Procestaal: Slowaaks.
HvJ EU, 09-11-2023, nr. C-598/21
ECLI:EU:C:2023:845
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-11-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
- Zaaknummer
C-598/21
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
Všeobecná úverová banka
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:845, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑11‑2023
ECLI:EU:C:2023:22, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 12‑01‑2023
Uitspraak 09‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Consumentenkredietovereenkomst — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 1, lid 2 — Beding waarin een dwingende wettelijke bepaling is overgenomen — Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Beding betreffende vervroegde opeisbaarheid — Rechterlijke toetsing — Evenredigheid ten opzichte van de contractuele tekortkomingen van de consument — Artikelen 7 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Overeenkomst gewaarborgd door een zekerheidsrecht op een onroerend goed — Buitengerechtelijke verkoop van de woning van de consument
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-598/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 13 september 2021, ingekomen bij het Hof op 28 september 2021, in de procedure
SP,
CI
tegen
Všeobecná úverová banka a.s.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), J.-C. Bonichot, S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 oktober 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
SP en CI, vertegenwoordigd door L. Riedl, advokát,
- —
Všeobecná úverová banka a.s., vertegenwoordigd door M. Hrbek, advokát,
- —
de Slowaakse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Ricziová, vervolgens door E. V. Drugda als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, R. Lindenthal en N. Ruiz García als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) junctis de artikelen 7 en 38 ervan, richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22), artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificatie in PB 2011, L 234, blz. 46), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 (PB 2011, L 296, blz. 35; hierna: ‘richtlijn 2008/48’), en het doeltreffendheidsbeginsel.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen SP en CI, enerzijds, en Všeobecná úverová banka a.s. (hierna: ‘VÚB’), een bankinstelling, anderzijds, over de opschorting van de buitengerechtelijke executie van het op hun woning gevestigde zekerheidsrecht, dat de tussen hen gesloten kredietovereenkomst waarborgt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
De dertiende en zestiende overweging van richtlijn 93/13 luiden als volgt:
‘Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen dan wel beginselen of bepalingen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de term ‘dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen;
[…]
Overwegende dat de beoordeling, aan de hand van de vastgestelde algemene criteria, van het oneerlijke karakter van bedingen, met name met betrekking tot beroepsactiviteiten met een openbaar karakter betreffende collectieve diensten waarbij een solidariteit tussen de gebruikers wordt vooropgesteld, moet worden aangevuld met een middel voor de afweging van de onderscheidene belangen die in het geding zijn; dat dit de goede trouw is; dat er bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder moet worden gelet op de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enigerlei wijze ertoe is aangezet zijn instemming met het beding te betuigen en of de goederen of diensten op speciale bestelling van de consument zijn verkocht of geleverd; dat de verkoper aan de eis van goede trouw kan voldoen door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de andere partij, waarvan hij de legitieme belangen in aanmerking dient te nemen’.
4
Artikel 1 van die richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.
- 2.
Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.’
5
Artikel 3, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt als volgt:
‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.’
6
Artikel 4, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt:
‘Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.’
7
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt als volgt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
8
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Richtlijn 2005/29
9
Artikel 3 (‘Toepassingsgebied’) van richtlijn 2005/29 bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.’
Richtlijn 2008/48
10
Overweging 10 van richtlijn 2008/48 luidt als volgt:
‘De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen […]’
11
Artikel 2, lid 2, onder a), van die richtlijn luidt als volgt:
‘Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:
- a)
kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed, of gewaarborgd worden door een recht op een onroerend goed’.
Slowaaks recht
Burgerlijk wetboek
12
§ 53 van zákon č. 40/1964 ZB. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 houdende het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘burgerlijk wetboek’), regelt oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Dit artikel bepaalt in lid 9:
‘Ingeval een met een consument gesloten overeenkomst wordt uitgevoerd door middel van betaling in termijnen, kan de beroepsbeoefenaar ten vroegste drie maanden na de te late betaling van een termijn en nadat hij de consument ten minste 15 dagen vóór de uitoefening van dat recht in kennis heeft gesteld, het krachtens § 565 van het burgerlijk wetboek toegekende recht uitoefenen.’
13
§ 54, lid 1, van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
‘Contractuele bedingen in consumentenovereenkomsten mogen niet ten nadele van de consument afwijken van deze wet. In het bijzonder kan de consument niet bij voorbaat afstand doen van de rechten die hem krachtens deze wet of krachtens de bijzondere bepalingen inzake consumentenbescherming toekomen, noch kan hij zijn contractuele situatie op enige andere wijze verslechteren.’
14
§ 151j, lid 1, van dat wetboek bepaalt:
‘Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt afgelost, kan de zekerheidsnemer de executie van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de executie van het zekerheidsrecht kan de zekerheidsnemer zich voldoen op de contractueel overeengekomen wijze of door middel van openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet […], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten […], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.’
15
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat in deze bepaling na de woorden ‘krachtens een bijzondere wet’ een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar zákon č. 527/2002 Z.z. o dobrovoľných dražbách a o doplnení zákona Slovenskej národnej rady č. 323/1992 Zb. o notároch a notárskej činnosti (Notársky poriadok) v znení neskorších predpisov [wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld; hierna: ‘wet inzake vrijwillige openbare verkoop’], en dat na de woorden ‘bijzondere wettelijke bepalingen’ een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwijst naar zákon č. 160/2015 Z.z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en naar zákon č. 233/1995 Z.z. Exekučný poriadok (wet nr. 233/1995 inzake de gerechtsdeurwaarders en de uitvoering van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: ‘wetboek van executie’).
16
§ 151m van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
- ‘(1)
De zekerheidsnemer kan het onderpand ten vroegste 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidsgever en aan de schuldenaar, indien deze niet dezelfde persoon zijn, verkopen op de wijze die in de overeenkomst tot zekerheidstelling is bedongen of in het openbaar verkopen, tenzij bij een bijzondere wet anders is bepaald. Indien het zekerheidsrecht is ingeschreven in het register van zekerheden en de datum van inschrijving van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht in het register van zekerheidsrechten valt na de datum van kennisgeving van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidsgever en de schuldenaar, en indien deze niet dezelfde persoon zijn, begint de termijn van 30 dagen te lopen vanaf de datum waarop de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht in het register van zekerheden is ingeschreven.
- (2)
Na betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht kunnen de zekerheidsgever en de zekerheidsnemer overeenkomen dat de zekerheidsnemer het onderpand ook vóór verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze of in het openbaar kan verkopen.
- (3)
De zekerheidsnemer die de executie van het zekerheidsrecht heeft ingeleid om zich op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze te voldoen, kan op elk moment tijdens de executie van het zekerheidsrecht, de wijze van executie wijzigen en het onderpand openbaar verkopen of eisen dat hij in overeenstemming met de bijzondere wetten wordt voldaan met de verkoop van het onderpand. De zekerheidsnemer stelt de zekerheidsgever in kennis van de wijziging van de wijze van executie van het zekerheidsrecht.’
17
§ 565 van dat wetboek luidt als volgt:
‘Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt ingevorderd kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel tot uiterlijk de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.’
Wetboek van executie
18
§ 63, lid 3, van het wetboek van executie bepaalt dat de gedwongen verkoop van een onroerend goed slechts bij uitzondering, na goedkeuring door de rechter, kan plaatsvinden indien tegen de betrokkene verschillende executieprocedures lopen die verband houden met schuldvorderingen die in totaal meer bedragen dan 2 000 EUR en de gerechtsdeurwaarder aantoont dat het schuldbedrag niet op een andere wijze kan worden ingevorderd.
Wet inzake vrijwillige openbare verkoop
19
§ 16, lid 1, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt dat een openbare verkoop slechts kan plaatsvinden op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanvrager van de verkoop en de veilingmeester.
20
Overeenkomstig § 17 van deze wet, is de veilingmeester gehouden de openbare verkoop aan te kondigen door publicatie van een bericht. Wanneer de ter openbare verkoop aangeboden zaak een appartement, een woning, een ander gebouw, een onderneming of een eenheid daarvan is, of wanneer de bodemprijs meer bedraagt dan 16 550 EUR, publiceert de veilingmeester het bericht ten minste 30 dagen vóór de aanvang van de openbare verkoop in het register van openbare verkopen. Hij zendt dat bericht onverwijld aan het bevoegde ministerie met het oog op de bekendmaking ervan in het officiële handelsblad alsmede aan diegene die om de verkoop heeft verzocht, aan de schuldenaar van de zekerheidsnemer en aan de eigenaar van het in het openbaar te verkopen goed indien dit niet de schuldenaar is.
21
§ 21, lid 2, van diezelfde wet luidt als volgt:
‘Bij betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tot zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet kan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter verzoeken de verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de oude eigenaar op het ogenblik van de openbare verkoop volgens een bijzondere regeling officieel verblijf hield; in dat geval kan zelfs na het verstrijken van deze termijn om nietigverklaring van de verkoop worden verzocht. […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
Op 9 februari 2012 heeft VÚB aan verzoekers in het hoofdgeding, SP en CI, een consumentenkrediet verstrekt dat over een periode van 20 jaar moet worden afgelost en dat wordt gewaarborgd door een zekerheidsrecht op een onroerend goed, te weten de gezinswoning waarin verzoekers in het hoofdgeding en anderen hun woonplaats hadden (hierna: ‘betrokken kredietovereenkomst’).
23
Vóór die datum hadden verzoekers in het hoofdgeding sinds 2004 verschillende andere consumentenkredieten afgesloten bij Consumer Finance Holding a.s. (hierna: ‘CFH’), waarmee VÚB destijds economisch verbonden was. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat VÚB nagenoeg het gehele uit hoofde van de betrokken kredietovereenkomst aan SP en CI toegekende bedrag heeft gebruikt voor de aanzuivering van de door CFH verleende kredieten die zij niet meer konden aflossen. Bovendien heeft VÚB hun, nog steeds vóór de sluiting van de betrokken kredietovereenkomst, een aantal consumentenkredieten verstrekt waarvan zij het bedrag eenzijdig heeft vastgesteld en ook grotendeels heeft aangewend voor de aflossing van schulden en kosten die voortvloeiden uit kredieten die eerder door haarzelf of door CFH aan SP en CI waren verstrekt.
24
In januari 2013, minder dan een jaar na de sluiting van de betrokken kredietovereenkomst en nadat verzoekers in het hoofdgeding in gebreke waren gebleven met de aflossing van termijnen, heeft VÚB op grond van een in die overeenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid (hierna: ‘beding betreffende vervroegde opeisbaarheid’), terugbetaling gevorderd van alle uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde bedragen. In april 2013 heeft VÚB aan SP en CI haar beslissing aangekondigd om haar zekerheidsrecht uit te oefenen bij wege van ‘vrijwillige’ openbare verkoop van het in zekerheid gegeven gebouw, dat wil zeggen een buitengerechtelijke openbare verkoop.
25
Zoals uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, wordt dit soort buitengerechtelijke openbare verkoop door particulieren verricht. Nadat de schuldeiser eenzijdig het bedrag van de schuldvordering heeft vastgesteld, verkoopt een veilingmeester het onroerend goed in kwestie buiten elke gerechtelijke procedure om en zonder dat een rechter vooraf de gegrondheid van het bedrag van de schuldvordering of de evenredigheid van de verkoop ten opzichte van het bedrag van de schuldvordering heeft kunnen toetsen. De wet omschrijft deze openbare verkoop als ‘vrijwillig’, ondanks dat de consument er niet mee instemt. De schuldeiser kan de procedure van de vrijwillige openbare verkoop in gang zetten 30 dagen na de kennisgeving van het bericht van executie van het zekerheidsrecht.
26
Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) een verzoek ingediend tot opschorting van de openbare verkoop van de gezinswoning. Die rechter in eerste aanleg heeft hun vordering afgewezen bij een eerste vonnis, dat hij vervolgens, na terugverwijzing, heeft bevestigd, ondanks de vernietiging ervan door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije). Volgens de rechter in eerste aanleg volgt uit de rechtspraak van de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek) dat uit het arrest van 10 september 2014, Kušionová (C-34/13, EU:C:2014:2189), niet kan worden afgeleid dat de bepalingen van richtlijn 93/13 zich verzetten tegen de Slowaakse wettelijke regeling die de buitengerechtelijke executie door een vrijwillige openbare verkoop toestaat van een door de consument in zekerheid gegeven onroerend goed, zelfs wanneer het zijn woning betreft en de gewaarborgde schuldvordering is gebaseerd op een overeenkomst die oneerlijke bedingen bevat.
27
Verzoekers in het hoofdgeding hebben tegen dit tweede vonnis hoger beroep ingesteld bij de Krajský súd v Prešove, de verwijzende rechter, waarbij zij opnieuw om opschorting van de buitengerechtelijke verkoop van hun woning hebben verzocht en onder meer aanvoeren dat hun rechten als consument zijn geschonden.
28
Volgens de verwijzende rechter is bescherming tegen de onevenredige aantasting van de rechten van consumenten, daaronder begrepen hun recht op huisvesting, met name van belang voordat de verkoop van het goed plaatsvindt. Het Slowaakse materiële recht voorziet niet in een andere bescherming ex ante, zodat consumenten in geval van een vrijwillige openbare verkoop van hun woning geen andere mogelijkheid hebben dan een vordering tot opschorting van die verkoop in te stellen.
29
De verwijzende rechter geeft aan dat de betrokken kredietovereenkomst in casu werd afgesloten voor een periode van 20 jaar en dat VÚB minder dan een jaar na het sluiten van die overeenkomst gebruik had gemaakt van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid omdat er sprake was van een betalingsachterstand van 1 106,50 EUR. De waarde van de buitengerechtelijk verkochte gezinswoning is ten minste 30 keer hoger dan het bedrag waarvoor VÚB de lening vervroegd opeisbaar heeft verklaard en tot executie van het zekerheidsrecht is overgegaan.
30
De verwijzende rechter merkt op dat het Slowaakse recht slechts één voorwaarde stelt aan het in het leven roepen van een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid zoals aan de orde in het hoofdgeding, namelijk een betalingsachterstand van drie maanden en inachtneming van een aanvullende termijn van vijftien dagen door de schuldeiser.
31
Die regeling en de in punt 26 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van de Najvyšší súd Slovenskej republiky kunnen derhalve in strijd kunnen zijn met het Unierecht en met name met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij de verkoop mogelijk maken van het goed waarin de consument zijn woonplaats heeft, zelfs in geval van een geringe contractuele niet-nakoming.
32
Bovendien wordt volgens de verwijzende rechter — niettegenstaande de door de artikelen 7, 38 en 47 van het Handvest, de richtlijnen 93/13 en 2005/29 en de door het doeltreffendheidsbeginsel geboden bescherming — in de nationale regeling inzake de executie van een zekerheidsrecht op een onroerend goed door middel van een vrijwillige openbare verkoop van de woning van consumenten, zoals uitgelegd door de Najvyšší súd Slovenskej republiky, onvoldoende belang gehecht aan de bescherming van de gezinswoning en wordt daarin geen rekening gehouden met de mogelijkheid om andere middelen te gebruiken voor de executie van het zekerheidsrecht. Zo zou het verstrekken van kredieten aan consumenten, zoals de praktijk aantoont, zeer nadelige gevolgen hebben voor deze laatsten en hun gezinnen.
33
Wat de toepassing van richtlijn 2005/29 betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat de praktijk van kredietverlening met het oog op de aflossing van schulden die voortvloeien uit een of meer eerdere kredieten, niet van rechterlijke toetsing op grond van deze richtlijn kan worden uitgesloten. De omstandigheden waarin het betrokken consumentenkrediet is gesloten, vormen oneerlijke handelspraktijken die binnen de werkingssfeer van die richtlijn moeten vallen. Bovendien leiden de oneerlijke handelspraktijken weliswaar niet rechtstreeks tot nietigheid van de betrokken rechtshandeling, maar zij zijn van invloed op de beoordeling van het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen.
34
Wat de toepassing van richtlijn 2008/48 betreft, is de verwijzende rechter van oordeel dat een krediet dat is verstrekt ter aflossing van uit eerdere kredieten voortvloeiende schulden, noch aan het doel van die richtlijn, noch aan het doel van de eraan voorafgaande richtlijn beantwoordt.
35
Bovendien zijn kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een hypotheek of een recht op een onroerend goed weliswaar van de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 uitgesloten, maar in casu wordt in de kredietovereenkomst het doel van het krediet niet gespecifieerd en voldoet deze overeenkomst aan de vereisten voor consumentenkredietovereenkomsten. Deze kredietovereenkomst is niet gewaarborgd door een hypotheek en evenmin bestemd voor de financiering van de verwerving van een onroerend goed, maar strekte ertoe eerdere consumentenkredieten af te lossen. In die omstandigheden bestaat er een nauw verband tussen die kredietovereenkomst en de eerder door SP en CI gesloten consumentenkredietovereenkomsten, zodat de verwijzende rechter zich afvraagt of een dergelijke situatie binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt.
36
Ten slotte wenst de verwijzende rechter, met het oog op de vaststelling van het precieze bedrag van de schuld van verzoekers in het hoofdgeding, te vernemen of de benadering van het Hof in het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C-377/14, EU:C:2016:283), op de onderhavige zaak van toepassing is.
37
In die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzetten artikel 47 [van het Handvest] junctis de artikelen 7 en 38 [daarvan], richtlijn [93/13], richtlijn [2005/29] en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen een wettelijke regeling zoals § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek, op grond waarvan bij vervroegde opeisbaarheid geen rekening wordt gehouden met de evenredigheid daarvan en in het bijzonder niet met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichtingen ten opzichte van het bedrag van het krediet en de periode voor de terugbetaling daarvan?
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord […]:
- 2)
- a)
Verzetten artikel 47 [van het Handvest] junctis de artikelen 7 en 38 [daarvan], richtlijn 93/13, richtlijn 2005/29 en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen rechtspraak die de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van de woning van consumenten of andere personen in wezen niet opschort en tegelijkertijd geen rekening houdt met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichting ten opzichte van het bedrag en de looptijd van het krediet, ook wanneer er een andere manier bestaat om de schuldvordering van de kredietgever te voldoen, namelijk in het kader van een gerechtelijke executieprocedure waarbij de verkoop van de woning waarop het zekerheidsrecht rust geen voorrang krijgt?
- b)
Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat de bescherming van consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken op het gebied van het consumentenkrediet zich uitstrekt tot alle wijzen van terugbetaling van schuldvorderingen van kredietgevers, daaronder begrepen het aangaan van een nieuw krediet ter dekking van de uit een eerder krediet voortvloeiende verplichtingen?
- c)
Moet richtlijn 2005/29 aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk ook de handelwijze wordt aangemerkt van een kredietgever die herhaaldelijk kredieten verleent aan een consument die niet in staat is om deze kredieten terug te betalen, zodat er een keten van kredieten ontstaat die de kredietgever in werkelijkheid niet aan de consument uitbetaalt maar inhoudt om eerdere kredieten en de totale kosten daarvan te dekken?
- d)
Moet artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 10 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast op kredieten die alle kenmerken van een consumentenkrediet vertonen, wanneer het doel van het krediet niet is overeengekomen en de kredietgever het gehele krediet, afgezien van een onbeduidend deel ervan, heeft bestemd ter dekking van eerdere consumentenkredieten en wanneer als zekerheid een zekerheidsrecht op een onroerend goed is overeengekomen?
- e)
Moet het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C-377/14, EU:C:2016:283), aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op het geval van een aan een consument verstrekte kredietovereenkomst waarvan het bedrag gedeeltelijk is bestemd voor de terugbetaling van de door de kredietgever gevorderde kosten?’
Procedure bij het Hof
38
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 februari 2023, heeft VÚB primair verzocht om op grond van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof vast te stellen dat het Hof niet langer bevoegd is uitspraak te doen omdat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt. Subsidiair heeft VÚB verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
39
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 augustus 2023, heeft VÚB opnieuw verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
40
Wat in de eerste plaats de hoofdvordering in de op 22 februari 2023 neergelegde akte betreft, verklaart VÚB namelijk dat zij met ingang van 14 februari 2023 afstand heeft gedaan van het op het onroerende goed gevestigde zekerheidsrecht tot waarborg van de betrokken kredietovereenkomst, zodat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt en geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
41
Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 21 april 2023, heeft VÚB bovendien meegedeeld dat zij had ingestemd met de schuldoverdracht van verzoekers in het hoofdgeding aan een derde, die deze schuld inmiddels had afgelost. Ook om die reden is het hoofdgeding volgens haar zonder voorwerp geraakt.
42
Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Het is echter ook vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De reden voor de prejudiciële verwijzing is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil. Wanneer blijkt dat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt, zodat de gestelde vragen kennelijk niet meer relevant zijn voor de beslechting van dit geding, dient het Hof de zaak dan ook af te doen zonder beslissing (zie in die zin arrest van 24 november 2022, Banco Cetelem, C-302/21, EU:C:2022:919, punten 26, 27, 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
In dit verband heeft het Hof op 14 maart 2023 en 26 mei 2023 de verwijzende rechter om verduidelijking verzocht over de vraag of de door VÚB aangevoerde omstandigheden daadwerkelijk een einde hebben gemaakt aan het hoofdgeding en of de antwoorden op de aan het Hof voorgelegde vragen nog noodzakelijk waren voor de beslechting van het hoofdgeding en, in voorkomend geval, op welke gronden.
44
Bij brieven van 5 april 2023 en 12 juni 2023 heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat noch de afstand van het zekerheidsrecht op het onroerende goed, noch de schuldoverdracht tot gevolg had dat het hoofdgeding zonder voorwerp was geraakt, aangezien in wezen niet was voldaan aan de daartoe in het nationale recht gestelde geldigheidsvoorwaarden. Ten eerste preciseert deze rechter dat hij niet had ingestemd met de eenzijdige afstand door VÚB van het zekerheidsrecht, aangezien een overeenkomst met de schuldenaren onontbeerlijk is om een dergelijk zekerheidsrecht door afstand teniet te doen. Ten tweede heeft hij benadrukt dat naar nationaal recht alle consumentenrechten van verzoekers in het hoofdgeding zouden zijn gehandhaafd, indien de schuldvordering door VÚB was overgedragen.
45
Gelet op de toelichtingen van de verwijzende rechter, moet worden aangenomen dat het hoofdgeding niet zonder voorwerp is geraakt en dat de gestelde vragen dus relevant blijven voor de beslechting van dit geding. Derhalve dient te worden beslist op het verzoek om een prejudiciële beslissing.
46
Wat in de tweede plaats het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling betreft, betoogt VÚB in haar op 22 februari 2023 ter griffie van het Hof neergelegde subsidiaire verzoek in wezen dat zij het op bepaalde punten oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, die volgens haar op onjuiste gegevens berust, zodat de feitelijke en/of juridische context van de prejudiciële vragen moet worden verduidelijkt. Voorts maakt VÚB op verschillende punten bezwaar tegen de wijze waarop de advocaat-generaal de in deze vragen genoemde richtlijnen in haar conclusie heeft uitgelegd.
47
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 augustus 2023, heeft VÚB, ter ondersteuning van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling, het Hof meegedeeld dat zij op diezelfde dag bij de Ústavný súd Slovenskej republiky (grondwettelijk hof van de Slowaakse Republiek) hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing van de verwijzende rechter van 12 juni 2023 om het verzoek tot intrekking van de prejudiciële beslissing af te wijzen ondanks het feit dat zij afstand heeft gedaan van het zekerheidsrecht op het onroerende goed en de schuld heeft overgedragen, zoals vermeld in punt 44 van het onderhavige arrest. VÚB heeft die rechter immers niet verzocht om haar verzoek om een prejudiciële beslissing wegens deze handelingen in te trekken, maar om het Hof overeenkomstig artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in kennis te stellen van alle elementen die van invloed kunnen zijn op de voortzetting van de prejudiciële procedure. Deze afstand en schuldoverdracht vormen dergelijke elementen.
48
Ten tweede is VÚB in wezen van mening dat, indien het Hof — op basis van de gegevens waarover het met betrekking tot die schuldoverdracht en afstand beschikt — geen uitspraak over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing kan doen op grond van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de mondelinge behandeling moet worden heropend om te verduidelijken welke elementen zij in dit verband relevant acht.
49
Krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, met name wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht, wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat doorslaggevend kan zijn voor de beslissing van het Hof, of nog wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
50
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het feit dat een partij in het hoofdgeding of een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal op zich geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling kan vormen (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, Gallaher, C-707/20, EU:C:2023:101, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Hieruit volgt dat het feit dat VÚB het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, op zich niet de heropening van de mondelinge behandeling kan rechtvaardigen.
52
Voorts is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het na de schriftelijke behandeling en de terechtzitting over alle gegevens beschikt om op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te beslissen.
53
De partijen in het hoofdgeding en de belanghebbenden die aan de onderhavige procedure hebben deelgenomen — in het bijzonder VÚB —, hebben namelijk zowel tijdens de schriftelijke als tijdens de mondelinge behandeling ervan de gegevens feitelijk en rechtens kunnen uiteenzetten die zij relevant achtten om het Hof in staat te stellen de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden. Bovendien heeft VÚB, ondanks het feit dat het Hof haar uitdrukkelijk heeft verzocht om ter terechtzitting een standpunt in te nemen over de antwoorden van de verwijzende rechter op een eerste verzoek om verduidelijking dat op 7 juni 2022 aan deze rechter was toegezonden en met name betrekking had op het juridische en feitelijke kader van de prejudiciële vragen, besloten om niet deel te nemen aan de terechtzitting. Wat voorts de afstand van het zekerheidsrecht op een onroerend goed, de schuldoverdracht alsmede de gevolgen daarvan voor de toepassing van artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering betreft, dient erop te worden gewezen dat deze elementen, gelet op de overwegingen in de punten 40 tot en met 45 van het onderhavige arrest, niet van invloed kunnen zijn op de door het Hof te geven beslissing.
54
Ten slotte brengen de door VÚB ingediende verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling geen enkel nieuw feit aan het licht dat van invloed kan zijn op de door het Hof te geven beslissing.
55
Er is dan ook geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
56
VÚB betoogt in wezen dat de prejudiciële vragen over de uitlegging van richtlijn 93/13 niet-ontvankelijk zijn omdat zij irrelevant voor de beslechting van het geding en hypothetisch zijn, aangezien zij geen verband houden met het voorwerp van het hoofdgeding. In dit verband merkt zij in wezen op dat verzoekers in het hoofdgeding de op hen rustende contractuele verplichtingen op stelselmatige en ernstige wijze niet zijn nagekomen, zodat de executie van het zekerheidsrecht hoe dan ook de evenredigheidstoets volgens de in het arrest van 14 maart 2013, Aziz (C-415/11, EU:C:2013:164, punt 73), genoemde criteria doorstaat.
57
Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan enkel weigeren uitspraak te doen op een door een nationale rechter gestelde prejudiciële vraag in de zin van artikel 267 VWEU wanneer met name de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing als vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering niet zijn nageleefd, wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gevraagde uitlegging of beoordeling van de geldigheid van een Unierechtelijk voorschrift klaarblijkelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (arrest van 20 oktober 2022, Koalitsia ‘Demokratichna Bulgaria — Obedinenie’, C-306/21, EU:C:2022:813, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Een dergelijk ontbreken van een verband of de hypothetische aard van de gestelde vragen kan echter niet worden vastgesteld louter op grond van de bewering van VÚB dat de executie van het zekerheidsrecht in casu evenredig is. Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft opgemerkt, hebben de vragen over de uitlegging van richtlijn 93/13 immers niet tot doel om na te gaan of dit in casu het geval is, maar strekken zij ertoe te vernemen of de rechter moet onderzoeken of de mogelijkheid die de schuldeiser door het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid wordt geboden, evenredig is wanneer de nationale wettelijke regeling of de nationale rechtspraak hem daartoe niet verplicht.
59
Bijgevolg is de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding en zijn de prejudiciële vragen niet hypothetisch. Bijgevolg zijn deze vragen ontvankelijk.
60
Daarentegen dient te worden vastgesteld dat, zoals de Slowaakse regering en de Europese Commissie betogen, de verwijzende rechter niet de gegevens rechtens of feitelijk verstrekt waaruit het verband tussen de gestelde vragen en richtlijn 2005/29 blijkt. Zo legt de verwijzende rechter niet uit wat het verband is tussen de toepassing van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid enerzijds en het bestaan van oneerlijke handelspraktijken anderzijds. Evenmin preciseert hij in hoeverre de executie van het zekerheidsrecht op een onroerend goed bij een vrijwillige openbare verkoop een oneerlijke handelspraktijk kan vormen, noch waarom de uitlegging van die richtlijn tegen deze achtergrond noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.
61
Derhalve moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering en dat de prejudiciële vragen overeenkomstig de in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van richtlijn 2005/29.
Eerste vraag
62
Aangezien de eerste vraag in wezen betrekking heeft op de omvang van de rechterlijke toetsing van de mogelijkheid die de schuldeiser door een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid wordt geboden om de gehele lening opeisbaar te verklaren, dient om te beginnen te worden onderzocht of het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid in casu binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt. Volgens artikel 1, lid 2, daarvan zijn contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen immers niet aan deze richtlijn onderworpen.
63
Deze uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 93/13, die zich uitstrekt tot de bepalingen van nationaal recht die de verhouding tussen de overeenkomstsluitende partijen regelen ongeacht hun keuze en tot die welke bij gebreke van andersluidende bepalingen van toepassing zijn, vindt haar rechtvaardiging in het feit dat in beginsel kan worden aangenomen dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, een evenwicht dat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven (zie in die zin arresten van 10 juni 2021, Prima banka Slovensko, C-192/20, EU:C:2021:480, punt 32, en 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C-567/20, EU:C:2022:352, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Voor die uitsluiting moeten twee voorwaarden zijn vervuld. Ten eerste moet in het contractuele beding een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en ten tweede moet het daarbij om een dwingende bepaling gaan (arresten van 10 september 2014, Kušionová, C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 78, en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C-125/18, EU:C:2020:138, punt 31).
65
Om vast te stellen of aan deze voorwaarden is voldaan, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of in het betrokken contractuele beding bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die aanvullend zijn en derhalve bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen (arresten van 10 september 2014, Kušionová, C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 79; 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C-125/18, EU:C:2020:138, punt 32, en 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C-567/20, EU:C:2022:352, punt 55).
66
In dit opzicht staat het aan de nationale rechter om aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria, namelijk met inachtneming van de aard, de algehele opzet en de bepalingen van de betrokken kredietovereenkomsten alsmede de juridische en feitelijke context van deze overeenkomsten, na te gaan of een dergelijk beding onder artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 valt, daarbij rekening houdend met het feit dat — gelet op de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling van bescherming van de consument — de in artikel 1, lid 2, ervan neergelegde uitzondering strikt moet worden uitgelegd (arrest van 5 mei 2022, Zagrebačka banka, C-567/20, EU:C:2022:352, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
In casu en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt dat de bepalingen van nationaal recht waarop de eerste vraag betrekking heeft, namelijk § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek, in een beding in de betrokken kredietovereenkomst zijn overgenomen, met name het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat dit beding die bepalingen ‘in wezen kopieert’.
68
Krachtens § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek kan de schuldeiser in het geval van een consumentenkredietovereenkomst die in termijnen moet worden terugbetaald, overeenkomstig § 565 van dat wetboek verlangen dat het gehele krediet wordt afgelost, indien dit tussen partijen is overeengekomen. De schuldeiser kan dit recht ten vroegste drie maanden na de te late betaling van een termijn en slechts nadat hij de consument ten minste vijftien dagen voor de uitoefening van dat recht daarvan in kennis heeft gesteld, uitoefenen.
