HR, 23-05-2014, nr. 13/04118
ECLI:NL:HR:2014:1201, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-05-2014
- Zaaknummer
13/04118
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1201, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 23‑05‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:44, Contrair
ECLI:NL:PHR:2014:44, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑01‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1201, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑08‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2014/405 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RV20140091 met annotatie van Groot de G.R. Gerard-René
Uitspraak 23‑05‑2014
Inhoudsindicatie
Vaststelling Nederlanderschap; art. 17 RWN. Surinaamse nationaliteit en woonplaats vader vanwege diplomatieke status. Art. 3, art. 6 lid 1 en 2, en art. 8 lid 2 Toescheidingsovereenkomst Nederland - Suriname.
Partij(en)
23 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 13/04118
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),zetelende te ’s-Gravenhage,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[verweerder],zonder vaste woon of verblijfplaats,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. P.S. Kamminga en mr. T. Welschen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/402375/HA RK 11-517 van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2013.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] is geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969 als zoon van [de vader] (hierna: de vader), die op [geboortedatum] 1937 in Suriname is geboren, en diens echtgenote [de moeder] (hierna: de moeder), die op [geboortedatum] 1932 eveneens in Suriname is geboren.
(ii) Ten tijde van de geboorte van [verweerder] bezaten zijn ouders beiden de Nederlandse nationaliteit. [verweerder] heeft door geboorte als wettig kind van een Nederlandse vader op grond van art. 1 aanhef en onder a van de (toenmalige) Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit verkregen.
(iii) De vader, die in 1972 naar Nederland was gekomen, stond van 28 december 1972 tot 19 augustus 1976 in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven.
(iv) In 1974 is de vader aangesteld als diplomaat bij het kabinet van de gevolmachtigde minister van Suriname in Den Haag. Na de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bleef hij in diplomatieke dienst werkzaam bij de Surinaamse ambassade in Den Haag.Op 19 augustus 1976 is hij in verband met diplomatieke immuniteit uitgeschreven uit de GBA. Op 23 juli 1980 is hij vertrokken naar Suriname.
(v) De moeder is in april 1973 met haar kinderen, onder wie [verweerder], haar echtgenoot gevolgd naar Nederland. Zij woont sindsdien onafgebroken in Nederland. De moeder heeft altijd de Nederlandse nationaliteit behouden.
(vi) De ouders van [verweerder] zijn op 28 januari 1986 gescheiden.
(vii) [verweerder] verblijft sinds april 1973, met een onderbreking van 1992 tot 1997, in Nederland.
3.2
[verweerder] heeft op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn vader sinds 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 3 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) en dat zijn vader dus nooit na 25 november 1975 heeft geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit. Volgens [verweerder] blijkt uit een door hem overgelegde verklaring van het Centraal Bureau voor Burgerzaken van Suriname (hierna: CBB) van 19 maart 2013 dat zijn vader, gelet op diens diplomatieke status, geacht werd op 25 november 1975 woonplaats te hebben in Suriname. Aangezien zijn vader op 25 november 1975 in Suriname woonplaats had en zijn moeder op dat moment haar woonplaats in Nederland had, volgt hieruit dat [verweerder], die toen bij zijn moeder verbleef, op grond van art. 6 lid 2 TOS de nationaliteit van zijn moeder heeft behouden en nadien niet heeft verloren.
3.3
De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en daartoe – samengevat – als volgt overwogen.
Bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] de Nederlandse nationaliteit bezit is van belang welke nationaliteit hij en zijn ouders bij de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 verkregen of behielden. De moeder heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit behouden. De vader is met ingang van 25 november 1975 in dienst van de Surinaamse ambassade in Nederland getreden (rov. 5.1-5.3).
In een door [verweerder] overgelegde verklaring van het CBB wordt verklaard dat de vader ingevolge art. 3 TOS op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Aangezien de vader op dat moment feitelijk in Nederland verbleef zou hij op grond van art. 3 TOS de Nederlandse nationaliteit hebben moeten behouden (rov. 5.4-5.5).
Uit de afgifte aan de vader van een Surinaams paspoort op 26 mei 1976 in verbinding met de verklaring van het CBB blijkt echter voldoende dat de Surinaamse autoriteiten ervan uitgaan dat de vader sedert 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit, hetgeen vanwege de diplomatieke status van de vader ook noodzakelijk was en dat de Surinaamse autoriteiten er kennelijk voor hebben gekozen om uit te gaan van een fictieve woonplaats in Suriname, waardoor de vader op 25 november 1975 op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7).
De diplomatieke status van de vader heeft aldus geleid tot een uitzonderlijke situatie, in die zin dat binnen het gezin van verzoeker verschillende nationaliteiten zijn verkregen; dat ligt niet in lijn met het ook aan de TOS ten grondslag liggende uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin. Nu deze situatie bij het opstellen van de TOS niet onder ogen is gezien, noopt het onderhavige uitzonderlijke geval tot een uitleg van de TOS die het meest in overeenstemming is met het doel ervan (rov. 5.8).
Art. 6 lid 2 TOS beoogt te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit verkrijgen die zij op 25 november 1975 zouden hebben verkregen als zij op dat tijdstip meerderjarig waren geweest.Een redelijke uitleg van de TOS brengt mee dat in deze zaak eveneens wordt aangesloten bij de Nederlandse nationaliteit die [verweerder], die toen in Nederland woonachtig was, zou hebben behouden op 25 november 1975 indien hij meerderjarig was geweest (5.9).
3.4.1
Onderdeel 2 klaagt (onder 2.1-2.2) dat de rechtbank in rov. 5.7 en 5.8 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het woonplaatsbegrip van art. 3 TOS door te oordelen dat de Surinaamse autoriteiten, gelet op de diplomatieke status van de vader, kennelijk ervoor hebben gekozen uit te gaan van een fictieve woonplaats van de vader in Suriname waardoor deze op grond van art. 3 TOS per 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Het onderdeel klaagt onder meer dat de TOS een ‘fictieve’ of ‘formele’ woonplaats niet kent en noemt dit oordeel voorts onbegrijpelijk omdat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de Surinaamse autoriteiten met ingang van de onafhankelijkheid op 25 november 1975 een beleid hebben gevoerd dat gericht was op het toekennen van een fictieve woonplaats aan personen met een diplomatieke status.
3.4.2
Het onderdeel slaagt. Art. 8 lid 2 TOS biedt een specifieke voorziening voor de situatie dat de vader als Surinaams diplomaat de Surinaamse nationaliteit diende te bezitten. Uit de aanwezigheid van deze specifieke voorziening moet worden afgeleid dat de TOS geen grondslag biedt voor het verkrijgen van een nationaliteit door het toekennen van een fictieve of formele woonplaats in verband met iemands diplomatieke status. Bovendien volgt daaruit dat – anders dan de rechtbank in rov. 5.8 heeft overwogen – de Surinaamse nationaliteit van de vader in verband met diens diplomatieke status niet kan worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie die bij het opstellen van de TOS niet onder ogen is gezien en die noopt tot een uitleg “die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS”. In zoverre slaagt ook onderdeel 4.
3.5
De gegrondbevinding van de onderdelen 2 en 4 treft ook rov. 5.9, nu ook die overweging stoelt op het oordeel dat de vader van [verweerder] op 25 november 1975 in de zin van de TOS woonplaats in Suriname had.
De bestreden beschikking kan dus niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2013;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 mei 2014.
Conclusie 31‑01‑2014
Inhoudsindicatie
Vaststelling Nederlanderschap; art. 17 RWN. Surinaamse nationaliteit en woonplaats vader vanwege diplomatieke status. Art. 3, art. 6 lid 1 en 2, en art. 8 lid 2 Toescheidingsovereenkomst Nederland - Suriname.
Partij(en)
Zaak 13/04118
Mr. P. Vlas
Zitting, 31 januari 2014
Conclusie inzake:
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verzoeker tot cassatie
(hierna: de Staat)
tegen
[verweerder],
verweerder in cassatie
(hierna: [verweerder])
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Aan de orde is de vraag of [verweerder] na de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS)1.op 25 november 1975, de Nederlandse nationaliteit heeft verloren in verband met het feit dat zijn vader als diplomaat van de Republiek Suriname de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten, kort weergegeven, worden uitgegaan.2.
(i) [verweerder] is op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] geboren als zoon van de op [geboortedatum] 1937 in Suriname geboren [de vader] (hierna: de vader) en diens echtgenote [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1932 in Suriname (hierna: de moeder). Ten tijde van de geboorte van [verweerder] bezaten zijn ouders beiden de Nederlandse nationaliteit. [verweerder] verkreeg door geboorte als wettig kind van een Nederlandse vader op grond van art. 1 aanhef en onder a van de (toenmalige) Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit.
(ii) De vader is in 1972 naar Nederland gereisd, alwaar hij van 28 december 1972 tot 19 augustus 1976 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) stond ingeschreven. In 1974 is de vader aangesteld als diplomaat bij het kabinet van de gevolmachtigde minister van Suriname in Den Haag. Na de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bleef hij in diplomatieke dienst werkzaam bij de Surinaamse ambassade in Den Haag. Op 19 augustus 1976 is hij in verband met diplomatieke immuniteit uitgeschreven uit de GBA. Op 23 juli 1980 is hij vertrokken naar Suriname en aldaar gaan werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
(iii) De moeder is in april 1973 met haar drie (destijds) minderjarige kinderen, waaronder [verweerder], haar echtgenoot gevolgd naar Nederland. Zij woont sindsdien onafgebroken in Nederland. Niet in geschil is dat de moeder altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
(iv) De ouders van [verweerder] zijn op 28 januari 1986 gescheiden.
(v) [verweerder] verblijft sinds april 1973, met een onderbreking van 1992 tot 1997, in Nederland.
1.2
[verweerder] heeft op de voet van art. 17 RWN de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn vader sinds 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 3 TOS en dat zijn vader nimmer na 25 november 1975 heeft geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit. Volgens [verweerder] blijkt uit een door hem overgelegde verklaring van het Centraal Bureau voor Burgerzaken van Suriname (hierna: CBB) van 19 maart 2013, dat zijn vader, gelet op diens diplomatieke status, geacht werd op 25 november 1975 woonplaats te hebben in Suriname. Nu zijn vader op 25 november 1975 in Suriname woonplaats had en zijn moeder op dat moment haar woonplaats in Nederland, volgt hieruit dat [verweerder] op grond van art. 6 lid 2 TOS de nationaliteit van zijn moeder heeft en dat hij nadien zijn Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren, aldus [verweerder].
1.3
De Staat heeft in feitelijke aanleg geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en betoogd dat de vader met de moeder en de kinderen op 25 november 1975 feitelijk in Nederland verbleef en daarom op grond van de TOS zijn Nederlandse nationaliteit heeft behouden. Op enig moment tussen 25 november 1975 en 26 mei 1976 moet de vader voor de Surinaamse nationaliteit hebben geopteerd, omdat hem op laatstgenoemde datum een Surinaams paspoort is verstrekt, zodat [verweerder] als minderjarige op dat moment op grond van art. 6 lid 1 TOS zijn vader is gevolgd in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit en niet is gebleken dat hij deze nationaliteit nadien heeft verloren. Voorts heeft de Staat de juistheid van de door [verweerder] overgelegde verklaring van het CBB betwist.
