Blijkens het aanvullend verzoekschrift in hoger beroep onder 9 en 63 bedraagt de totale schuldenlast ruim EUR 600.000,- en zijn deze schulden ontstaan uit de vroegere onderneming van [verzoekers]
HR, 12-09-2014, nr. 14/01984
ECLI:NL:HR:2014:2657, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
12-09-2014
- Zaaknummer
14/01984
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2657, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑09‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:578, Contrair
ECLI:NL:PHR:2014:578, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑06‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2657, Contrair
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑09‑2014
Inhoudsindicatie
WSNP van toepassing op echtelieden. Schending informatieplicht. Verlenging; onderscheid tussen beide echtelieden?
Partij(en)
12 september 2014
Eerste Kamer
14/01984
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
1. [verzoeker 1],
2. [verzoekster 2],
echtelieden;beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh.
Verzoekers zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers], en ieder afzonderlijk als [verzoeker 1] en [verzoekster 2].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummers C/14/12/157 R en C/14/12/158 R van de rechtbankNoord-Holland van 2 oktober 2013;
b. de arresten in de zaak 200.135.177 van het gerechtshof Amsterdam van 3 december 2013 (tussenarrest) en 8 april 2014 (eindarrest).
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden eindarrest van het hof Amsterdam van 8 april 2014 wat betreft [verzoekster 2].
[verzoeker 1] heeft bij brief van 3 juli 2014 op die conclusie gereageerd. Nu deze brief niet door tussenkomst van een advocaat aan de Hoge Raad is toegestuurd, zal de Hoge Raad daarop geen acht slaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 14 december 2010 zijn op eigen aangifte de faillissementen uitgesproken van [verzoekers]
(ii) Bij vonnis van 19 april 2012 heeft de rechtbank Alkmaar op verzoek van [verzoekers] hun faillissementen opgeheven en ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2
Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekers] ingevolge art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw tussentijds beëindigd zonder verlening van de schone lei op de grond dat [verzoekers] hun informatieplicht, bedoeld in art. 327 in verbinding met art. 105 Fw, niet naar behoren nakwamen.
Het hof heeft in zijn tussenarrest, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat het voor de hand ligt dat de activiteiten van de (destijds) nog minderjarige zoon van [verzoekers] – die zich bewogen op hetzelfde vlak als die van [verzoekers] in het verleden (de aardbeienteelt) en die niet direct gebruikelijk zijn voor een kind van die leeftijd – vragen zijn gaan oproepen bij de bewindvoerder en dat deze zich ervan wilde vergewissen dat daaruit geen inkomsten werden gegenereerd die aan de boedel dienen toe te komen. Het overwoog voorts dat [verzoekers] zich met betrekking tot de informatieverstrekking daaromtrent niet konden verschuilen achter de onwil van hun zoon (over wie zij destijds het ouderlijk gezag hadden) en dat dat zowel voor [verzoeker 1] als voor [verzoekster 2] geldt. (rov. 2.5) Ook de gang van zaken rond betrokkenheid van [verzoeker 1] bij twee door het hof genoemde ondernemingen riep vragen op en vergde een verdere verklaring in het belang van de boedel (rov. 2.6). Het hof oordeelde dat [verzoekers] waren tekortgeschoten in de nakoming van hun informatieplicht, maar het besloot, gelet op het grote belang van [verzoekers] bij voortduring van schuldsanering en de omstandigheid dat voorshands niet kon worden geconstateerd dat daadwerkelijk bedragen voor de boedel waren weggehouden, [verzoekers] nog een kans te geven alsnog afdoende informatie te verstrekken (rov. 2.7).
