uit 23 losse vellen bestonden waarop zich diverse foto's en teksten bevonden (foto 43).
Conclusies
Op basis van het door mij uitgevoerde forensische onderzoek stel ik vast dat de koffer met inhoud dusdanig in elkaar was gezet en achtergelaten, om te doen voorkomen als zijnde een geïmproviseerd explosief (nepbom).
6. Bijlage 2 bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina .0164, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als bijlage 02 betreffende een foto:
[AG: hier is een foto van de inhoud van de koffer weergegeven]”
III.3 De bewijsoverwegingen
8. Voorts heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder – deels met de rechtbank – als volgt.
Door de verdediging wordt niet betwist dat verdachte samen met een ander op 21 augustus 2018 in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats te [plaats] een koffer met inhoud onbeheerd heeft achtergelaten en zich vervolgens die dag tijdens een telefoongesprek met [betrokkene 2] en [betrokkene 4] heeft voorgedaan als [betrokkene 1] .
Is er sprake van een nepbom?
Het hof dient eerst te beoordelen of de koffer met inhoud een voorwerp is als bedoeld in artikel 142a van het Wetboek van Strafrecht. Voldoende is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. De vraag is dus kort gezegd of verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat voor de beoordeling hiervan de gesloten koffer niet los kan worden gezien van de inhoud van deze koffer. Bij de beoordeling gaat het hof dus uit van dat wat verdachte in de eetzaal heeft achtergelaten, een koffer met inhoud.
Verbalisant [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 12.34 uur een melding ontving over een onbeheerde koffer in de eetzaal. Er was toen al personeel van de Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie (DBBO) aanwezig en de ruimte rondom de koffer was afgezet met afzetlint. Een Teamleider Explosieven Verkenner (TEV) was onderweg. [betrokkene 2] heeft zorg gedragen voor ontruiming van de eetzaal. Na de komst van de TEV heeft [betrokkene 2] tweemaal gebeld met het telefoonnummer dat op het naamlabel (“ [betrokkene 1] ”) van de koffer vermeld stond. De oproepen werd niet beantwoord. Enkele minuten later werd [betrokkene 2] gebeld met vermelding van dit telefoonnummer. Een man zei: “Met [betrokkene 1] , je belt zeker voor de koffer.” [betrokkene 2] heeft dat bevestigd en gemeld dat de koffer als verdacht object werd beschouwd. Hierna heeft hij de telefoon aan zijn collega [betrokkene 4] gegeven. [betrokkene 4] heeft de man kenbaar gemaakt dat hij de Teamleider Explosieven Verkenner was. Deze [betrokkene 4] hoorde een mannenstem op vragen antwoorden dat hij (‘ [betrokkene 1] ’) de koffer had laten staan, samen met [betrokkene 5] op de kazerne was geweest en dat beiden bij de MIVD werkten. Hij gaf op geboren te zijn in [plaats] op [geboortedatum] 1958 en zou met een vriendin wonen op een vakantiepark in [plaats] , waarvan hij het adres niet wist. Zijn peoplesoft nummer wist hij zo niet en hij was op dezelfde manier als altijd op het kazerneterrein gekomen. Gevraagd naar de inhoud van de koffer antwoordde ‘ [betrokkene 1] ’ dat daarin defensiepapieren, een camera en een plastic doosje zaten. Toen [betrokkene 4] ‘ [betrokkene 1] ’ vroeg naar de naam van zijn leidinggevende heeft ‘ [betrokkene 1] ’ gezegd dat hij ‘hier geen zin in had’, waarop ‘ [betrokkene 1] ’ de verbinding heeft verbroken.
[betrokkene 4] heeft hierop de door ‘ [betrokkene 1] ’ opgegeven namen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] uitgezet bij de Real Time Intelligence Desk van de Koninklijke Marechaussee. Hieruit kwam naar voren dat beide namen niet bekend waren binnen het Ministerie van Defensie en de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft [betrokkene 4] een analyse uitgevoerd waarvan de uitkomst was “verdachte situatie ja / wel dreiging”. Hierop heeft hij een afzetting gerealiseerd van 50 meter en het gebouw laten ontruimen.
Vervolgens is er een hondengeleider explosieven, [betrokkene 6] , ingeschakeld. Hij heeft met zijn gecertificeerde speurhond explosieven onderzoek uitgevoerd op de koffer. [betrokkene 6] concludeerde naar aanleiding hiervan dat de hond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof. Hierop heeft [betrokkene 6] de koffer geopend. In de koffer trof hij – voor zover hij kon zien – aan:
- een camera met een brandend groen lampje, die vast zat met zwart tape;
- een plastic bakje, dat met zwart tape zat vastgemaakt, van ongeveer 20 x 15 x 5 cm met een deksel;
- in het bakje losse metalen voorwerpen, zoals moeren;
- onder de metalen voorwerpen een wit kleiachtig organisch materiaal;
- in het vak boven in de koffer nog 2 voorwerpen, die hij niet nader kon duiden;
- een witte kabel die door de koffer heen liep.
Nadat [betrokkene 6] zijn waarnemingen deed heeft hij IED (Improvised Explosive Device) geroepen.
Hierop heeft de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) nader onderzoek gedaan met onder meer een robot. Uiteindelijk is na onderzoek om 22.13 uur het sein “veilig” gegeven.
Na onderzoek na inbeslagname van de koffer bleek hierin te zitten:
- Aan de binnenzijde stukken zwartkleurig tape en in een binnenvakje bevond zich een witkleurig USB-kabel
- Zakmes, merk Gamma;
- GSM, merk Nokia, voorzien van een T-mobile simkaart;
- Powerbank en een dualband WiFi hotspot (met tape aan elkaar verbonden);
- Powerbank;
- Kabel, zwartkleurig, met zwartkleurig tape;
- USB-kabel, Nest-camera, camerahouder en plastic deksel (met zwartkleurig tape aan elkaar verbonden);
- Plastic bakje met inhoud: grijskleurig USB-kabel, diverse schroeven, 5 stuks witkleurig modelleerklei en een gebruiksaanwijzing modelleerklei op witkleurig papier;
- A4 enveloppe;
- 23 stuks A4 vellen met diverse, foto’s en teksten.
In het dossier bevinden zich foto’s van de koffer met inhoud. Deze foto’s zijn besproken ter zitting van het hof. Onder meer is gesproken over de telefoon die blijkens de foto’s zich bevond in het plastic bakje. Eén van de besproken foto’s staat pagina 0164 van het dossier.
[AG: hier staat een foto van de inhoud van de koffer weergegeven]
Aan de buitenzijde van de koffer bevond zich een naam/adreslabel. Op het label was geschreven: [betrokkene 1] [telefoonnummer] .
Verdachte heeft over de inhoud van het koffertje tijdens de zitting in hoger beroep herhaald dat het een ‘Bassie en Adriaan-achtige’ nepbom was. Het was geen nepbom in juridische zin, aldus verdachte. Hij heeft zodanige voorwerpen uitgekozen dat het meteen duidelijk zou zijn dat het geen echte bom was. Zo zat de gebruiksaanwijzing van de klei nog in het doosje waarin de klei was verpakt. Ook heeft hij een stapel papieren in de koffer – bovenop de overige inhoud – gedaan, betreffende artikelen over zijn eerdere reportages over gebrekkige beveiliging van defensieterreinen, met daarop onder meer zijn foto. In de koffer zat daarnaast een draaiende camera en aan de koffer zat een label met de naam [betrokkene 1] . Volgens verdachte had door al deze elementen snel duidelijk moeten zijn dat het geen terroristische aanslag was en dat verdachte de persoon was die zij zochten.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het oproepen van beveiligingspersoneel en een TEV, het afzetten van het gebied rond de koffer en het ontruimen van de eetzaal dat al voor het telefoontje met (naar later bleek) verdachte en het openen van de koffer sprake was van een situatie die door de betrokkenen als verdacht werd beschouwd en dat rekening werd gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een explosief in de koffer. Met de rechtbank overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Door tijdens het telefoongesprek een valse naam, valse geboortedatum en -plaats op te geven en bovendien te beweren dat hij en zijn mededader bij de MIVD werkten, heeft hij meerdere rookgordijnen opgeworpen. Uit eerdergenoemde reactie van [betrokkene 4] blijkt ook dat dit telefoongesprek heeft bijgedragen aan zijn conclusie dat er sprake was van een dreiging.
Ter zitting in hoger beroep is verdachte nader bevraagd over de redenen voor het plaatsen van bepaalde voorwerpen in de koffer. Over de metalen schroefjes heeft hij verklaard dat dit was om eventuele beveiliging door middel van een scanapparaat op het terrein te kunnen testen. Over de mobiele telefoon heeft hij verklaard dat de personen die de koffer onderzochten hiermee hadden kunnen bellen. Ten aanzien van de aanwezigheid van de klei heeft verdachte verklaard dat dit was om het ‘Bassie en Adriaan-gehalte’ van de ‘nepbom’ te verhogen. Het bakje en de camera waren met zwart tape vastgemaakt zodat de camera stabiel in de koffer bleef zitten.
Met de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat verdachte een nepbom – een voorwerp in de zin van artikel 142a Wetboek van Strafrecht – heeft gebruikt. Gelet op de combinatie van voorwerpen in de koffer, de koffer zelf, de wijze waarop de objecten in de koffer zijn vastgemaakt met zwart tape en de omstandigheden waaronder de koffer onbeheerd in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij [plaats] is achtergelaten, is het hof van oordeel dat er sprake is van een voorwerp dat sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. Zoals eerder opgemerkt is het een feit van algemene bekendheid dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat mobiele telefoons als onderdeel van een ontsteker voor een bom kunnen worden gebruikt, dat kleine metalen voorwerpen worden verwerkt in spijkerbommen en dat voor kneedbommen materialen gebruikt worden die qua uiterlijk overeenkomsten vertonen met de aangetroffen klei.
Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat de papieren die verdachte in de koffer heeft gedaan niet de dreiging die van de nepbom uitging konden wegnemen. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van een draaiende camera. Het hof begrijpt dat verdachte de camera in de koffer heeft geplaatst om beelden voor zijn uitzending te maken, maar deze intentie staat los van de indruk die een draaiende camera met een brandend lampje – in combinatie met de andere voorwerpen in de koffer – kan maken op de vinder van de koffer. Het hof merkt op dat het bij aanslagen niet ongebruikelijk is om de actie te filmen. Ten aanzien van het in de koffer aanwezige stapeltje papieren – waarbij het ook om andere papieren gaat dan die rechtstreeks te linken zijn aan het programma van verdachte – overweegt het hof dat nergens in die papieren staat dat het slechts gaat om een nepbom en/of dat het om een actie van verdachte gaat. Daarnaast is het moeilijk voorstelbaar dat bij het aantreffen van een onbeheerde koffer met een inhoud als eerder beschreven, teksten of afbeeldingen op bijgevoegde papieren rustig zullen worden bekeken of kunnen maken dat de situatie direct als minder bedreigend wordt ingeschat. Zij doen immers op zich niet af aan de samenstelling van de nepbom en het beeld dat daarmee wordt opgeroepen.
Ook het toevoegen (of het niet verwijderen) van de gebruiksaanwijzing voor de klei heeft geen invloed gehad op de dreiging die van de nepbom uitging. Die gebruiksaanwijzing zat immers onder de klei en werd pas zichtbaar nadat het na onderzoek van de EODD veilig was gebleken om de inhoud van de koffer nader te onderzoeken.
Het hof concludeert dat verdachte een voorwerp als bedoeld in artikel 142a Wetboek van Strafrecht heeft achtergelaten in de eetzaal.
Heeft verdachte het oogmerk gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat met het voorwerp (te weten de koffer met inhoud) een ontploffing kon worden teweeggebracht?
Verdachte stelt nimmer de bedoeling te hebben gehad om mensen te doen denken dat het daadwerkelijk ging om een voorwerp dat kon ontploffen en stelt er juist alles aan te hebben gedaan om dit te voorkomen.
Hetgeen verdachte stelt komt niet overeen met de feiten. Toen verdachte (kort nadat de door verdachte geplaatste koffer was aangetroffen) de Teamleider Explosieven Verkenner ( [betrokkene 4] ) aan de telefoon had, heeft verdachte niet kenbaar gemaakt wie hij was. Ook heeft hij niet kenbaar gemaakt dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was. Verdachte heeft tijdens het telefoongesprek gebruik gemaakt van een valse naam en zodanige informatie gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4] ) juist sterker werd.
Daarnaast heeft verdachte – en dit is tevens doorslaggevend voor het bewijs van tenlastegelegde oogmerk – zodanige voorwerpen uitgekozen en zodanig verpakt en achtergelaten in de eetzaal van gebouw 172 op de legerplaats bij [plaats] dat anderen (zoals [betrokkene 6] , werkzaam als hondengeleider Explosieven) serieus rekening hielden (en konden houden) met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de EODD werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen. Gelet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachte, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6] ) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief.
Naar het oordeel van het hof kan dus bewezen worden dat verdachte het oogmerk heeft gehad een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de door hem geplaatste koffer met inhoud.”
IV. Het eerste en het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
9. Het eerste middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de koffer met inhoud een voorwerp is in de zin van art. 142a lid 1 Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel niet (zonder meer) begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het vereiste oogmerk niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof niet (zonder meer) begrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
10. Voordat ik overga tot een bespreking van deze twee middelen, schets ik hieronder het relevante juridisch kader in Nederland, waarbij ik mij in het bijzonder toespits op de bestanddelen “voorwerp” en “oogmerk” in art. 142a Sr, en in enkele andere landen.
IV.1 Het juridisch kader
11. Omdat bij mijn weten zich niet eerder een zaak bij de Hoge Raad heeft aangediend waarin de strafbepaling van art. 142a Sr centraal stond, komt het mij dienstig voor na het toepasselijke juridisch kader in Nederland, zoals dit in die bepaling tot uitdrukking komt, kort enkele beschouwingen van rechtsvergelijkende aard te wijden aan deze materie. Daarbij betrek ik het toepasselijke recht, voor zover daarvan sprake, is in België, Frankrijk, Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten van Amerika.
In Nederland
12. Art. 142a Sr luidt:
“1. Hij die een voorwerp verzendt of op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaat of plaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die gegevens doorgeeft met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.”
13. Art. 142a Sv is geplaatst in Titel V van Boek 2 van ons Wetboek van Strafrecht en is daarmee een van de ‘misdrijven tegen de openbare orde’, die in algemene zin strekken tot het bestrijden en voorkomen van (publieke) wanordelijkheden. Net als de meeste in die Titel V opgenomen delicten betreft art. 142a Sv een formeel omschreven misdrijf; het is de gedraging zelf die als zodanig strafbaar is gesteld, ongeacht of zij bepaalde gevolgen heeft veroorzaakt.1.
14. De afzonderlijke strafbaarstelling van (onder meer) het plaatsen van een voorwerp (lid 1), zoals een nepbom2., en het doen van een valse bommelding (lid 2) is in werking getreden op 1 februari 2006 in het kader van de Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima.3.Het artikel werd in concept geïntroduceerd bij de derde nota van wijziging.4.De toelichting daarbij spitst zich hoofdzakelijk toe op het doen van een valse bommelding en gaat niet nader in op de eisen die gesteld worden aan het plaatsen van een nepbom.5.Ik citeer:
“Deze derde nota van wijziging introduceert, naast een aantal wijzigingen van technische aard, een afzonderlijke strafbaarstelling van de valse bommelding en het plaatsen van een nep-bom. De valse bommelding is in veel gevallen reeds strafbaar op grond van artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. In de nota van wijziging heb ik voorgesteld om de maximale gevangenisstraf die in dat artikellid is voorzien te verhogen van twee weken naar een jaar. Inmiddels ben ik evenwel tot het oordeel gekomen dat moet worden voorzien in een specifieke, op alle valse bommeldingen toegesneden strafbaarstelling, en dat het strafmaximum dat is gesteld op dit misdrijf aanmerkelijk hoger dient te zijn: vier jaar gevangenisstraf. Daartoe strekt deze (derde) nota van wijziging.
Deze strafbaarstelling wijkt in een aantal opzichten af van die van artikel 142, eerste lid, Sr. Centraal staat dat deze strafbaarstelling (anders dan de voorgestelde) eist dat «de rust» wordt verstoord. Valse bommeldingen die dat gevolg niet hebben, maar er bijvoorbeeld wel toe leiden dat overheidsdiensten in hun functioneren belemmerd worden, vallen daarmee niet onder artikel 142 Sr. Anderzijds wordt de specifieke dreiging die van bommeldingen uitgaat, het gevaar van een ontploffing waardoor vele mensenlevens verloren kunnen gaan, in een strafmaximum van een jaar onvoldoende verdisconteerd. Een strafmaximum van vier jaar is meer in overeenstemming met de strafmaxima in de ons omringende landen. Zo kent de valse bommelding en het plaatsen van nep-bommen in het Verenigd Koninkrijk een strafmaximum van vijf jaren (zie artikel 51 van de Criminal Law Act 1977). Het strafmaximum in Frankrijk is twee jaren (zie artikel 322–14 van de Code Pénal). België en Duitsland kennen vergelijkbare strafbaarstellingen die voorzien in maximaal twee jaren vrijheidsstraf (zie artikel 328 van het Strafwetboek) onderscheidenlijk maximaal drie jaren vrijheidsstraf (zie de paragrafen 145d en 126 van het Strafgesetzbuch).
Wat betreft het oogmerk verdient het navolgende de aandacht. Het oogmerk heeft de in het Wetboek van Strafrecht gebruikelijke betekenis. Benadrukt moet worden dat ook de personen die «voor de grap» een valse bommelding doen met het in de voorgestelde bepaling vervatte oogmerk handelen. Ook in dat geval is het oogmerk erop gericht om een ander te doen geloven dat ergens een bom is.
Het oogmerk kan worden bewezen met een bekennende verklaring van de verdachte; een bekennende verklaring is bewijsrechtelijk gezien echter zeker niet zonder meer noodzakelijk. Het oogmerk kan, bij ontkennende verdachten, ook uit de omstandigheden worden afgeleid. Als het opsporingsonderzoek bijvoorbeeld aantoont dat het de verdachte is geweest die de valse bommelding heeft gedaan, en op de aangegeven plaats is geen bom aangetroffen, dan is het oogmerk daarmee min of meer gegeven.