1.4
De rechtbank heeft in haar beschikking van 6 juni 2013 het verzoek van [verweerder] toegewezen. De rechtbank heeft daarbij, kort weergegeven, overwogen dat de visie van de Staat dat de vader van [verweerder] uiterlijk op 26 mei 1976 moet hebben geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit, niet met documenten is onderbouwd. Weliswaar is de optieverklaring in het kader van de TOS vormvrij, maar de Staat heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vader van [verweerder] op enig moment mondeling kenbaar heeft gemaakt te opteren voor de Surinaamse nationaliteit (rov. 5.6). Volgens de rechtbank blijkt uit de afgifte van het Surinaamse paspoort door de Surinaamse autoriteiten op 26 mei 1976, in combinatie met de verklaring van het CBB van 19 maart 2013, voldoende dat de Surinaamse autoriteiten ervan uitgaan dat de vader van [verweerder] – in verband met zijn diplomatieke status – vanaf de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit op grond van art. 3 TOS (rov. 5.7). Volgens de rechtbank heeft de diplomatieke status van de vader van [verweerder] een uitzonderlijke situatie gecreëerd in die zin dat de vader ondanks zijn feitelijke woonplaats in Nederland, kennelijk een formele woonplaats is toegekend in het land waaraan hij als diplomaat verbonden was en waarvan hij de nationaliteit had. De diplomatieke status van de vader heeft ertoe geleid dat binnen het gezin waartoe [verweerder] behoorde verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden. Uit de TOS blijkt niet dat een dergelijke situatie bij het opstellen van de TOS onder ogen is gezien, zodat sprake is van een uitzonderlijke situatie die noopt tot een uitleg van de TOS die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS, aldus de rechtbank (rov. 5.8). Een redelijke uitleg van de TOS brengt mee dat wordt aangesloten bij de nationaliteit die [verweerder] zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig was geweest. In dat geval zou [verweerder], op dat moment woonachtig in Nederland, de Nederlandse nationaliteit hebben behouden (rov. 5.9). Van omstandigheden op grond waarvan [verweerder] die Nederlandse nationaliteit weer zou hebben verloren is niet gebleken (rov. 5.10).
1.5
De Staat is tijdig van de beschikking van de rechtbank in cassatie gekomen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel valt uiteen in vijf klachten die zijn gericht tegen rov. 5.6 t/m 5.11 van de bestreden beschikking van de rechtbank. De klachten 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.2
In klacht 1 betoogt de Staat dat de rechtbank in rov. 5.6 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling in procedures op de voet van art. 17 RWN door te oordelen dat de Staat geen bewijs van optieverklaring van de vader van [verweerder] heeft geleverd. Volgens de klacht heeft de rechtbank miskend dat op de Staat niet de volledige bewijslast rust van de stelling van de Staat dat de vader van [verweerder] op enig moment tussen 25 november 1975 en uiterlijk 26 mei 1976 door optie de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, maar dat de Staat slechts verplicht is de juistheid van zijn stellingen ‘door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden’ te staven en dat het Surinaamse paspoort van de vader van [verweerder] daartoe in ieder geval behoort. Voorts voert de klacht aan dat de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn niet lijdelijk behoort op te stellen. Subsidiair voert de klacht aan dat het oordeel van de rechtbank in rov. 5.6 (en het daarop voortbouwende oordeel in rov. 5.7 en 5.8) onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ten slotte wordt voorwaardelijk als klacht aangevoerd dat voor het geval de rechtbank haar oordeel in rov. 5.6 heeft gebaseerd op de zienswijze dat naleving van het voorschrift van art. 11 lid 4 TOS een geldigheidsvereiste is, zulks blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 11 lid 4 TOS een voorschrift van administratieve aard is en niet de geldigheid van de optieverklaring raakt.
2.3
Klacht 2 betoogt dat de rechtbank in rov. 5.7 en 5.8 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake het woonplaatsbegrip van art. 3 TOS althans haar oordeel daarover onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft aan zijn oordeel mede ten grondslag gelegd dat de diplomatieke status van de vader van [verweerder] een uitzonderlijke situatie heeft gecreëerd (rov. 5.8). Met [verweerder] is de rechtbank er vanuit gegaan dat de vader voor zijn werk als ambassadesecretaris bij de Surinaamse ambassade in Den Haag in het bezit moest zijn van de Surinaamse nationaliteit en dat de Surinaamse autoriteiten ervoor hebben gekozen, met het oog op deze diplomatieke status van de vader, uit te gaan van een fictieve woonplaats in Suriname zodat de vader op 25 november 1975 op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7).
2.4
Over deze klachten merk ik het volgende op. De procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN is een verzoekschriftprocedure, waarop krachtens art. 284 Rv het bewijsrecht zoals neergelegd in de negende afdeling van de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet. De aard van de vaststellingsprocedure in het kader van art. 17 RWN kan zich tegen deze overeenkomstige toepassing verzetten, nu het hierbij gaat om het vaststellen van het Nederlanderschap waarover immers niet vrijelijk kan worden beschikt.3.Door [verweerder] is, zoals de rechtbank in rov. 5.7 heeft overwogen, een verklaring van het CBB in het geding gebracht, waarin de directeur van het CBB heeft verklaard dat uit de bevolkingsadministratie van het CBB is gebleken dat de vader van [verweerder] op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen ingevolge art. 3 TOS.4.De rechtbank heeft overwogen dat uit deze verklaring van het CBB in combinatie met de uitgifte van een Surinaams paspoort aan de vader op 26 mei 1976 voldoende is gebleken dat de Surinaamse autoriteiten er vanuit gaan dat de vader vanaf de datum van de onafhankelijkheid van Suriname de Surinaamse nationaliteit bezit. De Staat heeft aangevoerd dat de vader op het moment van de onafhankelijkheid zijn woonplaats en werkelijk verblijf in Nederland had, dat niet wordt betwist dat de vader thans de Surinaamse nationaliteit heeft en dat de vader dus op enig moment tussen de datum van onafhankelijkheid en de verkrijging van het Surinaamse paspoort op 26 mei 1976 een optieverklaring heeft uitgebracht als bedoeld in art. 5 lid 1 en/of art. 8 lid 2 TOS. De rechtbank heeft dit betoog verworpen door in rov. 5.6 te overwegen dat de visie van de Staat niet met documenten wordt onderbouwd. De rechtbank heeft onderkend dat de optieverklaring vormvrij is, maar heeft tevens overwogen dat niet is gebleken dat toezending van de kennisgeving (inzake de optieverklaring) op de voet van art. 11 lid 4 TOS daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft derhalve de verklaring van het CBB beslissend geacht alsmede het feit dat aan de vader een Surinaams paspoort is toegekend. Niet valt in te zien dat de rechtbank daarmee de regels van bewijsrecht zou hebben geschonden. De voorwaardelijke klacht over art. 11 lid 4 TOS berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking, nu de rechtbank geenszins heeft geoordeeld dat de kennisgeving in de zin van art. 11 lid 4 TOS een voorwaarde voor een geldige optieverklaring is. De beslissing is overigens niet onbegrijpelijk.
2.5
Art. 3 TOS luidt als volgt:
‘De Surinaamse nationaliteit verkrijgen alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in de Republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben’.
Volgens de uitspraak van Uw Raad van 4 maart 1980 moet de vraag naar de woonplaats in de zin van art. 3 TOS ‘zowel naar Surinaams als naar Nederlands recht worden beantwoord aan de hand van feitelijke omstandigheden’.5.Tijdens de parlementaire behandeling van de met de onafhankelijkheid van Suriname samenhangende onderwerpen is aan de regering de vraag voorgelegd welke criteria moeten worden aangelegd ter bepaling van het begrip ‘woonplaats’ en het begrip ‘werkelijk verblijf’ in de zin van art. 3 TOS. Hierop is het volgende geantwoord:
‘De leden van de al genoemde fracties hebben voorts gevraagd welke criteria zullen worden aangelegd bij het bepalen van ‘woonplaats of werkelijk verblijf’(artikel 3) en of ‘werkelijk verblijf’ zal prevaleren boven ‘woonplaats’ in gevallen waarin Nederlanders ingeschreven staan in Nederland en in Suriname. Volgens art. 10 van Boek I B.W. bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Voor de bepaling van de woonplaats van een persoon is beslissend de woning die hij heeft betrokken en waar hij bestendig hoofdverblijf heeft. Is er geen sprake van een bestendig hoofdverblijf, dan geldt het werkelijk verblijf. Indien een uit Suriname afkomstig persoon vóór de onafhankelijkheidsdatum zijn woonplaats in Suriname heeft opgegeven en zich naar Nederland heeft begeven en in Nederland b.v. bij familie voorlopig onderdak heeft gevonden, dan zal hij geacht moeten worden in Nederland werkelijk verblijf te hebben. Een tijdelijk verblijf in verband met ziekteverlof of vakantie doet de woonplaats niet verloren gaan. Werkelijk verblijf prevaleert dus niet boven de woonplaats’.6.
2.6
De rechtbank heeft in rov. 5.7 overwogen dat de diplomatieke status van de vader van [verweerder] ertoe heeft geleid dat de Surinaamse autoriteiten blijkbaar ervoor hebben gekozen uit te gaan van een fictieve woonplaats van de vader in Suriname, waardoor de vader op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg (rov. 5.7). De rechtbank heeft zich hiermee kennelijk rekenschap gegeven van de in het volkenrecht aanvaarde regel dat leden van het diplomatiek personeel van de zending in beginsel de nationaliteit van de zendstaat moeten bezitten. Deze regel is neergelegd in art. 8 lid 1 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 (Trb. 1962, 159). Weliswaar was dit verdrag op 25 november 1975 nog niet in werking getreden voor Suriname en voor Nederland7., maar het verdrag kan worden beschouwd als een codificatie van een ‘long-established state practice’.8.Uit de overgelegde verklaring van het CBB blijkt dat de vader van [verweerder] op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft, zodat de rechtbank in de bestreden beschikking kon constateren dat in het onderhavige geval de Surinaamse autoriteiten kennelijk zijn uitgegaan van een fictief of formeel woonplaatsbegrip voor zijn diplomatieke ambtenaren. De onafhankelijkheid van Suriname brengt mee dat het woonplaatsbegrip dat de zendstaat (Suriname) wenst te hanteren ten aanzien van zijn diplomatieke ambtenaren dient te worden gerespecteerd door de ontvangststaat. De TOS behoort geen afbreuk te doen aan de algemeen in het volkenrecht aanvaarde regels inzake diplomatiek verkeer, waaronder de regel dat diplomatieke ambtenaren van de zendstaat de nationaliteit van die staat bezitten. Niet is vereist, zoals de Staat in zijn nadere uitwerking en toelichting onder 2.2 aanvoert, dat zou moeten blijken van het bestaan van een beleid van de autoriteiten van de zendstaat (Suriname) op grond waarvan aan zijn diplomatieke ambtenaren een formele woonplaats wordt toegekend. Ten slotte merk ik op dat de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 1980 geen betrekking heeft op de woonplaats van diplomatieke ambtenaren, maar een algemene regel geeft voor het vaststellen van de woonplaats of werkelijke verblijfplaats in de zin van art. 3 TOS.