69
In zijn antwoord op het verzoek van het Hof om verduidelijking in dit verband, heeft de verwijzende rechter aangegeven dat voormelde gecombineerde bepalingen niet automatisch of standaard van toepassing zijn wanneer partijen geen keuze in die zin hebben gemaakt. Bovendien was de schuldeiser, hoewel partijen in de kredietovereenkomst zijn overeengekomen dat hij vervroegde terugbetaling van het geleende bedrag kan vorderen, niet verplicht om dit recht uit te oefenen. De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat § 54, lid 1, van het burgerlijk wetboek — dat in wezen bepaalt dat bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst niet ten nadele van de consument mogen afwijken van de bepalingen van dat wetboek — daarom nog geen dwingend karakter verleent aan de bepalingen van § 53, lid 9, van datzelfde wetboek, aangezien de eerste bepaling partijen toestaat om van de tweede bepaling af te wijken, mits dit ten gunste van de consument is.
70
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de bepalingen van zijn nationale recht uit te leggen, moet dus worden geoordeeld dat het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid — dat voorziet in het recht van de schuldeiser om de vervroegde terugbetaling van het volledige verschuldigde saldo te vorderen wanneer de schuldenaar zijn contractuele verplichtingen niet nakomt — geen ‘beding waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 is, aangezien in dat beding weliswaar de in punt 68 van het onderhavige arrest genoemde nationale bepalingen zijn overgenomen, maar deze bepalingen niet dwingend zijn en dus niet voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 1, lid 2, voor de toepassing van de daarin neergelegde uitsluiting.
71
In dat geval valt een dergelijk beding dus onder de bepalingen van richtlijn 93/13, zoals uitgelegd door het Hof.
72
Met betrekking tot de grond van de vraag, staat het volgens vaste rechtspraak aan het Hof om in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, aan deze laatste om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Met het oog hierop staat het aan het Hof om de voorgelegde vragen te herformuleren en alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van bij de nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door deze rechterlijke instanties aan het Hof voorgelegde vragen (zie in die zin met name arrest van 4 oktober 2018, Kamenova, C-105/17, EU:C:2018:808, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
In dit opzicht moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 38 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van datzelfde beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.
74
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat, gelet op het feit dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. In dit verband en om het in artikel 38 van het Handvest neergelegde hoge niveau van consumentenbescherming te waarborgen, moet de nationale rechter, zelfs ambtshalve, toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Bondora, C-453/18 en C-494/18, EU:C:2019:1118, punt 40, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punten 35–37).
75
Wat in de tweede plaats de criteria betreft aan de hand waarvan dierechterlijke toetsing moet worden verricht, zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13, tezamen genomen, de algemene criteria bevatten op basis waarvan het oneerlijke karakter van de onder die bepalingen vallende contractuele bedingen kan worden beoordeeld (arrest van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, C-484/08, EU:C:2010:309, punt 33).
76
Derhalve omschrijft artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 met de verwijzing naar de begrippen ‘goede trouw’ en ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, slechts in abstracto de factoren die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
Om te bepalen of een beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit een overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument, moet met name rekening worden gehouden met de regels van nationaal recht die van toepassing zijn wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Dit vergelijkend onderzoek laat de nationale rechter toe te bepalen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan die welke het geldende nationale recht bepaalt (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 68).
78
Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een dergelijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter, gelet op de zestiende overweging van de considerans van richtlijn 93/13, na te gaan of de verkoper door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 69, en 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance, C-609/19, EU:C:2021:469, punt 66).
79
Bovendien worden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn, voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft.
80
Wat in het bijzonder een beding in een langlopende hypothecaire leningovereenkomst betreft dat — net als het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid — de voorwaarden vaststelt waaronder de schuldeiser vervroegde aflossing mag eisen, heeft het Hof ook reeds criteria vastgesteld aan de hand waarvan de nationale rechter het eventuele oneerlijke karakter ervan kan achterhalen, zoals de advocaat-generaal in punt 74 van haar conclusie heeft opgemerkt.
81
Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het, om vast te stellen of een contractueel beding betreffende vervroegde opeisbaarheid in een hypothecair krediet leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument, met name van wezenlijk belang is om te weten of aan de mogelijkheid voor de kredietgever om de gehele lening opeisbaar te verklaren de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet nakomt, of in deze mogelijkheid is voorzien voor gevallen waarin de niet-nakoming voldoende ernstig is in verhouding tot de looptijd en het bedrag van de lening, of deze mogelijkheid afwijkt van de regels van gemeen recht die ter zake toepasselijk zijn bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, en of het nationale recht voorziet in geschikte en doeltreffende middelen die het de aan een dergelijk beding onderworpen consument mogelijk maken om de gevolgen van de opeisbaarheid van de lening ongedaan te maken (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Hieruit volgt dat de nationale rechter met name de evenredigheid moet onderzoeken van de aan de schuldeiser geboden mogelijkheid om krachtens dit beding het geheel aan verschuldigde bedragen te vorderen, wanneer hij beoordeelt of het beding eventueel oneerlijk is, hetgeen betekent dat hij rekening moet houden met de mate waarin de consument tekortschiet in de nakoming van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst.
83
In dit verband zij eraan herinnerd dat de criteria die in het arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C-421/14, EU:C:2017:60), werden geformuleerd voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding dat betrekking heeft op de vervroegde opeisbaarheid wanneer de schuldenaar gedurende een beperkte periode zijn verplichtingen niet nakomt, noch cumulatief of alternatief, noch uitputtend zijn (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest, C-600/21, EU:C:2022:970, punten 30 en 31).
84
Hieruit volgt dat de rechterlijke toetsing van de evenredigheid van dat beding in voorkomend geval moet worden verricht aan de hand van aanvullende criteria. Gelet op de gevolgen die een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat is opgenomen in een consumentenkredietovereenkomst die wordt gewaarborgd door de gezinswoning — zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding — kan hebben, moet de nationale rechter bij de beoordeling of de door dat beding aan de schuldeiser geboden mogelijkheid een oneerlijk karakter heeft, in zijn analyse rekening houden met de eventuele verstoring van het contractueel evenwicht die door dat beding wordt veroorzaakt en met de omstandigheid dat de toepassing ervan, in voorkomend geval, ertoe kan leiden dat de schuldeiser de uit hoofde van dit beding verschuldigde bedragen invordert door de woning buiten elke gerechtelijke procedure om te verkopen.
85
In dit verband moet die rechter, bij de beoordeling van de middelen die de consument de mogelijkheid bieden om de gevolgen van de integrale opeisbaarheid van de op grond van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen ongedaan te maken, rekening houden met de gevolgen van de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de woning waarin zij hun hoofdverblijf hebben. Het recht op eerbiediging van de woning is immers een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht waarmee de nationale rechter bij de uitvoering van richtlijn 93/13 rekening moet houden. Het Hof heeft in dit verband benadrukt dat het voor die rechter belangrijk is om voorlopige maatregelen te kunnen gelasten om een onrechtmatige procedure van hypothecaire uitwinning te schorsen of te verhinderen wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk blijken ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming (zie in die zin arrest van 10 september 2014, Kušionová, C-34/13, EU:C:2014:2189, punten 63–66).
86
Indien de verwijzende rechter op basis van de hierboven vermelde criteria in het kader van zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid zou vaststellen dat in casu het ten gunste van VÚB bedongen recht om de vervroegde terugbetaling te vorderen van het saldo dat op grond van de betrokken kredietovereenkomst—waarvoor de gezinswoning van verzoekers in het hoofdgeding als zekerheid is gesteld—verschuldigd is, deze kredietgever in staat stelt dit recht uit te oefenen zonder rekening te hoeven houden met de omvang van de niet-nakoming door de consumenten ten opzichte van het bedrag van de lening en de periode voor de terugbetaling daarvan, zou deze vaststelling ertoe kunnen leiden dat de verwijzende rechter dit beding als oneerlijk moet beschouwen, aangezien het, in strijd met het vereiste van goede trouw, het evenwicht tussen de partijen ten nadele van de consumenten aanzienlijk verstoort, gelet op alle omstandigheden waarin die overeenkomst is gesloten en waarvan de kredietgever bij de sluiting op de hoogte kon zijn.
87
Indien het beding na die analyse oneerlijk wordt verklaard, dient die rechter dit beding buiten toepassing te laten opdat het geen dwingende gevolgen heeft voor de consument, tenzij deze zich daartegen verzet (arrest van 16 juli 2020, Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, C-224/19 en C-259/19, EU:C:2020:578, punt 50).
88
In dit verband mogen de in het nationale recht geldende voorwaarden waaraan artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 refereert, het recht dat de consumenten aan die bepaling ontlenen om niet te worden gebonden door een beding dat als oneerlijk wordt beschouwd, niet in de kern aantasten (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89
Bij gebreke van een dergelijke toetsing is de bescherming die de consument wordt geboden namelijk onvolledig en ontoereikend en vormt zij geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dat soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 38 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent, evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.
Tweede vraag
91
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
92
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er bij de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een in een consumentenkredietovereenkomst opgenomen beding betreffende vervroegde opeisbaarheid, geen rekening mee wordt gehouden of de aan de kredietgever geboden mogelijkheid om het recht uit te oefenen dat hij aan dat beding ontleent, evenredig is, gelet op criteria die met name verband houden met de omvang van de niet-nakoming door de consument van zijn contractuele verplichtingen, zoals het bedrag van de termijnen die niet werden voldaan in verhouding tot het totale kredietbedrag en de duur van de overeenkomst, alsmede met de mogelijkheid dat de toepassing van dat beding ertoe leidt dat de kredietgever de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑11‑2023
Conclusie 12‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikelen 7, 38 en 47 — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 1, lid 2 — Voorwaarde inzake de vervroegde terugbetaling van een kredietovereenkomst — Beding waarin een dwingende wettelijke bepaling is overgenomen — Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Door een zekerheidsrecht op een onroerend goed gedekt krediet — Hoofdverblijf van de consument — Executie van het zekerheidsrecht bij openbare verkoop — Doeltreffende voorziening in rechte — Oneerlijke handelspraktijken — Richtlijn 2005/29/EG — Keten van kredietovereenkomsten ter aflossing van een bestaande schuld — Richtlijn 2008/48/EG — Consumentenkrediet — Reikwijdte — Omzeiling — Vaststelling van het totale bedrag van de schuld
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-598/211.
SP,
CI
tegen
Všeobecná úverová banka a.s.
[verzoek van de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Sinds de financiële crisis biedt het Unierecht een steviger kader voor consumentenbescherming op het gebied van krediet dat door onroerend goed wordt gewaarborgd.2. Ondertussen heeft het Hof — ook voor procedures voor de gedwongen verkoop van woningen — belangrijke rechtspraak over de procedurele bescherming van consumenten ontwikkeld, waarin de constitutionalisering van het recht inzake consumentenovereenkomsten wordt weerspiegeld.3. Het afgeleide recht dat dient als ‘schakel’4. tussen het procesrecht, het consumentenrecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’), is richtlijn 93/13/EEG5..
2.
Wat betreft de executie van een zekerheidsrecht op onroerend goed waarin de consument woont, heeft het Hof in het arrest van 10 september 2014, Kušionová (C-34/13, EU:C:2014:2189; hierna: ‘arrest Kušionová’), onderzocht of de Slowaakse wetgeving inzake buitengerechtelijke executieprocedures verenigbaar is met richtlijn 93/13. De onderhavige prejudiciële verwijzing vormt in wezen een vervolg op dat arrest. De verwijzende rechter verzoekt het Hof het verband tussen executieprocedures, het consumentenrecht en de in het Handvest verankerde grondrechten nader te onderzoeken.
3.
Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing stelt de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) meer bepaald de vraag aan de orde welke bevoegdheden de rechter heeft om de evenredigheid te beoordelen van de vervroegde executie van een kredietovereenkomst in het kader van een buitengerechtelijke executieprocedure. Voorts vraagt hij zich af of een bankpraktijk om nieuwe kredietovereenkomsten te sluiten waarbij het grootste deel van de middelen niet aan de consument wordt uitbetaald, maar bestemd is voor de aflossing van eerdere kredieten, verenigbaar is met richtlijn 2005/29/EG6. en welke gevolgen deze praktijk heeft voor het vaststellen van de werkingssfeer van richtlijn 2008/48/EG7..
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
Richtlijn 93/13
4.
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 bepaalt:
‘Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.’
5.
Artikel 3, lid 1, van die richtlijn luidt:
‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.’
6.
Artikel 4, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
‘Onverminderd artikel 7 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.’
7.
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Richtlijn 2005/29
8.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29, met het opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.’
9.
Artikel 5, leden 1 en 5, van die richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.
[…]
- 5.
Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.’
Richtlijn 2008/48
10.
In overweging 14 van richtlijn 2008/48 staat te lezen:
‘Kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een onroerend goed dienen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven. Dit soort krediet heeft immers een specifiek karakter. Kredietovereenkomsten die ten doel hebben het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten op grond of op een bestaand of gepland gebouw te financieren, moeten eveneens van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. […]’
11.
Artikel 2 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift ‘Toepassingsgebied’ en bepaalt in lid 2:
‘Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:
- a)
kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op een onroerend goed, of gewaarborgd worden door een recht op een onroerend goed;
[…]’
12.
Artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 luidt:
‘De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.’
B. Nationaal recht
13.
§ 565 van de Občiansky zákonník (burgerlijk wetboek; hierna: ‘burgerlijk wetboek’) bepaalt:
‘Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt ingevorderd kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel tot uiterlijk de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.’
14.
§ 53 van het burgerlijk wetboek regelt oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Lid 9 van § 53 luidt als volgt:
‘Ingeval een met een consument gesloten overeenkomst wordt uitgevoerd door middel van betaling in termijnen, kan de beroepsbeoefenaar ten vroegste drie maanden na de te late betaling van één termijn en nadat hij de consument ten minste 15 dagen vóór de uitoefening van dat recht in kennis heeft gesteld, het krachtens § 565 van het burgerlijk wetboek toegekende recht uitoefenen.’
15.
§ 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt:
‘Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt voldaan, kan de zekerheidsnemer de executie van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de executie van het zekerheidsrecht kan de zekerheidsnemer zich verhalen op de contractueel overeengekomen wijze of door openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet […], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten […], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.’
16.
De verwijzende rechter zet uiteen dat in dat lid 1 na de woorden ‘krachtens een bijzondere wet’ een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar Zákon č. 527/2002 Z.z. o dobrovoľných dražbách a o doplnení zákona Slovenskej národnej rady č. 323/1992 Zb. o notároch a notárskej činnosti (Notársky poriadok) v znení neskorších predpisov [wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld; hierna: ‘wet inzake vrijwillige openbare verkoop’], en na de woorden ‘bijzondere wetten’ een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwijst naar het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en het wetboek van executie.
17.
§ 151m, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek bepaalt:
- ‘1.
De zekerheidsnemer kan het onderpand ten vroegste 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht aan de zekerheidsgever en aan de schuldenaar, indien deze niet dezelfde persoon zijn, verkopen op de wijze die in de overeenkomst tot zekerheidstelling is bedongen of in het openbaar verkopen, tenzij bij een bijzondere wet anders is bepaald. […]
- 2.
Na betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht kunnen de zekerheidsgever en de zekerheidsnemer overeenkomen dat de zekerheidsnemer het onderpand ook vóór verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn op de in de overeenkomst tot zekerheidstelling bedongen wijze of in het openbaar kan verkopen.’
18.
In § 6 van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop wordt de veilingmeester omschreven als ‘de persoon die de openbare verkoop houdt, voldoet aan de voorwaarden die bij deze bijzondere wet zijn neergelegd en bevoegd is de betrokken werkzaamheid uit te oefenen.’ § 7, lid 1, van die wet omschrijft de aanvrager van de openbare verkoop als de eigenaar van het in het openbaar te verkopen goed, de zekerheidsnemer of iedere andere persoon die op grond van een bijzondere wet gerechtigd is de openbare verkoop aan te vragen.
19.
Aangaande met name de zekerheidsnemer bepaalt § 7, lid 2, van die wet dat hij schriftelijk dient te verklaren dat het te verkopen goed in het openbaar kan worden verkocht, en dat het krediet ter voldoening waarvan de executie van het verbonden goed in de zin van deze wet wordt ingeleid, daadwerkelijk bestaat, wat het bedrag daarvan is en wanneer het opeisbaar is.
20.
Overeenkomstig § 16, lid 1, van die wet kan een goed slechts openbaar worden verkocht op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanvrager van de verkoop en de veilingmeester.
21.
Overeenkomstig § 17 van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop is de veilingmeester gehouden de openbare verkoop aan te kondigen door publicatie van een bericht. Wanneer de ter openbare verkoop aangeboden zaak een appartement, een woning, een ander gebouw, een onderneming of een eenheid daarvan is, of wanneer de bodemprijs meer bedraagt dan 16 550 EUR, publiceert de veilingmeester het bericht ten minste 30 dagen vóór de aanvang van de openbare verkoop in het register van openbare verkopen, en zendt hij dat bericht onverwijld aan het ministerie ter bekendmaking in de Obchodný vestník (officiële handelsblad).
22.
§ 21, lid 2, van dezelfde wet bepaalt dat in geval van schending van een bepaling daarvan, eenieder die stelt door die schending in zijn rechten te zijn geschaad, de rechter kan verzoeken de openbare verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de vorige eigenaar officieel verblijf hield.
23.
Overeenkomstig § 325, lid 1, van Zákon č. 160/2015 Z.z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) kan de rechter voorlopige maatregelen gelasten indien de verhoudingen tussen de partijen tijdelijk dienen te worden geregeld of indien er een risico bestaat dat de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar komt. Overeenkomstig § 325, lid 2, onder d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de rechter bij wege van met name voorlopige maatregelen een partij gelasten om ‘een bepaalde handeling te verrichten, van een bepaalde handeling af te zien of een bepaalde handeling te dulden’.
24.
§ 63, lid 3, van Zákon č. 233/1995 Z.z. Exekučný poriadok (wet nr. 233/1995 inzake het wetboek van executie; hierna: ‘wet nr. 233/1995 inzake het wetboek van executie) bepaalt:
‘Executie door middel van de verkoop van een onroerend goed waarin de schuldenaar zijn hoofdverblijfplaats of tijdelijke verblijfplaats in de zin van lid 2 heeft, kan slechts bij uitzondering, na goedkeuring door de rechter, plaatsvinden indien tegen de betrokkene verschillende executieprocedures lopen die verband houden met schuldvorderingen die in totaal meer bedragen dan 2 000 EUR en de veilingmeester aantoont dat het schuldbedrag niet op een andere wijze kan worden ingevorderd.’
III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
25.
Op 9 februari 2012 hebben SP en CI bij verweerster, de Všeobecná úverová banka, a.s. (hierna: ‘VÚB Banka’) een consumentenkrediet afgesloten, met als benaming ‘Hypo Pôžička’, ten bedrage van 30 221,50 EUR voor een periode van 20 jaar tot 2032 (hierna: ‘litigieus krediet’). In de kredietovereenkomst stond niet wat het doel van het litigieuze krediet was.
26.
VÚB Banka heeft het litigieuze krediet nagenoeg volledig aangewend ter dekking van eerdere consumentenkredieten die vanaf 2004 waren verstrekt door VÚB Banka dan wel door de onderneming waarmee VÚB Banka in het verleden economisch verbonden was, namelijk Consumer Finance Holding a.s. (CFH). Verzoekers in het hoofdgeding zijn in 2004 bij CFH hun eerste krediet, nog in de oude valuta, ten bedrage van 18 000 Slowaakse kroon (SKK) (597,49 EUR) aangegaan. Vervolgens zijn er andere consumentenkredieten aangegaan. Verzoekers waren niet in staat de kredieten af te lossen. VÚB Banka heeft hun daarom nieuwe kredieten verstrekt, die zij niet aan verzoekers heeft uitbetaald maar rechtstreeks heeft gebruikt voor de aflossing van de uit de eerdere consumentenkredieten voortvloeiende schuldvorderingen. VÚB Banka heeft het bedrag van de schulden eenzijdig vastgesteld. VÚB Banka heeft ook een deel van het litigieuze krediet ten gunste van zichzelf aangewend ter dekking van de kosten in verband met de verstrekking van dat krediet.
27.
Kenmerkend voor het litigieuze krediet is dat er een zekerheidsrecht tot terugbetaling van dat krediet is gevestigd op een onroerend goed — een woning waarin verzoekers en andere personen woonachtig zijn. Na de verstrekking van het litigieuze krediet zijn verzoekers in gebreke gebleven met de aflossing van termijnen, waardoor een achterstand van 1 106,50 EUR is ontstaan. VÚB Banka heeft in januari 2013 het volledige krediet teruggevorderd wegens wanbetaling. In de contractuele voorwaarden van het litigieuze krediet was voor de kredietgever het recht opgenomen om de procedure voor vervroegde opeisbaarheid in te leiden en het volledige krediet opeisbaar te verklaren. De verwijzende rechter legt uit dat de Slowaakse wet slechts één voorwaarde stelt om dat recht in het leven te roepen, namelijk een betalingsachterstand van drie maanden en inachtneming van een aanvullende termijn van vijftien dagen door de schuldeiser.
28.
Op 12 april 2013 heeft VÚB Banka aangekondigd het zekerheidsrecht te zullen uitoefenen bij wege van vrijwillige openbare verkoop van verzoekers’ woning, waarvan de waarde ten minste dertig keer hoger is dan het bedrag waarvoor de bank de procedure met betrekking tot de vervroegde opeisbaarheid en de daaropvolgende verkoop van de woning heeft ingeleid.
29.
Verzoekers hebben de Okresný súd v Prešove (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) verzocht om een verbod op de executie van het zekerheidsrecht bij wege van de vrijwillige openbare verkoop van de woning. Zij betogen onder meer dat VÚB Banka hun door het Unierecht op het gebied van consumentenkrediet gewaarborgde rechten heeft geschonden. In zijn eerste vonnis heeft de Okresný súd v Prešove de door verzoekers ingestelde vordering afgewezen, waarbij deze rechter in aanmerking heeft genomen dat er in beginsel geen beletsels waren voor de verkoop van de woning van verzoekers in het kader van een buitengerechtelijke procedure.
30.
In het door verzoekers ingestelde hoger beroep heeft de verwijzende rechter het vonnis in eerste aanleg vernietigd. Deze rechter was van oordeel dat de vrijwillige openbare verkoop van de woning van verzoekers onevenredig was omdat er een andere manier bestond om het zekerheidsrecht uit te oefenen, te weten bij wege van een gerechtelijke executieprocedure waarin de schuldvordering van VÚB Banka kon worden voldaan zonder dat verzoekers hun woning verloren.
31.
Vervolgens heeft de Okresný súd v Prešove de vordering in een tweede vonnis opnieuw afgewezen. Die rechter verwees naar het arrest in de zaak Kušionová. Volgens de uitlegging van dat arrest door die rechter staan ook oneerlijke bedingen niet in de weg aan de verkoop van de woning van verzoekers in het kader van een buitengerechtelijke procedure voor de executie van een zekerheidsrecht. In dit verband heeft die rechter de rechtspraak toegepast van de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek), die, volgens de verwijzende rechter, de juridische bescherming ex ante van consumenten bestaande in de opschorting van de buitengerechtelijke vrijwillige openbare verkoop van hun woning zonder beperking in de tijd, had geweigerd.
32.
Verzoekers hebben opnieuw hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter en verzocht om stopzetting van de executie van het zekerheidsrecht door middel van vrijwillige openbare verkoop. Zij voerden onder meer aan dat hun rechten als consument zijn geschonden en dat de verkoop van hun woning inbreuk maakt op hun recht op huisvesting.
33.
De verwijzende rechter legt uit dat het Slowaakse recht, in verband met de vervroegde executie van een zekerheidsrecht, niet uitdrukkelijk vereist dat de evenredigheid van de executie in aanmerking wordt genomen en dat de criteria die het Hof heeft uiteengezet in punt 73 van het arrest in de zaak Aziz8. worden toegepast. Meer in het bijzonder stelt hij dat de Slowaakse wetgeving de procedure voor vervroegde opeisbaarheid toestaat zonder onderzoek van de vraag of de consument een hoofdverplichting niet is nagekomen, of een dergelijke schending voldoende ernstig is in vergelijking met de looptijd en het bedrag van de lening, en of het nationale recht in geschikte en doeltreffende middelen voorziet die de consument de mogelijkheid bieden om de gevolgen van die terugvordering van de lening ongedaan te maken.
34.
De verwijzende rechter verduidelijkt vervolgens dat de Slowaakse wetgeving in twee wijzen van executie van het zekerheidsrecht voorziet. De eerste bestaat erin dat het bezwaarde goed wordt verkocht bij een vrijwillige openbare verkoop. Een dergelijke verkoop wordt verricht door een als handelaar optredende particulier. De schuldeiser bepaalt eenzijdig het bedrag van de schuldvordering. Een andere handelaar, de veilingmeester, verkoopt gewoonlijk de woning van de consumenten buiten elke gerechtelijke procedure om en zonder dat het bedrag van de schuldvordering en de evenredigheid van de openbare verkoop van de woning van de consument objectief worden beoordeeld. Hoewel de betrokken consument er niet mee instemt, wordt een dergelijke openbare verkoop in de wet als ‘vrijwillig’ omschreven.
35.
De tweede wijze van executie is bepaald in wet nr. 233/1995 inzake het wetboek van executie. Deze procedure wordt voorafgegaan door een rechterlijke toetsing van de contractuele bedingen. De rechter kan toestemming geven voor een aflossing in termijnen en moet dus ambtshalve rekening houden met de Uniewetgeving inzake consumentenbescherming. De schuldeiser kan de executie voortzetten door een beroep te doen op een gerechtsdeurwaarder, die eveneens toestemming kan geven voor een aflossing in termijnen. In het kader van de gerechtelijke executieprocedure is het dus mogelijk de hoogte van de oorspronkelijke krediettermijnen van langlopende kredieten aan te passen tot het einde van de kredietperiode. Zo kan de schuldeiser binnen de met de consument overeengekomen periode worden betaald, terwijl de consument zijn woning behoudt.
36.
De verwijzende rechter oordeelt daarentegen dat dergelijke garanties niet worden geboden in de procedure van vrijwillige openbare verkoop. Die procedure kan niet worden opgeschort zolang er gerechtelijke procedures met betrekking tot oneerlijke bedingen lopen. Bovendien zijn gerechtelijke procedures die na de openbare verkoop worden ingesteld om — nadat consumenten de eigendom van hun woning hebben verloren — de openbare verkoop ongeldig te laten verklaren, voor hen emotioneel bijzonder belastend.
37.
Volgens de verwijzende rechter is bescherming tegen de onevenredige aantasting van de rechten van consumenten, daaronder begrepen hun recht op huisvesting, met name van belang voordat de openbare verkoop plaatsvindt. Aangezien het materiële recht niet voorziet in een andere bescherming ex ante, is in het kader van een procedure van vrijwillige openbare verkoop een vordering tot staking van executie van het zekerheidsrecht de enige resterende optie.
38.
Met betrekking tot de toepassing van richtlijn 2005/29 merkt de verwijzende rechter op dat het litigieuze krediet en eerdere consumentenkredieten telkens zijn aangewend voor de aflossing van eerdere kredieten, hoewel verzoekers niet over voldoende inkomsten beschikten om deze af te lossen. De verwijzende rechter is van oordeel dat de omstandigheden waarin het litigieuze consumentenkrediet werd aangegaan bestaan in oneerlijke handelspraktijken die binnen de werkingssfeer van die richtlijn zouden vallen.
39.
Met betrekking tot de toepassing van richtlijn 2008/48 merkt de verwijzende rechter op dat de enige omstandigheid die ertoe kan leiden dat het litigieuze krediet wordt uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn het op een onroerend goed gevestigde zekerheidsrecht is. Het op het onroerende goed gevestigde zekerheidsrecht strekt in werkelijkheid evenwel tot de aflossing van eerdere consumentenkredieten. Onder die omstandigheden bestaat er een nauw verband tussen het litigieuze krediet en de eerdere consumentenkredieten ter aflossing waarvan het litigieuze krediet is aangegaan.
40.
Ten slotte wenst de verwijzende rechter vast te stellen of de benadering van het Hof in het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C-377/14, EU:C:2016:283; hierna: ‘arrest Radlinger en Radlingerová’) in de onderhavige zaak van toepassing is.
41.
Onder die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzetten artikel 47 junctis de artikelen 7 en 38 van het [Handvest], [richtlijn 93/13], [richtlijn 2005/29] en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen een wettelijke regeling als die van § 53, lid 9, en § 565 van [het burgerlijk wetboek], op grond waarvan bij vervroegde opeisbaarheid geen rekening wordt gehouden met de evenredigheid daarvan en in het bijzonder niet met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichtingen ten opzichte van het bedrag van het krediet en de periode voor de terugbetaling daarvan?
- 2)
Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord (en de in die vraag aangehaalde bepalingen zich dus niet verzetten tegen de genoemde regeling), stelt de verwijzende rechter de volgende vragen:
- a)
Verzetten artikel 47 junctis de artikelen 7 en 38 van het Handvest, [richtlijn 93/13], [richtlijn 2005/29] en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht zich tegen rechtspraak die de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van de woning van consumenten of andere personen in wezen niet opschort en tegelijkertijd geen rekening houdt met de ernst van de niet-nakoming van de consumentenverplichting ten opzichte van het bedrag en de looptijd van het krediet, ook wanneer er een andere manier bestaat om de schuldvordering van de kredietgever te voldoen, namelijk in het kader van een gerechtelijke executieprocedure waarbij de verkoop van de woning waarop het zekerheidsrecht rust geen voorrang krijgt?
- b)
Moet artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2005/29] aldus worden uitgelegd dat de bescherming van consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken op het gebied van het consumentenkrediet zich uitstrekt tot alle wijzen van terugbetaling van schuldvorderingen van kredietgevers, daaronder begrepen het aangaan van een nieuw krediet ter dekking van de uit een eerder krediet voortvloeiende verplichtingen?
- c)
Moet richtlijn [2005/29] aldus worden uitgelegd dat als oneerlijke handelspraktijk ook de handelwijze wordt aangemerkt van een kredietgever die herhaaldelijk kredieten verleent aan een consument die niet in staat is om deze kredieten terug te betalen, zodat er een keten van kredieten ontstaat die de kredietgever in werkelijkheid niet aan de consument uitbetaalt maar inhoudt om eerdere kredieten en de totale kosten daarvan te dekken?
- d)
Moet artikel 2, lid 2, onder a), van [richtlijn 2008/48], gelezen in samenhang met overweging 10 van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast op kredieten die alle kenmerken van een consumentenkrediet vertonen, wanneer het doel van het krediet niet is overeengekomen en de kredietgever het gehele krediet, afgezien van een onbeduidend deel ervan, heeft bestemd ter dekking van eerdere consumentenkredieten en wanneer als zekerheid een zekerheidsrecht op een onroerend goed is overeengekomen?
- e)
Moet het [arrest Radlinger en Radlingerová] aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een kredietovereenkomst, wanneer krachtens een dergelijke overeenkomst een deel van het verstrekte krediet is bestemd voor de dekking van de door de kredietgever gemaakte kosten?’
IV. Procedure bij het Hof
42.
Op 6 juli 2022 heeft de verwijzende rechter op verzoek van het Hof verduidelijkingen verstrekt krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
43.
VÚB Banka, de Slowaakse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 28 oktober 2022 hebben verzoekers, de Slowaakse regering en de Commissie pleidooi gehouden.
V. Analyse
Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
44.