Overigens is de redactie van de voorgestelde bepaling zo gekozen dat deze aansluit bij bestaande begrippen en formuleringen in het Wetboek van Strafrecht. Voor het doorgeven van gegevens als bedoeld in het voorgestelde artikel 142a, tweede lid, is het onverschillig op welke wijze dit gebeurt: mondeling, schriftelijk, telefonisch, door middel van een e-mail of fax, etc.”6.
15. In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 142a Sr heb ik geen nadere inhoudsbepaling van het bestanddeel ‘voorwerp’ in lid 1 aangetroffen. In de derde nota van wijziging wordt slechts vermeld dat de redactie van de bepaling aansluit bij bestaande begrippen en formuleringen van het wetboek van strafrecht. Het begrip ‘voorwerp’ komt echter geen eenduidige betekenis toe in dat wetboek. Verschillende bepalingen in het wetboek van strafrecht kennen het bestanddeel ‘voorwerp’, maar de invulling van dat bestanddeel kan uiteenlopen, afhankelijk van het karakter van de toepasselijke strafbepaling en hetgeen daarover in de wetsgeschiedenis wordt genoemd.7.
16. De toenmalige minister van Justitie a.i. staat in voormelde nota van wijziging wel kort stil bij de betekenis van het begrip oogmerk in beide leden. Dit oogmerk heeft de in het wetboek van strafrecht gebruikelijke betekenis, hetgeen tevens impliceert dat voorwaardelijk opzet niet genoeg is. Aan de andere kant is voor oogmerk niet vereist dat de verdachte de diepste bedoeling had het tenlastegelegde te plegen. Voldoende is dat de verdachte met een zeker noodzakelijkheidsbewustzijn heeft gehandeld.8.Vertaald naar het delict van art. 142a lid 1 Sr betekent dit, dat de verdachte op zijn minst heeft beseft of moet hebben beseft dat het verzenden, plaatsen of achterlaten van het voorwerp op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zicht bracht dat een ander ten onrechte gelooft dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.
17. In de rechtspraak is, voor zover ik kan overzien, de vraag naar de betekenis van het begrip ‘voorwerp’ in art. 142a lid 1 Sr vooralsnog niet beantwoord. Wel is in lagere rechtspraak een aantal zaken te vinden waarin de verdachte werd vervolgd voor het plaatsen van een nepbom. In een aantal gevallen ging het om visueel sterk op een bom gelijkende voorwerpen.9.Ook een meer provisorisch aandoend voorwerp als een kartonnen doos met daarin een baksteen en twee vellen papier en drie kranten leidde tot een veroordeling.10.In één geval ging het – net als in de voorliggende zaak – om een nepbom die in een koffer was verstopt11., en in een ander geval om een pakketje dat was achtergelaten in een afvalbak voor de rechtbank in Groningen.12.In geen van deze zaken stelde de feitenrechter eisen aan het voorwerp. Dat laat onverlet dat de aard of het uiterlijk van het voorwerp wel een rol kan spelen in de overwegingen van de rechter omtrent het vereiste oogmerk van de verdachte. Zo woog de rechtbank Amsterdam in de in voetnoot 9 aangehaalde zaak bij haar oordeel dat de verdachte met het oogmerk had gehandeld een ander ten onrechte te doen geloven dat door het voorwerp een ontploffing kan worden teweeggebracht onder meer mee dat de achtergelaten doos de uiterlijke kenmerken van een nepbom had.13.In haar vonnis van 6 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3490 oordeelde de rechtbank Midden-Nederland dat de verdachte niet met het vereiste oogmerk om anderen te doen laten geloven dat er een nepbom was die zou kunnen ontploffen had gehandeld, onder meer omdat het door de verdachte geplaatste pakketje feitelijk niet meer betrof dan een klein doosje met duct tape eromheen, het open was aan één uiteinde en er geen zichtbare bedrading was. Diezelfde rechtbank kwam ook in haar vonnis van 1 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1220 tot een vrijspraak wegens het ontbreken van het vereiste oogmerk. De verdachte in die zaak had een nepbom, die hij als surprise voor een vriend had gemaakt, per ongeluk achtergelaten op het perron van station Utrecht Lunetten. Volgens de rechtbank had de verdachte de surprise niet achtergelaten met als doel anderen ten onrechte te laten geloven dat hiermee een ontploffing teweeg kon worden gebracht. Naar haar oordeel was evenmin sprake van noodzakelijkheidsbewustzijn. Daarbij betrok de rechtbank de omstandigheid dat de verdachte leed aan verschillende psychische stoornissen, waaronder concentratie- en geheugenstoornissen, alsook het feit dat medewerkers van de instelling waar de verdachte verbleef hem er niet op hadden gewezen dat anderen zouden kunnen schrikken of een verkeerde indruk zouden krijgen van de surprise. Tot slot noem ik het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1485. De verdachte had bij de hoofdingang van een ziekenhuis in Emmen een gele plastic tas achtergelaten, met daarin een basketbal waaraan elektriciteitskabel(s) en flesjes met kleurloze vloeistof waren bevestigd, die van verschillende teksten waren voorzien. De verdachte was niet vervolgd voor het plaatsen van een nepbom als bedoeld in art. 142a lid 1 Sv, maar voor bedreiging door een nepbom te plaatsen bij die hoofdingang. De rechtbank overwoog in dat verband dat een dergelijk samenstel van voorwerpen ontegenzeggelijk de suggestie van een explosief voorwerp wekt en dat het daarmee naar objectieve maatstaven redelijkerwijs geschikt was om bij het personeel van het ziekenhuis, patiënten of andere bezoekers vrees aan te jagen dat zij het slachtoffer zouden kunnen worden van een ontploffing of een brand. Hieraan deed volgens de rechtbank niet af dat zich in de tas (en dus niet van buitenaf zichtbaar) een briefje bevond waarop het woord “NEP” – in samenhang met allerlei andere teksten, en dus niet los – was geschreven.
Wetgeving en relevante rechtspraak in ‘civil law’ landen: België, Frankrijk en Duitsland
18. De Nederlandse afzonderlijke strafbaarstelling van het plaatsen van een nepbom is op het Europese vasteland een vreemde eend in de bijt. Geen van de hierboven in het cursiefje genoemde landen kent een dergelijke bepaling.14.De stellers van het middel menen in de toelichting op het eerste middel dat in België het plaatsen van een nepbom strafbaar is gesteld in art. 328 Strafwetboek (ik begrijp: art. 328bis Strafwetboek), dat luidt:
“Hij die op om het even welke wijze stoffen verspreidt die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan hij weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht voor een aanslag op personen of op eigendommen, waarop gevangenisstraf van ten minste twee jaar is gesteld, wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro.”
19. Deze bepaling is in 2003 geïntroduceerd nadat in de nasleep van de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten meerdere meldingen in België waren gedaan van verdachte enveloppen. De bepaling was in de eerste plaats bedoeld voor de miltvuurbacterie, maar geldt voor elke stof (bacteriën en virussen) die gevaarlijk lijkt maar in feite ongevaarlijk is. Art. 328bis Strafwetboek is voorts toegepast tijdens de coronapandemie in gevallen waarin personen hadden gespuugd naar politieagenten of omstanders.15.Anders dan de stellers van het middel denken, lijkt deze Belgische strafbaarstelling mij niet echt toepasselijk op een geval als het onderhavige waarin een nepbom is geplaatst.16.Dergelijk handelen valt naar Belgisch recht eerder binnen de reikwijdte van bedreiging in art. 329 Strafwetboek. Deze strafbepaling luidt:
“Hij die iemand door gebaren of zinnebeelden bedreigt met een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro.”
20. Het begrip “gebaren of zinnebeelden” wordt ruim opgevat en behelst elk(e) soort handeling of daad, teken, afbeelding of voorwerp.17.Vereist is dat het betreffende gebaar of zinnebeeld leidt tot een ernstige vrees voor een aanslag “op personen of eigendommen”.18.De bedreiger moet met het opzet hebben gehandeld om een dergelijke vrees te veroorzaken. Of van een dergelijke angst sprake is wordt objectief beoordeeld, waarbij centraal staat de vraag of het gebaar “de redelijke persoon” vrees aanjaagt.19.Een voorbeeld is een zaak waarin een persoon op een opvallende wijze en herhaaldelijk zijn hand naar de zak van zijn jas had gebracht, waardoor een derde kon denken dat hij daarin een wapen had zitten.20.Voorbeelden van zaken waarin een nepbom – al dan niet verstopt in een voorwerp als een koffer – zijn, voor zover mijn wetenschap reikt, niet bekend in de Belgische rechtspraak.
21. Net als in België, stelt het Franse recht in dit verband slechts expliciet strafbaar het doen van valse bommeldingen (art. 322-14 Code Pénal) en niet ook het plaatsen van een nepbom. Ook daar worden dergelijke gedragingen vermoedelijk vervolgd als strafbare bedreiging. Art. 222-17 van de Code Pénal bepaalt:
“La menace de commettre un crime ou un délit contre les personnes dont la tentative est punissable est punie de six mois d'emprisonnement et de 7 500 euros d'amende lorsqu'elle est, soit réitérée, soit matérialisée par un écrit, une image ou tout autre objet.”
22. Op grond van deze bepaling moet aldus vast komen te staan dat de verdachte een geschrift, afbeelding of object heeft gebruikt ter ondersteuning van de dreiging met een misdrijf. In de Franse rechtspraak heb ik geen zaken aangetroffen, waarin een verdachte werd vervolgd voor het plaatsen van een nepbom.
22. In het Duitse strafrecht levert het plaatsen van een nepbom evenmin een afzonderlijk strafbaar feit op. Wel is in bredere zin strafbaar het veinzen dat een bepaald (min of meer ernstig) strafbaar feit wordt gepleegd. Par. 126 lid 2 van het Strafgesetzbuch luidt:
“Ebenso wird bestraft, wer in einer Weise, die geeignet ist, den öffentlichen Frieden zu stören, wider besseres Wissen vortäuscht, die Verwirklichung einer der in Absatz 1 genannten rechtswidrigen Taten stehe bevor.”
24. Deze bepaling richt zich tot de verdachte die ‘doet alsof’ de verwezenlijking van een in lid 1 genoemd feit (waaronder ordeverstoring, zedenmisdrijven, levensmisdrijven, geweldsmisdrijven en feiten die een publiek gevaar veroorzaken) op handen is op een wijze die de openbare orde kan verstoren. Het valse voorwendsel kan zowel bestaan uit verbale uitlatingen als uit feitelijke gedragingen. Voldoende is dat de verdachte probeert de valse indruk te wekken van zo’n aanstaand misdrijf. Niet is vereist dat de verdachte erin slaagt die indruk bij anderen te wekken. De geveinsde dreiging moet daarnaast de openbare orde kunnen verstoren. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de inhoud van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, de waarschijnlijke gevolgen daarvan en de groep ontvangers die wordt geconfronteerd met het valse voorwendsel. Een en ander komt neer op de vraag of er een gerechtvaardigde bezorgdheid bestaat dat het handelen van de verdachte delen van de bevolking of een aanzienlijk aantal mensen ernstig zou kunnen verontrusten, het vertrouwen in de openbare veiligheid zou kunnen ondermijnen of (door het scheppen van een klimaat dat bevorderlijk is voor imitatie) het plegen van soortgelijke daden als waarmee wordt gedreigd zou kunnen aanmoedigen of waarschijnlijker zou kunnen maken. Bij de beantwoording van deze vraag is het perspectief van de objectieve waarnemer richtinggevend.21.Een voorbeeld is een zaak waarin de verdachte, in de nawerking van wereldwijde aanslagen met antraxenveloppen, doorzichtige enveloppen met (ongevaarlijk) keukenzout per post naar verschillende ontvangers had gestuurd, samen met een duidelijk zichtbare inscriptie op de buitenkant van de enveloppe, die suggereerde dat de substantie sporen van antrax betrof. De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van onder meer par. 126 lid 2 Strafgesetzbuch.22.
25. In gevallen waarin de geveinsde dreiging van een misdrijf niet significant genoeg is om de openbare orde te verstoren, kan het handelen van de verdachte mogelijk alsnog onder de reikwijdte worden gebracht van de meer algemene strafbaarstelling van bedreiging als bedoeld in par. 241 Strafgesetzbuch, in het bijzonder lid 3, dat gericht is tegen de verdachte die, tegen beter weten, een ander misleidt door deze ander te laten geloven dat er een misdaad tegen hem of haar of een persoon uit zijn of haar naaste omgeving zal worden gepleegd.23.
Wetgeving en relevante rechtspraak in ‘common law’ landen: het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten
26. Het Verenigd Koninkrijk heeft het plaatsen van een nepbom wél expliciet strafbaar gesteld, namelijk in section 51 lid 1 van de Criminal Law Act 1977, luidend:24.
“(1) A person who—
(a) places any article in any place whatever; or
(b) dispatches any article by post, rail or any other means whatever of sending things from one place to another, with the intention (in either case) of inducing in some other person a belief that it is likely to explode or ignite and thereby cause personal injury or damage to property is guilty of an offence. In this subsection “article” includes substance.
[…]
(3) For a person to be guilty of an offence under subsection (1) or (2) above it is not necessary for him to have any particular person in mind as the person in whom he intends to induce the belief mentioned in that subsection.
(4) A person guilty of an offence under this section shall be liable—
(a) on summary conviction, to imprisonment for a term not exceeding six months or to a fine not exceeding £1,000, or both;
(b) on conviction on indictment, to imprisonment for a term not exceeding seven years.”
27. De tekst van deze bepaling doet nogal denken aan het Nederlandse equivalent: het kan gaan om ‘any article’ en de verdachte moet hebben gehandeld met ‘the intention’ bij een ander de overtuiging te doen opwekken dat zo’n ‘article’ vermoedelijk zal exploderen en tot letsel of schade zal leiden.
27. In 2020 boog het Court of Appeal of England and Wales zich over een veroordeling van de Crown Court in Leeds van 17 juli 2008 voor onder meer het plaatsen van een nepbom.25.De verdachte, vermomd met een nepbaard en dikke bril, liet een nepbom achter in een tas in een bus in Rotherham. Het nepapparaat bestond uit zakjes suiker, gewikkeld in tape, samen met draden en een wekker, en gevuld met spijkers. Een bericht dat aan de imitatiebom was bevestigd, geschreven in het Arabisch, luidde in het Nederlands vertaald als volgt: “Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. God is groot, God is groot, God is groot, Groot-Brittannië moet worden gestraft” en was ondertekend door “de Al Qaeda-organisatie van Irak”. Passagiers die in de tas hadden gekeken waren geschrokken van de inhoud en hebben vervolgens de politie gebeld. Het Court of Appeal hield de veroordeling in stand.
29. Het federale recht in de Verenigde Staten van Amerika kent weliswaar geen equivalent van het Nederlandse art. 142a lid 1 Sr26., maar in verschillende staten is het plaatsen van een nepbom wél (op uiteenlopende wijze) vastgelegd in het eigen statelijke strafrecht. Ik noem bijvoorbeeld art. 46.08 van de Texas Penal Code, dat luidt:
“(a) A person commits an offense if the person knowingly manufactures, sells, purchases, transports, or possesses a hoax bomb with intent to use the hoax bomb to:
(1) make another believe that the hoax bomb is an explosive or incendiary device; or
(2) cause alarm or reaction of any type by an official of a public safety agency or volunteer agency organized to deal with emergencies.
(b) An offense under this section is a Class A misdemeanor.”
30. Deze bepaling stelt de met de Nederlandse respectievelijk Engelse strafbaarstelling vergelijkbare eis dat de verdachte moet hebben gehandeld met de ‘intent’ om anderen in de veronderstelling te doen verkeren dat sprake is van een explosief. Een belangrijk verschil met die strafbaarstellingen is dat art. 46.08 Texas Penal Code niet spreekt van het meer algemene ‘voorwerp’ of ‘article’, maar van een ‘hoax bomb’ en daarmee aldus de eis stelt dat het geplaatste voorwerp als zodanig kan worden gekwalificeerd. Een voorbeeld waarin van een dergelijke ‘hoax box’ sprake was, is de zaak Perez v. State, waarin de verdachte een tas had meegenomen naar een gerechtsgebouw, met daarin metalen voorwerpen, batterijen, elektronische apparaten en gereedschap, en ook een draad die verbonden was met een leeg blikje buiten de tas. Omdat de onderdelen op explosieven leken en bedoeld waren om alarm teweeg te brengen, werd de verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit van een nepbom. De veroordeling bleef in hoger beroep in stand. The Court of Appeals for the First District of Texas overwoog in zijn beslissing van 9 april 2009 onder meer dat het aannemelijk is dat mensen bij het zien van de voorwerpen die Perez in zijn tas had, mede gelet op de wijze waarop ze daarin gerangschikt waren, zouden denken dat het om (onderdelen van) een explosief ging.
30. Anders dan het Texaanse strafrecht, kent de toepasselijke bepaling in Florida geen opzet- of oogmerkvereiste. Daar is reeds het in bezit hebben, maken en overdragen van een ‘hoax bomb’ strafbaar. Art. 790.165 leden 2 en 3 van de 2024 Florida Statutes bepaalt:
“(2) Any person who, without lawful authority, manufactures, possesses, sells, delivers, sends, mails, displays, uses, threatens to use, attempts to use, or conspires to use, or who makes readily accessible to others, a hoax bomb commits a felony of the second degree, punishable as provided in s. 775.082, s. 775.083, or s. 775.084.
(3) Any person who, while committing or attempting to commit any felony, possesses, displays, or threatens to use any hoax bomb commits a felony of the second degree, punishable as provided in s. 775.082, s. 775.083, or s. 775.084. Notwithstanding any other law, adjudication of guilt or imposition of sentence may not be suspended, deferred, or withheld. However, the state attorney may move the sentencing court to reduce or suspend the sentence of any person who is convicted of a violation of this section and who provides substantial assistance in the identification, arrest, or conviction of any of his or her accomplices, accessories, coconspirators, or principals.”