In het eindarrest heeft het hof als volgt geoordeeld. Het overwoog dat niet was gebleken dat [verzoekers] op dat moment nog informatie hadden achtergehouden en dat het voor de vraag was gesteld of uit de intussen beschikbare informatie afgeleid kon worden dat [verzoekers] de eigenlijke belanghebbenden waren bij de rond de bedrijfsmatige activiteiten van de zoon opgezette constructie, zij ook op dat moment nog de feitelijke zeggenschap hadden over de betrokken ondernemingen en of met die constructie was beoogd de opbrengsten uit die activiteiten buiten de schuldsaneringsregeling te houden om die naar [verzoekers] te doen toevloeien (rov. 2.5).
Het hof is tot de slotsom gekomen dat evenbedoelde vraag ten aanzien van [verzoekster 2] niet bevestigend kon worden beantwoord. Het hof herinnerde aan zijn oordeel in het tussenarrest dat ook [verzoekster 2] was tekortgeschoten in het verstrekken van informatie, maar was van oordeel dat deze tekortkoming geen tussentijdse beëindiging van de schuldsanering rechtvaardigde (rov. 2.6). Met betrekking tot [verzoeker 1] heeft het hof hem uiteindelijk met betrekking tot de evenbedoelde vraag het voordeel van de twijfel gegeven en het heeft beslist ook ten aanzien van hem de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering alsnog af te wijzen (rov. 2.7).
Gelet op de schending door [verzoekers] van hun informatieplicht – waaraan aanvankelijk niet en vervolgens moeizaam en in een laat stadium was voldaan – heeft het hof wel een verlenging van de schuldsaneringsregeling op haar plaats geacht en het heeft die verlenging bepaald op één jaar (rov. 2.8).
3.3
De in de middelen 1 en 2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.4.1
Middel 3 klaagt dat het hof, hoewel, gelet op hetgeen is overwogen in rov. 2.6. en 2.7 van het eindarrest, kennelijk een wezenlijk verschil bestaat tussen de beide schuldenaren waar het hun betrokkenheid bij de activiteiten van hun zoon betreft, ten aanzien van ieder van hen een even grote tekortkoming in de nakoming van de informatieplicht heeft aangenomen en ten aanzien van ieder van hen de termijn van de schuldsanering met één jaar heeft verlengd. Geklaagd wordt dat aldus in ongelijke gevallen dezelfde sanctie is toegepast, zonder dat het hof daarvoor een toereikende motivering heeft gegeven.
3.4.2
Het hof heeft, nadat het [verzoekers] in de gelegenheid had gesteld de schending van hun informatieplicht te herstellen, onderscheid gemaakt tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2] bij zijn oordeel over de mate van betrokkenheid bij de zakelijke activiteiten van de zoon en over de vraag of met de gehanteerde constructie werd beoogd aan de boedel toekomende gelden aan [verzoekers] te doen toekomen. Dit heeft voor beiden uiteindelijk geleid tot de gevolgtrekking dat er geen aanleiding bestond de schuldsanering te beëindigen. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof evenwel geen onderscheid tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gemaakt bij zijn daaraan voorafgaande en ook reeds in het tussenarrest neergelegde oordeel dat beiden hun informatieplicht hadden verzaakt. Het is dit oordeel waarin het hof aanleiding heeft gevonden de schuldsanering ten aanzien van beiden te verlengen.
Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 september 2014.
Conclusie 06‑06‑2014
Inhoudsindicatie
WSNP van toepassing op echtelieden. Schending informatieplicht. Verlenging; onderscheid tussen beide echtelieden?
Partij(en)
14/01984
Mr. L. Timmerman
Zitting 6 juni 2014
Conclusie inzake:
1. [verzoeker 1]
2. [verzoekster 2] e/v [verzoeker 1],
verzoekers tot cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1
Op 14 december 2010 zijn op eigen aangifte de faillissementen uitgesproken van verzoekers tot cassatie (gezamenlijk “[verzoekers]” en afzonderlijk “[verzoeker 1]” en “[verzoekster 2]”).
1.2
Bij vonnis van 19 april 2012 heeft de rechtbank Alkmaar op verzoek van [verzoekers] hun faillissement opgeheven en ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.1.
1.3
Bij vonnis van 2 oktober 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekers] tussentijds beëindigd zonder verlening van de schone lei ex art. 350 lid 3 sub c Fw op de grond dat [verzoekers] hun inlichtingenplicht ex art. 327 jo. art. 105 Fw niet naar behoren nakomen.
1.4
[verzoekers] zijn van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank bij het hof Amsterdam in hoger beroep gekomen.
1.5
Bij tussenarrest van 3 december 2013 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde [verzoekers] in de gelegenheid te stellen alsnog afdoende informatie te verstrekken.
1.6
De van [verzoekers] verlangde informatie heeft betrekking op activiteiten – het kweken van aardbeien – van de ten tijde van het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling minderjarige zoon van [verzoekers], [betrokkene 1] (“[betrokkene 1]”).
[verzoekers] hebben zich op het standpunt gesteld dat deze activiteiten slechts hobbymatig worden uitgevoerd en dat de (zeer geringe) inkomsten toekomen aan hun zoon. Vervolgens hebben achtereenvolgens de bewindvoerder, de rechter-commissaris, de rechtbank en het hof te kennen gegeven dat [verzoekers] in het kader van hun inlichtingenplicht volledige openheid van zaken moeten geven door inzichtelijk te maken wat er in de aardbeienteelt aan geldstromen omgaat, welke opbrengst hiermee gemoeid is en aan wie deze opbrengst ten goede komt (dit laatste onder andere met het oog op eventueel van [betrokkene 1] te vragen kostgeld).
Tevens moeten [verzoekers] inzichtelijk maken in hoeverre [verzoeker 1] betrokken is bij New Future CV (“de CV”) en bij Nardow Ltd. (“de Ltd.”). Ten tijde van zijn faillissement was [verzoeker 1] directeur van de Ltd., in welke hoedanigheid hij de CV had opgericht en vervolgens directeur van de CV werd. Vervolgens heeft [betrokkene 1] zijn activiteiten in de CV ondergebracht.
1.7
[verzoekers] hebben betoogd dat ten tijde van het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling de bewindvoerder op de hoogte was van de Ltd., de CV en de activiteiten van [betrokkene 1] en dat dit informatie van [betrokkene 1] betreft, op wie geen informatieplicht rust. De CV was door [verzoeker 1] opgericht om een voormalig werkneemster ([betrokkene 2]) te helpen haar activiteiten (tewerkstelling van mensen uit Polen) voort te zetten. De activiteiten van [betrokkene 1] (de aardbeienteelt en -verkoop) zijn om fiscale redenen in de CV ondergebracht. [verzoeker 1] is (aldus [verzoekers]) inmiddels niet meer betrokken bij de Ltd. en bij de CV en [verzoekster 2] is hier nooit bij betrokken geweest. [verzoeker 1] is (zo betoogt hij) niet actief (geweest) in de Ltd. en de CV om zich ten koste van de boedel te verrijken en er zijn nimmer gelden uit de Ltd. en de CV naar hem gegaan, hetgeen (aldus nog steeds [verzoeker 1]) uit de overgelegde stukken blijkt.
1.8
De bewindvoerder heeft betoogd dat [verzoekers] hem lange tijd onjuist hebben ingelicht over de activiteiten van [betrokkene 1], omdat deze niet slechts hobbymatig zijn, maar professionele vormen zijn gaan aannemen en vervolgens bedrijfsmatig in de CV zijn ingebracht. De bewindvoerder acht voorts onhoudbaar de stelling van [verzoekers] dat de CV als vriendendienst is opgericht. Hij vermoedt dat de CV is opgericht met het oog op de nieuwe toekomst van [verzoekers] en een constructie betreft om de activiteiten – en geldstromen richting sanieten – destijds voor de curator en thans voor de bewindvoerder verborgen te houden.
1.9
Het hof heeft bij tussenarrest (rov. 2.5, aangehaald in rov. 2.4 van zijn eindarrest) overwogen dat zeer voor de hand lag dat de bewindvoerder zich ervan wilde vergewissen dat uit de aardbeienteelt geen inkomsten worden gegenereerd die aan de boedel dienen toe te komen en dat evenzeer voor de hand lag dat de gang van zaken rond de Ltd. en de CV vragen opriep die in het belang van de boedel een verdere verklaring vergden. Bovendien betreft het activiteiten die op hetzelfde vlak liggen als de activiteiten van [verzoekers] in het verleden: het kweken of telen van gewassen. Waar het gaat om informatieverstrekking kunnen [verzoekers] zich niet verschuilen achter onwil van hun zoon. Het ging om een minderjarig kind waarover zij het ouderlijk gezag hadden en zij hadden zich dienen te realiseren dat de schuldsaneringsregeling voor hen verantwoordelijkheden en vergaande informatieverplichtingen meebrengt. Dit geldt niet alleen voor [verzoeker 1], maar ook voor [verzoekster 2].
Evenals de rechtbank heeft het hof (bij tussenarrest) geoordeeld dat [verzoekers] zijn tekortgeschoten in hun informatieplicht, maar hun gelet op hun evident grote belang bij het voortduren van de schuldsanering nog een kans gegeven alsnog afdoende informatie te verstrekken.
1.10
Bij eindarrest van 8 april 2014, nadat [verzoekers] nadere informatie hadden verstrekt, heeft het hof geoordeeld (in rov. 2.5) dat niet gebleken is dat [verzoekers] thans nog informatie hebben achtergehouden. De thans te beantwoorden vraag is of uit de beschikbare informatie, bezien in het licht van de gang van zaken tot nu toe, afgeleid kan worden dat [verzoekers] de eigenlijke belanghebbenden bij de opgezette constructie zijn en (ook nu nog) de feitelijke zeggenschap hebben over de Ltd. en/of de CV en dat met de constructie is beoogd de revenuen van deze entiteiten buiten de schuldsaneringsregeling te houden en uiteindelijk naar [verzoekers] te doen toevloeien.
1.11
Ten aanzien van [verzoekster 2] overweegt het hof (in rov. 2.6 van zijn eindarrest) dat voornoemde vraag niet bevestigend beantwoord kan worden. Bij de beoordeling dient onderscheid te worden gemaakt tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2]. Voor [verzoekster 2] geldt dat zij geen formele betrokkenheid heeft gehad bij de Ltd. en de CV en concrete aanwijzingen voor informele betrokkenheid in bovengenoemde zin zijn er niet. Zij is weliswaar tekortgeschoten in het verstrekken van informatie betreffende de activiteiten van [betrokkene 1], maar dit tekortschieten is onvoldoende om tussentijdse beëindiging van de schuldsanering te rechtvaardigen. In andere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is zij niet tekortgeschoten.
1.12
Ten aanzien van [verzoeker 1] overweegt het hof (in rov. 2.7 en 2.8 van zijn eindarrest) als volgt:
“2.7. […] Feit is dat ook het hof van oordeel is dat de constructie de nodige vragen oproept. De (internationale) opzet van de CV, de wijze van financiering (de stille vennoot draagt slechts € 250,- bij) en de toedeling van bevoegdheden aan [verzoeker 1] lijken als constructie voor een vriendendienst nogal ver te gaan, zeker waar het gaat om iemand ([betrokkene 2]) die – zij het mogelijk met enig uitstel – zelf een bedrijf had kunnen opzetten. Daarnaast wekken de door de bewindvoerder gesignaleerde kwesties als het gebruikmaken binnen de CV van het mailadres van [verzoeker 1] maar van een ander postadres en de overeenstemming van de bedrijfsactiviteiten van de CV met de voormalige activiteiten van [verzoeker 1] de indruk van nauwere betrokkenheid van [verzoeker 1] dan er volgens hem is en dit geldt ook voor het aanvankelijk aanblijven van [verzoeker 1] als directeur van de Ltd. Anderzijds is niet buiten twijfel dat de uitleg die [verzoeker 1] aan een en ander geeft niet klopt. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat er daadwerkelijk bedragen voor de boedel worden weggehouden. Het door de bewindvoerder uitgesproken vermoeden kan juist zijn, maar meer dan een vermoeden is het niet. Alles afwegend en de zwaarwegende gevolgen die tussentijdse beëindiging van de schuldsanering voor [verzoeker 1] zal hebben in ogenschouw nemend, zal het hof [verzoeker 1] het voordeel van de twijfel geven en ook ten aanzien van hem de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog afwijzen.