2.7
Er was voor de rechtbank ook geen reden, anders dan de Staat in zijn toelichting onder 2.3 betoogt, om uit te gaan van een foutieve vermelding in de verklaring van het CBB. Dat die verklaring uitsluitend ziet op de vader, is gelet op zijn diplomatieke status en gelet op de mogelijkheid dat binnen het gezin van een diplomatieke ambtenaar verschillende nationaliteiten bestaan, niet opmerkelijk.9.
2.8
De Staat betoogt in zijn verzoekschrift onder 2.3 nog dat de overgelegde verklaring van het CBB slechts vrije bewijskracht heeft en dat de conclusie van de rechtbank dat de vader voor zijn werk als ambassadesecretaris bij de Surinaamse ambassade in Den Haag in het bezit moest zijn van de Surinaamse nationaliteit niet zonder meer kan worden getrokken, te meer niet nu voor Nederlanders die in Surinaamse staatsdienst treden een afzonderlijke regeling was getroffen.
2.9
De regeling waarop de Staat doelt, is het KB van 6 januari 1976 ‘betreffende algemeen verlof tot het treden in krijgs- of staatsdienst van de Republiek Suriname’ (Trb. 1976/1).10.In dit Besluit was destijds het volgende bepaald:
‘Aan Nederlanders, die zich in krijgsdienst of staatsdienst van de Republiek Suriname begeven of zich na 24 november 1975 reeds hebben begeven, wordt hiertoe verlof verleend. Voor zover de dienst reeds is aangevangen wordt het verlof geacht te zijn verleend met ingang van de dag van indiensttreding’.
Dit KB had tot doel staatloosheid te voorkomen, omdat Nederlanders die in vreemde (in casu Surinaamse) krijgs- of staatsdienst traden het Nederlanderschap verloren op grond van art. 7 aanhef en onder 4 van de (toenmalige) WNI. Het Besluit heeft derhalve geen betrekking op in Suriname geboren Nederlanders, maar op in Nederland geboren Nederlanders (‘Europese Nederlanders’) die vóór of na de onafhankelijkheidsdatum van Suriname in Surinaamse krijgs- of staatsdienst zijn getreden.11.In de onderhavige zaak behoort de vader van Kruiskamp niet tot deze categorie.
2.10
De rechtbank heeft aan de verklaring van het CBB dat de vader van [verweerder] op grond van art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft, bewijskracht toegekend. De visie van de Staat dat de vader uiterlijk op 26 mei 1976 moet hebben geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit (op grond van art. 5 lid 1 en/of art. 8 lid 2 TOS) is door de Staat niet onderbouwd met documenten, zoals de rechtbank in rov. 5.6 van de bestreden beschikking heeft overwogen. Deze overweging is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
2.11
Op grond van het bovenstaande meen ik dat de klachten 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden.
2.12
Klacht 3 faalt reeds omdat het oordeel van de rechtbank niet steunt op de opvatting dat – in de woorden van de klacht – ‘in geval van optie voor het Surinamerschap de Surinaamse nationaliteit eerst dan effectief wordt verkregen en eerst dan het Nederlanderschap verloren gaat, indien komt vast te staan dat de Surinaamse autoriteiten ervan blijk geven de door optie verkregen nationaliteit daadwerkelijk te erkennen’. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
2.13
Klacht 4 is gericht tegen rov. 5.8 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank heeft overwogen dat de diplomatieke status van de vader ertoe heeft geleid dat binnen het gezin van [verweerder] verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden. Volgens de klacht zou de diplomatieke status van de vader niet uitzonderlijk zijn, zou in de bijzonderheden van die status zijn voorzien in het reeds genoemde KB van 6 januari 1976 en zou de situatie dat binnen het gezin van [verweerder] verschillende nationaliteiten zijn ontstaan evenmin uitzonderlijk zijn.
2.14
De klacht kan niet tot cassatie leiden. De uitzonderlijke situatie waarop de rechtbank in rov. 5.8 doelt, is de situatie dat het hele gezin vóór de datum van onafhankelijkheid van Suriname de Nederlandse nationaliteit bezat en in Nederland ook voor die datum en daarna woonplaats of werkelijk verblijf had, maar dat aan de vader kennelijk een formele woonplaats in Suriname is toegekend met het oog op zijn status van diplomatiek ambtenaar van Suriname. Daardoor verkreeg de vader de Surinaamse nationaliteit, in tegenstelling tot de moeder van [verweerder]. Een en ander blijkt ook uit de uitschrijving van de vader uit de GBA ná 25 november 1975. De verwijzing van de Staat naar het KB van 6 januari 1976 snijdt geen hout. Ik volsta met verwijzing naar nr. 2.9 van deze conclusie.
2.15
De rechtbank heeft in rov. 5.8 klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat de TOS, voor zover daaraan het uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin ten grondslag ligt, geen afbreuk kan doen aan de door de Surinaamse autoriteiten kennelijk gehuldigde woonplaatsfictie ten aanzien van de vader als diplomatiek ambtenaar van Suriname. Onder het begrip ‘woonplaats’ van art. 3 TOS heeft de rechtbank kennelijk mede verstaan het door de Surinaamse autoriteiten ten aanzien van de vader van [verweerder] gehuldigde fictieve woonplaatsbegrip.
2.16
Klacht 5 is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat art. 6 lid 2 TOS beoogt te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen indien zij op 25 november 1975 meerderjarig waren geweest. Volgens de rechtbank brengt, ongeacht de vraag of art. 6 lid 2 TOS ten aanzien van [verweerder] van toepassing is, een redelijke uitleg van de TOS in deze zaak mee dat wordt aangesloten bij de nationaliteit die [verweerder] zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest.
2.17
Art. 6 lid 2 TOS luidt als volgt:
‘Minderjarigen volgen de nationaliteit die hun moeder ingevolge deze Overeenkomst verkrijgt of behoudt, indien en zolang zij met de moeder in een ander land verblijven dan de vader’.
In zijn beslissing van 13 oktober 1981, waarnaar de rechtbank in rov. 5.9 verwijst, heeft de Hoge Raad ten aanzien van art. 6 lid 2 TOS het volgende overwogen:
‘De beperking van het tweede lid tot minderjarigen die in een ander land wonen dan hun vader wijst er veeleer op dat dit tweede lid bedoeld is geweest om te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen als zij op 25 nov. 1975 reeds meerderjarig zouden zijn geweest. Hierbij moet worden bedacht dat een overeenkomst als de onderhavige [de TOS; A-G] er in het algemeen toe strekt de belangen te dienen van zowel van de staten die de overeenkomst aangaan, in het bijzonder van de staat wiens onafhankelijkheid oorzaak van de overeenkomst is, als van degenen wier nationaliteit door de overeenkomst wordt geregeld’.12.
2.18
De klacht faalt voor zover wordt betoogd dat er geen algemene regel in de TOS bestaat die bepaalt dat zij die minderjarig waren op het moment van de inwerkingtreding van de TOS altijd de nationaliteit moeten (kunnen) behouden die zij zouden hebben gehad wanneer zij op dat moment meerderjarig zouden zijn geweest. Een dergelijke regel is door de rechtbank niet aangenomen.
2.19
Over het door de Staat in onder 5.2 te berde gebrachte evenwicht tussen de verschillende belangen die bij de TOS een rol spelen, merk ik het volgende op. Door de Staat is niet aangevoerd dat Suriname er belang bij heeft dat [verweerder] de Surinaamse nationaliteit van zijn vader volgt. Uit de stukken van het geding in feitelijke aanleg blijkt daarentegen dat de Surinaamse autoriteiten [verweerder] niet (meer) beschouwen als Surinamer. [verweerder] heeft in 2006 in Nederlandse vreemdelingenbewaring gezeten en navraag bij de Surinaamse ambassade over zijn nationaliteit heeft tot niets geleid. Een redelijke uitleg van de TOS, zoals de rechtbank in rov. 5.9 voorstaat, brengt dan ook mee dat art. 6 lid 2 TOS van toepassing wordt geacht. Anders blijft [verweerder] tussen wal en schip hangen en is hij staatloos.
2.20
In onderdeel 5.3 doet de Staat een beroep op de rechtszekerheid, omdat de rechtbank geen enkel gewicht lijkt toe te kennen aan de omstandigheid dat [verweerder] na het meerderjarig worden had kunnen opteren voor de Nederlandse nationaliteit op de voet van art. 6 lid 4 TOS, maar zulks heeft nagelaten. Ook deze klacht faalt. De rechtszekerheid is juist een argument tegen het verlies van het Nederlanderschap van [verweerder]. Dat zijn zuster in het verleden gebruik heeft gemaakt van de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS en [verweerder] zelf niet, doet daaraan niet af.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑01‑2014
Zie rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2013.
Zie ook Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 284, aant. 5 (E.L. Schaafsma-Beversluis).
Zie bijlage nr. 13 van het verweerschrift zijdens [verweerder].
HR 4 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8679, NJ 1981/98, m.nt. M. Scheltema. De annotator wijst erop dat uit deze uitspraak volgt dat de rechter het begrip ‘woonplaats’ zelf behoort uit te leggen.
Zie Tweede Kamer, zitting 1974-975, 13473 (R 990), nr. 8-9, p. 9; ook opgenomen in: Handleiding betreffende de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, 1975, p. 27. Zie verder H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, p. 91.
Voor Nederland is het Verdrag inzake diplomatiek verkeer op 7 oktober 1984 in werking getreden (zie Trb. 1984, 108) en voor Suriname op 27 november 1992.
Zie Ian Brownlie, Principles of Public International Law, 7th ed., p. 349-350: ‘The rules of international law governing diplomatic relations were the product of long-established state practice reflected in the legislative provisions and judicial decisions of national law. The law has now been codified to a considerable extent in the Vienna Convention on Diplomatic Relations. Parts of the Convention are based on existing practice and other parts on a progressive development of the law’. Zie ook: Marjoleine Zieck, Diplomatiek en consulair recht, in: Nathalie Horbach, René Lefeber, Olivier Ribbelink (red.), Handboek Internationaal Recht, 2007, p. 277 en 281.
Het KB is ingetrokken bij Besluit van 8 februari 1983, Stb. 1983, 74.
Zie ook H.A. Ahmad Ali en A.H. Klip, Nationaliteit en uitlevering van Bouterse, NJB 1998, p. 1242.
HR 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982/137, m.nt. A.H.J. Swart.
Beroepschrift 21‑08‑2013
VERZOEKSCHRIFT
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie-en Naturalisatiedienst), waarvan de zetel is gevestigd te 's‑Gravenhage, te dezer zake domicilie kiezende te 's‑Gravenhage aan de Bezuidenhoutseweg nr 57 (2594 AC), gebouw New Babylon (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. J. van Duijvendijk-Brand, die hem in cassatie vertegenwoordigt en namens hem dit verzoekschrift ondertekent en indient.