32. Een ander verschil met de Texas Penal Code is dat een ‘hoax bomb’ ook nadrukkelijk wordt gedefinieerd in de strafwet van Florida. Lid 1 van art. 790.165 luidt:
“any device or object that by its design, construction, content, or characteristics appears to be, or to contain, or is represented to be or to contain, a destructive device or explosive as defined in this chapter, but is, in fact, an inoperative facsimile or imitation of such a destructive device or explosive, or contains no destructive device or explosive as was represented”.
Volgens deze definitie mag de inhoud van het voorwerp ook worden meegewogen in de vaststelling of het geplaatste voorwerp een nepbom betreft.
33. Datzelfde geldt voor de strafwet in de staat New York. Par. 240.62 van New York’s Penal Code houdt in:
“A person is guilty of placing a false bomb or hazardous substance in the first degree when he or she places, or causes to be placed, in or upon school grounds, a public building, or a public place any device or object that by its design, construction, content or characteristics appears to be or to contain, a bomb, destructive device, explosive or hazardous substance, but is, in fact, an inoperative facsimile or imitation of such a bomb, destructive device, explosive or hazardous substance and which he or she knows, intends or reasonably believes will appear to be a bomb, destructive device, explosive or hazardous substance under circumstances in which it is likely to cause public alarm or inconvenience. For purposes of this section the term “public building” shall have the meaning set forth in section four hundred one of the executive law.
Placing a false bomb or hazardous substance in the first degree is a class D felony.”
34. Dit wetsartikel vereist evenmin een zeker opzet of oogmerk aan de zijde van de verdachte. Voldoende voor strafbaarheid is dat de verdachte weet of redelijkerwijs vermoedt dat het voorwerp lijkt op een bom of explosief waarvan aannemelijk is dat het publieke onrust of overlast kan veroorzaken.
IV.2 Het eerste en het tweede middel en de bespreking daarvan
Het eerste middel
35. Bezien in samenhang met de toelichting daarop, heeft volgens de klacht in het eerste middel het hof ten onrechte de inhoud van de koffer betrokken bij zijn oordeel dat sprake is van een nepbom en aldus van een voorwerp in de zin van art. 142a Sr. Deze klacht treft naar mijn inzicht geen doel. De stellers van het middel gaan er kennelijk vanuit dat pas van een voorwerp in de zin van art. 142a lid 1 Sv sprake is wanneer dit voorwerp kan worden aangemerkt als een nepbom of nepexplosief. Een dergelijke opvatting vindt mijns inziens geen steun in het recht. De tekst van de wet stelt immers – gelijk het Engelse equivalent, maar anders dan de voorbeelden uit het Amerikaanse recht – geen eisen aan het uiterlijk, de inhoud of het karakter van het voorwerp; de wetsgeschiedenis net zo min. Ik zou dan ook menen dat voor de invulling van dat begrip kan worden uitgegaan van de algemene definitie van een voorwerp die alle stoffelijke zaken omvat, dus zoals Van Dale het definieert: een “ding dat je kunt zien en voelen”.
35. Een dergelijke brede lezing van het begrip ‘voorwerp’ sluit naar mijn inzicht ook aan bij de bedoeling van de wetgever. Anders dan in de Amerikaanse voorbeelden die ik hiervoor heb genoemd, lijkt het hebben of maken van een nepbom als zodanig niet het springende punt waarop art. 142a lid 1 Sr zich richt. De strafwaardigheid van de gedraging houdt niet zozeer verband met de mate waarin het voorwerp gelijkend is aan een bom, maar juist met de intentie van de verdachte om de openbare orde te verstoren door anderen te doen geloven dat het voorwerp een ontploffing kan veroorzaken. In dat licht bezien is in feite irrelevant wat voor voorwerp precies is gebruikt. Ik illustreer dit graag met de volgende gedachtenproef. Stel dat een verdachte in een openbaar voertuig als een trein of een vliegtuig, of in de ontvangsthal van een publieksgebouw of een overheidsinstantie, een tas of koffer onbeheerd achterlaat met de bedoeling de omgeving te doen geloven dat er een bom in die koffer zit. Dat dit beoogde doel kan worden bereikt is in dit voorbeeld niet onrealistisch. De praktijk toont immers aan dat een op een publieke plaats achtergelaten en onbeheerde koffer of tas niet zelden als een (mogelijk) dreigende situatie wordt aangemerkt die kan leiden tot het inschakelen van hulpdiensten en het ontruimen van plaatsen. Ik zou menen dat de verdachte die een koffer of tas op zo’n plek onbeheerd achterlaat om de illusie te wekken (dus met die intentie) dat sprake is van een bom en zo de openbare orde te verstoren, met die gedraging reeds voldoet aan de bestanddelen van art. 142a lid 1 Sr. Wat er daadwerkelijk in die tas of koffer zit, doet er dan voor de strafbaarheid van de gedraging strikt genomen niet toe. Het lijkt mij onwenselijk en niet in lijn met de bedoeling van de wetgever wanneer de rechter in zo’n geval zou moeten vrijspreken, omdat het gebezigde voorwerp op de keper beschouwd geen gelijkenis vertoont met een bom of explosief. Weliswaar is denkbaar dat wanneer in een dergelijk scenario een bekennende verklaring van de verdachte of overige aanwijzingen die hun licht kunnen schijnen op de intentie van de verdachte ontbreken, zich bewijstechnische problemen kunnen voordoen ter zake van het vereiste oogmerk. Aan de vaststelling van het oogmerk zou in dat geval wel kunnen bijdragen de mate waarin het gebruikte voorwerp op een bom of explosief lijkt of een dergelijk artefact herbergt, alsook de mate waarin dat zichtbaar is voor anderen. De aard van het voorwerp speelt dan echter niet zozeer een rol bij de bepaling of is voldaan aan de eis van art. 142a Sr dat sprake is van een ‘voorwerp’, maar kan wel alsnog van betekenis zijn in het kader van de beoordeling van de vraag naar het bestaan van het oogmerk van de verdachte.
35. In de voorliggende zaak heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte een nepbom heeft achtergelaten in de eetzaal en dat dit een voorwerp in de zin van art. 142a Sr betreft. Dat oordeel kan ik goed volgen. Het hof heeft in dat verband vooropgesteld dat voor beantwoording van de vraag of de koffer met inhoud een voorwerp is als bedoeld in art. 142a Sr, voldoende is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken en dat het dus kort gezegd gaat om de vraag of de verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan. Voor zover het hof daarmee heeft bedoeld te zeggen dat pas sprake kan zijn van het in art. 142a Sr bedoelde voorwerp wanneer het voorwerp lijkt op een bom, komt dat standpunt mij – in het licht van het vorengaande – echter als niet juist voor, zij het dus om een andere reden dan die in het middel wordt genoemd. Alsdan kan evenwel worden gezegd, dat de verdachte geen belang heeft bij vernietiging op dit punt, nu – overeenkomstig de invulling van het begrip voorwerp die ik (blijkens het voorgaande) voorsta – het in dit geval evident gaat om een voorwerp in de breedste zin van het woord en zo ook is bedoeld in art. 142a Sr.
35. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
39. Dat brengt mij bij het tweede middel, dat zich richt tegen het bewezenverklaarde oogmerk van de verdachte met de klachten dat (i) het oogmerk niet uit de bewijsvoering van het hof kan volgen en de bewezenverklaring hierom ontoereikend is gemotiveerd en (ii) de bewijsvoering van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de gebezigde bewijsmiddelen niet voor de bewezenverklaring redengevende, althans daarmee tegenstrijdige, informatie bevatten.
39. In hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat het nooit de bedoeling van de verdachte is geweest om mensen op de legerplaats te doen denken dat de koffer daadwerkelijk een bom betrof, maar dat hij de beveiliging van Defensieterreinen wilde toetsen en zijn gedragingen een journalistiek doel dienden. Voorts is betoogd dat de verdachte alles in het werk heeft gesteld om te voorkomen dat anderen zouden denken dat het om een bom ging, onder meer door het zoveel mogelijk nep (op een nepbom) te laten lijken en door de productbeschrijving van de modelleerklei en papieren die betrekking hebben op de beveiliging van Defensieterreinen in de koffer te stoppen.
39. Het hof heeft dat verweer verworpen en in dat kader overwogen dat de verdachte zich aan de telefoon met de Teamleider Explosieven Verkenner, [betrokkene 4] , niet kenbaar heeft gemaakt en niet heeft gezegd dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was, maar dat hij daarentegen gebruikgemaakt heeft van een valse naam en zodanige informatie heeft gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4] ) juist sterker werd. Voorts heeft het hof bij zijn oordeel dat de verdachte met het vereiste oogmerk heeft gehandeld als doorslaggevende omstandigheid betrokken dat de verdachte zodanige voorwerpen heeft uitgekozen en zodanig heeft verpakt en achtergelaten in de koffer, dat anderen serieus rekening hielden en konden houden met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de EODD werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen. Gelet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door de verdachte, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat de verdachte heeft beseft, en ook de bedoeling heeft gehad, dat de koffer met inhoud werd gezien zoals gebeurde, namelijk als een geïmproviseerd explosief.
39. Ik begin met klacht (i). In de eerste plaats wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat de verdachte nóg meer had kunnen doen om het gevoel van dreiging bij anderen weg te nemen en het versterken van enig “gevoel van dreiging” bij [betrokkene 4] niet “a contrario” tot de gevolgtrekking kan leiden dat de verdachte met het vereiste oogmerk heeft gehandeld. De stellers van het middel gaan hier echter uit van een onjuiste lezing van de bestreden overwegingen. Het hof heeft daarmee namelijk tot uitdrukking willen brengen dat het hof het verweer van de verdachte, inhoudend dat hij zijn best heeft gedaan om te voorkomen dat omstanders ervan uit zouden gaan dat het een echte bom betreft, niet aannemelijk acht, nu hij aan de telefoon niet de dreiging heeft weggenomen door zichzelf en zijn bedoelingen kenbaar te maken en aan te geven dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was, maar in plaats daarvan juist valse uitlatingen heeft gedaan en daarmee verder heeft bijgedragen aan de dreiging die uitging van de achtergelaten koffer. Ik vermag verder niet in te zien waarom dergelijke gedragingen geen steun zouden kunnen bieden aan het oordeel dat de verdachte het bedoelde oogmerk had.
39. Voorts betogen de stellers van het middel dat het hof het oogmerk van de verdachte (grotendeels) heeft gebaseerd op het achtergelaten voorwerp en de pleegplaats als zodanig, terwijl dit op zichzelf onvoldoende is voor het oordeel dat het oogmerk gericht was op het “een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht”. Het hof zou daarbij ten onrechte in het midden hebben gelaten waarom sprake is van “zodanige voorwerpen” die “zodanig verpakt en achtergelaten” zijn, dat anderen serieus rekening hielden en konden houden met de aanwezigheid van een echte bom. Ook deze klacht treft geen doel. De gewraakte passage dient in mijn optiek te worden gelezen in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof omtrent de vraag of het achtergelaten voorwerp als een ‘nepbom’ kan worden aangemerkt.27.Het hof heeft in dat verband uitgebreid stilgestaan bij de inhoud van de attachékoffer en de gelijkenis die deze voorwerpen vertonen met een voorwerp dat een ontploffing kon veroorzaken, alsook de indruk die de draaiende camera die in de koffer was geplaatst op de vinder kon maken. Daarbij heeft het hof betrokken dat het een feit van algemene bekendheid is dat mobiele telefoons als onderdeel van een ontsteker voor een bom kunnen worden gebruikt, dat kleine metalen voorwerpen worden verwerkt in spijkerbommen en dat voor kneedbommen materialen gebruikt worden die qua uiterlijk overeenkomsten vertonen met de aangetroffen klei, alsook dat het bij aanslagen niet ongebruikelijk is om de actie te filmen. Daarnaast heeft het hof van belang geacht dat de koffer onbeheerd is achtergelaten in de eetzaal van de legerplaats, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat bomaanslagen in betrekkelijk veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd) achtergelaten koffers of tassen.
44. Anders dan het middel wil kunnen deze vaststellingen en overwegingen van het hof omtrent de locatie van de plaatsing van de koffer, de inhoud van de koffer en de telefonische uitlatingen van de verdachte, in onderlinge samenhang bezien, naar mijn inzicht het oordeel dat de verdachte het oogmerk had een ander ten onrechte te doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht met de achtergelaten koffer met inhoud voldoende dragen. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
44. Voor zover de stellers van het middel suggereren dat de inschatting die de verbalisanten van de situatie maakten niet aan het bewijs van dit oogmerk kan bijdragen, aangezien hun observaties wegens hun professie geen “reële afspiegeling” vormen van wat “een ander” zou denken van de koffer, faalt het middel evenzeer. Een en ander vindt reeds zijn weerlegging in het feit dat deze verbalisanten juist waren ingeschakeld naar aanleiding van een melding die over de achtergelaten koffer was gedaan, hetgeen impliceert dat de koffer op dat moment al als verdacht was aangemerkt, hetgeen mij overigens ook niet onbegrijpelijk voorkomt. De stelling in de toelichting bij klacht (ii) dat die inschatting niets te maken kan hebben gehad met de koffer zelf, omdat er op het eerste gezicht niets opvallends aan te zien was, miskent – gelijk het hof heeft overwogen – dat het achterlaten van een dergelijk object op zichzelf al verdacht kan overkomen en des te meer op een plek als een defensieterrein. Bovendien zij hier herhaald dat noch voor het bedoelde oogmerk, noch voor de strafbaarheid van art. 142a lid 1 Sr in bredere zin, is vereist dat de bewezenverklaarde gedragingen daadwerkelijk een ander hebben doen geloven dat een ontploffing kon worden teweeggebracht door het voorwerp.
44. Wat klacht (ii) verder aangaat, merk ik nog het volgende op. Voor zover de stellers van het middel (de begrijpelijkheid van) de vaststellingen van het hof over de waarnemingen door de verbalisanten van de koffer en hun inschaling van de dreiging betwisten, faalt het middel eveneens. De vaststelling dat het gevoel van dreiging bij [betrokkene 4] sterker werd door de informatie die de verdachte aan de telefoon gaf, heeft het hof kunnen afleiden uit het als bewijsmiddel 3 tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen, waarin [betrokkene 4] verbaliseert dat hij na het telefoongesprek met de verdachte en de daaropvolgende controle van de door de verdachte vals opgegeven namen bij de real time intelligence desk van de Koninklijke Marechaussee tot de analyse kwam “verdachte situatie JA / WEL DREIGING” en vervolgens een afzetting heeft gerealiseerd van 50 meter, het gebouw heeft laten ontruimen en het verzoek heeft gedaan om de komst van een hondengeleider explosieven. De vaststelling dat onder meer verbalisant [betrokkene 6] , werkzaam als hondengeleider Explosieven, serieus rekening hield met de aanwezigheid van een echte bom, vindt haar grondslag in het door hem opgetekende proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 4), waarin hij na een geuronderzoek van zijn hond en eigen onderzoek naar de inhoud van de koffer constateerde dat het gaat om een “ IED ”, hetgeen staat voor “Improvised Explosive Device”, oftewel een geïmproviseerd explosief, en vervolgens de EODD inschakelde.
44. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
V. Het derde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
48. Het derde middel klaagt over het gebruik van een foto voor het bewijs. Onder verwijzing naar HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8326, NJ 2004/413 wordt betoogd dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet, althans onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof in de bewijsmiddelen een foto heeft opgenomen terwijl in de bewijsconstructie een toelichting ontbreekt waarom deze foto redengevend is voor het bewijs. De stellers van het middel doelen daarbij op een foto van de inhoud van de koffer, die het hof als bewijsmiddel 6 heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest en tevens in de bewijsmotivering heeft getoond (zie hiervoor onder de randnummers 7 en 8).
48. Deze tot het bewijs gebezigde foto betreft een bijlage bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de verdachte. Deze bijlage 2 is als bewijsmiddel 6 eveneens tot het bewijs gebezigd. Uit dat proces-verbaal volgt dat de verdachte is voorgehouden dat uit de beelden van de bedoelde tv-uitzending wordt opgemaakt dat de verdachte de legerplaats betreedt en daar vervolgens een nepbom achterlaat in de kantine. Gevraagd naar zijn reactie daarop, antwoordt de verdachte dat dit correct is (bewijsmiddel 1).
48. Die foto is ook ter terechtzitting in hoger beroep aan de verdachte voorgehouden. Het proces-verbaal van die terechtzitting relateert daarover onder meer het volgende:
“De voorzitter houdt verdachte voor dat in het dossier op pagina 0164 ook een foto van de nepbom zit. Het is een bakje met een heleboel tape, je kunt de inhoud bijna niet zien.
Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Die foto komt niet overeen met de werkelijkheid. Als je de koffer opende zag je eerst papierwerk met daarin een foto van mij. Vervolgens zag je de camera die met tape werd vastgehouden. De foto geeft dus niet weer hoe wij de koffer hebben achtergelaten. De foto is naderhand gemaakt.
De voorzitter houdt – aan de hand van pagina’s 21, 22 en 28 van het dossier – voor hoe gehandeld is nadat de koffer is aangetroffen.
Raadsman Witjes merkt op dat in de processen-verbaal niet staat dat de papieren bovenin de koffer lagen waardoor een vertekend beeld wordt gegeven.
De voorzitter merkt op dat zij wil aannemen dat deze papieren bovenin de koffer lagen, maar dat zij het voorstelbaar acht dat als iemand denkt dat sprake is van een explosief de papieren eerst aan de kant legt.
Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik kan niet voor een professional denken. We hebben de koffer zo ingevuld dat duidelijk zou zijn dat het niet om een echte bom ging. Daarom hebben we de camera ook duidelijk vastgezet. Het geheel had een hoog Bassie en Adriaan-gehalte. We hebben er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat het ongevaarlijk leek.
[…]
Verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
[…]
Ook ik schrok toen ik de foto’s in het dossier zag. Toen wij de koffer sloten was er echt een ander beeld.