2.8.
Het hof heeft in het tussenarrest schending van de informatieplicht door [verzoekers] geconstateerd. De noodzakelijk geachte informatie is eerst niet en vervolgens moeizaam en in een zeer laat stadium overgelegd. Reeds is overwogen dat daaraan niet de sanctie van beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt verbonden. Tegen voormelde achtergronden, acht het hof wel een verlenging van de schuldsaneringsregeling op zijn plaats. Het hof zal deze verlenging bepalen op een jaar.”
1.13
Gezien het voorgaande vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank van 2 oktober 2013 en opnieuw rechtdoende:
- wijst de voordracht tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verlengt de duur van de schuldsaneringsregeling met een jaar, derhalve tot 19 april 2016;
- verstaat dat de rechtbank te zijner tijd bij gelegenheid van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog zal bepalen of aan [verzoekers] de zogenoemde schone lei wordt verleend.
1.14
[verzoekers] zijn van voornoemde arresten bij verzoekschrift, op 16 april 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
Het verzoekschrift in cassatie bevat drie middelen, aangeduid als middelen 1-3. Aangezien middel 3 het meest verstrekkend is, zal ik dit als eerste behandelen. Daarna zal ik ingaan op middelen 1 en 2.
2.2
Middel 3 is gericht tegen rov. 2.6 en 2.7 van het eindarrest van het hof, waarin het hof (zoals hierboven al aangegeven) ingaat op de vraag (in rov. 2.5 van zijn eindarrest) naar de betrokkenheid van [verzoekers] bij de Ltd. en/of bij de CV en of hiermee beoogd is inkomsten buiten de schuldsaneringsregeling te houden.
2.3
Het hof overweegt in rov. 2.6 in navolging van [verzoekers] terecht dat bij deze beoordeling onderscheid moet worden gemaakt tussen [verzoeker 1] en [verzoekster 2]. In het algemeen heeft te gelden dat ingevolge art. 63 jo. 313 Fw in geval van een in gemeenschap van goederen gehuwde schuldenaar of een schuldenaar die in gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is aangegaan, de schuldsaneringsregeling van deze schuldenaar als schuldsaneringsregeling van de gemeenschap wordt behandeld en daarmee ook het vermogen van zijn of haar partner aangaat. De schuldsaneringsregeling heeft belangrijke gevolgen voor het inkomensniveau van de schuldenaar en daarmee ook voor diens huishouding en legt hem talloze verplichtingen op die mede zijn of haar partner kunnen aangaan.2.Met het oog hierop bepaalt art. 3.1.2.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken dat indien een verzoekschrift is ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door een verzoeker die in gemeenschap van goederen is gehuwd of in gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is aangegaan, de rechtbank deze verzoeker erop wijst dat het raadzaam is dat de (huwelijks)partner tevens een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indient.3.