De Staat stelt hierbij beroep in cassatie in tegen de beschikking van de Rechtbank te Den Haag van 6 juni 2013, onder zaaknummer/rekestnummer C/09/402375 / HA RK 11-517 tussen de Staat als belanghebbende en verzoeker
[verzoeker], verblijvend in Nederland, zonder vaste woonplaats of adres, als verzoeker, voor wie in vorige instantie laatstelijk als advocaat optrad mr. E. van Kempen, kantoorhoudende te Amsterdam, (Böhler) aan de Keizersgracht 562, 1017 EM.
De Staat legt hierbij het procesdossier van de feitelijke instantie over.
De zaak betreft een verzoek om een verklaring voor recht dat [verzoeker], de Nederlandse nationaliteit bezit (een verzoek ex art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap).
A. Inleidende opmerkingen; feiten en procesverloop
1.
Verzoeker is op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] geboren als zoon van [de vader] (geboren op [geboortedatum] 1937 in district [geboorteplaats], Suriname) en diens echtgenote [de moeder] (geboren op [geboortedatum] 1932 in district [geboorteplaats], Suriname). Ten tijde van de geboorte van verzoeker bezaten zijn ouders beiden de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker verkreeg door geboorte als wettig kind van een Nederlandse vader op grond van artikel 1 aanhef en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit.
2.
De vader van verzoeker is in 1972 naar Nederland gereisd, alwaar hij van 28 december 1972 tot 19 augustus 1976 in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) stond ingeschreven. In 1974 is hij aangesteld als diplomaat bij het kabinet van de gevolmachtigde minister van Suriname in Den Haag. Na de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bleef hij in diplomatieke dienst werkzaam bij de Surinaamse ambassade in Den Haag. Op 19 augustus 1976 is hij in verband met diplomatieke immuniteit uitgeschreven uit de GBA.
De rechtbank vermeldt ten onrechte niet dat de vader van verzoeker van juni 1976 tot juli 1980 ingeschreven stond in het kaartsysteem voor geprivilegieerden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en in Zoetermeer woonde. Dit feit wordt eveneens niet vermeld in rov. 5.5 van de beschikking van de rechtbank. Zie hierover de brief met standpuntbepaling van de Staat d.d. 1 februari 2013, p.2/3 en bijlage 4 bij deze brief.
Op 23 juli 19801. is hij vertrokken naar Suriname en is aldaar gaan werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
3.
De moeder van verzoeker is in april 1973 met haar drie minderjarige kinderen, waaronder verzoeker, haar echtgenoot gevolgd naar Nederland. Zij woont sindsdien onafgebroken in Nederland. Niet in geschil is dat de moeder van verzoeker altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
4.
De ouders van verzoeker zijn op 28 januari 1986 gescheiden.
5.
Verzoeker verblijft sinds april 1973, met een onderbreking van 1992 tot 1997, in Nederland.
6.
Verzoeker heeft de rechtbank te Den Haag bij verzoekschrift van 1 september 2011 verzocht vast te stellen dat hij vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hij voerde daartoe in voormeld verzoekschrift het volgende aan. Zijn vader heeft nimmer geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit, maar heeft naar verwachting twee jaar na zijn vertrek naar Suriname (1980) op grond van art. 5 lid 2 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, inwerkingtreding 25 november 1975, hierna: TOS) van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkregen. Toen de vader naar Suriname vertrok zou verzoeker op grond van art. 6 lid 2 TOS het Nederlanderschap hebben behouden, omdat hij, aldus de stellingen van verzoeker in zijn verzoekschrift van 1 september 2011, toen als minderjarige met zijn moeder in een ander land woonde dan zijn vader, zodat de nationaliteit van zijn moeder bepalend was. De rechtspraak van de Hoge Raad (meer in het bijzonder de beschikkingen van 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982, 137 en 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0777, NJ 1993, 285) moet volgens verzoeker als achterhaald worden beschouwd, niet alleen door het verloop van de tijd, maar ook omdat op deze rechtspraak door deskundige annotatoren steekhoudende kritiek zou zijn geleverd. Deze rechtspraak zou voorts strijdig zijn met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN) en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag).
7.
Bij brief van 21 december 2011 heeft de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst [IND], bij monde van mr. Yvonne Kern, senior medewerker bij de IND) een checklist aan de rechtbank gestuurd met het verzoek bij de advocaat van verzoeker nadere stukken op te vragen en verzoeker een aantal vragen te laten beantwoorden.
8.
Tevens is aan de Nederlandse ambassade in Suriname een aantal vragen gestuurd met het verzoek die door te geleiden naar de Surinaamse autoriteiten. De Nederlandse ambassade heeft de vragen over de nationaliteit van verzoeker en zijn ouders in een nota van 16 januari 2012 voorgelegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Suriname ter doorgeleiding naar het Centraal Bureau voor Burgerzaken. Niettegenstaande een aantal dringende rappellen gedurende het jaar 2012 zijn deze vragen nooit beantwoord. De ambassade heeft eind 2012 bericht niet te verwachten dat de vragen nog beantwoord zullen worden.2.
9.
Naar aanleiding van de vragen uit de checklist heeft de raadsvrouwe van verzoeker een aantal stukken aan de rechtbank gezonden (brieven van 15 en 27 februari en 19 april 2012), waaronder de persoonskaart van verzoeker verkregen van het Vestigingsregister. Daarop staat vermeld dat verzoeker met ingang van 25 november 1975 is aangemerkt als in het bezit te zijn van de Surinaamse nationaliteit.
In haar brief van 19 april 2012 aan de rechtbank heeft de raadsvrouwe van verzoeker betoogd dat de autoriteiten er kennelijk, maar ten onrechte, van zijn uitgegaan dat de nationaliteit van de vader van verzoeker op 19 augustus 1976 zou zijn gewijzigd (en als gevolg daarvan die van verzoeker). Verzoeker heeft zijn standpunt herhaald dat zijn vader nooit zijn wens om de Surinaamse dan wel Nederlandse nationaliteit te verkrijgen expliciet heeft gemaakt.
10.
Bij brief van 1 februari 2013 heeft de Staat zijn standpunt kenbaar gemaakt.
De Staat heeft gemotiveerd betoogd dat, in tegenstelling tot wat in het verzoekschrift als uitgangspunt wordt genomen, ervan uit moet worden gegaan dat de vader van verzoeker op enig moment wél de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen door voor die nationaliteit te opteren. Zowel art. 5 lid 1 als art. 8 lid 2 TOS zou daarvoor als grondslag kunnen dienen. De Staat heeft er op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een optieverklaring op grond van de TOS vormvrij is en dat de verklaring onder meer kon worden afgelegd bij de diplomatieke vertegenwoordiging en consulaire ambtenaren van Suriname, dus op het werk van de vader van verzoeker. De Staat heeft aan een en ander de conclusie verbonden dat de vader van verzoeker door middel van optie de Surinaamse nationaliteit heeft verworven en op grond van art. 2 lid 1 TOS het Nederlanderschap heeft verloren op een datum tussen 25 november 1975 en 26 mei 1976. Verzoeker is zijn vader daarin gevolgd op grond van art. 6 lid 1 TOS. De omstandigheid dat de vader van verzoeker in juli 1980 naar Suriname is vertrokken, heeft daarin conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen wijziging gebracht. Met dit standpunt van de Staat (te weten dat verzoeker de Surinaamse nationaliteit had) is in overeenstemming dat in juli 1980 (dus onmiddellijk na het vertrek van de vader van verzoeker) voor de drie kinderen [naam 1], waaronder verzoeker, een verblijfsvergunning werd aangevraagd (en nadien verleend) voor ‘verblijf bij Nederlandse moeder’.3. Verzoeker heeft tussen 1 november 1987 en 1 november 1992 geen optieverklaring ex art. 6 lid 4 TOS afgelegd om het Nederlanderschap te herkrijgen.
In de brief met standpuntbepaling namens de Staat wordt ook ingegaan op de strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker, diens ongewenstverklaring, de vreemdelingenbewaring en de contacten met het Surinaamse consulaat-generaal. De Staat volstaat met daarnaar te verwijzen.
De Staat heeft tot slot er nog op gewezen dat aan verzoeker in ieder geval op 21 juni 1979 en 10 november 1980 en wellicht ook later nog Surinaamse paspoorten zijn afgegeven, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de Surinaamse overheid de Surinaamse nationaliteit van verzoeker daadwerkelijk erkent.
11.
Op 21 maart 2013 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker verklaard dat verzoeker recent4. in het bezit is gekomen van een verklaring van het Centraal Bureau van Burgerzaken van Suriname, waaruit zou blijken dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verworven op grond van art. 3 van de TOS en dus niet, zoals eerder werd aangenomen, de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname aanvankelijk zou hebben behouden en eerst nadien (door middel van optie of op grond van art. 5 lid 2 TOS) zou hebben verloren. In verband met de nieuwe informatie zou het standpunt van verzoeker én dat van de IND moeten worden herzien, aldus de raadsman van verzoeker. Door de vertegenwoordiger van de Staat (mr. Kern) is met verbazing gereageerd op de verklaring, nu feitelijk vaststaat (daarover bestaat ook geen discussie) dat de vader van verzoeker ten tijde van de onafhankelijkheid van Suriname niet in Suriname woonde, maar in Nederland en dat die situatie voortduurde tot aan zijn vertrek naar Suriname in juli 1980. Daaraan is zijdens de Staat nog toegevoegd dat het niet uitmaakt op welke grond de vader van verzoeker zijn nationaliteit heeft verkregen, aangezien de nationaliteit van verzoeker op grond van art. 6 lid 1 TOS is afgeleid van zijn vader en dus in beide gevallen de Surinaamse nationaliteit is. De raadsman van verzoeker heeft opgemerkt dat het naar zijn mening ingewikkelder ligt, omdat in de verklaring van het CBB is opgenomen dat de vader van verzoeker aan de Javaweg 28 in Suriname woonde, op welk adres personen zouden zijn ingeschreven die voor Suriname werkten. Zijdens de Staat is in reactie daarop nog gewezen op HR 4 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8679, NJ 1981, 98, m.nt. M.S. waarin werd overwogen dat zowel naar Surinaams als naar Nederlands recht de vraag of sprake is van ‘woonplaats’ in de zin van art. 3 TOS dient te worden beantwoord aan de hand van feitelijke omstandigheden. De rechtbank heeft na een korte schorsing van de zitting de behandeling van het verzoek aangehouden teneinde verzoeker de gelegenheid te bieden zijn nieuwe standpunt te onderbouwen.
12.
