HR, 12-06-2018, nr. 16/05082
ECLI:NL:HR:2018:899
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-06-2018
- Zaaknummer
16/05082
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:899, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑06‑2018; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:500
ECLI:NL:PHR:2018:500, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑04‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:899
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑06‑2018
Partij(en)
12 juni 2018
Strafkamer
nr. S 16/05082
ARA/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 september 2016, nummer 21/002733-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2018.
Conclusie 17‑04‑2018
Nr. 16/05082 Zitting: 17 april 2018 | Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 16 september 2016 de verdachte in de zaak met parketnummer 16-652258-14 wegens: 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en in de zaak met parketnummer 16-659901-14 eveneens wegens 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/05084. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over het (in beide zaken) onder 1 bewezenverklaarde plegen van het opzettelijk telen van hennep. Volgens de steller van het middel kan de verdachte hooguit als medeplichtige worden aangemerkt. In het bijzonder klaagt het middel over de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel dat “de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren, ondersteunen”.
5. In het bestreden arrest heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:
“De raadsman heeft gesteld dat verdachte hooguit als medeplichtige bij de hennepkwekerijen kan worden aangemerkt, omdat verdachte alleen een deel van zijn toenmalige woning beschikbaar heeft gesteld aan derden voor het opzetten van de hennepkwekerijen. Verder heeft verdachte geen betrokkenheid bij de hennepkwekerijen gehad. De kwekerijen zijn door meerdere personen ingericht en de planten werden wekelijks door een andere persoon verzorgd. Deze lezing wordt volgens de raadsman ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1], de partner van verdachte, en [getuige 2].
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover dit betreft het plegen wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft tot twee keer toe bij de politie verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerijen. Daarbij heeft hij geen (namen van) andere personen genoemd die bij de hennepkwekerijen betrokken zouden zijn. Naar het oordeel van het hof ondersteunen de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren. Ook overigens is niet gebleken van betrokkenheid van één of meer andere personen bij de hennepkwekerijen. Dat betekent dat het hof telkens niet bewezen acht het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ onder primair in de feiten 1 en 2 onder de twee parketnummers, het telkens primair tenlastegelegde voor het overige bewezen acht en niet toekomt aan de onder de twee parketnummers onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten.”
6. Ik meen dat het hof het bewijsverweer hiermee geenszins onbegrijpelijk heeft verworpen.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG