NJB 2025/2093:Vorderingen benadeelde partijen in Mallorcazaak over uitgaansgeweld waarbij een slachtoffer is overleden: Hoofdelijke aansprakelijkheid, art. 6:166 lid 1 BW: de hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de betreffende groep behorende personen aan te spreken. De regeling van art. 6:166 BW voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Voor groepsaansprakelijkheid is niet vereist dat de verdachte de gelegenheid had maar niet heeft benut, de andere leden te ‘weerhouden’ van hun bijdrage aan het geweld. Vererving immateriële schade aan nabestaanden. In het geval dat een slachtoffer door een (gewelds)delict direct het bewustzijn heeft verloren en vervolgens is overleden, zonder nog op enig moment bij bewustzijn te zijn geweest, heeft het slachtoffer geen immateriële schade geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat een vordering van zodanige schade niet door vererving toekomt aan de nabestaanden van het slachtoffer, hoewel de in artikel 6:95 lid 2 BW bedoelde mededeling niet heeft plaatsgevonden. Overigens is niet uitgesloten dat in het belang van een slachtoffer dat in coma verkeert kosten worden gemaakt om zijn toestand te verbeteren of te verlichten. De vergoeding van dergelijke kosten wordt niet beoordeeld aan de hand van de maatstaven voor de toewijzing van immateriële schadevergoeding, maar aan de hand van die voor de toewijzing van materiële schadevergoeding. Daarnaast verdient opmerking dat met de – in deze zaak ook toegekende – aanspraak op affectieschade is beoogd de naasten van een slachtoffer een vorm van compensatie te bieden voor het leed dat die naasten hebben ervaren. Materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud: herhaling en toepassing van HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, waarin de Hoge Raad diverse uitgangspunten voor de strafrechter presenteert nu in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, hetgeen meebrengt dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. In casu blijkt niet dat het hof dit in voldoende mate heeft gedaan.