VÚB Banka stelt dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij hypothetisch zijn. In dit verband voert zij verschillende feitelijke elementen aan waaruit volgens haar blijkt dat de consument wezenlijke contractuele verplichtingen heeft geschonden en dat de bank het evenredigheidsbeginsel in acht heeft genomen.
45.
De Slowaakse regering en, in wezen, de Commissie betogen dat de eerste en de tweede vraag niet-ontvankelijk zijn wat betreft richtlijn 2005/29. Zij betogen dat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom hij het Hof heeft gevraagd hoe deze richtlijn moet worden uitgelegd en evenmin waarom deze uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil in het hoofdgeding. De Commissie stelt meer bepaald dat de verwijzende rechter niet heeft uitgelegd in hoeverre het inleiden van de executieprocedure een oneerlijke handelspraktijk kan vormen. De Commissie verklaart evenwel dat de verwijzende rechter de relevantie van de uitlegging van richtlijn 2005/29 wel heeft toegelicht in het kader van de derde en de vierde vraag.
46.
Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is om de juistheid te onderzoeken. Derhalve kan het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het probleem hypothetisch is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.9.
47.
In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat de eerste en de tweede prejudiciële vraag niet alleen betrekking hebben op richtlijn 93/13, maar ook op richtlijn 2005/29. Zoals door de Slowaakse regering en de Commissie terecht is betoogd, haalt de verwijzende rechter laatstgenoemde richtlijn in die vragen echter louter aan en geeft hij niet aan waarom het hoofdgeding niet zonder uitlegging daarvan kan worden beslecht. De verwijzende rechter licht evenmin toe in hoeverre de door verzoekers betwiste procedure van executie van het zekerheidsrecht een oneerlijke handelspraktijk kan vormen.
48.
Derhalve geef ik in overweging de eerste twee vragen uitsluitend te beantwoorden in het licht van de bepalingen van richtlijn 93/13.
49.
In de tweede plaats betekent het feit dat VÚB Banka betoogt dat de executie van het zekerheidsrecht evenredig is, niet dat die vragen hypothetisch zijn. De prejudiciële vragen zijn er niet op gericht te vernemen of de specifieke executieprocedure evenredig was — ook al is dat volgens de verwijzende rechter niet het geval —, maar om te beoordelen of de schuldeiser de jure tot een dergelijke executie kan overgaan bij gebreke van een wettelijke verplichting van de rechter om de evenredigheid van beslaglegging te onderzoeken.10.
50.
In die zin zijn de prejudiciële vragen niet hypothetisch en is de gevraagde uitlegging van richtlijn 93/13 noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding.
51.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk moet worden verklaard.
Eerste prejudiciële vraag
52.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7, 38 en 47 van het Handvest alsook het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, meer bepaald § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek, gelezen in het licht van § 565 ervan, die de beroepsbeoefenaar toestaat een procedure in te leiden voor de vervroegde terugbetaling van een lening omdat de schuldenaar zijn verplichtingen gedurende een specifieke, beperkte periode niet is nagekomen, zonder dat dit recht is onderworpen aan het evenredigheidsvereiste, met name met betrekking tot de ernst van de niet-nakoming door de consument van zijn verplichtingen in verband met het bedrag en de looptijd van het krediet.
53.
Uit de verwijzingsbeslissing komt naar voren dat de beroepsbeoefenaar krachtens § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek bij een overeenkomst inzake een consumentenkrediet dat in termijnen wordt afgelost, de lening overeenkomstig § 565 van het burgerlijk wetboek in haar geheel kan opeisen indien partijen dit zijn overeengekomen. De uitoefening van dit recht is verbonden aan de voorwaarde dat er ten eerste een termijn van ten minste drie maanden na de te late betaling van één termijn is verstreken en dat ten tweede de consument ten minste 15 dagen vóór de executie in kennis wordt gesteld.
54.
Vooraf zij in herinnering gebracht dat uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 volgt dat deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de nationale bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Uit artikel 1, lid 2, van die richtlijn — gelezen in het licht van de dertiende overweging en artikel 3, lid 1, ervan — volgt dat deze richtlijn niet beoogt nationale bepalingen te onderwerpen aan een toetsing op hun mogelijkerwijs nadelige gevolgen voor de consument, maar alleen beoogt te voorzien in een toetsing van bedingen in consumentenovereenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld.11.
55.
Bovendien zijn volgens artikel 1, lid 2, van die richtlijn contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen, niet aan deze richtlijn onderworpen.
56.
Zoals het Hof dienaangaande herhaaldelijk heeft geoordeeld, vindt de in dat artikel 1, lid 2 geformuleerde uitsluiting van de werkingssfeer van de richtlijn haar rechtvaardiging in het feit dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, een evenwicht dat de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven.12.
57.
In het hoofdgeding worden de bepalingen van nationaal recht waarop de prejudiciële verwijzing betrekking heeft, weergegeven door een clausule in de overeenkomst inzake het consumentenkrediet.
58.
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren.13.
59.
Bovendien heeft de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking aangegeven dat hij positief staat tegenover een herformulering van de eerste vraag, in die zin dat hij daarmee verzoekt om uitlegging van het in artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 gebruikte begrip ‘oneerlijk beding’ en van de criteria die de nationale rechter kan of moet toepassen bij het onderzoek van een contractueel beding waarin de litigieuze bepalingen van het nationale recht zijn overgenomen.
60.
Onder die omstandigheden lijkt het voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter noodzakelijk om de eerste prejudiciële vraag te herformuleren. Met deze vraag wordt in wezen beoogd te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op een contractueel beding waarin een bepaling van nationaal recht is overgenomen die de beroepsbeoefenaar toestaat een procedure in te leiden om het krediet vervroegd op te eisen op grond van het feit dat de schuldenaar zijn verplichtingen over een specifieke, beperkte periode niet is nagekomen, zonder dat dit recht is onderworpen aan het evenredigheidsvereiste. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, beoogt de nationale rechter vast te stellen wat de criteria zijn voor de beoordeling van het eventuele oneerlijke karakter van een dergelijk beding overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 93/13.
Wel of geen overname in het litigieuze beding van een ‘dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13
61.
Om in de eerste plaats vast te stellen of in het litigieuze beding een ‘dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 is overgenomen, moet in herinnering worden gebracht dat die bepaling een uitsluiting van de werkingssfeer van richtlijn 93/13 invoert. Zoals elke uitzondering en gelet op het doel van die richtlijn, namelijk het beschermen van de consument tegen oneerlijke bedingen in een tussen hem en een verkoper gesloten overeenkomst, moet een dergelijke uitsluiting eng worden uitgelegd.14.
62.
Op het uitzonderlijke karakter van die uitsluiting is gewezen in het arrest Kušionová15., waarin het Hof artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus heeft uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument slechts buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt wanneer in dat contractueel beding een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling inhoudelijk is overgenomen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is.
63.
Het is duidelijk dat voor die uitsluiting twee voorwaarden moeten zijn vervuld: ten eerste moet in het contractuele beding een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn overgenomen en ten tweede moet het daarbij om een dwingende bepaling gaan.16.
64.
Om vast te stellen of deze voorwaarden zijn vervuld, heeft het Hof geoordeeld dat het aan de nationale rechter staat om na te gaan of in het betrokken contractuele beding bepalingen van nationaal recht zijn overgenomen die los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn of bepalingen die aanvullend zijn en derhalve bij gebreke van een andersluidende regeling van toepassing zijn, dat wil zeggen wanneer de partijen dienaangaande geen andere regeling zijn overeengekomen.17.
65.
In haar schriftelijke opmerkingen betoogt de Slowaakse regering dat § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek een dergelijke dwingende bepaling is. Zij stelt ten eerste dat deze bepaling de consument een betere bescherming biedt aangezien zij voorziet in aanvullende waarborgen in geval van vervroegde opeisbaarheid van een consumentenkrediet. Ten tweede mogen de partijen op grond van § 54, lid 1 van het burgerlijk wetboek niet ten nadele van de consument afwijken van de toepassing van de litigieuze bepaling.
66.
De verwijzende rechter deelt het standpunt van de Slowaakse regering niet. In zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking legt hij uit dat de gecombineerde bepalingen van § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek niet standaard van toepassing zijn. De toepassing ervan hangt af van de keuze van de partijen. De verwijzende rechter wijst er ook op dat, zelfs wanneer partijen de mogelijkheid van vervroegde opeisbaarheid van het krediet overeenkomen, dat een optie blijft voor de schuldeiser, zonder dat er een wettelijke verplichting tot vervroegde tenuitvoerlegging bestaat. In dit verband wijst hij erop dat § 53, lid 9, en § 565 van het burgerlijk wetboek de term ‘kan’ (môže) gebruiken, hetgeen erop wijst dat het initiëren van de executie een mogelijkheid en geen verplichting van de schuldeiser is. De verwijzende rechter is bovendien van oordeel dat § 54, lid 1, van het burgerlijk wetboek, waarnaar de Slowaakse regering verwijst, niet tot een andere uitlegging leidt. Die bepaling verzet zich er niet tegen dat ten gunste van de consument van het bepaalde in het burgerlijk wetboek wordt afgeweken. De verwijzende rechter legt uit dat de schuldeiser alleen onder omstandigheden waarin de partijen een beding betreffende vervroegde opeisbaarheid in hun overeenkomst opnemen, verplicht is de minimumvereisten van § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek in acht te nemen alvorens tot executie over te gaan.
67.
Ter terechtzitting hebben verzoekers en de Commissie benadrukt dat voor de toepassing van de litigieuze bepalingen van het burgerlijk wetboek voorafgaande overeenstemming tussen de partijen nodig is. Verzoekers hebben verklaard dat het de keuze van de beroepsbeoefenaar is zijn recht uit te oefenen om de procedure voor vervroegde terugbetaling in te leiden. Indien de beroepsbeoefenaar ervoor kiest dit recht uit te oefenen, moet hij de minimale vormvoorschriften van § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek in acht nemen. Het is verplicht de termijn van drie maanden in acht te nemen alvorens tot executie van een schuldvordering over te gaan, maar de voorafgaande voorwaarde voor de toepassing ervan, namelijk de beslissing tot executie, wordt overgelaten aan de beroepsbeoefenaar.
68.
De uitleg van de verwijzende rechter en de argumenten van verzoekers en de Commissie hebben mij overtuigd. Naar mijn mening ondersteunen zij de gevolgtrekking dat de litigieuze bepalingen van nationaal recht niet standaard, dat wil zeggen bij gebreke van andere door partijen vastgestelde regelingen, van toepassing zijn en dus niet als ‘dwingend’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 kunnen worden aangemerkt. Zij vereisen daarentegen een uitdrukkelijke overeenkomst tussen de partijen. Bij gebreke van een dergelijke overeenkomst stelt § 565 van het burgerlijk wetboek als regel dat de schuldeiser niet kan verlangen dat de gehele schuldvordering wordt afgelost wegens het niet betalen van een van de maandelijkse termijnen.
69.
Het is ook van belang erop te wijzen dat § 53, lid 9, van het burgerlijk wetboek weliswaar verwijst naar een consumentenovereenkomst die wordt uitgevoerd in termijnen, maar niet specifiek voorziet in de vervroegde tenuitvoerlegging van een langlopende kredietovereenkomst of het bestaan van een waarborg voor dat krediet in de vorm van een zekerheidsrecht op de gezinswoning van de consument. Onder die omstandigheden kan de keuze van de beroepsbeoefenaar om in een overeenkomst inzake een krediet waarvoor de gezinswoning van de consument als zekerheid is gesteld, een beding op te nemen waarover niet is onderhandeld en waarin deze bepaling is overgenomen, niet op één lijn worden gesteld met de vaststelling door de nationale wetgever van een evenwicht tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst.
70.
Hoe dan ook staat vast dat in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen.18.
71.
Onder die omstandigheden is het duidelijk dat in het litigieuze contractuele beding, dat voorziet in het recht van vervroegde opeisbaarheid voor de schuldeiser, geen ‘dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 is overgenomen. Derhalve kom ik tot de slotsom dat een dergelijk beding binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt.
Criteria voor de beoordeling van het contractuele beding inzake vervroegde opeisbaarheid
72.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Hieruit vloeit in dit verband voort dat ook de gevolgen moeten worden beoordeeld die dat beding kan hebben in het kader van het op de overeenkomst toepasselijke recht, hetgeen een onderzoek van het nationale rechtsstelsel impliceert.19.
73.
De verwijzende rechter vraagt meer in het bijzonder of bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van het litigieuze contractuele beding rekening kan worden gehouden met de evenredigheid van de uitoefening van het recht van de beroepsbeoefenaar om het krediet in zijn geheel op te eisen en met name met de ernst van de schending door de consument van zijn verplichtingen met betrekking tot het bedrag en de looptijd van het krediet. De verwijzende rechter verwijst in dit verband naar een van de criteria in punt 73 van het arrest in de zaak Aziz20..
74.
In dat arrest is een aantal criteria vastgesteld waarmee een nationale rechter een beoordeling kan maken van het mogelijk oneerlijke karakter van het beding betreffende de procedure voor vervroegde terugbetaling in een langlopende overeenkomst, en meer bepaald een overeenkomst voor een hypothecaire lening, naar aanleiding van het feit dat de schuldenaar zijn verplichtingen gedurende een specifieke beperkte periode niet is nagekomen. Die criteria zijn verder uitgewerkt in het arrest in de zaak Banco Primus21.. Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter staat om onder meer te onderzoeken of ten eerste aan de mogelijkheid voor de kredietgever om de gehele lening opeisbaar te verklaren de voorwaarde is verbonden dat de consument een hoofdverplichting in het kader van de desbetreffende contractuele relatie niet nakomt, of ten tweede deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening, of ten derde deze mogelijkheid, bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, afwijkt van de ter zake toepasselijke regels van gemeen recht, en of ten vierde het nationale recht de aan een dergelijk beding gebonden consument geschikte en doeltreffende middelen aanreikt om de gevolgen van de opeisbaarheid van de lening ongedaan te maken. Het Hof heeft voorts in zijn arrest Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest22. verduidelijkt dat het arrest in de zaak Banco Primus aldus moet worden uitgelegd dat de criteria die in dat arrest zijn geformuleerd voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, met name voor de beoordeling van de door dat beding, ten nadele van de consument, teweeggebrachte aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst, niet kunnen worden opgevat als cumulatief dan wel alternatief, maar moeten worden begrepen als deel van het geheel van omstandigheden rond de sluiting van de betreffende overeenkomst, die de nationale rechter moet onderzoeken om het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst, in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, te beoordelen.
75.
Het betrokken contractuele beding betreft de vervroegde beëindiging van een langlopende overeenkomst die is aangegaan voor twintig jaar en is gewaarborgd door de gezinswoning van een consument. Onder die omstandigheden moet het oneerlijke karakter van dat beding worden beoordeeld in het licht van de in het vorige punt uiteengezette rechtspraak.
76.
Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op een contractueel beding waarin een bepaling van nationaal recht is overgenomen die de beroepsbeoefenaar toestaat de procedure voor vervroegde terugbetaling van de lening in te leiden wegens niet-nakoming door de schuldenaar van zijn verplichtingen gedurende een specifieke beperkte periode, zonder dat dit recht is onderworpen aan het evenredigheidsvereiste. Artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter, wat betreft de beoordeling door een nationale rechter van een eventuele oneerlijkheid van het beding betreffende de procedure voor vervroegde terugbetaling wegens niet-nakoming door de schuldenaar van zijn verplichtingen gedurende een beperkte specifieke periode, onder meer de volgende criteria moet onderzoeken: ten eerste of aan de mogelijkheid voor de kredietgever om de gehele lening op te eisen de voorwaarde is verbonden dat de consument in het kader van de desbetreffende contractuele betrekking tekortschiet in de nakoming van een hoofdverplichting, ten tweede of deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening, ten derde of deze mogelijkheid, bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, afwijkt van de ter zake toepasselijke regels van gemeen recht, en ten vierde of het nationale recht de aan een dergelijk beding gebonden consument geschikte en doeltreffende middelen aanreikt om de gevolgen van de opgeëiste lening te ondervangen.
