Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.4:11.4 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.4
11.4 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS451000:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is de betekenis van het EVRM voor de beoordeling van interstatelijke samenwerking in strafzaken geschetst. Dit is gebeurd aan de hand van drie basismodellen die kunnen worden gerelateerd aan de verschillende vormen van samenwerking. Het gaat ten eerste om de beoordeling van schending van de mensenrechten ingeval van overbrenging van een persoon, hetgeen in het bijzonder speelt bij een voorgenomen of reeds uitgevoerde uitlevering, maar ook bij overdracht van executie aan de orde kan zijn. Ten tweede gaat het om de mensenrechtelijke beoordeling van een veroordelend vonnis, in het bijzonder of sprake is geweest van een eerlijk proces, hetgeen met name speelt bij het instrument van overdracht van executie. Ten slotte gaat het om de beoordeling van de opsporing in een andere staat, hetgeen met name een rol speelt bij kleine rechtshulp, maar ook aan de orde kan zijn bij overdracht van strafvervolging. Bij elk van deze drie basismodellen zit een zeker vertrouwen al ingebakken in de beoordeling. Zo staat niet elke dreigende schending van bijvoorbeeld artikel 6 EVRM aan uitlevering in de weg, maar moet het gaan om een dreigende flagrante schending. Een vergelijkbare toets van de zwaarte van een eventuele schending vindt ook plaats bij de andere twee basismodellen.
Daarnaast speelt het vertrouwensbeginsel op drie specifieke wijzen een rol. Het betreft het verschil in benadering indien de staat waarmee wordt samengewerkt ook partij is bij het EVRM, de rol van garanties en de strekking van het voorschrift dat in het geding. Deze drie specifieke thema’s vertegenwoordigen telkens een of meer van de dimensies van het vertrouwensbeginsel. Gezegd kan worden dat het vertrouwensbeginsel een belangrijke rol speelt bij de mensenrechtelijke beoordeling van interstatelijke samenwerking in strafzaken, maar ook dat die rol nauwkeurig kan worden geschetst én toegepast. De beoordelende autoriteit, rechter dan wel bestuur, kan niet terugvallen op ‘het’ vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel om lastige verweren te pareren, maar zal telkens concreet moeten nagaan van welke dreigende of voltooide schending mogelijkerwijs sprake is en welke rol het vertrouwensbeginsel, via de verschillende dimensies, wel of niet kan spelen. Welke garantie is precies verleend en wat behelst die garantie? Is een garantie van deze staat het vertrouwen waard? Is de andere staat een EVRM-staat en wat betekent dat? Om welk mensenrecht gaat het precies?
Bij de beoordeling van mensenrechtenverweren in het uitleveringsrecht kan het vertrouwensbeginsel vooral worden gezien als het nakomen van verdragsverplichtingen uit een uitleveringsverdrag tenzij zwaarder wegende verplichtingen uit een mensenrechtenverdrag aan die nakoming in de weg staan. Bij de beoordeling van de vraag of die laatste verplichtingen zwaarwegend genoeg zijn kan een uitgangspunt van vertrouwen in de rechter gelden. Dat uitgangspunt kan eerder worden aangenomen wanneer het een EVRM-staat betreft omdat de rechter in een dergelijke staat ook gebonden is aan het EVRM. Verder geldt als uitgangspunt dat bij de beoordeling van het risico van een mensenrechtenschending in beginsel kan worden uitgegaan van de goede trouw bij het doen van die toezeggingen en garanties. Het feit dat er een verdrag bestaat met de verzoekende staat dwingt tot een dergelijk uitgangspunt (maar niet meer dan dat). Daar komt bij dat algemene kenmerken van het rechtssysteem van de verzoekende staat minder snel een reëel gevaar voor schending opleveren dan bijzondere omstandigheden of kenmerken. Deze uitgangspunten zijn echter geenszins absoluut. Steeds wanneer het risico van een mensenrechtenschending groot genoeg is om de verplichting uit artikel 1 EVRM in de weg te doen staan aan nakoming van de uitleveringsverplichting zal de uitlevering geweigerd moeten worden.
Bij overdracht van executie en bij door kleine rechtshulp verkregen bewijsmateriaal, lijkt de benadering door EHRM en Hoge Raad vooral neer te komen op een beperking van de verantwoordelijkheid die rust op de staat die het veroordelend vonnis overneemt c.q. gebruik maakt van bewijsmateriaal. Die verantwoordelijkheid beperkt zich tot artikel 6 EVRM. Andere mensenrechten kunnen daar uiteraard in doorwerken, zo kan een schending van artikel 3 EVRM bij het verkrijgen van het bewijsmateriaal en het daaropvolgende gebruik van dat materiaal tot schending van artikel 6 EVRM leiden, maar het recht op een eerlijk proces is de kurk waar de beoordeling in die gevallen op drijft.
In veel gevallen spruit een inperking van de ruimte om een bepaald aspect van een concreet geval te toetsen, de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel (terughoudende toetsing), waar het betreft het garanderen van EVRM-rechten, voort uit een verdeling van de verantwoordelijkheid om in een transnationale casus rechtsbescherming te bieden. In deze ordenende gedachte is voldoende onderling vertrouwen noodzakelijk om een dergelijke verdeling mogelijk te maken en te aanvaarden, maar het vertrouwensbeginsel als principieel beginsel staat daarbij niet voorop.
Cruciaal daarbij is of de andere staat tot het EVRM, met het eigen mechanisme van rechterlijk toezicht, is toegetreden. In de samenwerking met EVRM-staten staat een verdeling van de verantwoordelijkheden voor de bescherming van de rechten van de mens voorop, zij het dat die verdeling niet absoluut is. Onderling vertrouwen kan immers niet absoluut zijn en kent in elk geval een bovengrens waar het de bescherming van de meest fundamentele rechten van de mens betreft, zoals in het bijzonder artikel 3 EVRM. De verantwoordelijkheid de betrokkene te beschermen tegen een real risk dat hij bijvoorbeeld zal worden gefolterd, blijft altijd bestaan en kan niet worden overgelaten aan de rechter in een andere EVRM-staat. Voor andere mensenrechten, men denke met name aan de artikelen 6 en 8 EVRM, is dit wel mogelijk, zij het dat ook daar een bovengrens geldt in zeer extreme gevallen waarin bijvoorbeeld de toegang tot de rechter in de andere staat in het geheel niet zal worden geboden.