2.4
De gemeenschap van goederen brengt echter niet mee dat indien beide partners een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen, hun verzoek als één verzoek wordt beoordeeld; ten aanzien van ieder van hen moet individueel worden bezien of er voldoende aanleiding bestaat tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 juni 20044.weergegeven uitgangspunt van een individuele beoordeling kan meebrengen dat voor de ene echtgenoot de schuldsanering geldt, terwijl ten aanzien van de andere echtgenoot het faillissement wordt uitgesproken. In geval van een gemeenschap van goederen leidt deze samenloop (aldus de Hoge Raad in rov. 3.6) tot de moeilijkheid dat zowel het faillissement (art. 63 Fw) als de schuldsaneringsregeling (art. 63 jo. 313 Fw) mede die gemeenschap omvat. Het uitgangspunt van een individuele beoordeling leidt ertoe aan te nemen dat in een zodanig geval het faillissement en de schuldsaneringsregeling naast elkaar kunnen bestaan en kunnen worden afgewikkeld. Ten aanzien van de vereffening van de gemeenschappelijke boedel heeft de afwikkeling van het faillissement dan voorrang omdat dit is uitgesproken ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde, terwijl de schuldsanering met name het belang dient van degene wiens schulden worden gesaneerd.5.In de schuldsanering kan dus pas tot vereffening van de gemeenschappelijke boedel worden overgegaan nadat het faillissement van de andere echtgenoot is beëindigd, hetgeen in de praktijk vrijwel altijd zal betekenen dat op die gemeenschappelijke boedel in de schuldsanering geen verhaal kan worden genomen. Dit vormt echter geen beletsel om (aldus nog steeds de Hoge Raad) tot schuldsanering te besluiten of de afwikkeling daarvan voort te zetten voor zover dat laatste, gelet op het faillissement van de andere echtgenoot, mogelijk is.6.
2.5
In casu zijn [verzoeker 1] en [verzoekster 2] niet in gemeenschap van goederen gehuwd, maar onder huwelijkse voorwaarden. Uit de kop van de processtukken van de rechtbank en van het hof en uit de kop van de verzoekschriften in hoger beroep blijkt dat zij met elkaar gehuwd zijn (“e/v”). Uit het aanvullend verzoekschrift in hoger beroep onder 6 blijkt dat zij onder huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Het ligt voor de hand aan te nemen dat indien de beide verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van in gemeenschap van goederen gehuwde schuldenaren individueel beoordeeld moeten worden, dit des te meer geldt voor beide verzoeken van onder huwelijkse voorwaarden gehuwde schuldenaren (alsook van schuldenaren die onder huwelijkse voorwaarden een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan).7.
2.6
Tevens ligt het voor de hand om in dit verband geen onderscheid te maken tussen een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling enerzijds en een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de schone lei anderzijds.8.
2.7
Zoals hierboven al aangegeven, overweegt het hof ten aanzien van [verzoekster 2] in rov. 2.6 van zijn eindarrest dat zij geen formele betrokkenheid heeft gehad bij de Ltd. en de CV en dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor informele betrokkenheid in bovengenoemde zin. [verzoekster 2] is (aldus het hof) weliswaar tekortgeschoten in het verstrekken van informatie betreffende de activiteiten van [betrokkene 1], maar dit tekortschieten is onvoldoende om tussentijdse beëindiging van de schuldsanering te rechtvaardigen. In andere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is zij niet tekortgeschoten.
Vervolgens wijdt het hof in rov. 2.7 van zijn eindarrest enkele overwegingen aan de betrokkenheid van [verzoeker 1], zonder daarbij verder nog in te gaan op de betrokkenheid van [verzoekster 2], geeft het hof [verzoeker 1] uiteindelijk het voordeel van de twijfel en oordeelt het hof in rov. 2.8 dat hij “tegen voormelde achtergronden” niet de sanctie van beëindiging, maar wel een verlenging van de schuldsaneringsregeling op zijn plaats acht en bepaalt hij deze ten aanzien van [verzoekers] op een jaar.
2.8
In het licht van het voorgaande klaagt middel 3 mijns inziens terecht dat het hof enerzijds de betrokkenheid van [verzoekster 2] respectievelijk [verzoeker 1] verschillend beoordeelt (geen betrokkenheid respectievelijk vermoeden van betrokkenheid), maar anderzijds hun dezelfde sanctie van verlenging met een jaar oplegt. Deze beslissing van het hof is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd9., zodat het middel tot cassatie moet leiden.