77.
Indien het Hof de eerste vraag, zoals geherformuleerd, bevestigend beantwoordt, behoeven de overige vragen volgens de verwijzende rechter niet meer te worden beantwoord. Evenwel zal ik de overige vragen volledigheidshalve analyseren.
Tweede prejudiciële vraag
78.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7, 47 en 38 van het Handvest en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke het niet mogelijk is de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van onroerend goed bestaande in de woning van consumenten of andere personen, in wezen op te schorten.
79.
Vooraf zij eraan herinnerd dat het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingssysteem berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen. Daarnaast bepaalt artikel 38 van het Handvest dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. Dit gebod geldt voor de uitvoering van richtlijn 93/13.23.
80.
Bovendien verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten — gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang van de bescherming van consumenten — volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.24.
Achtergrond van de vraag: het arrest van het Hof in de zaak Kušionová
81.
Na deze inleidende opmerkingen moet worden verwezen naar de achtergrond van de prejudiciële vraag. Dit is niet de eerste keer dat Slowaakse rechters het Hof om handvatten hebben gevraagd met betrekking tot de verenigbaarheid met richtlijn 93/13 van de Slowaakse regeling op grond waarvan een schuldeiser betaling van een schuld kan verkrijgen door middel van de buitengerechtelijke executie van een door de consument in zekerheid gegeven onroerend goed. Het eerste geval in die zin was dat van zaak C-482/12, Macinský en Macinská. Deze zaak is doorgehaald in het register van het Hof na de intrekking van het verzoek om een prejudiciële beslissing25., terwijl advocaat-generaal Wahl reeds conclusie had genomen.26. In de zaak Macinský en Macinská kwam meer bepaald de vraag aan de orde of richtlijn 93/13 zich ertegen verzet dat een lidstaat over procedurele regels beschikt op grond waarvan een op een oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst gebaseerde schuldvordering buitengerechtelijk ten uitvoer kan worden gelegd en derhalve — mogelijk — zonder rechterlijk toezicht. Op basis van de elementen in het dossier en de opmerkingen van de partijen ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat richtlijn 93/13 zich niet tegen een dergelijke procedure verzet. Die conclusie was in wezen gebaseerd op de volgende overwegingen. Ten eerste vereist de doeltreffende procedurele bescherming van consumenten geen verplichte rechterlijke toetsing vooraf van oneerlijke bedingen.27. Ten tweede voorzag de litigieuze procedure in voldoende mate in de door richtlijn 93/13 vereiste daadwerkelijke bescherming van de rechten van de consument.28.
82.
De conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Macinský en Macinská is in wezen gevolgd door het arrest in de zaak Kušionová. In dat arrest is geoordeeld dat de Slowaakse regeling van buitengerechtelijke executie, of ‘vrijwillige’ openbare verkoop, met richtlijn 93/13 verenigbaar is voor zover die regeling de bescherming van de door deze richtlijn aan de consument verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
83.
Voor de uitspraak van het Hof in het arrest Kušionová geldt de voorwaarde dat er doeltreffende middelen bestaan om op te komen tegen een executie op basis van mogelijk oneerlijke bedingen. Op basis van de beschikbare elementen was het Hof van oordeel dat de Slowaakse wetgeving voorziet in voorlopige rechtsbescherming, die het mogelijk maakt voorlopige maatregelen te treffen om de voortzetting van de verkoop te voorkomen, alsmede in rechtsbescherming achteraf. Het Hof baseerde zich voornamelijk op de volgende elementen: ten eerste de mogelijkheid om de openbare verkoop binnen 30 dagen na de datum van betekening van de aanvang van de executie van het zekerheidsrecht te betwisten, overeenkomstig § 151m, lid 1, van het burgerlijk wetboek, gelezen in samenhang met § 17, lid 3, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop; ten tweede de mogelijkheid voor degene die het oneens is met de wijze waarop de openbare verkoop plaatsvindt om binnen een termijn van drie maanden de rechter te verzoeken om de openbare verkoop nietig te verklaren op grond van § 21, lid 2, van die wet, en ten derde het feit dat de bevoegde nationale rechter in een dergelijke procedure van buitengerechtelijke executie van een zekerheidsrecht de voortzetting van de executieverkoop overeenkomstig § 74, lid 1, en § 76, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bij voorlopige maatregel kan verbieden.29.
84.
Wat betreft de mogelijkheid van de nationale rechter om de evenredigheid van de executie te beoordelen, neemt het arrest Kušionová die toetsing op in de totale beoordeling door de nationale rechter van de geschiktheid en doeltreffendheid van de in de rechtsorde beschikbare middelen om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen op grond van § 7, lid 1, van richtlijn 93/13.30. Uit de redenering van het Hof blijken de grondwettelijke dimensies van richtlijn 93/13 in het kader van consumentengeschillen. Het Hof heeft verklaard dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het feit dat het onroerend goed waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure van buitengerechtelijke executie van het zekerheidsrecht betrekking heeft, de gezinswoning van de consument is.31. De redenering in het licht van de grondrechten wordt versterkt onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM heeft geoordeeld dat het verlies van huisvesting een van de zwaarste inbreuken op het recht op eerbiediging van de woning is, en dat eenieder die daar risico op loopt, de evenredigheid van een dergelijke maatregel in beginsel moet kunnen laten toetsen.32. Het Hof heeft erop gewezen dat de nationale rechter bij de uitlegging van richtlijn 93/13 rekening moet houden met artikel 7 van het Handvest, dat het recht op eerbiediging van de woning waarborgt.33. Ten slotte heeft het Hof onder verwijzing naar zijn arrest in de zaak Aziz34. onderstreept dat het belangrijk is dat de bevoegde nationale rechter voorlopige maatregelen kan gelasten om een onrechtmatige executieprocedure te schorsen of te vertragen wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk blijken ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming, rekening houdend met de gevolgen van de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de woning waarin zij hun hoofdverblijf hebben.35.
85.
Gelet op alle in punt 83 van deze conclusie genoemde elementen en met name gezien het feit dat de bevoegde nationale rechter over de mogelijkheid leek te beschikken om voorlopige maatregelen te gelasten, wordt in het arrest Kušionová geoordeeld dat er binnen de Slowaakse buitengerechtelijke executieprocedure ‘een doeltreffend en geschikt middel [bestaat] om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen. Het staat aan de verwijzende rechter om te verifiëren of dat inderdaad het geval is.’
Toetsing van de vooronderstellingen in het arrest Kušionová
86.
De verwijzende rechter legt uit dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky het arrest Kušionová aldus heeft uitgelegd dat de buitengerechtelijke verkoop van een onroerend goed, waaronder de woning van een consument, is toegestaan. Bovendien volgt uit deze nationale rechtspraak dat een schuldeiser niet voor onbepaalde tijd kan worden verplicht om af te zien van de executie van het zekerheidsrecht.36. De verwijzende rechter is in wezen van oordeel dat dergelijke nationale rechtspraak niet juist is en toetst de vooronderstellingen waarop het arrest Kušionová is gebaseerd. Volgens hem biedt de vrijwillige openbare verkoop niet dezelfde waarborgen als gerechtelijke executie. Hij zet uiteen dat het gaat om een uitsluitend door particulieren georganiseerde wijze van executie, die de rechterlijke toetsing van de schuld en van de evenredigheid van de verkoop uitsluit. De verwijzende rechter wijst erop dat de vrijwillige openbare verkoop niet mag worden onderbroken door een gerechtelijke procedure in het kader waarvan de eerlijkheid van de contractuele bedingen kan worden betwist.
87.
De Slowaakse regering houdt in haar schriftelijke opmerkingen daarentegen vol dat de Slowaakse wetgeving, zoals uiteengezet in het arrest Kušionová, een doeltreffende rechtsbescherming van de consumenten voor en na de gedwongen verkoop waarborgt en dat de rechters in kort geding voorlopige maatregelen kunnen vaststellen.
88.
In zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking is de verwijzende rechter het oneens met de juridische analyse van de Slowaakse regering. Om te beginnen verwerpt de verwijzende rechter de opvatting dat de regeling inzake buitengerechtelijke verkopen een betere bescherming van de consument waarborgt door het enkele feit dat de rechtstreekse verkoop van het goed door de schuldeiser is uitgesloten. Hij is van oordeel dat de bepalingen waarnaar de Slowaakse regering verwijst, namelijk § 17, leden 3 en 5, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop en § 151m, lid 1, van het burgerlijk wetboek, het recht om de executie aan te vechten voordat de verkoop plaatsvindt, niet erkennen. Volgens hem regelen deze bepalingen de formele voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een vrijwillige openbare verkoop, alsook de organisatorische aspecten in verband met deze verkoop. Wat betreft de mogelijkheid van voorlopige maatregelen, wijst de verwijzende rechter erop dat § 325, leden 1 en 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de rechter alleen in het kader van procedures op tegenspraak bevoegd verklaart om voorlopige maatregelen te treffen. Hij legt uit dat deze bepaling dus niet van toepassing is in het kader van buitengerechtelijke executieprocedures. Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat § 63, lid 3, van wet nr. 233/1995 inzake het wetboek van executie losstaat van de procedure van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop en dat beroepsbeoefenaren zich in het kader van buitengerechtelijke executieprocedures in het algemeen niet aan wet nr. 233/1995 inzake het wetboek van executie hoeven te houden.
89.
Ter terechtzitting is de aanwezige partijen verzocht nader in te gaan op de middelen waarover de consument beschikt om het mogelijk oneerlijke karakter van het executie-instrument in het kader van de buitengerechtelijke verkoopprocedure aan te vechten. Hun werd ook verzocht aan te geven op grond van welke rechtsgrondslag de rechters waarbij de declaratoire procedure over het mogelijk oneerlijke karakter van de in het executie-instrument opgenomen contractuele bedingen of met de executie verband houdende zaken aanhangig zijn, voorlopige maatregelen kunnen gelasten die de executieprocedure kunnen schorsen om de volle werking van de eindbeslissing ten gronde te waarborgen.
90.
De Slowaakse regering heeft verklaard dat de wet geen belemmering vormt voor de bevoegdheid van de rechters om ambtshalve oneerlijke bedingen aan de orde te stellen. Zij heeft opgemerkt dat § 298, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering dergelijke bevoegdheden uitdrukkelijk erkent. De Slowaakse regering heeft verwezen naar een aantal bepalingen van het burgerlijk wetboek en van wet nr. 250/2007 inzake consumentenbescherming, waaruit volgt dat consumenten een procedure kunnen inleiden om de oneerlijke bedingen ongeldig te doen verklaren. Bovendien heeft deze regering verklaard dat het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de mogelijkheid erkent om een rechtsvordering in te stellen teneinde vast te stellen of een recht bestaat.
91.
Verzoekers hebben niet betwist dat alle door de Slowaakse regering genoemde bepalingen bestaan. Zij hebben evenwel aangevoerd dat dit algemene regels zijn, die niet van toepassing zijn op buitengerechtelijke executie. Volgens hen bestaat er geen rechtsgrondslag op grond waarvan de rechter een vrijwillige openbare verkoop louter op grond van oneerlijke bedingen moet opschorten. Ook hebben verzoekers aangevoerd dat de gehele procedure ondoorzichtig is en dat er in geen enkele fase van de procedure een overheidsinstantie betrokken is. Met betrekking tot de mogelijkheid om de verkoop achteraf aan te vechten, hebben verzoekers uitgelegd dat dit een langdurig en pijnlijk proces is voor consumenten37., met zeer weinig kans op succes.
92.
De Commissie heeft aangevoerd dat het onduidelijk blijft of de op de wet inzake vrijwillige openbare verkoop gebaseerde buitengerechtelijke executieprocedure de opschorting van de executie wegens oneerlijke bedingen toestaat. De Commissie heeft opgemerkt dat, zelfs indien zou worden aanvaard dat een dergelijke mogelijkheid in de nationale wetgeving bestaat, sprake is van spanning tussen hetgeen de wet beoogt te regelen en de wijze waarop de wet door de rechter wordt uitgelegd en toegepast. Dit maakt de toepassing van consumentenrechten in de praktijk bijzonder moeilijk.
93.
Hoewel het Hof krachtens artikel 267 VWEU bevoegd is om uit artikel 7 van richtlijn 93/13 de criteria af te leiden die het kader vormen voor het toetsen aan de verplichtingen die voortvloeien uit deze richtlijn, is het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de bepalingen van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop in voorkomend geval een dergelijk kader kunnen bieden.38.
94.
Derhalve beperk ik mij tot de volgende opmerkingen. De buitengerechtelijke executieprocedure is van toepassing ongeacht de status van de schuldenaar en ongeacht de aard van het betrokken goed. Die procedure kan betrekking hebben (zoals in de zaak in het hoofdgeding) op een onroerend goed dat voorziet in een essentiële behoefte van de consument, namelijk huisvesting.39. Die procedure kan door een kredietgever worden geëntameerd op grond van de kredietovereenkomst die fungeert als akte met executoriale werking, zonder dat die akte inhoudelijk door de rechter wordt getoetst om na te gaan of een of meer bepalingen daarvan mogelijk oneerlijk zijn. Bovendien stelt de schuldeiser de schuld eenzijdig vast en verricht een particulier (de ‘veilingmeester’) de executie zonder toezicht van een overheidsinstantie. Gelet op dat krachtige en onvoorwaardelijke recht van de kredietgever om de executieprocedure te entameren, is het van nog groter belang dat de consument, in zijn hoedanigheid van geëxecuteerde schuldenaar, effectieve rechterlijke bescherming geniet.40.Zoals een commentator het treffend formuleert, moeten tegen iemands woning gevoerde eigendomsprocedures ‘de hoogste mate van procedurele strengheid’ waarborgen.41.
95.
Uit het dossier waarover het Hof beschikt en het debat ter terechtzitting blijkt naar mijn mening dat het bestaan en de omvang van de rechterlijke bevoegdheden in de specifieke context van een betwisting van de buitengerechtelijke executie op grond van oneerlijke bedingen voor de rechter en de consument onduidelijk en ingewikkeld blijven. Meer bepaald lijkt het niet duidelijk welke procedurele weg de consument kan bewandelen om opschorting van de executie te verkrijgen, zodat de bevoegde rechter het mogelijk oneerlijke karakter van de contractuele bedingen in het executie-instrument kan onderzoeken. Het ontbreken van een duidelijk juridisch kader miskent in de eerste plaats het rechtszekerheidsbeginsel. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel een algemeen beginsel van het Unierecht is dat vereist dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen, opdat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.42.
96.
Het door de verwijzende rechter beschreven rechtskader voor buitengerechtelijke executie lijkt geen hoge mate van procedurele waarborgen te bieden. Door de versnippering ervan ontstaat een niet onaanzienlijk risico dat de betrokken consument tegen de buitengerechtelijke executie geen beroep aantekent waarin oneerlijke bedingen kunnen worden getoetst, of een procedurefout maakt.43. Dit risico wordt nog vergroot door het feit dat alle stappen van de buitengerechtelijke executieprocedure, waaronder de vaststelling van het bedrag van de schuld, worden uitgevoerd zonder enig toezicht door een overheidsinstantie.
97.
In dit verband zij er ook op gewezen dat uit recente rechtspraak van het Hof blijkt dat de normen voor wat een doeltreffende toetsing van oneerlijke bedingen vormt, bijzonder hoog zijn. Het Hof heeft verklaard dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 —, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd.44.
98.
Meer bepaald heeft het Hof, in de context van ex parte procedures voor het uitvaardigen van een betalingsbevel, geoordeeld dat de executierechter op grond van het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming — ook voor het eerst — moet kunnen beoordelen of de contractuele bedingen die als grondslag hebben gediend voor een betalingsbevel dat door een rechter op verzoek van een schuldeiser is uitgevaardigd en waartegen de schuldenaar geen verzet heeft aangetekend, oneerlijk zijn.45. In het kader van hypothecaire executieprocedures heeft het Hof geoordeeld dat een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen, zoals vereist door richtlijn 93/13, niet kan worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde ook geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt.46.
99.
Uit die rechtspraak volgt dat zelfs indien sprake is van een rechterlijke beslissing waarbij de executie wordt toegestaan, onder omstandigheden waarin die beslissing geen gronden bevat waaruit blijkt dat de rechter ambtshalve het oneerlijke karakter van contractuele bedingen onderzoekt, niet kan worden gewaarborgd dat daadwerkelijk op oneerlijke bedingen wordt getoetst. Op die grond ben ik a fortiori van mening dat een doeltreffende toetsing niet kan worden gewaarborgd wanneer executieprocedures worden ingeleid zonder voorafgaande rechterlijke toetsing, wanneer zij uitsluitend door particuliere beroepsbeoefenaren worden uitgevoerd en wanneer de regels betreffende de middelen waarover de consument beschikt om de executieprocedure aan te vechten en de respectieve bevoegdheden van de rechters, onduidelijk en ingewikkeld zijn. Het komt mij dan ook voor dat de procedureregels voor buitengerechtelijke executieprocedures, ten minste op de wijze waarop zij in de Slowaakse rechtspraktijk worden toegepast, niet voldoen aan de normen voor een doeltreffende rechterlijke bescherming van de consument.
100.
Ten slotte wijs ik erop dat richtlijn 2014/17 — die, zoals in overweging 3 ervan in herinnering wordt gebracht, op het gebied van woonkredieten voor consumenten is vastgesteld naar aanleiding van de internationale financiële crisis — weliswaar temporeel niet van toepassing is47., maar dat uit de betreffende richtlijn blijkt dat de Uniewetgever de consument beter wilde beschermen in het kader van executieprocedures met betrekking tot woningen. Volgens artikel 28, lid 1, van richtlijn 2014/17 dienen de lidstaten maatregelen vast te stellen die de kredietgever aansporen jegens consumenten met een betalingsachterstand een redelijke mate van tolerantie aan te houden alvorens een procedure tot gedwongen verkoop in te leiden. Het doel van uitstel van betaling is om betalingsproblemen in een vroeg stadium op te lossen teneinde te voorkomen dat dergelijke procedures worden ingeleid. Een procedure tot gedwongen verkoop moet het laatste redmiddel zijn, wanneer alle andere middelen om de betalingsachterstand te regulariseren hebben gefaald.48.
101.
Op basis van het voorgaande kom ik tot de gevolgtrekking dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7, 47 en 38 van het Handvest en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke het niet mogelijk is de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van de woning van consumenten of andere personen in wezen op te schorten, voor zover voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de volle werking te verzekeren van een beslissing van de rechter die bevoegd is om over de oneerlijkheid van een beding te oordelen.
Derde en vierde prejudiciële vraag
102.
Met zijn derde en zijn vierde vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, ten eerste, het herhaaldelijk door een kredietinstelling aan een consument verstrekken van kredieten die tot doel hebben eerdere kredieten af te lossen en die de consument niet kan terugbetalen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 valt en, ten tweede, of een dergelijke handeling een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van die richtlijn vormt.
103.
Om te beginnen zij erop gewezen dat de aan de orde zijnde praktijk, zoals door de verwijzende rechter beschreven, erin bestaat dat de kredietinstelling bij herhaling consumentenkredieten verstrekt ter dekking van de terugbetaling van eerdere kredieten aan die kredietinstelling en de kosten van die kredieten. De verwijzende rechter merkt op dat het bedrag van elk nieuw krediet in de ‘keten’ van kredieten eenzijdig door de bank werd vastgesteld en dat de kredietnemers niet in staat waren om dit terug te betalen. Voorts volgt uit de verwijzingsbeslissing dat het antwoord op de vraag of de betrokken praktijk een oneerlijke handelspraktijk is, voor de nationale rechter noodzakelijk is om in het kader van de beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 de omstandigheden te onderzoeken waarin het litigieuze krediet is aangegaan.49.
104.
Met betrekking tot de vraag of het herhaaldelijk verstrekken van consumentenkredieten met het oog op de aflossing van eerdere kredieten binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 kan vallen, moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen dat artikel 2, onder d), van die richtlijn het begrip ‘handelspraktijk’ in bijzonder ruime bewoordingen definieert als ‘iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten’.50.
105.
Voorts is richtlijn 2005/29 overeenkomstig artikel 3, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 2, onder c), ervan, van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten vóór, gedurende of na een commerciële transactie met betrekking tot een goed of dienst.51.
106.
Bijgevolg omvat de uitdrukking ‘die rechtstreeks verband houdt met de verkoop van een product’ niet alleen alle maatregelen die in verband met de sluiting van een contract worden genomen, maar ook die welke in verband met de uitvoering daarvan worden genomen, met name de maatregelen om de betaling van het product te verkrijgen.52.
107.
Derhalve moet de verlening van krediet met het oog op de aflossing van eerdere consumentenkredieten, zoals die in het hoofdgeding, worden beschouwd als een ‘product’ in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 2005/29.53.
108.
Onder die omstandigheden ben ik het met de Slowaakse regering en de Commissie eens dat het herhaaldelijk door een kredietinstelling aan een consument verstrekken van kredieten die tot doel hebben eerdere kredieten af te lossen en die de consument niet kan terugbetalen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 valt.
109.
Wat betreft de vraag of de aan de orde zijnde praktijk een oneerlijke handelspraktijk is, moet in herinnering worden gebracht dat artikel 5 van die richtlijn in lid 1 oneerlijke handelspraktijken verbiedt en in lid 2 de criteria vaststelt om te bepalen of een handelspraktijk oneerlijk is.
110.
Vervolgens verduidelijkt artikel 5, lid 4, van die richtlijn dat met name handelspraktijken die ‘misleidend’ zijn in de zin van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2005/29 en ‘agressief’ zijn in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn, oneerlijk zijn.
111.
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat richtlijn 2005/29 de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op Unieniveau volledig harmoniseert en in bijlage I een uitputtende lijst van 31 handelspraktijken bevat die volgens artikel 5, lid 5, van die richtlijn ‘onder alle omstandigheden’ als oneerlijk worden beschouwd. Derhalve kunnen — zoals uitdrukkelijk wordt gepreciseerd in overweging 17 van die richtlijn — alleen deze handelspraktijken als zodanig worden geacht oneerlijk te zijn, zonder dat zij individueel hoeven te worden getoetst aan hetgeen is bepaald in de artikelen 5 tot en met 9 van diezelfde richtlijn.54.
112.
De aan de orde zijnde handelspraktijk is niet opgenomen in de lijst van handelspraktijken die als onder alle omstandigheden oneerlijk moeten worden beschouwd. Om haar als ‘oneerlijk’ te kwalificeren is dus een individuele beoordeling vereist. In dit verband wijzen de Commissie en de Slowaakse regering er terecht op dat de herfinanciering van een krediet in het algemeen een legitieme praktijk is. Dat kan het geval zijn, zoals de Slowaakse regering opmerkt, in geval van herfinanciering van een krediet om een ouder krediet te vervangen door een nieuwer krediet met een lagere rentevoet, of in geval van samenvoeging van verschillende kredieten tot één nieuw krediet.
113.
In het onderhavige geval stelt VÚB Banka in haar schriftelijke opmerkingen dat het verleende krediet bestond uit een herfinancieringsoperatie met als doel de financiële lasten van verzoekers te verlichten. De verwijzende rechter is daarentegen van mening dat de ‘keten’ van aan verzoekers verleende overeenkomsten heeft geleid tot hun overmatige schuldenlast en het risico van verlies van hun woning heeft gecreëerd.
114.
Ofschoon het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om zich uit te spreken over de aard van de handelspraktijk die in het hoofdgeding aan de orde is, kan het Hof hem op grond van de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte gegevens elementen aanreiken die voor de kwalificatie van die praktijk nuttig kunnen zijn.55.
115.
In dit verband moet in aanmerking worden genomen dat de verschillende kredieten aan verzoekers zijn verstrekt ofschoon zij niet kredietwaardig waren. Ik ben het met de Commissie eens dat een dergelijke factor door de nationale rechter in aanmerking kan worden genomen om meer in het bijzonder te bepalen of de betrokken praktijk agressief is door het gebruik van ‘ongepaste beïnvloeding’ in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29.
116.
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in artikel 2, onder j), van richtlijn 2005/29 gedefinieerde begrip ‘ongepaste beïnvloeding’ bestaat in het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt.56.
117.
In de onderhavige zaak kan de situatie van een overmatige schuldenlast van verzoekers worden geacht hen vatbaar te maken en te bestaan in ‘bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen de handelaar bekend is [en door hem wordt uitgebuit] met het oogmerk het besluit van de consument met betrekking tot het product te beïnvloeden’ overeenkomstig artikel 9, onder c), van richtlijn 2005/29.
118.
Ter terechtzitting heeft de Commissie de praktijk van de bank om herhaaldelijk krediet te verlenen met een krachtige uitdrukking aangeduid als ‘sneeuwbal’ van kredieten. In antwoord op een vraag om te verduidelijken hoe de schulden zich hebben opgestapeld, verklaarden verzoekers dat zij niet om de kredieten hebben gevraagd, maar dat deze hun automatisch werden voorgesteld als middel om eerdere schulden af te lossen. Verzoekers ontvingen telkens een minimaal bedrag en de rest van het geld werd aan de bank toegewezen. Dat lijkt mij een nogal verontrustende onthulling. Hiermee zou kunnen worden aangetoond dat de handelaar niet alleen op de hoogte was van de tegenslagen van de consument [in de zin van artikel 9, onder c), van richtlijn 2005/29], maar er ook — herhaaldelijk — toe heeft bijgedragen.
119.
Tevens dient in aanmerking te worden genomen dat de door richtlijn 2005/29 nagestreefde doelstelling onder meer erin bestaat een hoog niveau van consumentenbescherming tegen oneerlijke handelspraktijken te waarborgen en is ingegeven door de omstandigheid dat de consument zich tegenover een handelaar in een zwakkere positie bevindt en met name over minder informatie beschikt, waarbij erop wordt gewezen dat niet kan worden ontkend dat er een aanzienlijke asymmetrie van informatie en technische deskundigheid tussen die partijen bestaat.57. De consument moet worden beschouwd als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractspartij, met name in het kader van door een bank verleende kredietdiensten.58.
120.
In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat richtlijn 2005/29 in die zin moet worden uitgelegd dat ten eerste het herhaaldelijk verstrekken door een kredietinstelling aan een consument van kredieten die tot doel hebben eerdere kredieten af te lossen en die de consument niet kan terugbetalen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 valt en dat ten tweede een dergelijke handeling een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 daarvan kan vormen, en meer bepaald een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 daarvan, indien de verwijzende rechter vaststelt dat een dergelijke praktijk, in de feitelijke context, rekening houdend met alle kenmerken en omstandigheden ervan, een ongepaste beïnvloeding inhield op de grond dat de handelaar de te hoge schuldenlast van de consument gedurende een lange periode uitbuitte.
Vijfde prejudiciële vraag
121.
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 10 van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast in geval van een kredietovereenkomst die tot doel heeft eerdere consumentenkredieten af te lossen, ook al is deze overeenkomst gewaarborgd door een recht op een onroerend goed.
122.
In dit verband zij erop gewezen dat richtlijn 2008/48 volgens artikel 2, lid 2, onder a), ervan, niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een recht op een onroerend goed. Volgens overweging 14 van die richtlijn moet dat type krediet wegens zijn ‘specifieke karakter’ buiten het toepassingsgebied ervan blijven.
123.
Zoals volgt uit overweging 10 van die richtlijn, mogen de lidstaten evenwel bepalingen ervan overeenkomstig het Unierecht toepassen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied van die richtlijn vallen. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2008/48 vallen, nationale maatregelen kunnen handhaven of invoeren die overeenstemmen met de bepalingen van die richtlijn of met een aantal daarvan.59.
124.
Het krediet dat aan de orde is in het hoofdgeding is een kredietovereenkomst die wordt gewaarborgd door een zekerheidsrecht op de woning van verzoekers. De verwijzende rechter verklaart niet dat het nationale recht de toepassing van richtlijn 2008/48 uitbreidt tot kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een recht op een onroerend goed. Dit heeft de Slowaakse regering in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen bevestigd.
125.
Gelet op deze elementen zijn de partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomst buiten het toepassingsgebied van richtlijn 2008/48 valt.
126.
Uit de bewoordingen van de vraag blijkt reeds dat de verwijzende rechter niet betwist dat kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een recht op een onroerend goed, in het algemeen van de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 zijn uitgesloten. Uit zijn toelichting volgt echter dat zijn twijfels voortvloeien uit de specifieke voorwaarden waaronder het litigieuze krediet is afgesloten. Dit krediet had tot doel eerdere kredieten aan de bank af te lossen zonder dat de betrokken bedragen aan verzoekers werden uitbetaald. De verwijzende rechter legt uit dat er vanuit economisch oogpunt een verband bestaat tussen het in 2012 verleende litigieuze krediet en de voorafgaande kredieten, die vanaf 2004 waren verleend.
127.
In dit verband zij erop gewezen dat de bewoordingen van artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48 duidelijk zijn.60. De harmonisatie op het gebied van krediet dat wordt gewaarborgd door een recht op onroerend goed is pas later tot stand gekomen, met de vaststelling van richtlijn 2014/1761., naar aanleiding van de internationale financiële crisis die heeft laten zien dat onverantwoord gedrag van marktdeelnemers de grondslagen van het financiële stelsel kan ondermijnen.62.
128.
Evenwel moet erop worden gewezen dat het litigieuze krediet onder zeer bijzondere omstandigheden is aangegaan. Daarbij is namelijk een gedragspatroon gevolgd waarbij de bank volgens de beschrijving van de feiten door de verwijzende rechter aan verzoekers herhaaldelijk kredieten heeft verstrekt waarvan het bedrag niet aan hen werd uitbetaald, maar werd gebruikt om eerdere kredieten te dekken. Het bedrag en de kosten van het krediet werden eenzijdig vastgesteld. Zoals vermeld in punt 118 van deze conclusie hebben verzoekers ter terechtzitting verklaard dat die kredieten niet eens door de consument waren aangevraagd, maar automatisch door de bank werden aangeboden. Aan het einde van die ‘sneeuwbal’ van kredieten, zoals de Commissie het ter terechtzitting formuleerde, toen verzoekers in schulden waren verstrikt, heeft de bank hun het litigieuze krediet verstrekt.
129.
In herinnering zij gebracht dat het Hof consequent heeft geoordeeld dat richtlijn 2008/48 tot doel heeft een hoge bescherming te waarborgen voor de consument. Dat beschermingsstelsel berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt.63.
130.
Om deze bescherming te kunnen garanderen, verplicht artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 de lidstaten ervoor te zorgen dat de bepalingen die zij ter uitvoering van die richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven64., ‘met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen’.
131.
Uit de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor richtlijn 2008/4865. volgt dat die bepaling tot doel had te voorkomen dat de uitzonderingen op de toepassing van die richtlijn, waaronder die voor woningkrediet, worden misbruikt en dat in deze overeenkomsten verrichtingen worden opgenomen die onder deze richtlijn vallen. Het in die toelichting gegeven voorbeeld was het verzoek van de consument om een kredietopneming in het kader van zijn woningkrediet.
132.