[…]
U houdt mij voor dat u bij een Bassie en Adriaanbom denkt aan speelgoed. Klei is ook speelgoed en u vergeet de draaiende camera en het papierwerk. Als je de koffer opende gaf dat echt een ander beeld dan op de foto. Als u vindt dat de camera niet geruststellend was dan waren de papieren met mij hoofd erop dat in ieder geval.
Toen ik de foto in het dossier zag van de inhoud van de koffer schrok ik, maar dat was niet hoe wij de koffer hebben achtergelaten. Daar zou iemand niet van schrikken.
Ik zeg nogmaals dat wij de beveiliging op het terrein wilden testen en dat de manier waarop wij gehandeld hebben ook vanwege het testen van de opsporing was. AI eerder was opgevallen dat de opsporing te wensen liet; voertuigen werden niet gemist. Daarom was dit deel ook belangrijk. De metalen voorwerpen zaten in de koffer om te testen of deze gedetecteerd zouden worden. U heeft het over een nepbom. Ik heb het over een koffer. Voor hetzelfde geld hadden ze de koffer niet eens opgemerkt. De meeste zaken die in de koffer zaten waren voor ons als productie van belang. U houdt mij de suggestie voor dat als het er niet als een bom uit had gezien de opsporing niet getest had kunnen worden? Wie zegt mij dat professionals een opblaaskrokodil niet voor een nepbom aanzien? De foto zoals te zien is op pagina 164 van het dossier is absoluut geen juiste weergave van hoe het eruit zag.”
51. In zijn bewijsoverwegingen staat het hof stil bij de betreffende foto. Daarbij wijst het hof nadrukkelijk op de telefoon die liggend in een plastic bakje zichtbaar is op de foto. Anders dan het middel betoogt is deze voor het bewijs gebruikte foto, mede bezien in samenhang met de vaststellingen van het hof over de inhoud van de koffer en de daaraan ten grondslag liggende processen-verbaal van bevindingen die het hof tot het bewijs heeft gebezigd, aldus wel degelijk van een nadere toelichting voorzien. Dat niet álle in de koffer aangetroffen en door het hof beschreven voorwerpen zichtbaar zouden zijn op de bewuste foto28., maakt dat niet anders.29.Daarbij merk ik op dat bij gebruik van een foto voor het bewijs de mate waarin toegelicht zal moeten worden waaruit de inhoud van die foto bestaat, afhankelijk is van de aard van de foto. In dit geval is het evident dat het hof met de foto de nepbom die in de koffer zat wilde uitbeelden. De foto laat mijns inziens daarover weinig misverstand bestaan. Onder die omstandigheden komt het mij voor dat het hof überhaupt niet nog eens uitdrukkelijk behoefde te overwegen dat het hof het een en ander zelf heeft waargenomen.
52. Het middel faalt.
VI. Het vierde cassatiemiddel en de bespreking daarvan
VI.1 Het middel
53. Het vierde middel richt zijn pijlen op de verwerping door het hof van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging gelet op de journalistieke exceptie als bedoeld in art. 10 EVRM, en wel met de volgende twee klachten:
- het hof heeft bij zijn oordeel dat de veroordeling van de verdachte niet in strijd is met art. 10 EVRM de toepasselijke maatstaf miskend;
- het oordeel van het hof dat er minder zware alternatieven openstonden voor de verdachte om dezelfde doeleinden te bereiken is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
VI.2 Het verweer van de verdediging
54. De raadslieden van de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig hun aan het hof overhandigde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die voor zover hier relevant het volgende inhoudt:
“JOURNALISTIEKE EXCEPTIE
Inleiding
57. Client heeft dus geen nepbom meegenomen en achtergelaten met het door artikel 142a lid 1 Sr. vereiste oogmerk. Hij heeft dat ook niet gedaan, zoals de OvJ het in zijn requisitoir in eerste aanleg nog zei, om consternatie te veroorzaken (p. 6, voorlaatste alinea requisitoir). En ook niet omdat hij pyromaan is, kikt op gevaarzetting of om een andere reden die te herleiden is tot zijn persoon(lijkheid).
58. Client had een journalistiek doel bij deze actie; niets meer en niets minder.
59. Wij hebben er bij herhaling op gewezen dat client zich er goed van bewust is dat er een spanningsveld is tussen enerzijds zijn plicht om de wet na te leven en anderzijds zijn plicht om te fungeren als public watchdog in onze democratische samenleving. Natuurlijk weet hij dat journalisten geen vrijbrief hebben voor het overtreden van de wet omdat zij nu eenmaal journalist zijn. Maar hij weet ook dat dat overtreden onder omstandigheden wel degelijk gerechtvaardigd is en nodig om belangrijke informatie te kunnen vergaren en brengen aan het publiek.
60. Dat is precies wat client in deze zaak heeft gedaan: hij heeft gereageerd op meldingen van defensiepersoneel dat zich zorgen maakte omdat het ondanks eerdere acties van client en toezeggingen die daarop volgden, nog altijd zorgelijk was gesteld met de beveiliging van eigen bases en materieel en hij heeft onderzocht in hoeverre medewerkers van defensie zich ook zorgen zouden moeten maken om lijf en leden.
61. Client heeft zijn onderzoek uitvoerig toegelicht en de resultaten ervan in september 2018 getoond in een aflevering van Undercover in Nederland; een bekend tv-programma waarin client al meer dan 17 jaar allerhande misstanden aan de kaak stelt, hetgeen alom gewaardeerd wordt. Niet alleen door het kijkerspubliek, maar ook door politici en ja, zelfs door het OM en politie, met wie hij zelfs regelmatig acties afstemt om ze tot een goed en verantwoord einde te brengen.
62. In de uitzending die is gewijd aan het onderzoek naar de beveiliging in [plaats] benoemt client – als presentator – hoe hij eerder beveiligingslekken bij Defensie blootlegde in bijvoorbeeld Woensdrecht en Havelte en hoe die uitzendingen o.m. tot Kamervragen leidden en tot aangescherpte beveiligingsmaatregelen. Hij benoemt ook dat het wederom Undercover in Nederland was dat in 2016 aantoonde dat er een groot beveiligingslek was in Oirschot en dat n.a.v die uitzending politici als Pechtold en Roemer opnieuw “verbouwereerd” waren. Toenmalig minister Hennis-Plasschaert beloofde verbetering en stelde betere beveiliging van alle locaties in het vooruitzicht, maar blijkens de tips van het personeel zou dat dus niet of niet op afdoende wijze gebeurd zijn. De tips waren zo concreet, dat er alle reden was voor client om wederom een actie voor te bereiden die zou kunnen aantonen of de zorgen van het personeel terecht waren. En ja, daarvoor was het nodig om regels te overtreden.
63. Wil je onderzoeken of je ergens onbevoegd binnenkomt, dan heeft het weinig zin aan te bellen. En wil je onderzoeken of en hoe er geacteerd wordt in een potentieel verdachte situatie, hoe de opsporing werkt zoals client het in de uitzending verwoordt (32m:35s) dan dient zo’n situatie gecreëerd te worden. En dat kan dus alleen, ik zei het al, door regels te overtreden.
64. Client heeft er alles aan gedaan om de juiste balans te vinden tussen het op adequate wijze uitvoeren van zijn taak als onderzoeksjournalist en zijn normschendende gedrag. Mr. Witjens wees al op omstandigheden waaruit dat blijkt: de naam die hij voor zij alter ego had gekozen – een samenvoeging van een deel van zijn eigen voornaam en de achternaam van de toenmalig minister van defensie, de HEMA-klei met gebruiksaanwijzing en de stapel met printjes over de acties die ik zojuist benoemde, waarop client meerdere malen zeer prominent afgebeeld stond.
65. Dat laatste blijkt overigens niet het dossier, want wonderlijk genoeg hebben deze 23 documenten zelf dossier Lutwyche nooit gehaald (ze worden alleen diverse keren genoemd, zoals op p. 9 van het procesdossier en één pagina wordt getoond op p. 137), terwijl client ze nu juist bovenop de andere spullen in de koffer had gelegd als belangrijke aanwijzing dat hij degene was die de koffer had achtergelaten en er dus geen werkelijke dreiging aan de orde was. Client heeft dat bij herhaling in de uitzending gemeld, bijvoorbeeld als hij aan een tafel in de kantine zit en de inhoud van de koffer laat zien aan het publiek. Hij zegt dan: “ik heb papieren meegenomen die hints vormen voor de beveiliging als ze straks de koffer vinden en openmaken:
[A-G: hier wordt een screenshot van de uitzending weergegeven waarop de verdachte, naast de geopende koffer, een document omhoog houdt]
“2016, Oirschot”
[A-G: hier wordt een screenshot van de uitzending weergegeven waarop de verdachte, naast de geopende koffer, een document omhoog houdt]
“Vorige minister, beloofde beterschap. Alles zou wel op orde zijn”
66. Omdat hij een zuiver journalistiek doel had en omdat hij zijn actie op deze, afgewogen wijze heeft uitgevoerd meende client dat hij zich in dit geval met succes zou kunnen beroepen op de journalistieke exceptie, als zijn handelen al strafrechtelijk gekwalificeerd zou kunnen worden. Dat doel blijkt overigens ook uit het feit dat hij de beelden heeft getoond aan politici. In de uitzending is te zien dat zowel Wilders als Klaver verbouwereerd zijn over het beveiligingslek en het gemak waarmee cliënt de koffer mee naar binnenkreeg en achter kon laten en hebben daarover vervolgens ook Kamervragen gesteld. Het blijkt ook uit de omstandigheid dat client Defensie ruim voorafgaand aan de uitzending heeft ingelicht over zijn constateringen, om er zo zeker van te zijn dat er adequate maatregelen konden worden genomen voor heel Nederland zou zien hoe kinderlijk eenvoudig het was het besloten terrein te betreden.
67. Het OM bleek het ten dele met client eens over de toepasselijkheid van de journalistieke exceptie – de OvJ meldde in zijn requisitoir met zoveel woorden dat het “binnendringen” op de basis was geseponeerd omwille van de journalistieke achtergrond. De OvJ bevestigde zelfs dat datzelfde zou zijn gedaan als de koffer “slechts onbeheerd zou zijn achtergelaten (p. 8, tweede alinea requisitoir)”. Tegelijkertijd heeft het OM ongemotiveerd beslist dat de inhoud van de koffer “voorbij [gaat] aan het toelaatbare binnen de voornoemde exceptie” en daarom toch vervolging ingesteld voor het feit waar het vandaag over gaat – enigszins gechargeerd: omdat er schroefjes in de koffer zaten.
68. De rechtbank heeft de lat voor een geslaagd beroep op de journalistieke exceptie op dezelfde plek gelegd als het OM. Ten onrechte, naar de stellige overtuiging van de verdediging. Wij menen dat een juiste toepassing van de in de jurisprudentie – nota bene: in een zaak waarin client zelf de verdachte was – ontwikkelde voorwaarden moet leiden tot het oordeel dat het feit niet strafbaar is, als u natuurlijk al tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit zou komen.
Door de Hoge Raad voorgeschreven belangenafweging
69. Het door de HR ontwikkelde beoordelingskader is in grote lijnen vergelijkbaar met dat van het EHRM, met dien verstande dat het EHRM in diverse uitspraken heeft bepaald hoe moet worden beoordeeld of een onherroepelijk oordeel in een strafzaak strijd oplevert met het in het EVRM verankerde recht op vrijheid van meningsuiting, terwijl de HR de uitgangspunten zo heeft geformuleerd dat ze in een fase als deze toepasbaar zijn om te voorkómen dat een oordeel de grondwettelijke vrijheid miskent.
70. Volgens de Hoge Raad moet de vraag of een te goeder trouw handelend journalist zich met succes op de persexceptie kan beroepen worden gevonden door alle in het geding zijnde belangen te wegen en rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval.
71. Het gaat daarbij enerzijds om de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, en anderzijds om:
1. Het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking;
2. Het daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en
3. De mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid, anderzijds
72. De rechtbank heeft in het geheel geen belangenafweging gemaakt. Zij heeft het door de HR ontwikkelde toetsingskader “samengevat” tot een tekst (in r.o. 5, tweede alinea vonnis a quo) die ook in het persbericht over de uitspraak in eerste aanleg is uitgebracht.
73. Ik citeer:
“Journalistieke beroepsoefening kan een rechtvaardiging zijn voor het overtreden van de strafwet. Dan moet onder meer blijken dat een verdachte bij het plegen van een misdrijf de bedoeling heeft om langs een journalistieke weg een maatschappelijk probleem aan de orde te stellen. Volgens de rechtbank is dat in deze zaak niet aan de orde, omdat [verdachte] niet over concrete informatie beschikte om te kunnen spreken over een misstand die hij aan de orde kon stellen.”
74. Hoewel de rechtbank het in eerste instantie dus terecht heeft over de bedoeling van de verdachte een “maatschappelijk probleem” aan de orde te stellen langs journalistieke weg (de door de HR als eerste genoemde omstandigheid die van belang is voor de beoordeling), heeft zij vervolgens niet getoetst of dáárvan sprake was.
75. De rechtbank heeft niets overwogen over daadwerkelijk nadeel dat door het volgens haar bewezenverklaarde feit zou zijn ontstaan. Over de mate waarin de openbaarmaking op andere wijze had kunnen worden voorbereid hebben wij de rechtbank ook niet gehoord. En over de ernst van de inbreuk op de rechtsorde al net zo min.
76. Kortom: de rechtbank heeft niet gedaan wat zij volgens de Hoge Raad had moeten doen: de relevante omstandigheden van de zaak tegen elkaar afwegen.
77. Wat heeft de rechtbank dan wel gedaan? Zij heeft de volgens de HR niet-relevante vraag opgeworpen of client voorafgaand aan zijn “actie” bewijs had van het bestaan van een misstand, die vraag ontkennend beantwoord en dáárom geoordeeld dat hem geen beroep op de journalistieke exceptie toekwam.
78. Dat het op deze wijze gemotiveerde oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven is evident. Uit Hoge Raad 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5690 blijkt immers dat alleen al het niet kenbaar verrichten van de voorgeschreven belangenafweging reden is voor cassatie.
79. Wanneer de door de Hoge Raad voorgeschreven belangenafweging in deze zaak wél en op correcte wijze wordt gemaakt, kan die maar tot een conclusie leiden: client kan zich wel degelijk beroepen op de journalistieke exceptie. Alle door de HR genoemde omstandigheden die erin betrokken moeten worden wijzen in de richting van een geslaagd beroep erop, in plaats van op het terzijde schuiven:
- client was volledig te goeder trouw bij zijn handelen en hij heeft een zorgvuldige uitzending gewijd aan zijn handelen en bevindingen; hij heeft niet alleen laten zien wat hij heeft gedaan, hij heeft ook uitvoerige toelichting gegeven op de concrete uitvoering van zijn actie en het maatschappelijk belang daarvan onder meer onderstreept door politici aan het woord te laten over zijn bevindingen;
- het publiek heeft er (o.m. op grond van artikel 10 EVRM) onmiskenbaar recht op geïnformeerd te worden over beveiligingslekken bij de instantie die nota bene verantwoordelijk is voor onze veiligheid, waar client door defensiepersoneel op was gewezen en over de manier waarop die zelfde instantie omgaat met verdachte situaties;
- het is niet goed denkbaar hoe client de lekken en de haperende opsporing had moeten aantonen op een andere, minder vergaande wijze dan hij heeft gedaan;
- client heeft immers de juiste balans getracht te vinden tussen enerzijds het creëren van een situatie waarin daadwerkelijk kon worden “getest” hoe zou worden gereageerd op het binnenkomen van de basis, de aanwezigheid aldaar van onbevoegden, en het door hen achterlaten van een voorwerp en anderzijds het niet laten ontstaan van een werkelijk dreigende situatie;
- dat client daarin geslaagd is en dat de door hem gemaakte inbreuk op de rechtsorde op zijn best ‘zeer gering’ was blijkt wel uit het feit dat er geen paniek is uitgebroken, de eerste ontdekkers van de koffer die hebben geopend omdat zij kennelijk niet vonden dat daar een werkelijke dreiging van uitging en uit de omstandigheid dat er in het geheel geen zaaks- of personenschade is geleden. Client heeft niets vernield in het kader van zijn actie en hij heeft ook niemand wat aangedaan. Hij heeft slechts gepoogd door zijn onderzoek te voorkomen dat anderen wel kwaad zouden kunnen doen.
80. Wij hebben er in eerste aanleg en in dit appel bij herhaling op gewezen dat ook de intentie van client bij zijn actie een belangrijke rol heeft in de door u te maken belangenafweging. Ik begon daar mijn deel van dit pleidooi mee: client had uitsluitend journalistieke beweegredenen. Hij is daarover altijd duidelijk geweest, zowel in de uitzending die was gewijd aan zijn onderzoek als tijdens de verhoren door de politie en de rechtbank. Ik wijs u zekerheidshalve nogmaals op zijn verklaring op pp. 156-162 van het dossier, die ook is opgenomen op p. 10 van de appelschriftuur en ook uit zijn ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaring:
- p. 2, eerste alinea: “U vraagt waarom ik deze actie heb uitgevoerd. Om de beveiliging te testen van militaire terreinen. Ik heb dit twee keer eerder gedaan. Dit was de derde uitzending. De beveiliging is nog steeds slecht op orde. Ik heb gesproken met militairen die zich onveilig voelden. Ze waren bang dat kwaadwillenden makkelijk toegang zouden krijgen en iets konden doen. Maar ondanks de beloofde beterschap kon ik zomaar het terrein op. We wilden ook kijken naar de opsporing daarna.”
- p. 2, zesde alinea: “We hebben nu gesprekken gevoerd met mensen van Defensie. Zij hebben de hoop dat kwaadwillenden worden tegengehouden en gepakt. U vraagt waar dit vandaan komt. Het is een algemeen unheimisch gevoel dat bij hen leeft. Een tijdje geleden is aan militairen geadviseerd om bijvoorbeeld niet in uniform per trein te reizen. Het is een conclusie die zij niet konden trekken. Maar het gevoel was wel: als het aan de voorkant niet goed is, is het aan de achterkant ook niet goed.”