Bij brief van 18 april 2013 aan de rechtbank heeft verzoeker zijn verzoek (en zijn nieuwe standpunt daarin) nader onderbouwd. Verzoeker stelt dat uit de verklaring van het CBB van Suriname blijkt dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen ingevolge art. 3 TOS. De bepalingen van de TOS over optatie (art. 5 lid 1 en art 8 lid 2) maken volgens verzoeker niet langer onderwerp van geschil uit in de onderhavige procedure. Verzoeker redeneert dat uit de vermelding van art. 3 TOS in de verklaring van het CBB moet worden afgeleid dat zijn vader op het moment van de inwerkingtreding van de TOS hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf had in Suriname. Verzoeker stelt dat zijn vader weliswaar feitelijk in Nederland verbleef, maar dat zijn aanwezigheid in Nederland ‘in juridisch opzicht fictief’ zou zijn. Verzoeker stelt verder dat hij zelf op 25 november 1975 woonplaats had bij zijn moeder in Nederland, zodat hij op grond van art. 6 lid 2 TOS zijn moeder is gevolgd in haar (Nederlandse) nationaliteit. Voor zover een en ander niet rechtstreeks op art. 6 lid 2 zou zijn te baseren, bepleit verzoeker dat dit resultaat voortvloeit uit het nationaliteitseenheidsbeginsel, dat volgens verzoeker ten grondslag ligt aan art. 6 lid 2 TOS en door hem wordt geduid als het uitgangspunt dat sprake dient te zijn van eenheid tussen de nationaliteit van de minderjarige en de ouder van wie het kind de verzorging ontvangt. Verzoeker heeft voorts zijn standpunt herhaald dat de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 6 lid 2 TOS in strijd is met meerdere internationale verdragen, waaronder het EVRM (art. 14 jo 8).
13.
De Staat heeft gereageerd bij brief van 8 mei 2013. De Staat heeft betoogd dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van het CBB van 19 maart 2013, onder meer omdat de feitelijke omstandigheden, die ook bij het CBB bekend zijn, in de verklaring op geen enkele manier tot uitdrukking komen.5. De Staat heeft een gedetailleerde opsomming gegeven van feiten waarmee de verklaring strijdig is. Dit zijn feiten waarover verzoeker zelf heeft verklaard en/of feiten die zijn opgenomen in de Nederlandse bevolkingsadministratie en het kaartsysteem van het ministerie van Buitenlandse Zaken.6. De Staat heeft voorts opgemerkt dat het frappeert dat verzoeker voormelde verklaring van het CBB heeft verkregen (op 19 maart 2013), terwijl de Staat sinds begin 2012 een lijst met vragen over de nationaliteit van de ouders van verzoeker en verzoeker zelf heeft neergelegd bij het CBB maar daarop — ook na diverse rappellen — geen antwoord heeft gekregen. Iedere reactie op het verzoek van de Staat is eenvoudigweg uitgebleven. De Staat heeft zijn standpunt herhaald dat zowel naar Surinaams als naar Nederlands recht de vraag of iemand woonplaats of werkelijk verblijf heeft (in het kader van art. 3 TOS) beantwoord dient te worden aan de hand van feitelijke omstandigheden. Getoetst aan die maatstaf kan de conclusie geen andere zijn dan dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 woonplaats had in Nederland en niet in Suriname. Volledigheidshalve heeft de Staat nog gewezen op het bestaan van het Koninklijk Besluit van 6 januari 1976, Stb. 176, nr. 1. De Staat heeft op grond van een en ander zijn standpunt gehandhaafd dat verzoeker ingevolge art. 6 lid 1 TOS zijn vader is gevolgd in de Surinaamse nationaliteit (en daarmee zijn Nederlandse nationaliteit heeft verloren) en dat niet is gebleken dat hij nadien de Nederlandse nationalteit herkregen heeft.
14.
Op 16 mei 2013 is de mondelinge behandeling voortgezet. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Verzoeker heeft verklaard dat hij de verklaring van het CBB via zijn vader heeft verkregen. Hij heeft herhaald dat hij ooit in het bezit is geweest van een Surinaams paspoort. Zijdens de Staat is aangedrongen op het inwinnen van nadere informatie bij het CBB over de toepassing van art. 3 TOS op diplomaten, waarop door de raadsman gezinspeeld wordt, omdat sprake is van tegenstrijdigheden met de feiten en omstandigheden zoals die in Nederland met betrekking tot de woonplaats van de vader van verzoeker blijken. Door de raadsman van verzoeker is betoogd dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie die in Suriname en Nederland blijkbaar verschillend wordt uitgelegd.
15.
De rechtbank heeft op 6 juni 2013 (bij vervroeging) een beschikking gegeven. De rechtbank oordeelt (op grond van de verklaring van het CBB en de paspoortafgifte aan de vader van verzoeker op 26 mei 1976) dat aan de vader van verzoeker kennelijk, ondanks zijn feitelijke woonplaats in Nederland, een formele woonplaats is toegekend in het land waaraan hij als diplomaat verbonden was en waarvan hij de nationaliteit had. De rechtbank meent dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin bij het opstellen van de TOS niet is voorzien en die noopt tot een uitleg van de TOS die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS. Als bedoeling van de TOS (meer in het bijzonder van art. 6 lid 2 TOS) noemt de rechtbank dat beoogd is te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen indien zij op 25 november 1975 meerderjarig waren geweest (HR 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982, 137 m.nt. A.H.J. Swart). De rechtbank vervolgt dan: ‘Ongeacht het antwoord op de vraag of artikel 6 lid 2 TOS ten aanzien van verzoeker van toepassing is, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van de TOS in deze zaak meebrengt dat eveneens wordt aangesloten bij de nationaliteit die verzoeker zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig was geweest In die situatie zou verzoeker — die op dat moment in Nederland woonachtig was — de Nederlandse nationaliteit hebben behouden.’ Nu niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoeker in die situatie naderhand de Nederlandse nationaliteit weer zou hebben verloren, oordeelt de rechtbank dat het er voor moet worden gehouden dat verzoeker altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
Tegen de hiervoor vermelde beschikking van de Rechtbank moge de Staat doen aanvoeren het navolgende
B. Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat de Rechtbank op de in de bestreden beschikking vermelde gronden heeft beslist en recht gedaan als in haar beschikking vermeld, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
Klacht 1
1
De rechtbank oordeelt in rov. 5.6 — samengevat — dat de Staat niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat de vader van verzoeker op enig moment na 25 november 1975, doch uiterlijk op 26 mei 1976, zijnde dit het moment waarop aan hem een Surinaams paspoort werd verstrekt, moet hebben geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit. De rechtbank overweegt daartoe dat uit art. 11 lid 4 TOS valt af te leiden ‘dat de bevoegde instantie van de afgelegde optieverklaring een schriftelijke aantekening maakt. Afschrift van de kennisgeving dient vervolgens zo spoedig mogelijk aan de bevoegde instantie in Nederland, de Nederlandse Antillen en Suriname te worden toegezonden. Niet is gesteld of gebleken dat een dergelijke toezending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt de IND daarom niet in zijn visie dat er sprake moet zijn geweest van een optie voor de Surinaamse nationaliteit.’ Aan de paspoortafgifte tezamen met de door het CBB in Suriname afgegeven verklaring verbindt de rechtbank in rov. 5.7 vervolgens de conclusie dat de Surinaamse autoriteiten er kennelijk van uit gaan dat de vader van verzoeker sedert de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 in het bezit is van de Surinaamse nationaliteit.
Het oordeel in rov. 5.6 geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling in procedures op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (bij welke procedures niet in een tweede feitelijke instantie is voorzien). Meer specifiek heeft de rechtbank miskend het uitgangspunt dat
- (a)
op de Staat niet de volledige bewijslast rust van zijn stelling dat de vader van verzoeker op enig moment na 25 november 1975, doch uiterlijk op 26 mei 1976 door middel van optie de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen, maar slechts de verplichting om de juistheid van zijn stellingen op dit punt ‘door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden’ te staven (HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1512, NJ 1996, 280, m.nt. De Groot) en dat tot dergelijke bescheiden in ieder geval behoort een Surinaams paspoort dat in de betreffende periode aan de vader van verzoeker is afgegeven en
- (b)
dat de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn niet lijdelijk behoort op te stellen.
Althans is dit oordeel (en het daarop in rov. 5.7 en 5.8 voortbouwende oordeel van de rechtbank over de betekenis die aan de verklaring d.d. 19 maart 2013 van het CBB in Suriname moet worden gehecht) tegenover de gemotiveerde stellingen van de Staat onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Zou het oordeel in rov. 5.6 berusten op de zienswijze van de rechtbank — die duiding ligt overigens niet voor de hand, dus een klacht gebaseerd op deze lezing wordt hierbij slechts zekerheidshalve (voorwaardelijk) voorgedragen — dat naleving van het voorschrift uit art. 11 lid 4 TOS een geldigheidsvereiste is, dan geeft dat oordeel eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 11 lid 4 TOS behelst een voorschrift van administratieve aard die niet de geldigheid van de optieverklaring raakt.7.
Nadere uitwerking van en toelichting op klacht 1
1.1
De onderhavige procedure is een verzoekschriftprocedure waarop de regels van het bewijsrecht ingevolge art. 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij de aard van de procedure zich daartegen verzet. In zaken betreffende voluntaire rechtspraak, waar het gaat om het vaststellen van rechten en verplichtingen waarover partijen niet de vrije beschikking hebben, verzet de aard van de zaak zich tegen (integrale) toepassing van het bewijsrecht.8. Aangenomen wordt dat in een art. 17 RWN procedure de gewone regels van het bewijsrecht niet van toepassing zijn. Het moet ervoor gehouden worden dat op de Staat en de verzoeker gelijkelijk de taak rust de rechtbank zo goed mogelijk voor te lichten en materiaal te verschaffen voor haar oordeelsvorming.9. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad wordt ook wel afgeleid dat wanneer vaststaat dat degene die het verzoek ex art. 17 RWN heeft ingediend op enig moment het Nederlanderschap heeft bezeten het op de weg van de Staat ligt om het verlies daarvan aannemelijk te maken. In die zienswijze zal de Staat niet alleen een beroep moeten doen op een juridische ‘Verliesgrond’, maar zal hij ook de feiten en omstandigheden die het beroep op de verliesgrond kunnen dragen moeten stellen en (bij voldoende relevante betwisting) aannemelijk maken10.. De Staat heeft daartoe in dit geval een beroep gedaan op (de verliesgrond van) art. 6 lid 1 TOS jo art. 5 lid 1 en/of art. 8 lid 2 TOS in samenhang met art. 2 TOS. Als feitelijke onderbouwing heeft de Staat aangevoerd dat
- (1)
gebleken is dat (rechtens vaststaat dat) de vader van verzoeker op 25 november 1975 woonplaats en werkelijk verblijf had in Nederland, dus ingevolge de TOS het Nederlanderschap toen niet heeft verloren, en hij deze woonplaats heeft behouden tot 23 juli 1980 (datum vertrek naar Suriname)
- (2)
eveneens (rechtens vaststaat dat) aan de vader van verzoeker op 26 mei 1976 een Surinaams paspoort is verstrekt, terwijl ook niet betwist is dat de vader van verzoeker (thans) de Surinaamse nationaliteit heeft, zodat
- (3)
hieruit rechtens geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de vader van verzoeker op enig moment tussen 25 november 1975 en 26 mei 1976 een optieverklaring heeft uitgebracht als bedoeld in art. 5 lid 1 en/of art. 8 lid 2 TOS, als gevolg waarvan verzoeker ingevolge het bepaalde in art. 6 lid 1 TOS evenals zijn vader de Surinaamse nationaliteit heeft verworven en (op grond van art. 2 TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verloren.
