NJB 2024/783:Afzien van de oproeping van een niet verschenen getuigen op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, art. 288 lid 1, aanhef en onder a, Sv: bij toepassing van deze bepaling staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Met zijn afwijzende oordeel heeft het hof hieraan niet voldaan nu het hof daaraan in de kern ten grondslag heeft gelegd dat het in de strafzaken van de verdachte en de medeverdachten gelijktijdig uitspraak wil doen en dat het horen van de getuige ervoor zou zorgen dat een definitieve afdoening in alle strafzaken langer op zich zou laten wachten.