81. Tot slot van dit punt vraag ik uw bijzondere aandacht voor de wijze waarop client zijn politieverhoor afsloot:
“[ik hoop dat] zowel de grote fouten die wij hebben vastgelegd in de beveiliging, als de belabberde opsporing lessen opleveren die er hopelijk voor zorgen dat erin de toekomst beter wordt beveiligd een beter wordt opgespoord voor als er iemand echt kwaad in de zin heeft. Eerdere reportages hebben blijkbaar onvoldoende gezorgd voor het besef dat de beveiliging structureel niet op orde is. Ik heb eerder tot tweemaal toe een voertuig het terrein afgereden. Dat is blijkbaar niet genoeg geweest voor de leiding om de hele beveiliging door te lichten. Dus is het onze taak zowel de opsporing als de beveiliging opnieuw te testen. In beide gevallen bleek deze ver ondermaats. We hebben niemand in gevaar gebracht en hebben [het] met de beste journalistieke bedoelingen gedaan. Dat ik hier nu als verdachte zit, heb ik te accepteren. Ik vind ook dat ik als journalist me moet verantwoorden voor keuzes die we maken, maar de reportage en de manier waarop wij deze gemaakt hebben was helaas echt nodig om de veiligheid te waarborgen. ”
82. Wanneer deze omstandigheden worden betrokken in de belangenafweging, moet het oordeel wel zijn dat het maatschappelijk belang van de journalistieke handeling moet prevaleren boven het belang van een strafrechtelijke vervolging – en bestraffing van cliënt.
Veroordeling zal door EHRM als strijdig met artikel 10 EVRM worden opgevat
83. Ik noemde zojuist al de specifieke criteria die de Hoge Raad als belangrijk heeft geïdentificeerd in het kader van de door uw Hof (alsnog) te maken belangenafweging. Voor de volledigheid wijs ik u er ook op dat de toets die het EHRM aanlegt daarvan niet wezenlijk verschilt, maar net een andere invalshoek heeft naar zijn aard.
84. Het EHRM toetst immers – achteraf – of een opgelegde straf of maatregel geen strijd oplevert met de in artikel 10 EVRM verankerde vrijheid van meningsuiting. Gelet op alles wat ik zojuist opmerkte, zou het in stand laten van de veroordeling een door het EHRM ontoelaatbaar geachte beperking opleveren van het recht op vrije meningsuiting, omdat die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM.
85. Een chilling effect op de pers in het algemeen en negatieve invloed op het gevoel dat het slecht gesteld is met de persvrijheid in Nederland zouden onmiskenbaar algemeen gevoelde gevolgen zijn van een voor client ongunstige uitspraak van Uw Hof. De bereidheid van journalisten onderzoek te doen waarbij op de rand van het toelaatbare zal moeten worden geopereerd zal zonder twijfel verder afnemen, terwijl het belang van een goede onderzoeksjournalistiek in een democratische rechtsstaat van eminent belang is. Er staan dus grotere belangen op het spel dan alleen de persoonlijke van client.
86. Maar laten we niet vergeten dat de impact van een veroordeling op client zelf ook groot is en hem mogelijk kan belemmeren bij de toekomstige uitoefening van zijn beroep. Zo zou een onherroepelijke veroordeling voor het tenlastegelegde feit er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat hij niet of minder makkelijk toegelaten wordt tot andere landen, terwijl zijn onderzoeken met enige regelmaat in letterlijke zin grensoverschrijdend zijn.
87. Voor ik afsluit nog dit: zou uw Hof onverhoopt menen dat de vraag die rechtbank heeft opgeworpen wél de (enige) relevante is, dan geldt dat het antwoord toch echt anders is dan de rechtbank heeft overwogen: er was wel degelijk een voldoende concreet vermoeden (bewijs in de vorm van tips van personeel) dat de beveiliging en opsporing niet op orde waren; ook daarover heeft client consequent en consistent verklaard, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg:
“U houdt mij voor dat er eerder Kamervragen zijn gesteld en vraagt of ik concrete aanwijzingen had dat de beveiliging niet goed zou zijn. Er zijn wat lekken gedicht maar de discussie over structurele aanpassingen liep achter. Dat heb ik gehoord van mensen dicht bij het vuur. Het is niet adequaat opgelost. Als voorbeeld noem ik Oirschot. Daar bleef de slagboom te lang open en kon je gewoon achter een andere auto aan naar binnen rijden. Dat is gerepareerd maar er is niet naar structurele veranderingen gekeken.”
88. Linksom of rechtsom geldt dus dat de uitspraak van de rechtbank evident onjuist is – wegens miskenning van het toetsingskader – en vernietigd behoort te worden. Een juiste toepassing van de belangenafweging behoort te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging van cliënt in het onverhoopte geval uw hof zou oordelen dat hij het tenlastegelegde begaan heeft.”
VI.3 De beslissing van het hof op het gevoerde verweer
55. Het hof heeft het verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Artikel 10 lid 1 EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht is echter niet onbegrensd. Artikel 10 lid 2 EVRM laat beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting toe, mits dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving is ter bescherming van de in lid 2 genoemde belangen waaronder het voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van rechten van anderen.
Het hof stelt verder dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat journalisten in beginsel niet op basis van de hun door art. 10 EVRM gegeven bescherming kunnen worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. Hiervan kan slechts sprake zijn onder bijzondere omstandigheden.
Bij de vraag naar de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit in verband met het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dient onder meer gelet te worden op:
- de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift;
- het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan;
- het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmakingen
- de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.
Verdachte heeft verklaard dat het doel van zijn handelen drieledig was. Hij had aanwijzingen dat de beveiliging op legerterreinen in zijn algemeenheid nog steeds niet op orde was. Allereerst wilde hij daarom de beveiliging aan de poort testen. Ten tweede wilde hij de beveiliging op het terrein zelf testen. En tot slot wilde hij de opsporing nadien testen. Hiervoor was het meebrengen en achterlaten van de koffer met de door hem bewust gekozen inhoud noodzakelijk, aldus verdachte.
Het onderhavige geval kenmerkt zich door het gegeven dat de naar aanleiding van het handelen van de verdachte gemaakte uitzending van 31 augustus 2018 zonder enige belemmering kon worden uitgezonden en dat de verdachte ook overigens geen belemmering heeft ondervonden bij het uitdragen van de door hem als cruciaal ervaren boodschap, met name het tekortschieten van de beveiliging van legerterreinen. Aan de orde is slechts de vraag of bestraffing van het handelen van de verdachte ter voorbereiding van de openbaarmaking van deze boodschap, welk handelen bestond uit, kort gezegd, het achterlaten van een koffer met daarin een nepbom op een legerbasis, een zodanige beperking vormt van de vrijheid van de journalistieke meningsuiting van de verdachte dat art. 10 EVRM in de weg staat aan toepassing van de strafwet, te weten aan bestraffing ter zake van art. 142a Sr.
Met het plaatsen van een nepbom heeft verdachte onrust en – vanwege de inzet van verschillende personen en diensten – aanmerkelijke financiële schade veroorzaakt. Vervolging en bestraffing voor het overtreden van artikel 142a Sr heeft mede als doel om te voorkomen dat opnieuw dergelijke onrust en financiële schade wordt veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof waren er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van artikel 142a Sr had kunnen realiseren. Minder vergaand, maar toch doeltreffend was bijvoorbeeld geweest als verdachte een geopende en daardoor zichtbaar lege koffer had achtergelaten met daarbij een briefje met de tekst ‘hier zit geen bom in, maar het had gekund’. Weliswaar had een dergelijke aanpak minder spannende televisie opgeleverd, maar dat is in het kader van het beroep op artikel 10 EVRM niet relevant. Ook het argument dat de koffer zekere materialen moest bevatten om zodoende ook een eventuele scan op het legerterrein te testen brengt niet met zich dat die materialen vervolgens op zo’n wijze in de koffer moesten worden gerangschikt dat ze tezamen de indruk wekten van een bom. Bovendien verklaart het niet waarom die materialen daar in de koffer achtergelaten moesten worden.
Het hof is aldus van oordeel dat het door verdachte ingezette middel (namelijk het plaatsen van een nepbom), mede gelet op de gevolgen die het heeft gehad en het bestaan van alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken. Vervolging en bestraffing is noodzakelijk om duidelijk te maken dat het plaatsen van een nepbom niet mocht en om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Veroordeling van verdachte is daarom niet in strijd met artikel 10 EVRM.
Het hof wijst het beroep op art. 10 EVRM af.”
VI.4 De bespreking van het middel
56. Volgens de stellers van het middel heeft het hof in strijd met het bepaalde in HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3752, NJ 2013/294, m.nt. Dommering in zijn oordeel niet betrokken (i) de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en (ii) het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking.
56. Het in art. 10 lid 1 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting beschermt het recht van journalisten om informatie over onderwerpen van algemeen belang te verspreiden, vooropgesteld dat hij te goeder trouw is en op een accurate feitelijke basis heeft gehandeld en betrouwbare en precieze informatie heeft verspreid, in overeenstemming met de ethische normen van zijn beroepsgroep. Dit recht mag ingevolge lid 2 aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het criterium van “noodzakelijkheid in een democratische samenleving” vereist dat de beperking beantwoordt aan een “pressing social need”, dat zij proportioneel is in het licht van het beoogde doel en dat relevante en toereikende redenen bestaan voor de beperking.30.Daarbij geldt dat voor alle personen – en dus ook voor journalisten – het uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting ook bepaalde plichten en verantwoordelijkheden meebrengt. Lid 2 van art. 10 EVRM garandeert niet een volledig onbeperkte vrijheid van meningsuiting, zelfs niet waar het gaat om berichtgeving in de pers over zaken die het openbaar belang dienen. Een en ander houdt in dat journalisten – ondanks de vitale rol die de pers in een democratische samenleving speelt – in beginsel niet met een beroep op art. 10 EVRM kunnen worden vrijgesteld van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen.31.
58. Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3752, NJ 2013/294, m.nt. Dommering bepaald dat journalisten bij hun werkzaamheden slechts onder bijzondere omstandigheden zijn ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit dient, vooropgesteld dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.
58. Anders dan het middel betoogt, geven de overwegingen van het hof naar ik meen wél blijk van een dergelijke belangenafweging. Het hof heeft allereerst de hiervoor genoemde uitgangspunten uit de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad vooropgesteld. Aldus is het hof in zijn beoordeling van het gevoerde verweer uitgegaan van het rechtens juiste toetsingskader. Bij die beoordeling heeft het hof vervolgens het volgende betrokken:
- het doel van de handelingen van de verdachte, namelijk het testen van de beveiliging op legerterreinen aan de poort, op het terrein zelf en de opsporing nadien;
- het feit dat de verdachte zonder enige belemmering zijn acties heeft kunnen uitzenden en niet is belemmerd in het uitdragen van zijn boodschap;
- de onrust en aanmerkelijke financiële schade die door het handelen van de verdachte is veroorzaakt;
- het doel van vervolging en bestraffing van art. 142a Sr, namelijk het voorkomen van onrust en financiële schade door de inzet van personen en diensten;
- de aanwezigheid van minder vergaande alternatieven waarmee de verdachte zijn doelstellingen zonder overtreding van art. 142a Sr ook had kunnen realiseren.
60. Het hof komt tot de slotsom dat het plaatsen van de nepbom door de verdachte, mede gelet op de gevolgen die het heeft gehad en het bestaan van alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken en dat vervolging en bestraffing van dit handelen noodzakelijk is om duidelijk te maken dat het plaatsen van een nepbom niet mocht en om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van art. 142a Sr, gelet op het belang van dit voorschrift, afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen geschieden, maakt dat vervolging en bestraffing in dit geval toelaatbaar is in het licht van art. 10 EVRM. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
60. Het middel komt ten tweede op tegen ’s hofs oordeel dat er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden waren waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van art. 142a Sr evengoed had kunnen realiseren. Het hof heeft in dat verband onder meer overwogen dat de verdachte bijvoorbeeld een geopende en daardoor zichtbaar lege koffer had kunnen achterlaten met een briefje met de tekst ‘hier zit geen bom in, maar het had gekund’. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat de verdachte met het door het hof geformuleerde alternatief niet (al) zijn journalistieke doelen had kunnen bereiken, aangezien de beveiliging nooit zou aanslaan op een lege koffer. Het hof heeft in zoverre dan ook onvoldoende gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdachte dat hij zijn doeleinden niet op een andere manier had kunnen verwezenlijken, zo menen de stellers van het middel.
60. Deze klacht treft geen doel. Het hof heeft immers tevens overwogen dat het argument dat de koffer zekere materialen moest bevatten om zodoende ook een eventuele scan op het legerterrein te testen niet met zich brengt dat die materialen vervolgens op zo’n wijze in de koffer moesten worden gerangschikt dat ze tezamen de indruk wekten van een bom, en één en ander bovendien niet verklaart waarom die materialen daar in de koffer achtergelaten moesten worden. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte ook de beveiliging op de gewenste wijze had kunnen testen door metalen voorwerpen te verwerken in de koffer op een manier die niet gelijkend is aan een bom. In weerwil van het middel heeft het hof aldus wel degelijk in zijn beoordeling de toets aangelegd of de verdachte zijn journalistieke doelen op andere manieren had kunnen bewerkstelligen. Het oordeel van het hof dat dergelijke alternatieven voorhanden waren, is niet onbegrijpelijk en, ook in het licht van het gevoerde verweer, voldoende gemotiveerd.
60. Het middel faalt.
VII. Het vijfde middel en de bespreking daarvan
64. Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
64. Namens de verdachte is op 24 oktober 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 april 2024 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden ruimschoots overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk. Ik meen dat deze termijnoverschrijding dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
VIII. Slotsom
66. Het eerste tot en met het vierde middel falen. Het derde en het vierde middel kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.
66. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Ook in dat opzicht is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden in een mate die tot vermindering van de door het hof opgelegde geldboete moet leiden.
66. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
66. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2024
Het plaatsen van een nepbom was hiervóór overigens al strafbaar in het kader van de algemene strafbaarstelling van bedreiging.
Stb. 2006, 23.
Zie ook H.J.B. Sackers, Wet Wapens en Munitie (Studiepockets Strafrecht), par. 2.6 ‘Artikel 429 Sr en artikel 142a Sr’, Deventer: Kluwer 2020, p. 107.
Zo wordt voor de invulling van het begrip ‘voorwerp’ in art. 33a en 36e Sr en art. 94a Sv aangesloten bij het civielrechtelijke begrip van goederen in art. 3:1 BW en omvat dit begrip aldus alle “zaken en vermogensrechten” (HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:687, NJ 2022/249, m.nt. Keijzer). Onder een voorwerp in de zin van art. 137e Sr moet worden verstaan “alle beeld- en geluidsdragers”, waaronder boeken, tijdschriften en afbeeldingen (Kamerstukken II 1967/68, 9724, 3, p. 5).
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materiaal strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2024, p. 278-280 (par. IV.4.2).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4165, waarin de verdachte in het portiek van een restaurant in Amsterdam een doos had achtergelaten, die met tape was dichtgeplakt en waaruit elektriciteitsdaden uit de bovenkant staken. Deze draden waren op de doos verbonden met een knoopcelbatterij, een printplaatje en een schakelaar. Vergelijkbaar is de zaak die voorlag in Rb. Overijssel 4 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1911, waarin de verdachte bij een advocatenkantoor en bij een tankstation een pakketje had achtergelaten als ‘explosief’, waarin een waterachtige vloeistof was aangebracht en waaruit een elektriciteitsdraad stak.
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9193.
Rb. Midden-Nederland 21 augustus 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3885. De verdachte had tweemaal een nepbom bij de Rabobank in Utrecht neergelegd om onder een afspraak bij de fraudespecialist van de bank uit te komen. Een van de voorwerpen betrof een koffertje, met daarin een met tape omwikkeld pakket waarop een digitale klok was bevestigd van waaruit rode en zwarte draden staken.
Rb. Overijssel 5 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:592.
Rb. Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4165.
Zie bijv. Hof van Cassatie 9 juni 2020, P.20.0598.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.12.
België kent wel een separate strafbaarstelling van het doen van een valse bommelding (art. 328 Strafwetboek). In de parlementaire geschiedenis daarbij wordt met geen woord gerept van het plaatsen van een nepbom.
M. Rigaux en P.M. Trousse, Les crimes et les délits du code pénal, V, Les crimes et les délits contre la sécurité publique. L'ordre des familles et la moralité publique. Avec une étude sur la criminologie et la psychopathologie sexuelle, Bruylant, 1968, p. 36; T. Vandromme, Bedreigingen in Strafrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, 2019, par. B.3.A.2.c ‘Bedreigingen door gebaren of zinnebeelden’, p. 30.
Rigaux en Trousse, a.w., p. 36.
F. Deruyck en A. de Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2019, p. 160-161; Rigaux en Trousse, a.w., p. 30.
Hof van Cassatie 24 april 1967, Arr. Cass. 1967, 1034.
Zie o.a. M. Krauß in het Leipziger Kommentar zum StGB, § 126 StGB, 2021.
Oberlandesgericht Frankfurt am Main 24 april 2002, 2 Ss 71/02.
Lid 3 luidt: “Ebenso wird bestraft, wer wider besseres Wissen einem Menschen vortäuscht, daß die Verwirklichung eines gegen ihn oder eine ihm nahestehende Person gerichteten Verbrechens bevorstehe.” Het verschil tussen par. 126 enerzijds en par. 241 anderzijds is goed zichtbaar in de zaak die leidde tot de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 30 november 2010, 3 StR 428/10. De verdachte had op het kantoor van de sociale dienst uitlatingen gedaan dat hij een grote schietpartij in het kantoor zou plegen en hij allen zou vermoorden. Het Bundesgerichtshof vernietigde de veroordeling voor par. 126 lid 1 StGB, omdat de gedragingen van de verdachte niet tot een verstoring van de openbare orde konden leiden; de bedreigingen waren beperkt tot de medewerkers van de sociale dienst en konden dus niet uitmonden in een mogelijke verstoring van de algemene openbare veiligheid. De veroordeling voor ‘individuele’ belediging van par. 241 bleef echter wel in stand.
Onze bibliotheek heeft op mijn verzoek navraag gedaan in Engeland, maar helaas bleek bij deze bepaling geen memorie van toelichting of iets van dien aard beschikbaar te zijn.