Nu (rechtens vaststaat) dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 zijn woonplaats en werkelijk verblijf niet in Suriname had, maar in Nederland, kan een verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door de vader van verzoeker niet tot toepassing van art. 3 TOS worden herleid, aldus nog steeds de Staat in haar standpuntbepaling ten overstaan van de rechtbank.
1.2
Wat het uitbrengen van een optie voor de Surinaamse nationaliteit betreft heeft de Staat er nog op gewezen op dat er in dit geval twee artikelen zijn die daarvoor de juridische basis kunnen vormen: namelijk naast het algemene art. 5 lid 1 TOS ook art. 8 lid 2 TOS, welke laatste bepaling specifiek ziet op Nederlanders die (zoals de vader van verzoeker) op het moment van inwerkingtreding van de overeenkomst (25 november 1975) een publiekrechtelijk dienstverband bezitten met Suriname. Dezen konden binnen één jaar na inwerkingtreding van de overeenkomst nog opteren voor de Surinaamse nationaliteit (de paspoortafgifte aan de vader van verzoeker dateert van 26 mei 1976 en valt dus binnen dat jaar). De Staat heeft erkend niet te beschikken over een kopie van de optieverklaring, maar heeft daarbij aangetekend dat de optieverklaring in het kader van de TOS vormvrij is, zodat een schriftelijke verklaring niet voorhanden hoeft te zijn. De Staat heeft er in dit verband ook nog op gewezen dat de kennisgeving als bedoeld in beide optieartikelen niet alleen kon worden gedaan bij de burgemeester van de gemeente waar betrokkene woonplaats of werkelijk verblijf had, maar ook bij de diplomatieke vertegenwoordiger en consulaire ambtenaren van Suriname ‘dus op het werk van [de vader]’.11. Daarmee heeft de Staat voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat de vader van verzoeker, naar moet worden aangenomen, een (mondelinge) optieverklaring heeft afgelegd voor de Surinaamse nationaliteit en wel waarschijnlijk op zijn werk, waarvan dan geen schriftelijke kennisgeving voorhanden was, zodat deze ook niet op de voet van art. 11 lid 4 aan de Nederlandse autoriteiten kon worden doorgezonden. Waarschijnlijk is dan tevens dat de optieverklaring is uitgebracht op de voet van art. 8 lid 2 TOS, aangezien een dergelijke verklaring terugwerkt tot 25 november 1975, hetgeen dan in zoverre overeenstemt met de door verzoeker overgelegde verklaring van het CBB in Suriname en ook op de datum die staat vermeld op zijn persoonskaart (zie daarover ook hiervoor achter 9).
1.3
Aangenomen moet worden, dat de Staat hiermee aan zijn stelplicht en ‘bewijslast’ had voldaan en dat, waar deze redenering juridisch en feitelijk zonder meer sluitend was (en is) te noemen, er geen grond bestond voor de rechtbank om van de Staat enig nader bewijs te verlangen inzake het uitbrengen van een optieverklaring door de vader van verzoeker. Meer specifiek bestond, bij die stand van zaken, voor de rechtbank onvoldoende grond om van de Staat te verlangen dat deze zou stellen en aannemelijk maken dat een afschrift van de schriftelijke aantekening van het afleggen van deze verklaring spoedig daarna door de Surinaamse autoriteiten aan de Nederlandse bevoegde instantie is toegezonden.
1.4
Dit werd niet anders door de verklaring van het CBB in Suriname d.d. 19 maart 2013 die verzoeker heeft overgelegd, waarin wordt verklaard dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 ingevolge art. 3 TOS de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
Nu rechtens vaststaat dat de vader van verzoeker tot 23 juli 1980 zijn woonplaats en werkelijk verblijf in Nederland had, kon de rechtbank niet (zonder meer) uitgaan van de juistheid van de verklaring van het CBB. Op vragen van de Staat aan het CBB in Suriname (juist) ook over de nationaliteit van verzoeker zelf is, niettegenstaande diverse rappellen in 2012, in het geheel niet gereageerd. De Staat heeft op dit alles gewezen.12. De Staat heeft daarmee, onder de gegeven specifieke omstandigheden, de juistheid van de verklaring van het CBB voldoende gemotiveerd betwist en in redelijkheid aan haar ‘bewijsbijbrengplicht’ voldaan. Waar zich bovendien hier de situatie voordeed dat verzoeker kennelijk wel in staat was een verklaring van het CBB in Suriname te produceren, terwijl de Staat daartoe diverse, vergeefse, pogingen had ondernomen, maar geen enkele reactie van het CBB mocht ontvangen, bracht een redelijke bewijslastverdeling in dit specifieke geval mee dat de rechtbank de eventuele (nadere) bewijslast inzake het behoud van zijn Nederlanderschap op verzoeker zou hebben gelegd.
1.5
Indien de rechtbank van oordeel was dat de door verzoeker overgelegde verklaring van het CBB in Suriname d.d. 19 maart 2013 gerede twijfel heeft doen ontstaan over de juistheid van de zienswijze van de Staat dat verzoeker zijn Nederlandse nationaliteit op de door de Staat bijgebrachte gronden heeft verloren, had de rechtbank, gelet op haar niet lijdelijke rol in procedures als de onderhavige, en gegeven de gebleken onmogelijkheid voor de Staat om antwoorden te krijgen op de door hem bij het CBB in Suriname gestelde vragen, dan minst genomen zelf nader onderzoek dienen te verrichten (HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9744, NJ 1990, 791, m.nt. G.R. de Groot).
N.B. Deze kwestie is voor de Staat van groot belang, omdat de zaak van verzoeker niet op zich zelf staat. Het komt geregeld voor dat het CBB niet reageert op verzoeken van de Staat om informatie te verschaffen, terwijl de verzoeker zelf dan wel een verklaring weet te verkrijgen (die dan vaak — zoals hier — vragen oproept en/of tegenstrijdig is met de feiten en omstandigheden die de Staat bekend zijn, welke vragen dan niet beantwoord [kunnen] worden).13.
1.6
Wat de onderhavige zaak betreft, wijst de Staat er nogmaals op dat het opvallend is dat de verklaring uitsluitend ziet op de nationaliteit van de vader van verzoeker en dus niet op die van verzoeker zelf. Dat is mogelijk veelzeggend. Het ligt immers zonder meer in de rede dat de Surinaamse autoriteiten, óók als zij daadwerkelijk een begrip ‘fictieve woonplaats’ zouden hebben gehanteerd, via art. 6 lid 1 TOS aan verzoeker eveneens de Surinaamse nationaliteit zouden toekennen. Gesteld noch gebleken is immers dat de Surinaamse autoriteiten inzake de toepasselijkheid van art. 6 lid 1 TOS een andere lijn volgen dan de Nederlandse autoriteiten. En naar Nederlands recht geldt ingevolge art. 6 lid 1 TOS (vaste rechtspraak van de Hoge Raad), dat in een geval als het onderhavige (behoudens de zich hier [kennelijk ook in de visie van de rechtbank] niet voordoende uitzondering van art. 6 lid 2 TOS), ongeacht de verkrijgingsgrond van de Surinaamse nationaliteit van de vader, een minderjarige zijn vader in die verkrijging van de Surinaamse nationaliteit volgt.
1.7
Dat ervan moet worden uitgegaan dat de Surinaamse autoriteiten aan verzoeker de Surinaamse nationaliteit toekennen, geldt nog eens te meer omdat naar Surinaams recht de gehuwde vrouw woonplaats heeft bij haar man14., zodat van een ‘route’ naar het Nederlanderschap via art. 6 lid 2 TOS in de visie van de Surinaamse autoriteiten reeds om die reden geen sprake zal kunnen zijn. Het is frappant dat zijdens verzoeker is erkend dat er onduidelijkheden bestaan over de reikwijdte van de verklaring van het CBB in Suriname, meer specifiek of de ‘fictieve of formele’ woonplaats waarvan de Surinaamse autoriteiten dan zouden zijn uitgegaan voor het gehele gezin zouden gelden en dus ook (gelet op de zienswijze naar Surinaams recht op de afhankelijke woonplaats van de gehuwde vrouw) voor de moeder van verzoeker.15.
Klacht 2
2
De rechtbank overweegt vervolgens in rov. 5.7 en 5.8 ten onrechte — en neemt daarop (eveneens ten onrechte) reeds een voorschot in rov. 5.2 door te overwegen dat verzoeker op 25 november 1975 als minderjarige met zijn moeder (en dus in de visie van de rechtbank kennelijk: niet ook met zijn vader) ‘woonplaats’ had in Nederland — dat de Surinaamse autoriteiten gelet op de diplomatieke status van de vader van verzoeker er kennelijk voor hebben gekozen uit te gaan van een fictieve (of: formele) woonplaats van de vader van verzoeker in Suriname waardoor een uitzonderlijke situatie is gecreëerd en zij verbindt daaraan, zulks eveneens ten onrechte, de conclusie dat de vader van verzoeker op grond van art. 3 TOS per 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit verkreeg. Dat oordeel geeft (onder meer) blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake het woonplaatsbegrip in de TOS. Althans is het oordeel van de rechtbank in dat opzicht onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Nadere uitwerking van en toelichting op klacht 2
2.1
Art. 3 TOS bepaalt dat een persoon die meerderjarige Nederlander is en in Suriname geboren, de Surinaamse nationaliteit ingevolge de TOS verkrijgt indien hij op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS in Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf heeft. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de vraag of een persoon woonplaats of werkelijk verblijf heeft in Nederland dan wel in Suriname in de zin van art. 3 van de TOS ‘zowel naar Surinaams als naar Nederlands recht (dient te) worden beantwoord aan de hand van feitelijke omstandigheden’ (HR 4 maart, 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8679, NJ 1981, 98).16. De TOS kent niet het begrip ‘fictieve of formele woonplaats’. Het begrip ‘woonplaats’ is een rechtsbegrip, dat door de rechter geïnterpreteerd pleegt te worden. Indien de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd dat (door verzoeker aannemelijk is gemaakt dat) de Surinaamse autoriteiten inzake personen met een diplomatieke status een beleid hebben gevoerd, inhoudend dat aan deze personen een ‘formele’ woonplaats werd toegekend, althans dat aldus met betrekking tot de vader van verzoeker is gehandeld, heeft de rechtbank derhalve een onjuiste toepassing gegeven aan art. 3 TOS. De Surinaamse overheid beschikt namelijk niet over enige beleidsvrijheid om naar eigen inzicht nader te bepalen wanneer zij een woonplaats in Suriname wil aannemen. Aldus onmiskenbaar HR 4 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB8679, NJ 1981, 98 en (meer expliciet) annotator M. Scheltema bij voormelde beschikking. Door in haar beschikking uit te gaan van een ‘fictieve of formele woonplaats’ van de vader van verzoeker (‘toegekend’ door de Surinaamse overheid aan deze) en daaraan rechtens gevolgen te verbinden in het kader van art. 3 TOS, meer specifiek: door op grond van deze ‘fictieve of formele woonplaats’ te oordelen dat de vader van verzoeker op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit heeft verworven, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 3 TOS, het daarin gehanteerde begrip woonplaats en het (rechts)karakter daarvan.
