De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.5:5 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.5
5 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948033:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
508. Dit hoofdstuk ging over de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen in verhouding tot gemeenschappelijke verkrijgingen met een element van erfrecht of gift. Daarbij hebben drie situaties centraal gestaan, te weten (i) de uitbreiding van een aandeel in een gemeenschappelijk goed, (ii) de gemeenschappelijke verkrijging van een goed door de echtgenoten zelf, en (iii) de verdeling van een gemeenschappelijke verkrijging krachtens erfrechtelijke titel en gift. Met betrekking tot de eerste situatie (uitbreiding) is duidelijk geworden dat wanneer men het geldend recht volgt, het ene aandeel van een echtgenoot in een gemeenschappelijk goed in de huwelijksgemeenschap kan vallen, en het andere aandeel in hetzelfde goed erbuiten. Aldus kan het gebeuren dat dezelfde zaak of hetzelfde vermogensrecht deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap valt. Dit gevolg kan niet met een beroep op het goederenrechtelijk eenheidsbeginsel worden vermeden. Gaat men van de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap uit, dan is het niet mogelijk dat een goed deels wel en deels niet tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Dat komt doordat iedere deelgenoot de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht als zodanig (‘als geheel’) heeft verkregen, en een aandeel in een gemeenschappelijk goed géén vermogensrecht sui generis is dat als afzonderlijk goed tot het vermogen van een deelgenoot behoort. Vindt vervolgens een uitbreiding van het aandeel van een deelgenoot plaats, dan wordt er géén (nieuw) goed verkregen, maar wordt slechts het (absolute) effect van de eerdere(!) verkrijging van dat goed met absolute werking gewijzigd, met name waar het de gerechtigdheid tot de waarde van dat goed betreft. Omdat er in dergelijke gevallen geen (nieuw) goed verkregen wordt, kan (en hoeft) er ook niet opnieuw aan boedelmenging getoetst te worden. Dit alles geldt ongeacht krachtens welke titel of ten laste van welk vermogen de uitbreiding heeft plaatsgevonden.
509. Wat betreft de tweede situatie (gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten zelf) is in dit hoofdstuk geconcludeerd dat wanneer men het geldend recht volgt, het ook in dat geval mogelijk is dat een goed deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap valt. Dat geldt dan ongeacht of het een gelijktijdige of niet-gelijktijdige gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten betreft. Conform geldend recht zal immers per afzonderlijk aandeel beoordeeld moeten worden of dit in de huwelijksgemeenschap valt of niet. Dat geldt óók wanneer de tegenprestatie voor de verkrijging van het aandeel van één of beide echtgenoten bij die verkrijging voor meer dan de helft ten laste van diens eigen vermogen is gekomen. Er is in dergelijke gevallen naar geldend recht onvoldoende reden om artikel 1:95 lid 1 BW niet toe te passen op de verkrijging van ieder afzonderlijk aandeel. Volgt men de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap, dan is het (ook hier) niet mogelijk dat een gemeenschappelijk door de echtgenoten verkregen goed deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap valt. Dat komt doordat ieder van de echtgenoten bij zijn of haar verkrijging de gemeenschappelijke zaak of het gemeenschappelijke vermogensrecht ‘als zodanig’ (‘als geheel’) verkrijgt. Daardoor dient bij iedere verkrijging beoordeeld te worden of de betreffende zaak of het betreffende vermogensrecht als zodanig in of buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen (en dus niet een afzonderlijk aandeel in dat goed, dat als afzonderlijk goed kwalificeert). Dat geldt ongeacht of het een gelijktijdige of niet-gelijktijdige gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten betreft. Bestaat bij een van de echtgenoten een belemmering om het goed van zijn zijde krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap te laten vallen, dan kan de betreffende zaak of het betreffende vermogensrecht niet door beide echtgenoten krachtens boedelmenging worden herverkregen, en valt dit als geheel buiten de huwelijksgemeenschap waarin zij zijn gehuwd. Dit moet bij iedere nieuwe verkrijging van het goed opnieuw worden getoetst. Daarbij geldt dan wel dat bij een gelijktijdige gemeenschappelijke verkrijging door de echtgenoten artikel 1:95 lid 1 BW géén belemmering voor de werking van boedelmenging kan vormen. Dat komt doordat het goed reeds vóór de werking van boedelmenging gemeenschappelijk door de echtgenoten is verkregen, zodat er onvoldoende rechtvaardiging bestaat om nog via artikel 1:95 lid 1 BW in de werking van boedelmenging in te grijpen. Om diezelfde reden zal artikel 1:95 lid 1 BW bij een niet-gelijktijdige gemeenschappelijke verkrijging alléén bij de verkrijging door de eerste echtgenoot een rol spelen. Alleen bij de eerste verkrijging dient beoordeeld te worden of de betreffende zaak of het betreffende vermogensrecht op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Bij de daaropvolgende tweede verkrijging door de andere echtgenoot speelt artikel 1:95 lid 1 BW dan geen rol meer.