The Court of Appeal of England and Wales (Criminal Division) 17 March 2020, [2020] EWCA Crim 396 (Roddis v R.).
Ook hier geldt: wél van het doen van een valse bommelding (par. 35, titel 18 van de U.S. Code).
Ik verwijs naar de hiervoor onder randnummer 8 geciteerde overwegingen van het hof onder de kop “Is er sprake van een nepbom?”
De stellers van het middel noemen respectievelijk het zakmes, de powerbank en dual wifi hotspot, de nestcamera, de A4 enveloppe en de 23 stuks A4 vellen.
De verdediging heeft overigens in hoger beroep de aanwezigheid van de verschillende voorwerpen in de koffer niet betwist.
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (The Sunday Times tegen Verenigd Koninkrijk), NJ 1980/146, par. 62.
EHRM 10 december 2007, nr. 69698/01 (Stoll tegen Zwitserland), NJ 2008/236, m.nt. Dommering, par. 102-103; EHRM 24 mei 2011, nr. 22918/08 (Mikkelsen en Christensen tegen Denemarken), NJ 2012/39, m.nt. Dommering.
Beroepschrift 19‑07‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Inzake
[verdachte],
verzoeker tot cassatie van een door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, op 12 oktober 2022, onder rolnummer 21-001462-20 gewezen arrest.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het oordeel van het hof dat de koffer met inhoud een voorwerp is in de zin van artikel 142a Sr, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel niet (zonder meer) begrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Toelichting op middel 1
1.
Het hof heeft ten aanzien van het voorwerp in de zin van artikel 142a Sr overwogen:
‘Voldoende is dat het voorwerp gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken. De vraag is dus kort gezegd of verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat voor de beoordeling hiervan de gesloten koffer niet los kan worden gezien van de inhoud van deze koffer. Bij de beoordeling gaat het hof dus uit van dat wat verdachte in de eetzaal heeft achtergelaten, een koffer met inhoud’.1.
[onze onderstreping, advocaten]
2.
Het hof geeft zodoende in zijn arrest een onjuiste invulling aan het bestanddeel ‘voorwerp’ in artikel 142a Sr, door uit te gaan van de koffer met inhoud. Naar het oordeel van verzoeker is dat onjuist, gelet op de wetsgeschiedenis en de wetsystematiek.
Deel 1: Wetsgeschiedenis 142a, eerste lid Sr
3.
Artikel 142a Sr is ingevoerd via de Derde Nota van Wijziging voor Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima.2. De Minister duidde de voorgestelde strafbepalingen als volgt:
‘Deze derde nota van wijziging introduceert, naast een aantal wijzigingen van technische aard, een afzonderlijke strafbaarstelling van de valse bommelding en het plaatsen van een nep-bom. (…)’.3.
[onze onderstreping, advocaten]
4.
Ter toelichting op het voorstel voor het toevoegen van een artikel 142a Sr, stelde de Minister:
‘De valse bommelding is in veel gevallen reeds strafbaar op grond van artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. (…) Inmiddels ben ik evenwel tot het oordeel gekomen dat moet worden voorzien in een specifieke, op alle valse bommeldingen toegesneden strafbaarstelling, (…)’.4.
[onze onderstreping, advocaten]
5.
Hoewel de minister in het voorgaande citaat uitsluitend de strafbaarstelling voor valse bommeldingen toelicht, heeft hij er evenwel voor gekozen om ook het plaatsen van een nep-bom afzonderlijk en specifiek strafbaar te stellen.
6.
De wetgever zag kennelijk ruimte en noodzaak voor een zelfstandige strafbaarstelling van het plaatsen van een nep-bom, naast de strafbepaling voor het doen van een valse bommelding. De strafbepaling in 142a eerste lid Sr moet dus (ook) betrekking hebben op achtergelaten nep-bommen zónder bijbehorende bommelding, want anders was een aparte strafbepaling voor het achterlaten van een voorwerp niet nodig geweest. Doordat er gekozen is voor een aparte strafbaarstelling voor het plaatsen van een nep-bom, moet het begrip ‘voorwerp’ een invulling krijgen die houvast biedt voor met name die gevallen waarin er geen bommelding is om op terug te vallen om het voorwerp te duiden als (nep-)bom.
7.
In wat we weten over de bedoeling(en) van de wetgever, valt op dat de strafbaarstelling van het doen van een valse bommelding en het plaatsen van nep-bommen, steeds samen worden genoemd.5. De plaatsing van de nep-bom is niet los van de bommelding besproken. Dit doet vermoeden dat de opmerkingen die zijn gemaakt over de valse bommelding in de beleving van de wetgever ook relevant waren voor de strafbaarstelling van het plaatsen van een nep-bom. Zo heeft de wetgever geoordeeld dat de strafmaat van artikel 142 (maximaal een jaar) in zijn ogen geen recht deed aan de ernst van de dreiging die uitgaat van een (valse) bommelding of de plaatsing van een nep-bom. Daarom kregen beide voorgestelde strafbepalingen een strafmaximum van vier jaar. De minister lichtte dat toe:
‘Anderzijds wordt de specifieke dreiging die van bommeldingen uitgaat, het gevaar van een ontploffing waardoor vele mensenlevens verloren kunnen gaan, in een strafmaximum van een jaar onvoldoende verdisconteerd’.6.
8.
Dit wekt de indruk dat de strafwetgever meent dat ook van het plaatsen van een nep-bom een specifieke dreiging van gevaar van ontploffing uit kan gaan en dat het achterlaten van een nep-bom daarom zodanig ontwrichtend is dat dit een strafmaximum van vier jaar rechtvaardigt.
9.
Tot slot geeft houvast dat de minister ook aangaf dat ‘(…) de personen die «voor de grap>> een valse bommelding doen (…)’ met het in de wetsbepaling bedoelde oogmerk handelen.7. Gelet op de samenhang tussen beide bepalingen in de wetsgeschiedenis, is het aannemelijk dat deze opmerking ook betrekking heeft op personen die ‘voor de grap’ ergens een nep-bom achterlaten. In dezelfde lijn lag de opmerking van Van Haersma Buma tijdens het wetgevingsoverleg; het doel van de strafbepalingen van artikel 142a Sr is ook om ontregeling van het hele land door een bommelding of plaatsing van een nepbom te voorkomen.8. Wij komen daar hieronder, bij randnummer 11 op terug.
10.
De wetsgeschiedenis biedt op het eerste gezicht weinig concreet houvast als het gaat om welk type voorwerp de wetgever voor ogen heeft gehad bij de strafbaarstelling van artikel 142a eerste lid Sr. Uit de wetsgeschiedenis volgen desondanks enkele aanknopingspunten:
- 1)
Het voorwerp is een nep-bom;
- 2)
De wetgever achtte een afzonderlijke en specifieke strafbaarstelling noodzakelijk;
- 3)
Het achterlaten van een nep-bom leidt — ten onrechte — tot een dreiging van ontploffing en levensgevaar doordat anderen denken dat het een bom is met ontregeling van het land tot gevolg;
- 4)
Het achterlaten van een nep-bom is een zodanige verstoring van de rechtsorde dat dit een (maximum)straf van 4 jaar rechtvaardigt.
11.
De opmerking dat ook personen die ‘voor de grap’ een bommelding doen of een nep-bom plaatsen met het in die bepaling bedoelde oogmerk handelen, biedt indirect iets meer inzicht in de redenen voor het invoeren van artikel 142a Sr. De gedraging die de wetgever (ook) strafbaar heeft willen stellen is, volgens verzoeker, het achterlaten van een voorwerp dat lijkt op een bom, maar absoluut geen bom is, met als doel om anderen vrees voor een ontploffing aan te jagen.
12.
Om dit vreesaanjagende effect te hebben, moet het voorwerp een bepaalde indruk maken. Het gaat hier logischerwijs om de eerste indruk, en die kan enkel gebaseerd zijn op het uiterlijk van het voorwerp. Het belangrijkste argument hiervoor is de ratio achter de strafbaarstelling. De wetgever heeft niet het achterlaten van een willekeurige tas of koffer strafbaar willen maken. De wetgever heeft de mensen voor ogen gehad die expres (al dan niet voor de grap) een voorwerp achterlaten dat anderen bang kan maken.
13.
Dit hangt nauw samen met het wetssystematische argument dat de beoordeling van het voorwerp op uiterlijk voortvloeit uit de keuze van de wetgever voor een afzonderlijke en specifieke strafbaarstelling van het achterlaten van een nep-bom. Dit betekent dat de wetgever met de strafbaarstelling juist die situaties voor ogen had waarbij wel een nep-bom is achtergelaten, maar geen bommelding is gedaan.9. Het desbetreffende voorwerp moet dus op de een of andere manier kunnen worden herkend als bom, met name door (onwetende) omstanders. Dit brengt logischerwijs met zich mee dat het voorwerp zodanig afwijkend moet zijn van een alledaags voorwerp en een zodanig gevaarlijk indruk moet maken op deze omstanders, dat het door hen wordt herkend als zijnde een bom.
14.
De redenering van het hof gaat hieraan voorbij. Het hof benoemt niet welke indruk de koffer heeft gemaakt en licht evenmin toe waarom dit alledaagse voorwerp een zodanig gevaarlijke indruk maakt, dat het een bom lijkt. In plaats daarvan baseert het hof zich voor dat deel op de inhoud van de koffer en de conclusies die daaraan door Defensie-experts zijn verbonden.
15.
Het is niet vanzelfsprekend dat een alledaags voorwerp — zonder bommelding — als nep-bom wordt beschouwd. Dit vraagt om een uitgebreidere beoordeling van de indruk die het voorwerp maakt. Er moet een reden zijn waarom men bij het voorwerp aan een gevaarlijk voorwerp denkt. In het arrest van het hof mist deze motivering, omdat zij hebben geredeneerd vanuit de (mogelijke) gelijkenis met een echte bom.10.
16.
Indicaties dat ook de inhoud van het voorwerp of andere informatie die pas in een later stadium bekend wordt, bij de beoordeling van het voorwerp moet worden betrokken, zijn er in de wetsgeschiedenis niet. Het beoordelen van het voorwerp op de eerste indruk ligt daarom meer in het verlengde van de wetsgeschiedenis, dan het betrekken van de inhoud van het voorwerp bij de beoordeling. Als een neutraal ogend voorwerp pas na uitgebreid nader onderzoek van de inhoud een nep-bom blijkt te zijn, is dat effect van vrees er niet. Het hof heeft dit miskend door de inhoud van de koffer, die pas veel later bekend werd,11. te betrekken bij de beoordeling van het voorwerp als zijnde een nep-bom.
Strafbaarstelling in ons omringende landen
17.
Een aanvullend, zij het niet doorslaggevend, argument kan naar het oordeel van verzoeker worden gevonden in onze buurlanden. Aangezien ook de ons omringende landen strafbepalingen kennen voor het doen van een valse bommelding of het achterlaten van een nep-bom, kan daar misschien inspiratie worden gevonden voor de verdere afbakening van het bestanddeel ‘voorwerp’.
18.
Niet elk Europees land kent een aparte strafbepaling voor het plaatsen van een nepbom. Sommige landen houden het bij een strafbaarstelling voor het doen van een valse bommelding (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland).12. België kent wel een specifieke strafbepaling voor het plaatsen van een ‘nepbom’.13.
19.
De Belgische strafbepaling luidt:
‘Hij die op om het even welke wijze stoffen verspreidt die, zonder op zichzelf gevaar in te houden, de indruk geven gevaarlijk te zijn en waarvan hij weet of moet weten dat hierdoor ernstige gevoelens van vrees kunnen worden teweeg gebracht (…)’.14.
[onze onderstrepingen, advocaten]
20.
De Belgische strafwetgever heeft hun pendant van voorwerp nader gedefinieerd door te spreken van ‘stoffen’ die ‘de indruk geven gevaarlijk te zijn’. Ook moeten deze stoffen bij anderen vrees teweeg kunnen brengen. Dot wijst (ook) nadrukkelijk in de richting van een voorwerp met een bepaald uiterlijk, omdat anders het effect van vrees teweegbrengen, niet wordt bereikt. Door een dergelijke redactie van de wetsbepaling zou het dwaalspoor waarop het hof in onderhavige zaak is beland, zijn voorkomen.
21.
In de Belgische strafwet is het ‘voorwerp’ dus een stof die de indruk geeft gevaarlijk te zijn. Ook moet gedacht worden dat anderen bang zullen worden van de stof. Dat effect wordt alleen bereikt als het voorwerp er gevaarlijk of mogelijk explosief uitziet. Daarmee sluit de Belgische bepaling ook logisch aan bij de opmerkingen van de Nederlandse wetgever over de dreiging van ontploffing die van het voorwerp uitgaat.
Benadering van het hof
22.
Een logische invulling van de wetsterm ‘voorwerp’ houdt in, dat het uiterlijk van dit voorwerp ‘de indruk geeft gevaarlijk te zijn’, zoals de Belgische wetgever het heeft omschreven. Immers, van een willekeurig achtergelaten of vergeten voorwerp — ondanks dat dit mogelijk een bom zou kunnen zijn — gaat geen enkele dreiging uit en het volgt niet uit de wetgeschiedenis dat het de bedoeling zou zijn om deze te beschouwen als een nep-bom. De niet direct kenbare inhoud van een voorwerp, behoort daarom buiten beschouwing te blijven bij de beoordeling of een voorwerp een nep-bom is.
23.
Het oordeel van het hof miskent dit en getuigt zodoende van een onjuiste rechtsopvatting.
Deel 2: het oordeel over het bestanddeel ‘voorwerp’ is onbegrijpelijk gemotiveerd
24.
In zijn arrest heeft het hof geconcludeerd dat:
‘Gelet op de combinatie van voorwerpen in de koffer, de koffer zelf, de wijze waarop de objecten in de koffer zijn vastgemaakt met zwart tape en de omstandigheden waaronder de koffer onbeheerd in de eetzaal van gebouw 172 op de Legerplaats bij [a-plaats] is achtergelaten, is het hof van oordeel dat sprake is van een voorwerp dat sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken’.15.
25.
De invulling van ‘voorwerp’ op de wijze zoals het hof dat heeft gedaan, is onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds overweegt het hof dat sprake is van een voorwerp in de zin van artikel 142a Sr als het aangetroffen voorwerp ‘voldoende gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken’ (zie hiervoor, citaat in randnummer 1). Het hof verduidelijkt dit door te vervolgen met dat het moet gaan om een voorwerp ‘dat (op het eerste gezicht) voor een bom kan doorgaan’ (zie citaat randnummer 1). Vervolgens overweegt het hof dat de (niet zichtbare) inhoud van het aangetroffen voorwerp niet los kan worden gezien van het aangetroffen voorwerp zelf en dus bij deze beoordeling moet worden betrokken.16. Dat is in tegenspraak met de (uiterlijke) indruk die een voorwerp ‘op het eerste gezicht’ maakt.
26.
Het is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, hoe de (gesloten) koffer zelf, dus op zichzelf beschouwd, kan bijdragen aan het oordeel van het hof dat dit ‘op het eerste gezicht’ een voorwerp is in de zin van artikel 142a Sr. Over het uiterlijk van de koffer heeft het hof niets vastgesteld.17.
27.
In plaats daarvan komt het hof met een feit van algemene bekendheid, namelijk:
‘[H]et is een feit van algemene bekendheid dat bomaanslagen in veel gevallen worden gepleegd met bommen die zijn geplaatst in (onbeheerd achtergelaten) koffers of tassen’.18.
28.
Hoewel toegegeven kan worden aan het hof dat dit een feit van algemene bekendheid is, kan evengoed als feit van algemene bekendheid gelden dat die gevallen meestal loos alarm zijn.
29.
Het punt is, dat zonder nadere aanwijzingen, zoals een bommelding, of geurherkenning van een explosieve stof van een daartoe getrainde hond, het (veel) te ver gaat om een ‘verdachte situatie’ gelijk te stellen aan een achtergelaten nep-bom. Als de autoriteiten om veiligheidsredenen een achtergelaten tas of koffer als verdacht voorwerp behandelen, is daarmee niet gezegd dat het ook een gevaarlijk uitziend voorwerp is en ook niet dat dit op het eerste gezicht een ‘voorwerp [is] dat sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken’.
30.
Dat klemt temeer omdat de omstandigheden waaronder de koffer is achtergelaten, een contra-indicatie vormen voor een gevaarlijk voorwerp. De koffer is aangetroffen op een beveiligd en afgesloten terrein, in de kantine. Met andere woorden: precies de plaats waar een bezoeker een koffer zou kunnen vergeten als gevolg van de afleiding van eten, drinken en informele contacten. Er was dus sprake van een achtergelaten of verloren voorwerp in een beveiligde omgeving waar mensen niet zomaar naar binnen kunnen wandelen en tassen van bezoekers worden gescand.
31.
Het betrekken van de inhoud van de koffer, die niet zichtbaar was bij het aantreffen van de koffer en pas op een veel later moment werd vastgesteld, wordt door het hof met terugwerkende kracht betrokken bij de beoordeling van de eerste indruk van het voorwerp tegen de door het hof gehanteerde maatstaf dat het voorwerp ‘sterke gelijkenis vertoont met een voorwerp dat een ontploffing kan doen veroorzaken’. Dat oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
32.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of de naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de bewezenverklaring van het ‘oogmerk’ niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of het oordeel van het hof dat ‘[g]elet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachten, (…) het niet anders [kan] zijn dan dat de verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet (zonder meer) begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Toelichting op middel 2
1.
Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij een voorwerp heeft achtergelaten met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.
Bewezenverklaring van ‘oogmerk’ ontoereikend gemotiveerd
2.
De bewezenverklaring steunt in de onderhavige zaak op de in aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen. Daaruit blijkt niet van (in)direct bewijs van het oogmerk van verzoeker. Dit leidt ertoe dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof in de bewijsmotivering met zoveel woorden concludeert dat ‘(…) het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief [onze onderstreping, advocaten]’ (arrest, p. 7).
3.