N.B. De Staat heeft vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en ongewenste precedentwerking zeer ernstige bezwaren tegen het introduceren door de rechtbank van een aan de TOS volstrekt vreemd woonplaatsbegrip. De rechtbank is zich mogelijk van dit gevaar wel bewust geweest, nu zij verderop in de beschikking het ‘uitzonderlijke’ van de onderhavige zaak poogt te benadrukken. Waar die argumenten niet steekhoudend zijn, komt het de Staat voor dat hij een ver boven de onderhavige zaak uitgaand belang heeft om het oordeel van de rechtbank in cassatie te laten vernietigen.
2.2
Het oordeel van de rechtbank ontbeert ook een voldoende begrijpelijke motivering.
Dat geldt allereerst voor het kennelijke oordeel van de rechtbank dat (door verzoeker aannemelijk is gemaakt dat) de Surinaamse autoriteiten inzake personen met een diplomatieke status een beleid hebben gevoerd, inhoudend dat aan deze personen een ‘formele’ woonplaats werd toegekend, althans dat aldus met betrekking tot de vader van verzoeker is gehandeld. Van het bestaan van een dergelijk beleid is na de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 (in een periode van bijna 38 jaar) nooit eerder gebleken, zodat de rechtbank van het bestaan van een dergelijk beleid, niet zonder meer (en zeker niet zonder daarnaar nader onderzoek te [laten] verrichten) had mogen uitgaan. Dat de rechtbank dat wel heeft gedaan, maakt haar oordeel, zonder nadere, ontbrekende, motivering, onbegrijpelijk. Dit geldt in niet mindere mate, indien de rechtbank niet van een vaste beleidslijn is uitgegaan, maar van een individuele toekenning van een ‘formele’ woonplaats specifiek aan de vader van verzoeker.
2.3
Voorts, waar rechtens vaststaat (rov. 5.6) dat aan de vader van verzoeker (eerst) op 26 mei 1976 een Surinaams paspoort is verstrekt en gesteld noch gebleken is dat hem al eerder (op of kort na 25 november 1975) een Surinaams paspoort is verstrekt, kan aan de omstandigheid van de paspoortafgifte op voormelde datum niet (zonder meer) steun worden ontleend voor de door de rechtbank in rov. 5.8 kennelijk17. getrokken conclusie dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van het CBB dat de vader van verzoeker reeds op 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit verkreeg. Nu eveneens rechtens vaststaat dat de vader van verzoeker tot 23 juli 1980 zijn woonplaats en werkelijk verblijf in Nederland had, ligt het meer in de rede om uit te gaan van een foutieve vermelding in de verklaring van het CBB. Daarvoor bestond te meer aanleiding nu de verklaring uitsluitend ziet op de nationaliteit van de vader van verzoeker, op wiens verzoek (naar verzoeker zelf heeft verklaard18.) de verklaring is afgegeven, en dus niet op de nationaliteit van verzoeker zelf, terwijl op vragen van de Staat aan het CBB in Suriname juist (ook) over de nationaliteit van verzoeker zelf, niettegenstaande diverse rappellen in 2012, in het geheel niet is gereageerd. Zo heeft de Staat bij herhaling naar voren gebracht19. dat er een verklaring van het CBB uit Suriname dient te komen waarin wordt uitgelegd hoe de afgifte van een Surinaams paspoort aan verzoeker zich verhoudt tot de thans door verzoeker overgelegde verklaring van het CBB en diens stelling dat hij het Nederlanderschap heeft behouden.
Aangezien de door verzoeker overgelegde verklaring slechts vrije bewijskracht20. heeft, de verklaring geen complete weergave bevat van de feiten en daarmee tegenstrijdig is, is het — mede in aanmerking genomen het onbeantwoord blijven van de door de Staat gestelde vragen aan het CBB — onbegrijpelijk dat de rechtbank de inhoud van de verklaring van het CBB niettemin toch (zonder meer en zonder nader onderzoek) voor Juist houdt. Hetgeen de rechtbank in rov. 5.7 verder nog overweegt, te weten dat ‘de vader van verzoeker voor zijn werk als ambassadesecretaris bij de Surinaamse ambassade in Den Haag in het bezit moest zijn van de Surinaamse nationaliteit’ kan de conclusie evenmin (zonder meer) dragen, te meer niet nu voor het treden in Surinaamse staatsdienst van Nederlanders een regeling21. was getroffen (inhoudend dat daartoe verlof werd verleend en het Nederlanderschap behouden bleef), op het bestaan van welke regeling en de relevantie daarvan voor de onderhavige zaak de Staat in zijn brief van 8 mei 2013 heeft gewezen.
2.4
Gegrondbevinding van een of meerdere van de hiervoor in de onderdelen 1 en 2 geformuleerde klachten vitieert ook het (voortbouwende) oordeel van de rechtbank in rov. 5.8 t/m 5.11 dat sprake is van een uitzonderlijke situatie die noopt tot een redelijke uitleg van de TOS, die meebrengt dat (ongeacht of art. 6 lid 2 TOS op verzoeker van toepassing is) verzoeker geacht moet worden op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit te hebben behouden en die nadien nimmer te hebben verloren.
Klacht 3
3
Indien het oordeel van de rechtbank zou steunen op de opvatting dat in geval van optie voor het Surinamerschap de Surinaamse nationaliteit eerst dan effectief wordt verkregen en eerst dan het Nederlanderschap verloren gaat, indien komt vast te staan dat de Surinaamse autoriteiten blijk ervan geven de door optie verkregen nationaliteit daadwerkelijk te erkennen (en dat aan die voorwaarde in dit geval niet is voldaan), geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie HR 14 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0511, NJ 1993, 262, m.nt. G.R. de Groot:
‘3.3.
Tot steun ervan verwijst het onderdeel naar HR 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9744, NJ 1990, 791. Het onderdeel ziet er evenwel aan voorbij dat het in de bij die beschikking berechte zaak ging om toepassing van art. 2 lid 1 op een geval van verkrijging van de Surinaamse nationaliteit, waarbij ruimte bestond voor gerede twijfel of de Surinaamse autoriteiten haar zouden erkennen. Zodanige twijfel kan voortkomen uit tweeërlei bron, te weten uit een tussen de beide verdragsstaten bestaand verschil in interpretatie, zoals in voormeld geval bestond ter zake van art. 5 lid 2, en uit een verschil van inzicht met betrekking tot het feitelijk vaststaan en de juridische waardering van de omstandigheden aan de hand waarvan de nationaliteitsverkrijging moet worden beoordeeld.
In het onderhavige geval doet zich echter geen van deze bronnen van twijfel voor. Van enig verschil tussen de verdragsstaten ter zake van de uitleg van de hier van belang zijnde bepalingen van de Toescheidingsovereenkomst is geen sprake, terwijl ook overigens niet enig verschil van inzicht kan bestaan ten aanzien van het feitelijk vaststaan van de door verzoeker gedane optie en het daaraan verbonden gevolg.’ (cursivering toegevoegd, dzz).
3.1
Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval sprake is van een ‘gerede twijfel’ in de zin van voormelde uitspraak van de Hoge Raad als gevolg van
- (a)
een verschil terzake van de uitleg van de verdragsbepalingen of van
- (b)
een verschil in inzicht ten aanzien van het feitelijk vaststaan van de door de vader van verzoeker gedane optie en het daaraan verbonden gevolg, is dat oordeel, zonder nadere, ontbrekende, motivering niet begrijpelijk.
De rechtbank verzuimt ten enenmale om aan te geven waarin dat eventuele verschil
- (a)
terzake van de uitleg van de verdragsbepalingen dan zou bestaan. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat vast dat het begrip woonplaats of werkelijk verblijf in art. 3 TOS naar Surinaams en Nederlands recht op dezelfde wijze wordt uitgelegd. Dat in Suriname van een afwijkend beleid inzake dit woonplaatsbegrip sprake zou zijn als het gaat om in Suriname geboren Nederlanders die een diplomatieke status (in Surinaamse overheidsdienst) hebben, is voorts onvoldoende komen vast te staan. Zie daarover nader klacht 2 en de daarop gegeven aanvulling en toelichting. Dat
- (b)
tussen Suriname en Nederland verschil van inzicht zou bestaan ten aanzien van het feitelijk vaststaan van de door de vader van verzoeker gedane optie (ex art. 5 lid 1 dan wel art. 8 lid 2 TOS) is evenmin gesteld noch gebleken en ook niet (kenbaar) door de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag gelegd.
Tenslotte is ook niet gesteld en evenmin gebleken dat tussen Suriname en Nederland een verschil van inzicht zou bestaan inzake de toepasselijkheid van art. 6 lid 1 TOS in een geval als het onderhavige (behoudens de zich hier [kennelijk ook in de visie van de rechtbank] niet voordoende uitzondering van art. 6 lid 2 TOS). Zie daarover nader de nadere uitwerking van en toelichting op klacht 1, meer specifiek par. 1.6.
Klacht 4
4
In rov. 5.8 komt de rechtbank — samengevat — tot het oordeel dat de diplomatieke status van de vader van verzoeker heeft geleid tot
- (1)
‘een uitzonderlijke situatie’, te weten ‘dat binnen het gezin van verzoeker verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden’,
- (2)
in welke situatie de TOS niet heeft voorzien en
- (3)
die in strijd zou zijn met het aan de TOS ten grondslag liggende ‘uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin’, zodat er
- (4)
reden (en ruimte) is om de TOS uit te leggen op een wijze ‘die het meest in overeenstemming is met de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS’ aldus de rechtbank.
Dit oordeel geeft in meerdere opzichten blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet voorzien van een toereikende motivering. Allereerst is de diplomatieke status van de vader van verzoeker als zodanig niet uitzonderlijk. In de bijzonderheden die deze status mee zou kunnen brengen is bovendien voorzien door het Koninklijk Besluit van 6 januari 1976, Stb. 176, nr. 1 (zie daarover ook klacht 2, par. 2.3) en het optierecht uit art. 8 lid 2 TOS. De situatie dat er binnen een gezin verschillende nationaliteiten zijn verkregen en/of behouden is evenmin uitzonderlijk. Die situatie kan onder meer ontstaan (en is ook hier ontstaan) doordat de leden van een gezin voor een verschillende nationaliteit opteren.22. De TOS heeft zich daar rekenschap van gegeven en daarin op verschillende wijzen voorzien: zo wordt aan kinderen die hun nationaliteit ontlenen aan een ouder de mogelijkheid geboden om, eenmaal meerderjarig geworden, alsnog te kiezen voor de nationaliteit die zij zouden hebben verkregen als zij op het moment van de inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zouden zijn geweest; zie voorts art. 7 TOS dat een optierecht geeft aan echtgenoten, indien de nationaliteit van een van hen wordt gewijzigd als gevolg van de TOS. Er bestaat evenwel niet zo iets als een uitgangspunt (als onwrikbaar beginsel) van eenheid van gezin dat ten grondslag zou liggen aan de TOS.