510. De derde situatie die in dit hoofdstuk aan de orde is gekomen, betrof de verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschappelijk goed in verhouding tot de gevolgen voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen. Daarbij zijn die gevolgen vanuit zowel de translatieve als de declaratieve werking van de verdeling beschreven. In beide gevallen is het uitgangspunt dat ieder goed bij de verdeling als geheel wordt verkregen. Bij een verdeling is het dus niet mogelijk dat dezelfde zaak of hetzelfde vermogensrecht deels in en deels buiten de huwelijksgemeenschap valt (anders dan in de twee hiervoor beschreven situaties). Omdat in zowel de translatieve als de declaratieve opvatting sprake is van een nieuwe verkrijging van een goed (althans naar huidig recht) moet in beide gevallen worden getoetst of het door verdeling verkregen goed in de huwelijksgemeenschap valt of niet. Bij de translatieve werking van de verdeling is iedere verkrijging krachtens verdeling er een krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. In de declaratieve werking van de verdeling is de verkrijging er een krachtens dezelfde titel als waaronder de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld dit goed vóór de verdeling hield/had verkregen. Dat betekent dat in de declaratieve opvatting de door verdeling verkregen goederen eerder buiten de huwelijksgemeenschap zullen vallen, met name als het een beperkte huwelijksgemeenschap betreft. Een en ander heeft vervolgens ook gevolgen voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW op de verkrijging krachtens verdeling. Dat komt doordat artikel 1:95 lid 1 BW uitsluitend als een uitzondering op de werking van boedelmenging kwalificeert. In de declaratieve werking van de verdeling zal een goed in veel gevallen reeds vanwege haar verkrijgingstitel van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. In dat geval zal het goed dus altijd buiten de huwelijksgemeenschap vallen, óók als bij de verdeling de tegenprestatie voor de verkrijging van het goed voor meer dan de helft ten laste van het vermogen van de huwelijksgemeenschap is gekomen. In de translatieve werking van de verdeling heeft artikel 1:95 lid 1 BW wél volop werking. In dat geval kwalificeert iedere verkrijging als een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’, zodat het bij de verdeling verkregen goed in beginsel onder de werking van boedelmenging valt. Dat geldt ook als het de verdeling van een krachtens erfrechtelijke titel of schenking gemeenschappelijk verkregen goed betreft. Vervolgens zal op basis van artikel 1:95 lid 1 BW getoetst moet worden of het krachtens verdeling verkregen goed alsnog van de huwelijksgemeenschap is uitgezonderd.
511. Dit alles ligt dan weer anders wanneer aan de oorspronkelijke gemeenschappelijke verkrijging een in- of uitsluitingsclausule verbonden. In dat geval werken deze clausules op grond van hun ‘goederenrechtelijk effect’ ook bij een daaropvolgende verkrijging krachtens verdeling door. Voor een uitsluitingsclausule geldt vervolgens dat de werking hiervan niet door artikel 1:95 lid 1 BW kan worden doorbroken. Ook hier staat het beperkte karakter van artikel 1:95 lid 1 BW daaraan in de weg. Bovendien heeft een uitsluitingsclausule dwingende werking. Bij een insluitingsclausule ligt dat anders. Op grond van een insluitingsclausule valt het door verdeling verkregen goed juist ín de huwelijksgemeenschap, zodat artikel 1:95 lid 1 BW – als uitzondering op de werking van boedelmenging – juist wél gelding heeft. Bovendien heeft een insluitingsclausule geen dwingende werking. Dat betekent dat de werking van een insluitingsclausule bij een verdeling wél door handelen van de echtgenoten zelf of derden (de andere deelgenoten) kan worden doorbroken.