De zaak in het hoofdgeding betreft een krediet dat economisch verbonden was met de voorgaande kredieten. Zoals de verwijzende rechter uiteenzet, had het litigieuze krediet immers uitsluitend tot doel de vorige te herfinancieren. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of de schuldeiser door middel van deze transactie de eerdere kredieten in het litigieuze krediet heeft geïntegreerd om toepassing van richtlijn 2008/48 te vermijden. In dit verband dient de nationale rechter rekening te houden met de nationale bepalingen waarbij artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 is omgezet in nationaal recht. Ter terechtzitting heeft de Slowaakse regering verklaard dat de nationale wetgeving inzake consumentenbescherming bepalingen bevat die kredietinstellingen bestraffen voor het omzeilen van het consumentenrecht. Meer bepaald heeft zij gesteld dat de Slowaakse wetgeving banken verbiedt overeenkomsten te bundelen om de wet te omzeilen of misleidende verwijzingen naar de overeenkomsten op te nemen.
133.
Gelet op het voorgaande moet artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast in geval van een kredietovereenkomst die tot doel heeft eerdere consumentenkredieten af te lossen, ook al is deze overeenkomst gewaarborgd door een recht op een onroerend goed, onder omstandigheden waarin de nationale rechter vaststelt dat de betrokken kredietovereenkomst zodanig is vormgegeven dat de toepassing van die richtlijn op grond van artikel 22, lid 3, ervan wordt vermeden.
Zesde prejudiciële vraag
134.
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de door het Hof in het arrest Radlinger en Radlingerová gevolgde benadering van toepassing is op een consumentenkredietovereenkomst krachtens welke een deel van het krediet niet aan de consument wordt uitbetaald, maar is bestemd voor de dekking van de door de schuldeiser gemaakte kosten, zodat deze kosten niet kunnen worden opgenomen in het totale kredietbedrag.
135.
Ik wijs er om te beginnen op dat het antwoord op deze vraag slechts relevant is indien het Hof mijn conclusie met betrekking tot het antwoord op de vijfde vraag volgt.
136.
In herinnering zij gebracht dat het Hof in het arrest Radlinger en Radlingerová heeft geoordeeld dat in het totale kredietbedrag in de zin van artikel 3, lid 1, en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 geen van de bedragen kan worden opgenomen die bestemd zijn voor de nakoming van de uit hoofde van het betrokken krediet overeengekomen verbintenissen, zoals administratiekosten, rente, commissielonen en alle andere vergoedingen van welke aard ook, die de consument moet betalen.66. Het Hof heeft geoordeeld dat die bepalingen alsmede punt I van bijlage I bij die richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat het totale kredietbedrag en het bedrag van de kredietopneming alle aan de consument beschikbaar gestelde bedragen omvatten. Hieronder vallen derhalve niet de bedragen die door de kredietgever worden bestemd voor de betaling van de aan het betrokken krediet verbonden kosten en die niet daadwerkelijk worden uitbetaald aan die consument.67.
137.
De verwijzende rechter legt uit dat hij moet vaststellen wat de hoogte is van de schuld waarvoor de schuldeiser de executieprocedure heeft ingeleid. Voorts legt hij uit dat de schuldeiser blijft volhouden dat de bedragen van het krediet die waren bestemd voor de kosten van dat krediet daadwerkelijk aan verzoekers zijn betaald en dat hij die bedragen in het bedrag van het verleende krediet had opgenomen.
138.
In dit opzicht ben ik van mening dat uit het arrest in de zaak Radlinger en Radlingerová duidelijk volgt dat de schuldeiser de kosten niet in het totale kredietbedrag mag opnemen.
139.
De door het Hof in het arrest Radlinger en Radlingerová gevolgde benadering is dus van toepassing op een consumentenkredietovereenkomst krachtens welke een deel van het krediet niet aan de consument wordt uitbetaald, maar wordt gebruikt voor de dekking van de door de schuldeiser gemaakte kosten, zodat deze kosten niet in het totale kredietbedrag kunnen worden opgenomen.
VI. Conclusie
140.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Krajský súd v Prešove gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moet aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn van toepassing is op een contractueel beding waarin een bepaling van nationaal recht is overgenomen die de beroepsbeoefenaar toestaat de procedure voor vervroegde terugbetaling van de lening in te leiden wegens niet-nakoming door de schuldenaar van zijn verplichtingen gedurende een specifieke beperkte periode, zonder dat dit recht is onderworpen aan het evenredigheidsvereiste.
moeten aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter, wat betreft de beoordeling door een nationale rechter van een eventuele oneerlijkheid van het beding betreffende de procedure voor vervroegde terugbetaling wegens niet-nakoming door de schuldenaar van zijn verplichtingen gedurende een beperkte specifieke periode, onder meer de volgende criteria moet onderzoeken: ten eerste of aan de mogelijkheid voor de kredietgever om de gehele lening op te eisen de voorwaarde is verbonden dat de consument in het kader van de desbetreffende contractuele betrekking tekortschiet in de nakoming van een hoofdverplichting, ten tweede of deze mogelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin die niet-nakoming voldoende ernstig is gelet op de looptijd en het bedrag van de lening, ten derde of deze mogelijkheid, bij gebreke van specifieke contractuele bepalingen, afwijkt van de ter zake toepasselijke regels van gemeen recht, en ten vierde of het nationale recht de aan een dergelijk beding gebonden consument geschikte en doeltreffende middelen aanreikt om de gevolgen van de opgeëiste lening te ondervangen.
- 2)
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7, 47 en 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht
moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke het niet mogelijk is de executie van een zekerheidsrecht bij wege van de particuliere openbare verkoop van de woning van consumenten of andere personen in wezen op te schorten, voor zover voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de volle werking te verzekeren van een beslissing van de rechter die bevoegd is om over de oneerlijkheid van een beding te oordelen.
- 3)
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’)
moet in die zin worden uitgelegd dat ten eerste het herhaaldelijk verstrekken door een kredietinstelling aan een consument van kredieten die tot doel hebben eerdere kredieten af te lossen en die de consument niet kan terugbetalen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2005/29 valt en dat ten tweede een dergelijke handeling een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 daarvan kan vormen, en meer bepaald een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 daarvan, indien de verwijzende rechter vaststelt dat een dergelijke praktijk, in de feitelijke context, rekening houdend met alle kenmerken en omstandigheden ervan, een ongepaste beïnvloeding inhield op de grond dat de handelaar de te hoge schuldenlast van de consument gedurende een lange periode uitbuitte.
- 4)
Artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat deze richtlijn ook wordt toegepast in geval van een kredietovereenkomst die tot doel heeft eerdere consumentenkredieten af te lossen, ook al is deze overeenkomst gewaarborgd door een recht op een onroerend goed, onder omstandigheden waarin de nationale rechter vaststelt dat de betrokken kredietovereenkomst zodanig is vormgegeven dat de toepassing van die richtlijn op grond van artikel 22, lid 3, ervan wordt vermeden.
- 5)
De door het Hof in het arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová (C-377/14, EU:C:2016:283), gevolgde benadering is van toepassing op een consumentenkredietovereenkomst krachtens welke een deel van het krediet niet aan de consument wordt uitbetaald, maar wordt gebruikt voor de dekking van de door de schuldeiser gemaakte kosten, zodat deze kosten niet in het totale kredietbedrag kunnen worden opgenomen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑01‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).
Zie Micklitz, H.-W., ‘The Constitutional Transformation of Private Law Pillars through the CJEU’, in Collins, H. (red.), European Contract Law and the Charter of Fundamental Rights, Intersentia, Cambridge, Antwerpen, Portland, 2017, blz. 49.
Kenna, P., ‘Introduction’, in Kenna, P., Nasarre-Aznar, S., Sparkes, P. en Schmid, C. U. (red.), Loss of Homes and Evictions Across Europe: A Comparative Legal and Policy Examination, Cheltenham, Edward Elgar Publishing, 2018, blz. 41.
Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificatie in PB 2009, L 207, blz. 14; PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).
Arrest van 14 maart 2013 (C-415/11 (EU:C:2013:164).
Arrest Kušionová (punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest Kušionová (punt 42).
Arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska e.a. (C-84/19, C-222/19 en C-252/19, EU:C:2020:631, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 10 juni 2021, Prima banka Slovensko (C-192/20, EU:C:2021:480, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 25 november 2020, Banca B. (C-269/19, EU:C:2020:954, punt 24), en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punt 27).
Zie in die zin arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punt 30), en arrest Kušionová (punt 77).
Arrest Kušionová (punt 80). Cursivering van mij.
Arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punt 31).
Arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punt 32).
Arrest van 31 maart 2022, Lombard Lízing (C-472/20, EU:C:2022:242).
Arrest van 14 maart 2013, Aziz (C-415/11, EU:C:2013:164, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 14 maart 2013 (C-415/11, EU:C:2013:164).
Arrest van 26 januari 2017 (C-421/14, EU:C:2017:60, punt 66).
Arrest van 8 december 2022 (C-600/21, EU:C:2022:970).
Arrest van 19 december 2019, Bondora (C-453/18, EU:C:2019:1118, punt 40).
Arrest van 19 december 2019, Bondora (C-453/18, EU:C:2019:1118, punt 41).
Beschikking van de President van het Hof van 7 februari 2014 (C-482/12, niet gepubliceerd, EU:C:2014:182).
Conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Macinský en Macinská (C-482/12, EU:C:2013:765).
Conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Macinský en Macinská (C-482/12, EU:C:2013:765, punt 80).
Conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Macinský en Macinská (C-482/12, EU:C:2013:765, punten 64 en 96).
Arrest Kušionová (punten 55, 60 en 61). De bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat in die zaak van toepassing was, kwamen inhoudelijk in wezen overeen met § 325 van het in het hoofdgeding toepasselijke wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
Arrest Kušionová (punt 58).
Arrest Kušionová (punt 62).
Arrest Kušionová (punt 64). Verwezen wordt naar de arresten van het EHRM van 13 mei 2008, McCann tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0513JUD001900904, punt 50), en 25 juli 2013, Rousk tegen Zweden (CE:ECHR:2013:0725JUD002718304, punt 137). Een recenter arrest op het gebied van gedwongen verkoop van de eigen woning is van 12 juli 2016, Vrzic tegen Kroatië (CE:ECHR:2016:0712JUD004377713). Het EHRM onderscheidde die zaak van de rechtspraak in het arrest McCann in die zin dat, anders dan in de andere zaken waarin de eisers in appartementen van de staat of in collectieve eigendom woonden, de andere partijen in de executieprocedure in de zaak Vrzic/Kroatië particulieren waren. Het EHRM heeft geoordeeld dat in dat specifieke geval de gedwongen verkoop van het huis moest worden beschouwd als ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ gezien de risico's die de eisers bewust hadden genomen door een aanzienlijk bedrag te lenen voor hun bedrijf en hun huis als onderpand te gebruiken. Bovendien werd in dat arrest rekening gehouden met het feit dat de eisers geen van de kredietovereenkomsten in een passende procedure bij de nationale rechter hadden betwist.
Arrest Kušionová (punt 65). In het arrest wordt verwezen naar de ‘eerbiediging van de woning’. In artikel 7 van het Handvest, dat deel uitmaakt van titel II, met het opschrift ‘Vrijheden’, is het recht op ‘eerbiediging van de woning’ vastgelegd. Het is in het kader van de ‘solidariteitsbepalingen’ van het Handvest en meer bepaald artikel 34, lid 3, van het Handvest dat de Unie ‘het recht op sociale bijstand en op bijstand voor huisvesting [erkent en eerbiedigt]’.
Arrest van 14 maart 2013 (C-415/11, EU:C:2013:164, punt 59).
Arrest Kušionová (punt 66). Cursivering van mij.
De verwijzende rechter haalt het arrest aan van de Najvyšší súd Slovenskej republiky van 29 januari 2019, ref. 8Cdo/147/2017.
Verzoekers hebben gesteld dat consumenten, zelfs wanneer zij de verkoop aanvechten en hun recht opeisen om in het huis te blijven terwijl de procedure loopt, vaak slachtoffer worden van intimidatie door de nieuwe eigenaren, die de toegang tot elektriciteit afsluiten of het slot vervangen.
Zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C-176/17, EU:C:2018:711, punt 52).
Arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García (C-169/14, EU:C:2014:2099, punt 38). Zie meer in het algemeen wat betreft de noodzaak van een strenge regelgeving voor overeenkomsten die voorzien in basisbehoeften voor huisvesting, kredieten en werk in het kader van langdurige contractuele verhoudingen ‘Principles of Life-Time Contracts’, ontwikkeld door de Social Contract Law Group (EuSoCo) en geanalyseerd in Ratti, L. (red.), Embedding the Principles of Life Time Contracts, A Research Agenda for Contract Law, Eleven, 2018.
Zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García (C-169/14, EU:C:2014:2099, punt 38).
Whitehouse, L., ‘The Home-Owner: Citizen or Consumer?’, in Bright, S., en Dewar, J., Land Law Themes and Perspectives, Oxford University Press, Oxford, 1998, blz. 183–205.
Arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND (C-181/20, EU:C:2022:51, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 20 september 2018, EOS KSI Slovensko (C-448/17, EU:C:2018:745, punt 53).
Arresten van 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C-600/19, EU:C:2022:394, punt 45); SPV Project 1503 e.a. (C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 61), en Impuls Leasing România (C-725/19, EU:C:2022:396, punt 43).
Arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a. (C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 66). Cursivering van mij.
Arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C-600/19, EU:C:2022:394, punt 50).
Zie in die zin arrest van 6 juni 2019, Schyns (C-58/18, EU:C:2019:467, punt 46).
Zie EBA-richtsnoeren inzake achterstallige betalingen en gedwongen verkoop, 19 augustus 2015 (EBA/GL/2015/12), punt 11.
In dit verband herinnert de verwijzende rechter aan het arrest van 15 maart 2012, Pereničová en Perenič (C-453/10, EU:C:2012:144, punt 43), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de kwalificatie van een handelspraktijk als oneerlijk een van de elementen is die de bevoegde rechter kan betrekken in zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van de bedingen in een overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13. Het arrest van 19 september 2018, Bankia (C-109/17, EU:C:2018:735, punt 33), verduidelijkt dat een overeenkomst die dient als executoriale titel niet ongeldig kan worden verklaard alleen op grond dat deze bedingen bevat die strijdig zijn met het algemene verbod op oneerlijke handelspraktijken van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2005/29.
Arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonorarium) (C-335/21, EU:C:2022:720, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 22 september 2022, Vicente (Vordering tot betaling van advocatenhonorarium) (C-335/21, EU:C:2022:720, punt 84).
Arrest van 20 juli 2017, Gelvora (C-357/16, EU:C:2017:573, punt 21).
Arrest van 20 juli 2017, Gelvora (C-357/16, EU:C:2017:573, punten 22 en 23).
Arrest van 2 september 2021, Peek & Cloppenburg (C-371/20, EU:C:2021:674, punt 34).
Arrest van 12 juni 2019, Orange Polska (C-628/17, EU:C:2019:480, punt 37).
Arrest van 12 juni 2019, Orange Polska (C-628/17, EU:C:2019:480, punt 33).
Arrest van 2 september 2021, Peek & Cloppenburg (C-371/20, EU:C:2021:674, punt 39).
Zie in die zin arrest van 16 april 2015, UPC Magyarország (C-388/13, EU:C:2015:225, punt 53).
Beschikking van 12 oktober 2016, Horžić en Pušić (C-511/15 en C-512/15, EU:C:2016:787, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie beschikking van 12 oktober 2016, Horžić en Pušić (C-511/15 en C-512/15, EU:C:2016:787, punt 27).
Volgens artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2014/17 is deze richtlijn van toepassing op kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of door een in een lidstaat gebruikelijke andere vergelijkbare zekerheid op voor bewoning bestemde onroerende goederen, of gewaarborgd worden door een recht op voor bewoning bestemde onroerende goederen.
Zie overweging 3 van richtlijn 2014/17.
Arrest van 11 september 2019, Lexitor (C-383/18, EU:C:2019:702, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 11 september 2019, Lexitor (C-383/18, EU:C:2019:702, punt 30).
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkrediet, COM(2002) 443 definitief (PB 2002, C 331 E, blz. 200), blz. 221.
Arrest Radlinger en Radlingerová (punt 86).
Arrest Radlinger en Radlingerová (punt 91).