RFR 2023/121
Erf(proces)recht. Ontvankelijkheid. Hoedanigheid waarin procespartijen hebben geprocedeerd. Grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.
HR 30-06-2023, ECLI:NL:HR:2023:1007
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 juni 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, K. Teuben
- Zaaknummer
22/02008
- Conclusie
A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS717108:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Erfrecht / Algemeen
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1007, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑06‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:261, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑03‑2023
- Wetingang
Essentie
Erf(proces)recht. Ontvankelijkheid.
Hoedanigheid waarin procespartijen hebben geprocedeerd. Grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.
Samenvatting
Een moeder verkoopt in oktober 1999 twee percelen grond aan haar beide zonen. De zonen hebben in 2000 een gedeelte van perceel 2 aan de gemeente overgedragen en een aangrenzend perceel gemeentegrond gekocht. Hierdoor ontstonden vier bouwkavels. Deze bouwkavels hebben de zonen naderhand verkocht. Perceel 1 is in 2000 aan een derde verkocht. Zij hebben beide percelen met grote winst te gelde gemaakt. Aangezien er tussen moeder en haar zonen onenigheid bestond over de verkoop van de percelen, is moeder een procedure gestart ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.