Zie de Handleiding bij de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname, ad artikel 6, waar het gaat om een éénoudergezin (kind en moeder-weduwe) en onder meer valt te lezen: ‘De overeenkomst beoogt immers niet de verschillen in nationaliteit tussen moeder en kind op te heffen.’
Zie voorts HR 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982, 137, rov. 5.6:
‘(…) Een algemeen beginsel, kinderen in onvolledige gezinnen zo veel mogelijk te doen delen in de nationaliteit van de ouder bij wie zij verblijven, kan uit het eerste lid van art. 6 derhalve niet worden herleid’.
Op grond van het vorenstaande kon de rechtbank ook niet toekomen aan het oordeel dat er ruimte bestond voor haar om de TOS uit te leggen, of beter: aan te vullen. De rechtbank neemt immers als startpunt dat de TOS in de nu ontstane situatie niet voorziet. Haar oordeel waartoe die uitleg/aanvulling zou moeten leiden kan om die reden ook geen stand houden.
4.1
Overigens lijkt de rechtbank in rov. 5.9 het (foutief) door haar in rov. 5.8 geformuleerde ‘uitgangspunt van eenheid van nationaliteit binnen een gezin’ weer los te laten, als zij op zoek gaat naar wat ‘een redelijke uitleg van de TOS’ meebrengt. In zoverre is de redenering van de rechtbank ook onbegrijpelijk, omdat de rechtbank onvoldoende inzichtelijk maakt hoe zij van de vaststelling dat sprake is van een uitgangspunt in de TOS van ‘eenheid van nationaliteit binnen een gezin’ komt tot het oordeel dat, ongeacht de toepasselijkheid van de bepaling die aan deze kwestie raakt23. (te weten: art. 6 lid 2 TOS), een ‘redelijke uitleg van de TOS’ meebrengt dat aan verzoeker de nationaliteit moet worden toegekend die hij zou hebben gehad als hij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zou zijn geweest.
4.2
Het oordeel van de rechtbank ontbeert ook een toereikende motivering omdat ontoelaatbaar onduidelijk blijft waarom in de visie van de rechtbank art. 6 lid 1 TOS (kennelijk) niet van toepassing is, meer specifiek: of in de visie van de rechtbank het eerste lid van art. 6 TOS in dit geval terzijde wordt gesteld door het tweede lid van art. 6 TOS (in welk geval ook sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, waarover hierbij dan wordt geklaagd) en hoe dit zich dan verhoudt tot de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over de reikwijdte van art. 6 lid 2 TOS.
Klacht 5
5
In rov. 5.9 begeeft de rechtbank zich in de uitleg/aanvulling van de TOS om de redenen zoals door haar in de vorige rechtsoverweging uiteen zijn gezet. Kennelijk op zoek naar ‘de redelijkerwijs te bewerkstelligen bedoelingen van de TOS’, overweegt zij daar
- (a)
dat met art. 6 lid 2 TOS is beoogd te bevorderen dat minderjarigen zo veel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen indien zij op 25 november 1975 meerderjarig waren geweest, waarbij de rechtbank verwijst naar HR 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4242, NJ 1982, 137, m.nt. A.H.J. Swart. Vervolgens overweegt de rechtbank
- (b)
dat in het midden kan blijven of art. 6 lid 2 TOS ten aanzien van verzoeker van toepassing is, omdat ongeacht of dit het geval is, ‘een redelijke uitleg van de TOS in deze zaak’ meebrengt dat eveneens wordt aangesloten bij de nationaliteit die verzoeker zou hebben gehad indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest.
In die situatie zou verzoeker — die op dat moment in Nederland woonachtig was — de Nederlandse nationaliteit hebben behouden, aldus de rechtbank. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake de TOS en berust (kennelijk) op een onjuiste duiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 1981.
5.1
Er bestaat niet zo iets als een algemeen geldende regel in de TOS dat zij die minderjarig waren ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS altijd (dus bijvoorbeeld ongeacht of zij van een hun ter beschikking staande optiemogelijkheid gebruik hebben gemaakt) de nationaliteit moeten (kunnen) behouden die zij zouden hebben gehad als zij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zouden zijn geweest. Dat volgt ook, anders dan de rechtbank kennelijk meent, niet uit genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 13 oktober 1981. De daar gebruikte formulering is uiterst genuanceerd, en heeft bovendien betrekking op de duiding van art. 6 lid 2 TOS, terwijl de rechtbank de toepasselijkheid van deze bepaling uitdrukkelijk in het midden laat: ‘(…) wijst er veeleer op dat dit tweede lid bedoeld is geweest om te bevorderen dat minderjarigen zo veel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen als zij op 25 nov. 1975 reeds meerderjarig zouden zijn geweest’. Een algemeen geldende regel valt hier niet in te lezen.
5.2
Het gaat bij de TOS om een systeem van regels waarbij verschillende belangen een rol hebben gespeeld en een evenwicht tussen die belangen gevonden moest worden. De Hoge Raad wijst daar ook op in de overweging die volgt op de hiervoor geciteerde: ‘Hierbij moet worden bedacht dat een overeenkomst als de onderhavige er in het algemeen toe strekt de belangen te dienen zowel van de staten die de overeenkomst aangaan, in het bijzonder van de staat wiens onafhankelijkheid oorzaak van de overeenkomst is, als van degenen wier nationaliteit door de overeenkomst wordt geregeld.’ Hiermee verhoudt zich niet dat een gedachte — zo men wil: beginsel — die mogelijk bij het ontwerpen van de overeenkomst heeft voorgezeten en aan het systeem van de regeling tussen de beide staten mede ten grondslag heeft gelegen, tot regel wordt verheven, zoals de rechtbank doet.
5.3
Een dergelijke hantering van de TOS is ook in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. De rechtbank lijkt — zulks ten onrechte — ook geen enkel gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat verzoeker na het meerderjarig worden had kúnnen opteren voor (herkrijging van) de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS, maar dat (om hem moverende redenen24.) heeft nagelaten, zodat het door de rechtbank in aanmerking genomen ‘beginsel’ heeft geleid tot een regel in de TOS die in het geval van verzoeker toepassing had kúnnen vinden en dus had kúnnen leiden tot het door de rechtbank gewenste resultaat (behoud Nederlanderschap). Om die reden is het oordeel van de rechtbank niet alleen rechtens onjuist, maar ook onbegrijpelijk en niet voorzien van een toereikende motivering.
Conclusie
Dat het Uw Raad moge behagen om de beschikking van de Rechtbank te Den Haag van 6 juni 2013 te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren. Kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 21 augustus 2013
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑08‑2013
Dit is de juiste datum van vertrek, zie daarover de brief met standpuntbepaling van de Staat d.d. 1 februari 2013, voetnoot 3. zie ook de beschikking van de rechtbank, rov. 2.2 slot.
Zie de brief met standpuntbepaling door de Staat d.d. 1 februari 2013, p. 2 achter het kopje ‘Feiten en onderzoek’.
Verzoeker werd op 11 januari 1982 in het bezit gesteld van een vestigingsvergunning. Op 6 april 1992 is hij naar Suriname vertrokken. De vestigingsvergunning is door het verblijf in Suriname van rechtswege vervallen.Zie de brief met standpuntbepaling van de Staat, p. 5/6.
De verklaring is gedateerd 19 maart 2013 en zou dus slechts 2 dagen voor de zitting zijn opgesteld en aan verzoekers vader ter hand zijn gesteld. Zie de brief van 18 april 2013 aan de rechtbank waarbij de verklaring als bijlage is aangehecht en in het geding gebracht.
Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de feitelijke omstandigheden in aanmerking genomen dienen te worden bij de beoordeling van het gewicht dat aan de verklaring van het CBB moet worden toegekend, heeft de Staat gewezen op HR 23 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8239, NJ 1984, 387.
Zie de brief van 8 mei 2013, p. 2.
Vergelijk ook HR 21 januari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AD5620, NJ 1969, 144 en HR 27 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6738, NJ 1980, 550.
Zie Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, eerste boek, derde titel, aant. 17.
Aldus D.H. baron von Maitzahn, in: ‘Aan de grenzen van het Nederlanderschap’, opstellen aangeboden aan F.Th. Zilverentant, bij gelegenheid van zijn afscheid als wetgevingsjurist bij het Ministerie van Justitie, p, 145–153.
Zie bijvoorbeeld C.S. Poortman, Rechterlijke vaststelling van het bezit van de nationaliteit in Nederland en Duitsland, dissertatie Rijksuniversiteit Limburg Maastricht, 1996, par. 3.3.4.
Zie de brief van 1 februari 2013 aan de rechtbank van mr. Kern, meer in het bijzonder p. 4 daarvan.
Zie de brief van mr. Kern aan de rechtbank d.d. 1 februari 2013. Zie voorts het p-v van de voortgezette mondelinge behandeling op 16 mei 2013, blad 1 en 3, waaruit blijkt dat mr. Kern tot tweemaal toe heeft aangedrongen op nader onderzoek (door de rechtbank).
Bram van Melle signaleert deze praktijk in zijn recente artikel in Asiel en Migrantenrecht 2013, nr. 05/06 op p. 299, onderaan. De Staat volstaat met hier te verwijzen naar 2 recente uitspraken, te weten de beschikking d.d. 13 december 2012 in de zaak met zaaknummer/rekestnummer 407433/HA RK 11-714 en een beschikking d.d. 7 maart 2013 zaaknummer/rekestnummer C/09/407425/HA RK 11713.
Zie de Handleiding betreffende de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname, Staatsuitgeverij 's‑Gravenhage 1975, p. 18.
Zie de verklaringen van mr. Van Kempen tijdens de zitting op 16 mei 2013, p-v, blad 2.
Vergelijk ook HR 1 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AB7613, NJ 1983, 314, HR 1 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8166, NJ 1984, 229, HR 28 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4679, NJ 1984, 230, en HR 23 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC8239, NJ 1984, 387. Zie ook H.A. Ahmad Ali, De toescheidingsovereenkomst Inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, dissertatie Utrecht 1998, p. 111/112.
De rechtbank spreekt in rov. 5.7 van de paspoortafgifte ‘In combinatie met’ de verklaring, die tot de daar getrokken conclusie zouden leiden.
Zie hiervoor bij de weergave van de feiten en het procesverloop onderdeel A. van dit verzoekschrift.
Zie onder meer de opmerkingen van de vertegenwoordiger van de Staat, mr, Kern, ter zitting op 16 mei 2013 (p-v, blad 3, onderaan).
In deze zin ook: C.S. Poortman. Rechterlijke vaststelling van het bezit van de nationaliteit in Nederland en Duitsland, diss. Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht, 1996, par. 3.3.5.3.
Koninklijk Besluit van 6 januari 1976, Stb. 176, nr. 1.
Zie de standpuntbepaling van de Staat In zijn brief van 1 februari 2013, p.5 en p. 6, 2e alinea.
In de visie van de Staat is art, 6 lid 2 TOS In dit geval niet van toepassing, maar art. 6 lid 1 TOS. Het tweede lid van art. 6 TOS is echter de enige bepaling in dit kader waaraan de rechtbank refereert.
Zie de standpuntbepaling van de Staat in de brief van 1 februari 2013 aan de rechtbank, p. 6, bovenaan.