Deze onderbouwing van het ‘oogmerk’ wordt door het hof in het arrest geconstrueerd aan de hand van een weerlegging van een door het hof aan verzoeker toegeschreven verklaring dat hij a. ‘nimmer de bedoeling heeft gehad om mensen te doen denken dat het daadwerkelijk ging om een voorwerp dat kon ontploffen’ en b. ‘er juist alles aan te hebben gedaan om dit te voorkomen’.19. Deze verklaring betreft kennelijk een samenvatting op hoofdlijnen door het hof van hetgeen verzoeker ter zitting naar voren heeft gebracht.
4.
Het hof overweegt in de bewijsmotivering (arrest, p. 7) dat deze verklaring van verzoeker niet overeenkomt met de feiten. Dat werkt het hof voor wat betreft het door ons als b. aangeduide deel uit door op te sommen wat verzoeker nog meer had kunnen doen (maar heeft nagelaten). Het hof overweegt daartoe, kort samengevat, dat verzoeker in het telefoongesprek met [betrokkene 4] niet kenbaar heeft gemaakt wie hij was; hij niet kenbaar heeft gemaakt dat de koffer met inhoud ongevaarlijk was, en hij gebruikt heeft gemaakt van een valse naam en zodanige informatie gegeven dat het gevoel van dreiging (o.a. bij [betrokkene 4]) juist sterker werd (e.e.a. gebaseerd op bewijsmiddel 3).
5.
Volgens verzoeker levert deze bewijsoverweging geen relevante informatie op voor het vaststellen van het oogmerk van verzoeker, aangezien de vaststelling dat verzoeker theoretisch nóg meer had kunnen doen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet als a contrario resultaat oplevert dat verzoeker dus oogmerk moet hebben gehad. Dit klemt temeer, nu blijkens bewijsmiddel 3 verzoeker wel degelijk een feitelijk correcte beschrijving van de inhoud van het koffertje heeft gegeven (p. 3 aanvulling arrest, bewijsmiddel 3): ‘Hierop hoorde ik hem zeggen defensiepapieren, een camera en een plastic doosje.’
6.
Evenmin staat het sterker worden van enig ‘gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4])’ door het geven van de door het hof in de bewijsmotivering aangehaalde informatie (zie hiervoor, randnummer 4) gelijk aan het in de delictsomschrijving ten aanzien van verzoeker vereiste oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht. Volgens verzoeker zou dat slechts anders zijn, wanneer de informatie die hij verstrekt had de vorm van een bommelding zou hebben gehad — quod non. Bedoelde variant is namelijk de enige denkbare vorm waarin de redenatie van het hof sluitend zou zijn. En inderdaad ziet men uitsluitend die variant, waarin een bommelding wordt gedaan, terug in de gepubliceerde jurisprudentie.20.
7.
Het hof acht verder doorslaggevend voor het bewijs van het oogmerk (kennelijk door weerlegging van het hiervoor door ons met a aangeduide deel van de aan verzoeker toegeschreven verklaring) dat verzoeker ‘zodanige voorwerpen [heeft] uitgekozen en zodanig verpakt en achtergelaten in de eetzaal van gebouw 172 op de legerplaats bij [a-plaats] dat anderen (zoals [betrokkene 6], werkzaam als hondengeleider Explosieven) serieus rekening hielden (en konden houden) met de aanwezigheid van een echte bom, waardoor de EODD werd ingeschakeld en andere maatregelen werden getroffen’(arrest, p. 7).
8.
Het hof concludeert vervolgens:
‘Gelet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachte, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief’
(arrest, p. 7).
9.
Deze overwegingen (ook als deze in combinatie met de voorgaande overwegingen in het arrest worden gelezen) schieten te kort ter motivering van het bewezenverklaarde oogmerk van verzoeker. Immers, hierdoor wordt het oogmerk van verzoeker (grotendeels) gereconstrueerd aan de hand van het achtergelaten voorwerp (zie hiervoor, randnummer 7: zodanige voorwerpen uitgekozen / zodanig verpakt en achtergelaten). Door slechts in andere bewoordingen nogmaals het tenlastegelegde bestanddeel voorwerp en de pleegplaats van het feit te bespreken, ontbreekt het in de bewijsmotivering van het hof aan (inhoudelijke) argumenten waaruit het vereiste oogmerk van verzoeker is af te leiden. Anders gezegd: de overwegingen van het hof bevatten een cirkelredenering: ‘er is sprake van een voorwerp zoals bedoeld in de delictsomschrijving op de pleegplaats, dus er is oogmerk gelet op het voorwerp en de pleegplaats’. Dat klemt temeer nu oogmerk als regel een te ruime reikwijdte van een delictsomschrijving inperkt, wat ook bij art. 142a Sr noodzakelijk is om een (veel) te ruime reikwijdte van de strafbepaling te voorkomen.21.
10.
De benadering van het hof miskent tevens dat het oogmerk gericht moet zijn op ‘een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht’. Daarover stelt het hof (vrijwel) niets vast. Evenmin kan uit de bewijsmotivering van het hof worden afgeleid, dat en waarom verzoeker besefte of moet hebben beseft dat een en ander als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg met zich bracht dat een onder ten onrechte zou geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.22. Althans, uit het arrest blijkt niet dat het hof die formule heeft toegepast.
11.
Verzoeker signaleert in dat kader dat het hof in het midden laat waarom volgens zijn oordeel sprake is van ‘zodanige voorwerpen’ en ‘zodanige verpakking’ dat anderen rekening ‘konden houden’ met de aanwezigheid van een echte bom. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onduidelijk waarom het door anderen zoals [betrokkene 6] ‘serieus rekening houden met de aanwezigheid van een echte bom’ bij kan dragen aan het in de delictsomschrijving bij verzoeker vereiste oogmerk ‘een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht’. Immers niet blijkt, of dit als noodzakelijk gevolg van verzoekers handelen kan worden aangemerkt.23.
12.
Dat klemt temeer, nu de door het hof in zijn bewijsmotivering expliciet aangehaalde personen ([betrokkene 4], [betrokkene 6]) zonder uitzondering professionals zijn die, gelet op hun functie, bij hun inschatting van de situatie per definitie rekening houden met de aanwezigheid van een explosief. Dat vormt immers de reden waarom zij daar ter plaatse zijn. Die inschatting (van het aanwezig zijn van een explosief) is daardoor een gegeven en vormt geen reële afspiegeling van in hoeverre verzoeker moet hebben beseft dat als noodzakelijk door hem gewild gevolg een ander zal hebben gedacht dat sprake was van een voorwerp waardoor een ontploffing zou worden teweeggebracht. De door het hof in bewijsmiddel 2 gebruikte proces-verbaal illustreert dat punt, aangezien [betrokkene 2] volgens dat bewijsmiddel zelf niets bijzonders aan of rond de koffer zag, er gewoon gasten in de eetzaal aanwezig waren en [betrokkene 2] pas op verzoek van de TEV [betrokkene 4] overging tot ontruiming van de eetzaal. Ook hierdoor schiet de bewijsmotivering tekort.24.
13.
Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt derhalve niets, althans onvoldoende, over het oogmerk van verzoeker. De bewezenverklaring kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen en/of nadere bewijsmotivering worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.
Bewijsvoering is niet zonder meer begrijpelijk
14.
De bewijsvoering van het hof is bovendien niet zonder meer begrijpelijk op grond van het navolgende.
15.
Het hof overweegt in zijn arrest (p. 7) in de bewijsmotivering ter zake van het oogmerk dat verzoeker ‘zodanige informatie [heeft] gegeven dat het gevoel van dreiging (bij onder andere [betrokkene 4]) juist sterker werd’ en verder ‘dat anderen (zoals [betrokkene 6], werkzaam als hondengeleider Explosieven) serieus rekening hielden (en konden houden) met de aanwezigheid van een echte bom’ en ‘[g]elet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachte, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk een geïmproviseerd explosief’.
16.
Dit oordeel van het hof is niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring niet redengevende, althans daarmee tegenstrijdige informatie bevatten. Immers volgt daaruit (geciteerd voor zover relevant):
- a.
Bewijsmiddel 2: ‘Ik zag naast een tafel, tegen een plantenbak, een zogenoemde attache koffer staan. Ik zag verder geen bijzonderheden aan of rond de koffer. (…) Ik hoorde een mannenstem zeggen ‘met [verdachte], je belt zeker voor de koffer’ Ik heb toen gezegd dat dat inderdaad het geval was en dat ik graag wilde dat hij de koffer kwam ophalen omdat de koffer op dat moment als verdacht object werd beschouwd.’
- b.
Bewijsmiddel 3: ‘Vervolgens heb ik hem gevraagd naar de inhoud van de koffer. Hierop hoorde ik hem zeggen defensiepapieren, een camera en een plastic doosje.’
- c.
Bewijsmiddel 4: ‘Ik zag dat mijn diensthond tijdens het af zoeken van de plantenbak ook de attachekoffer af zocht. Ik zag aan mijn diensthond geen verandering van gedrag en zag niet dat hij geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof.
Naar aanleiding van de gedragingen van mijn diensthond waarin geen veranderingen waar te nemen waren en het feit dat mijn diensthond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof heb ik, [betrokkene 6], besloten de koffer aan een nader veiligheidsonderzoek te onderwerpen zonder diensthond. (…) Ik, [betrokkene 6], heb nog gevoeld hoe vast het tape zat aan de camera. Ik voelde dat er geen beweging in kwam. Hierop heb ik, [betrokkene 6], in samenspraak met de TEV, [betrokkene 4], het plaats incident te [sic!] verlaten. Ik heb besloten het plaats incident te verlaten, omdat er nog andere strijdmiddelen zijn waarmee een aanslag gepleegd kan worden, zoals chemische en biologische strijdmiddelen’ [onze onderstrepingen, advocaten].
- d.
Bewijsmiddel 5: ‘Door mij werd onderzoek verricht aan de op de eettafel aangetroffen goederen (…) Op basis van het door mij uitgevoerde forensisch onderzoek stel ik vast dat de koffer met inhoud zodanig in elkaar was gezet en achtergelaten, om te doen voorkomen als zijnde een geïmproviseerd explosief (nepbom)’.
17.
In de bewijsmotivering probeert het hof het oogmerk bij verzoeker te construeren door een wisselwerking te signaleren tussen het achtergelaten voorwerp en gevolgtrekkingen bij de betrokken verbalisanten. Echter, die overwegingen zijn zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk met name doordat de bewijsmiddelen daaraan op belangrijke punten geen steun bieden en/of innerlijk tegenstrijdig zijn.
18.
Ten eerste overweegt het hof dat ‘[g]elet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen (…) het niet anders [kan] zijn dan dat de verdachte (…) de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien (…) als geïmproviseerd explosief’. Echter blijkt uit bewijsmiddel 2 dat er niets opvallends was aan het achtergelaten koffertje, dit overigens in tegenstelling tot reguliere gevallen in de rechtspraak over art. 142a Sr.25. Het aangemerkt zijn als ‘verdacht object’ zoals blijkt uit bewijsmiddel 2 heeft kennelijk niets met de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die koffer te maken, maar slechts met het inroepen van de betrokken verbalisanten. Indien immers op dit moment sprake was van een object als bedoeld in art. 142a Sr, is onbegrijpelijk dat verzoeker het koffertje mocht komen ophalen.26. Daarmee is weer strijdig bewijsmiddel 5, volgens welk het koffertje met inhoud ‘zodanig in elkaar was gezet en achtergelaten, om te doen voorkomen als zijnde een geïmproviseerd explosief’.
19.
Ten tweede overweegt het hof dat het gevoel van dreiging bij [betrokkene 4] sterker werd door informatie die verzoeker gaf. Uit bewijsmiddel 3 blijkt echter dat verzoeker neutraal de inhoud van het koffertje heeft beschreven. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom deze informatie tot ‘gevoel van dreiging’ zou hebben geleid, en nog minder blijkt hoe deze beschrijving van de inhoud van het koffertje bijdraagt aan het vereiste oogmerk ‘een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht’. Evenmin blijkt dat door de informatie van verzoeker sprake is van toegenomen dreiging, omdat voorafgaand aan het telefoongesprek met verzoeker blijkens bewijsmiddel 2 al sprake was van een ‘verdacht object’, terwijl het na het telefoongesprek volgens bewijsmiddel 3 sprake was van een ‘verdachte situatie’. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom sprake zou zijn van toegenomen dreiging.
20.
Dat klemt temeer, omdat verzoeker logischerwijs, gelet op zijn rol als onderzoeksjournalist, geen (be)dreigende informatie heeft gegeven. Dit terwijl de modus operandi bij gevallen van art. 142a Sr zoals die uit de jurisprudentie blijken, is dat een achtergelaten voorwerp wordt vergezeld van een bommelding.27. In de bedoelde gevallen is volgens verzoeker het oogmerk zonder meer vast te stellen, maar een dergelijke situatie doet zich in het geval van verzoeker niet voor. Het was immers voor de journalistieke bedoeling van verzoeker wel nodig om een voorwerp mee te nemen dat bijvoorbeeld in een scanapparaat reden tot nader onderzoek zou geven, maar verzoeker had geen enkel belang bij het bijdragen aan een situatie waarin derden zouden (kunnen) denken dat sprake was van een explosief, en heeft zich voortdurend in lijn van die bedoeling gedragen.
21.
Ten derde overweegt het hof dat [betrokkene 6] serieus rekening hield (en kon houden) met de aanwezigheid van een echte bom. Daarmee is strijdig dat uit bewijsmiddel 4 blijkt dat zijn diensthond geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof en dat [betrokkene 6] blijkens zijn geverbaliseerde gedrag vervolgens geen rekening hield (en kennelijk hoefde te houden) met een ‘echte bom’. Ware dit anders, dan is de voor het bewijs gebezigde relatering dat hij aan de camera is gaan trekken, niet begrijpelijk. Daarnaast blijkt uit bewijsmiddel 4 dat [betrokkene 6] niet de locatie verliet omdat hij rekening hield met een ‘echte bom’, maar wel omdat er ‘andere manieren’ zijn om een aanslag te plegen dan met een explosief. De gevolgtrekking van het hof in de bewijsmotivering is daarmee in tegenspraak.
22.
Nu het hof deze vaststellingen en overwegingen mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat bewezen kan worden dat ‘[g]elet op de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen door verdachten, (…) het niet anders [kan] zijn dan dat de verdachte heeft beseft en ook de bedoeling heeft gehad dat de koffer met inhoud werd gezien zoals deze (door bijvoorbeeld [betrokkene 6]) werd gezien, namelijk als een geïmproviseerd explosief’, is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
23.
Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
Middel 3
Het recht is geschonden en/of de naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof in de bewijsmiddelen een foto heeft opgenomen zonder dat uit de bewijsconstructie is af te leiden waarom deze foto redengevend is voor het bewijs van het bewezenverklaarde. De bewezenverklaring is op grond hiervan niet naar de eis van de wet, althans onvoldoende, met redenen omkleed.
Toelichting op middel 3
1.
Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij een voorwerp, te weten een zwarte attaché koffer met daarin o.a. een nepbom heeft achtergelaten, zijnde een voorwerp als bedoeld in art. 142a Sr.
2.
Het hof heeft in zijn bewijsmotivering, op p. 5 van het arrest een foto opgenomen. Deze zelfde foto heeft het hof als bewijsmiddel 6 in de aanvulling op het arrest opgenomen, met de tekst:
‘Bijlage 2 bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte op pagina 0164, voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven - als bijlage 02 betreffende een foto:’
3.
Dit onderdeel van de bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd op grond van het navolgende.
4.
Doordat een foto an sich geen wettig bewijsmiddel is, wordt in de literatuur gesteld dat deze ‘slechts via de in de uitspraak gerelateerde eigen waarneming van de rechter tot het bewijs kan meewerken’.28.
5.
Uit de rechtspraak van Uw Raad volgt dat het gebruik van foto's als bewijsmiddel onder omstandigheden (ook) toegestaan kan zijn als het in de vorm van een bijlage van een wettig bewijsmiddel gebeurt (vgl. HR 8 juni 2004, NJ2004, 413). In de aangehaalde uitspraak achtte Uw Raad daarvoor relevant dat in het bedoelde ambtsedig proces-verbaal van de opsporingsambtenaren was gerelateerd dat zij bepaalde goederen met daarop neo-nazistische teksten en runentekens in beslag hadden genomen, alsmede dat zij die goederen hadden gefotografeerd. Uw Raad overwoog dat nu de door het hof gebruikte foto's duidelijk waarneembaar verschillende teksten te lezen en runentekens te zien zijn, het hof onder die omstandigheden niet uitdrukkelijk behoefde te overwegen dat het een en ander zelf had waargenomen.29.
6.
In het bestreden arrest is echter een bijlage gebruikt van het p-v van verhoor van verzoeker. De enige beschrijving die in dat p-v is te vinden van de door het hof gebezigde foto, luidt: ‘02. Foto van nepbom in koffer (zoals deze werd aangetroffen;’.30.
7.
In het arrest zoekt men tevergeefs naar een beschrijving van wat het hof meent waar te nemen op de voor het bewijs gebezigde foto en hoe dat steun biedt aan de bewezenverklaring. Het hof volstaat met de overweging:
‘In het dossier bevinden zich foto 's van de koffer met inhoud. Deze foto 's zijn besproken ter zitting van het hof. Onder meer is gesproken over de telefoon die blijkens de foto 's zich bevond in het plastic bakje. Eén van de besproken foto 's staat [sic!] pagina 0164 van het dossier’.31.
8.
Dat klemt temeer omdat de bewijsmiddelen die het hof bezigt en voor het overige in zijn bewijsmotivering aanhaalt, allerlei voorwerpen als inhoud van de koffer beschrijven die niet zijn te herkennen op de gebruikte foto. Bewijsmiddel 5 behelst een opsomming van een aantal van die voorwerpen die tezamen de inhoud van de koffer vormen, die het hof ook in de bewijsmotivering noemt.
9.