2.9
Middel 1 klaagt dat het hof in rov. 2.7 van zijn tussenarrest ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verzoekers] zijn tekortgeschoten in hun informatieplicht, omdat (aldus het middel) de informatie zag op een derde ([betrokkene 1]) en het hof geen toerekenbare tekortkoming heeft vastgesteld.
2.10
Het middel kan niet slagen bij gebrek aan belang, omdat het hof in rov. 2.5 van zijn eindarrest heeft geoordeeld dat niet gebleken is dat [verzoekers] thans nog informatie hebben achtergehouden.
Ten overvloede merk ik op dat het middel mijns inziens evenmin op inhoudelijke gronden kan slagen, omdat het gegeven dat de informatieplicht van [verzoekers] informatie van een derde betreft, er gezien de omstandigheden van deze zaak niet aan afdoet dat van [verzoekers] kan worden verlangd dat zij deze informatie verstrekken.
2.11
Middel 2 is gericht tegen rov. 2.8 van het eindarrest van het hof, waarin het hof (zoals al aangegeven) niet tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, maar tot verlenging heeft geoordeeld. Het middel betoogt dat [verzoekers] met deze verlenging bestraft worden, terwijl (aldus het middel) de mogelijkheid van verlenging ex art. 349a Fw niet als straf bedoeld is, maar om – mede ten behoeve van de schuldeisers – de schuldenaar de gelegenheid te geven een verzuim te herstellen en dat niet blijkt van een verzuim dat binnen een jaar hersteld kan worden. Tevens klaagt het middel dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is.
2.12
Het betoog van het middel is ontleend aan de parlementaire geschiedenis10., waarin inderdaad is opgemerkt dat de schuldsaneringsregeling geen strafregeling is, maar een regeling mede ten behoeve van de schuldeisers, om alsnog zoveel mogelijk baten voor de boedel te verzamelen. Is (aldus de parlementaire geschiedenis) de schuldenaar daar niet toe in staat, zonder dat dit hem is toe te rekenen, dan heeft het uitzitten van de wettelijke schuldsaneringstermijn geen zin en moet verlening van de schone lei eerder mogelijk zijn.
Het bestreden oordeel van het hof is mijns inziens niet in strijd met de parlementaire geschiedenis en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Niet gebleken is dat [verzoekers] niet langer baten voor de boedel kan (kunnen) verzamelen en dat dus de schuldeisers niet bij de verlenging gebaat zijn. Voorts is voor verlenging niet vereist dat er een duidelijk en concreet verband is tussen de termijn van de verlenging en het verzuim. Daarbij komt dat de bevoegdheid van de rechter tot verlenging ex art. 349a Fw een discretionaire bevoegdheid betreft, waarbij de rechter een grote beslissingsvrijheid heeft. Het – feitelijke – oordeel tot verlenging leent zich dan ook niet voor toetsing in cassatie, zodat het middel faalt.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden eindarrest van het hof Amsterdam van 8 april 2014 voor wat betreft [verzoekster 2].
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
L. Timmerman
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑06‑2014
MvT, Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 34; R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, 2013, p. 372 en 375; Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9030a; H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 23.In geval enige gemeenschap ontbreekt, is weliswaar geen sprake van een schuldsaneringsregeling van de gemeenschap, maar is de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de ene persoon toch niet helemaal zonder gevolgen voor de andere echtgenoot of geregistreerde partner, zie art. 61 jo. 313 Fw en R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, 2013, p. 372 en 375.Zie ook voor de consequenties voor de mogelijk drie te onderscheiden boedels (de gemeenschap, het privévermogen van de vrouw en het privévermogen van de man): InsR5., A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, p. 56 en met betrekking tot het vtlb (vrij te laten bedrag) p. 56 en 57; H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 97-101 (met verschillende situaties van een gemeenschap van goederen).
Art. 3.1.2.2 Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken van het LOVC (Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Civiele sectoren) (versie per 1 januari 2013); Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9030a.
HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933. Aan deze uitspraak van de Hoge Raad gingen vooraf HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3648 en HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, waarin de Hoge Raad terugkwam van zijn arrest van 12 mei 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA5776), waarin in geval van een gemeenschap van goederen in plaats van een individuele beoordeling tot een gezamenlijke, gelijkluidende beoordeling werd beslist. Het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2004 is naderhand bevestigd in HR 12 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR1243) en (impliciet) in HR 13 november 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ8339, art. 81 RO). Zie voor een en ander ook: R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, 2013, p. 225, 226, 375 en 376; Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9030b; H.H. Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 23 en 24 (met verwijzing in voetnoot 17 naar uitspraken in lagere instanties).
In InsR5., A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, p. 55 wordt deze overweging van de Hoge Raad als volgt verwoord: “De HR schrijft voor dat eerst de curator van de ene echtgenoot het faillissement afwikkelt. Zolang dat faillissement loopt, zullen ook de aflossingen van de ene echtgenoot in de Wsnp, in het faillissement van de andere echtgenoot vallen. Eerst na de beëindiging van het faillissement kan de schuldsanering (na drie jaar) verder worden afgewikkeld.”
Het door de Hoge Raad voorgeschreven uitgangspunt van een individuele beoordeling kan (ondanks zijn overweging ten overvloede in rov. 3.6 van zijn onder 2.4 hierboven aangehaalde arrest van 4 juni 2004) in de praktijk tot complicaties leiden, bijvoorbeeld indien een van de echtgenoten de schone lei verkrijgt en de ander niet en verhaal van gemeenschapsschulden op de gemeenschap van goederen mogelijk blijft. Zie: InsR5., A.J. Noordam (red.), Schuldsanering (ex-)ondernemers, 2013, p. 54-56; Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9030b; par. 10 van de noot van Wessels onder HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144; par. 2 van de noot van Van Schilfgaarde onder HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933. Zie ook Rb. Almelo 5 april 2011, ECLI:NL:RBALM:2011:BQ5834, waarin de rechtbank – in afwijking van de door de Hoge Raad voorgeschreven individuele benadering – oordeelde dat nadat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van de ene echtgenoot was afgewezen, de andere (in gemeenschap van goederen gehuwde) echtgenoot geen belang meer had bij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, omdat de door haar te verkrijgen schone lei als het ware zonder betekenis zou zijn, zodat ook haar verzoek werd afgewezen.
Zie in gelijke zin: R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, NIBE Bankjuridische Reeks, nr. 36, 1998, p. 35 en 36, die ervoor pleit om geen onderscheid te maken tussen echtgenoten die enerzijds wel en anderzijds niet in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, omdat ook in het laatste geval de andere echtgenoot door de faillietverklaring of schuldsaneringsregeling ten aanzien van zijn of haar partner in het (eigen) vermogen getroffen wordt en in geval van faillissement zelfs – indien de rechter het vtlb (vrij te laten bedrag) aan de hand van het gezinsinkomen bepaalt – als het ware voor de boedel werkt. Zie ook: Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9030a.
Zie in gelijke zin: R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, 2013, p. 375 en 376.
In het kader van de motiveringsplicht van de rechter in dit verband verwijs ik naar rov. 3.5.3 van de Hoge Raad in zijn arrest van 15 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9144 (hierboven al aangehaald in voetnoot 4) dat art. 63 Fw, dat bepaalt dat het faillissement van een persoon die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd als faillissement van die gemeenschap wordt behandeld, niet zo ver gaat dat een dergelijk faillissement van rechtswege ook het faillissement van de andere echtgenoot meebrengt. De omstandigheid dat de ene in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot in staat van faillissement wordt verklaard, vormt (aldus de Hoge Raad) derhalve niet een toereikende motivering voor het oordeel dat ook ten aanzien van de andere echtgenoot grond bestaat voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c Fw.
Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 53 en 89.