In afwijking van die opsomming is op de gebezigde foto geen zakmes, powerbank en dual wifi hotspot, nest camera, A4 enveloppe of 23 stuks A4 vellen te herkennen en is de foto in tegenspraak met de andere gebezigde bewijsmiddelen.32. Dit punt is essentieel voor de bewezenverklaring, aangezien het hof expliciet ‘de plaatsing, aard en wijze van verpakking van die voorwerpen’ door verzoeker betrekt bij de bewijsmotivering. Bij die stand van zaken had het hof bij het gebruik van de foto voor het bewijs in het arrest moeten toelichten wat de inhoud van die foto is en hoe dat steun biedt aan de bewezenverklaring.
10.
Nu het hof dat heeft nagelaten, is de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet, althans onvoldoende, met redenen omkleed.
11.
Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
Middel 4
Het recht is geschonden en/of de naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof bij zijn oordeel dat ‘veroordeling van verdachte […] niet in strijd [is] met art. 10 EVRM’ de toepasselijke maatstaf heeft miskend, en/of het oordeel van het hof ‘dat het door verdachte ingezette middel (namelijk het plaatsen van een nepbom), mede gelet op de gevolgen die het heeft gehad en het bestaan van alternatieven, veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Toelichting op middel 4
1.
Deel 1: Maatstaf miskend
2.
De vraag die het hof moet beantwoorden, is uiteindelijk of een veroordeling een ontoelaatbaar geachte beperking zou opleveren van het recht op vrije meningsuiting, omdat die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM. Het uitgangspunt bij die afweging voor het hof is het uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende gegeven dat journalisten (uitsluitend) onder bijzondere omstandigheden kunnen worden ontslagen van de in beginsel ook op hen rustende plicht de strafwetten na te leven (zie arrest, p. 9).
3.
Het hof citeert vervolgens de door Uw Raad in het arrest van 26 maart 2013 geïntroduceerde omstandigheden als het relevante kader voor de vraag naar de strafbaarheid van een bewezenverklaard feit wanneer door de verdachte journalist een beroep wordt gedaan op de journalistieke vrijheid van meningsuiting.33.
4.
Het hof neemt kennelijk als vaststaand aan dat verzoeker te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelde en betrouwbare en precieze informatie heeft gegeven in overeenstemming met de journalistieke ethiek nu het overgaat tot de toets van de hieronder onder randnummer 6 genoemde omstandigheden. Immers, volgens genoemd arrest van Uw Raad uit 2013 is de toets aan de relevante omstandigheden uitsluitend aan de orde als blijkt ‘(…) dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek (…)’.34.
5.
Omdat het hof de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting moest beoordelen, is vereist dat het er blijk van geeft (in ieder geval) aan elk van de door Uw Raad genoemde omstandigheden te hebben getoetst. Het hof heeft dat echter nagelaten, althans blijkt daarvan niet (expliciet) in het bestreden arrest (zie p. 8 e.v. van het arrest, onder het kopje Strafbaarheid van het feit), zodat de maatstaf uit het arrest van Uw Raad uit 2013 is miskend.
6.
Immers, uit het bedoelde arrest van Uw Raad blijkt dat onder meer gelet dient te worden op:
- a.
de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift;
- b.
het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan;
- c.
het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, en
- d.
de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.35.
7.
In het bestreden arrest heeft het hof in ieder geval nagelaten om te toetsen aan de omstandigheden sub a en c, althans blijkt daar niet van in het arrest, waardoor het de hiervoor aangehaalde maatstaf heeft miskend. In dat kader merkt verzoeker op dat de overwegingen van het hof over het bestaan van schade en de omvang daarvan, niet (tevens) kunnen fungeren als een impliciete toets van de ernst van de inbreuk op de rechtsorde (omstandigheid a).36.
8.
Het uitblijven van een toets aan alle relevante omstandigheden klemt temeer, aangezien volgens vaste rechtspraak van het EHRM de ruimte om het recht op vrijheid van meningsuiting te beperken klein is wanneer het gaat om onderwerpen die van algemeen maatschappelijk belang zijn (EHRM 21 januari 1999, NJ1999, 713 (Fressoz en Roire/Frankrijk).37. Een rechterlijk oordeel over de vraag of een beperking op het recht op vrije meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM, vergt daarom altijd een vaststelling of een journalistieke uiting een bijdrage kan leveren aan een debat over een maatschappelijk relevant onderwerp (en dus een toets van omstandigheid c).38.
9.
Het hof heeft daardoor de toepasselijke maatstaf miskend, althans zijn de aangevallen overwegingen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Deel 2: Toepassing van maatstaf niet begrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd
10.
Het hof legt aan zijn oordeel dat het door verzoeker ingezette middel ‘veel te zwaar en dus niet nodig was om de door verdachte genoemde doeleinden te bereiken’ onder andere ten grondslag ‘de gevolgen die het [middel] heeft gehad en het bestaan van alternatieven’ (zie p. 10 van het arrest).
11.
Volgens verzoeker zijn de overwegingen van het hof ter zake het bestaan van alternatieven zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
12.
Uit de rechtspraak van het EHRM39. en van Uw Raad40. volgt dat relevant is of de journalist die zich op artikel 10 EVRM beroept ter rechtvaardiging van het plegen van een strafbaar feit de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen voorbereiden (omstandigheid d, randnummer 6).
13.
De wijze waarop het hof aan deze omstandigheid heeft getoetst geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd op grond van het volgende.
14.
Het hof overweegt in zijn arrest dat verzoeker heeft verklaard dat zijn doel drieledig was:
‘Hij had aanwijzingen dat de beveiliging op legerterreinen in zijn algemeenheid nog steeds niet op orde was. Allereerst wilde hij daarom de beveiliging aan de poort testen. Ten tweede wilde hij de beveiliging op het terrein zelf testen. En tot slot wilde hij de opsporing nadien testen. Hiervoor was het meebrengen en achterlaten van de koffer met de door hem bewust gekozen inhoud noodzakelijk, aldus verdachte’
(arrest, p. 9).
15.
Het hof overweegt daarover als volgt:
‘Naar het oordeel van het hof waren er voor de verdachte minder vergaande alternatieven voorhanden, waarbij hij zijn doelstellingen zonder overtreding van artikel 142a Sr had kunnen realiseren. Minder vergaand, maar toch doeltreffend was bijvoorbeeld geweest als verdachte een geopende en daardoor zichtbaar lege koffer had achtergelaten met daarbij een briefje met de tekst ‘hier zit geen bom in, maar het had gekund’. Weliswaar had een dergelijke aanpak minder spannende televisie opgeleverd, maar dat is in het kader van het beroep op artikel 10 EVRM niet relevant. Ook het argument dat de koffer zekere materialen moest bevatten om zodoende ook een eventuele scan op het legerterrein te testen brengt niet met zich dat die materialen vervolgens op zo 'n wijze in de koffer moesten worden gerangschikt dat ze tezamen de indruk wekten van een bom. Bovendien verklaart het niet waarom die materialen daar in de koffer achtergelaten moesten worden’
(arrest p. 9).
16.
Naar het oordeel van verzoeker miskent het hof dat het bij de toets van deze omstandigheid niet gaat om de vraag of het hof zelf een journalistiek onderzoek op een andere manier zou hebben vormgegeven, maar of verzoeker de journalistieke doelen die door verzoeker — te goeder trouw — waren geformuleerd op andere wijze had kunnen voorbereiden.
17.
Dat klemt te meer, nu in de pleitnota in hoger beroep met zoveel woorden is bepleit dat (ook) dit punt niet in de weg staat aan toepassing van de journalistieke exceptie / toepassing van art. 10 EVRM. Zie randnummer 79 van de pleitnota in hoger beroep:
- ‘—
het is niet goed denkbaar hoe client de lekken en de haperende opsporing had moeten aantonen op een andere, minder vergaande wijze dan hij heeft gedaan;
- —
client heeft immers de juiste balans getracht te vinden tussen enerzijds het creëren van een situatie waarin daadwerkelijk kon worden ‘getest’ hoe zou worden gereageerd op het binnekomen van de basis, de aanwezigheid aldaar van onbevoegden, en het door hen achterlaten van een voorwerp en anderzijds het niet laten ontstaan van een werkelijk dreigende situatie;’
Door het hof is onvoldoende gereageerd op dit uitdrukkelijke onderbouwde standpunt.
18.
Verzoeker heeft ter terechtzitting toegelicht welke afwegingen voor het bereiken van zijn journalistieke doel ten grondslag lagen aan zijn handelen:
‘U vraagt mij waarom het hiervoor nodig was om — zoals u het noemt — een nepbom achter te laten en bijvoorbeeld geen lege koffer met daarin een briefje met ‘dit is een nepbom’.
Ik wilde onderzoek doen naar de vraag of zij te weten zouden komen wie er was geweest en ook de achterkant van de beveiliging vastleggen. Het was nodig om metalen voorwerpen in de koffer te stoppen om het scanapparaat te testen. Een lege koffer zou die vraag niet beantwoorden’.41.
19.
Volgens verzoeker is de ‘oplossing’ van het hof, een lege koffer met een briefje, ten enenmale ongeschikt om de beveiliging aan de poort en de beveiliging op het terrein te testen. Die beveiliging zou immers nooit getriggerd kunnen worden door een lege koffer. Het door het hof voorgestelde alternatief, zou zodoende niet dezelfde journalistieke doelen (kunnen) bereiken.
20.
In de rechtspraak van het EHRM ziet men dat alleen als het door de journalist omschreven doel op de alternatieve wijze evenzeer bereikt kan worden, bescherming van art. 10 EVRM zal ontbreken. Daarvoor is vereist dat uit de feiten van een zaak blijkt dat die alternatieven er daadwerkelijk waren
21.
In de zaak Mikkelsen en Christensen v. Denemarken werden journalisten vervolgd voor het kopen van illegaal vuurwerk, hetgeen zij hadden gedaan om aan te tonen dat de opsporing en vervolging van dergelijk handelen gebrekkig verliep. In die zaak merkte het EHRM op dat uit het dossier bleek dat de journalisten al toegang hadden tot in beslag genomen illegaal vuurwerk, dat hun precies dezelfde gegevens opleverde als het door hen zelf op illegale wijze verkregen vuurwerk. Daarom konden zij geen beroep doen op de bescherming van art. 10 EVRM.42.
22.
In de zaak Dammann v. Zwitserland had de journalist gegevens verkregen door uitlokking van schending van een ambtsgeheim, maar waren die gegevens ook bekend uit publieke bronnen, zodat vast kwam te staan dat er daadwerkelijk een minder vergaand alternatief voorhanden was voor het verkrijgen van de gegevens dan via het uitlokken van een strafbaar feit. Ook hierin was het oordeel omtrent het bestaan van alternatieven dus gebaseerd op de feitelijke situatie zoals die uit het dossier bleek.43.
23.
Ook in de nationale jurisprudentie ziet men de in randnummer 20 beschreven benadering terug. In de zaak die leidde tot HR 13 oktober 2015 oordeelde het hof op basis van de feitelijke gang zoals die kenbaar was uit de publicatie en de gang van zaken tijdens het onderzoek dat daaraan voorafging, dat het onderzoek ook zonder het verweten handelen — het vervalsen van een toegangspas — zou hebben aangetoond dat controles en beveiliging ondermaats waren en dus aan het onderzoeksdoel zou hebben beantwoord. Uw Raad liet dat oordeel in stand.44.
24.
In afwijking van de situatie in HR 13 oktober 2015, gaat het verzoeker in onderhavige zaak niet alleen om het verkrijgen van toegang tot het defensieterrein maar (met name) de beveiliging op het terrein en de opsporing achteraf (zie randnummer 14). Voor het bereiken van die journalistieke doelen was het meenemen en achterlaten van de koffer met inhoud noodzakelijk.
25.
Doordat het hof een alternatief formuleert dat niet voldoet aan de door haar tot uitgangspunt genomen onderzoeksdoelen van verzoeker, is haar oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
26.
Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
Middel 5
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM — de inzendingstermijn — in cassatie is overschreden.
Toelichting op middel 5
1.
Alhoewel blijkens de akte van cassatie op 24 oktober 2022 beroep in cassatie is ingesteld, zijn de stukken van het geding in onderhavige zaak eerst op 26 april 2024 ter griffie van Uw Raad ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, gelet op het bepaalde in HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358. Immers, die termijn bedraagt meer dan acht maanden. Dit behoort tot verlaging van de aan verzoeker opgelegde sanctie(s) te leiden.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door E.H.A. van Luijk en E.M. Witjens, advocaten te Rotterdam, die verklaren dat verzoeker hen daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
E.H.A. van Luijk
Rotterdam, 19 juli 2024
E.M. Witjens
Rotterdam, 19 juli 2024
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑07‑2024
Arrest hof, p. 3.
TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 23.
TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 23, p. 2.
TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 23, p. 2.
Niet alleen in de toelichting, ook in de bespreking van de Derde Nota van Wijziging door de vast commissie van Justitie tijdens een wetgevingsoverleg, worden het strafbaar stellen van het doen van een bommelding en het plaatsen van een nepbom in één adem genoemd. Zie ook TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 34, o.a. p. 5.
TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 23, p. 2.
TK 2003–2004, nr. 28 484 nr. 23, p. 2.
Opmerking Van Haersma Buma tijdens wetgevingsoverleg d.d. 3 juni 2004, TK 2003–2004 28484, nr. 34, p. 5 6: ‘Het in dit wetsvoorstel opnemen van de valse bommelding en het plaatsen van een nepbom markeert een belangrijke wending in het strafrecht. (…) Het wordt nog veel te vaak als een grap beschouwd om 112 te bellen voor een valse bommelding, terwijl het hele land erdoor ontregeld wordt.’
Ware dat anders, dan heeft de specifieke strafbaarstelling van het achterlaten van een nepbom in situaties zonder bommelding geen toegevoegde waarde.
Arrest, p. 3: ‘De vraag is dus kort gezegd of verdachte een voorwerp heeft achtergelaten dat (op het eerste gezicht) voor een bom door kan gaan.’
En die zelfs voorafgegaan werd door onderzoek van een hond die geen geurherkenning had van een hem aangeleerde explosieve stof.
Zie artikel 51 van de Criminal Law Act 1977 (UK), artikel 322-14 van de Code Pénal (Frankrijk) en paragrafen 145d en 126 van het Strafgesetzbuch (Duitsland).
Zie artikel 328 van het Belgische Strafwetboek.
Artikel 328 Strafwetboek.
Arrest, p. 6.
In middel 3 wordt de beoordeling van de inhoud van het voorwerp aangevallen, dat valt buiten het bestek van dit cassatiemiddel.
Het enige dat uit de bewijsmotivering blijkt, staat in bewijsmiddel 2: ‘Ik zag verder geen bijzonderheden aan of rond de koffer.’
Arrest hof p. 6.
Verzoeker gaat ervan uit dat het hof niet heeft beoogd uit bewijsmiddel 1 (aanvulling arrest, p. 1) het oogmerk van verzoeker af te leiden, nu uit de enkele bevestiging van het achterlaten van het voorwerp, niet blijkt dat verzoeker oogmerk had om ‘een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht.’
Vgl. Rb Almelo 1 mei 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:B W 4414 en Rb Overijssel 4 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1911.
Vgl. — mutatis mutandis — wat De Hullu en Van Kempen opmerken over de beperkende werking van oogmerk bij diefstal, De Hullu en Van Kempen, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 279.
Vgl. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:ZD1031.
Vgl. Rb Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 1 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1220, waarin het feit dat de Rb zich kon voorstellen dat een getuige was geschrokken toen hij zag dat de verdachte met de nepbom door het station liep en deze op het perron plaatste, voor de rechtbank — terecht — geen reden was om daar het oogmerk bij verdachte op te baseren.
Dat punt wordt des te pregnanter omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt, dat [betrokkene 6] serieus rekening hield met een echte bom, zoals hieronder in het tweede deel van het middel wordt besproken (zie met name randnummer 16).
Rb Rotterdam 20 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1630 (een onder een auto geplaatst pakketje dat zoveel mogelijk op een bom moest lijken); Rb Almelo 1 mei 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:B W 4414 (een aangepaste koffer met een knipperend lampje en draad); Rb Overijssel 4 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1911 (pakketjes met kenmerken die aan een bom doen denken zoals een klokje een stroomkabels); Rb Midden-Nederland 21 augustus 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3885 (met tape omwikkelde pakketten met daarop een digitale klok en waaruit rode en zwarte draden staken), en Rb Amsterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4165 (een dichtgeplakte doos waaruit elektriciteitsdraden uit de bovenkant steken, die op de doos (dus aan de buitenzijde) verbonden zijn met een knoopcelbatterij, een printplaatje en een schakelaar).
Bewijsmiddel 2: ‘(…) dat ik graag wilde dat hij de koffer kwam ophalen’.
Vgl. Rb Almelo 1 mei 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:B W 4414 en Rb Overijssel 4 juni 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1911.
Van Dorst en Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 335.
HR 8 juni 2004, NJ 2004, 413, r.o. 6.2.
Strafdossier, p. 162.
Arrest, p. 5.
Arrest, p. 4–5.
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5090.
Idem, r.o. 4.3.
Idem, r.o. 4.3.
Kennelijk heeft het hof met ‘de gevolgen die het middel heeft gehad’ het oog gehad op de omstandigheid ‘daadwerkelijk nadeel’, wat er ook zij van de gebezigde bewoordingen.
Zie het aangehaalde arrest, m.n. r.o. 45 sub iii.
Vgl. EHRM 7 februari 2012, nr. 40660/08, NJ 2013/250 (Von Hannover II v. Duitsland), m.n. r.o. 109: ‘An initial essential criterion is the contribution made by photos or articles in the press to a debate of general interest (see Von Hannover, cited above, § 60; Leempoel & S.A. ED. Ciné Revue, cited above, § 68; and Standard Verlags GmbH, cited above, § 46) [onze onderstreping, advocaten]’. Het betreft in deze zaak een afweging tussen art. 8 EVRM en art. 10 EVRM.
Zie met name EHRM 24 mei 2011, NJ 2012, 39 (Mikkelsen en Christensen vs. Denemarken).
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5690, r.o. 4.7.
P-V van de zitting d.d. 28 september 2022, p. 2.
EHRM 24 mei 2011, NJ 2012, 39 (Mikkelsen en Christensen v. Denemarken).
EHRM 25 april 2006, NJ 2007, 126 (Dammann v. Zwitserland).
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3057.