Rb. Oost-Brabant, 07-05-2026, nr. 01/131117-23
ECLI:NL:RBOBR:2026:2867
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
01/131117-23
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2026:2867, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Integrale vrijspraak van verdenking van valsheid in geschrifte omdat twee Bibob-formulieren onjuist en/of niet volledig zouden zijn ingevuld. Niet is bewezen dat sprake is van opzet van verdachte op het valselijk opmaken van de formulieren, laat staan van doelbewuste misleiding van de gemeente door het gebruik ervan (oogmerk).
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.131117.23
Datum uitspraak: 07 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 en 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Asten, althans in Nederland
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een BIBOB-vragenformulier
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door (in strijd met de waarheid) niet te (laten) vermelden dat hij, verdachte, een of meermalen (onherroepelijk) is veroordeeld (door de rechtbank Oost-Brabant) voor een of meerdere strafbare feiten,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 27 mei 2021 te Ommel en/of Asten en/of Baarlo, althans in Nederland,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een BIBOB-vragenformulier
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door (in strijd met de waarheid) niet te (laten) vermelden dat hij, verdachte, een of meermalen (onherroepelijk) is veroordeeld (door de rechtbank Oost-Brabant) voor een of meerdere strafbare feiten,
met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten gevorderd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte nooit het opzet heeft gehad of de aannemelijke kans bewust heeft aanvaard tot het onjuist invullen van twee Bibob-formulieren. Daarnaast is nooit sprake geweest van het handelen met het oogmerk tot misleiding van de gemeente ter verkrijging van een omgevingsvergunning. De conclusie moet dan ook luiden dat de bestanddelen van de tenlastegelegde feiten niet vervuld zijn en dat verdachte ten aanzien van beide feiten moet worden vrijgesproken van het plegen van valsheid in geschrifte.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – de tenlastegelegde feiten niet bewezen en zij zal verdachte van deze feiten vrijspreken. De rechtbank komt op grond van het onderstaande tot dit oordeel.
Als onderdeel van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het terrein aan [adres 2] te Baarlo, is door de bestuurder van [bedrijf 1] bij de gemeente twee keer een formulier ingediend in het kader van de Wet Bibob. De beschuldiging luidt dat deze twee formulieren valselijk zijn opgemaakt, omdat de vragen 5D dan wel 8B onjuist en/of niet volledig zouden zijn ingevuld en dat dit is gedaan met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te gebruiken.
Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen, moet de rechtbank vaststellen dat sprake is van i) valsheid, ii) opzet op het valselijk opmaken van de formulieren en iii) oogmerk om de formulieren als echt en onvervalst te gebruiken (doelbewuste misleiding).
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bestuurder en daarmee “uiteindelijk leidinggevende”, zoals bedoeld op het Bibob-vragenformulier, is van de [bedrijf 2] waaronder [bedrijf 1] valt. In die hoedanigheid heeft verdachte twee Bibob-formulieren, die door een medewerker handmatig waren ingevuld ten behoeve van [bedrijf 1] , op iedere pagina van zijn paraaf, en de laatste pagina van zijn handtekening voorzien.
Op het formulier dat op 3 juli 2020 door verdachte is ondertekend is niet aangegeven dat de “uiteindelijk leidinggevende” (zijnde verdachte) in de vijf jaren voorafgaande aan de ondertekening van het formulier is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Vaststaat echter dat verdachte op 10 februari 2020 onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete wegens het overtreden van de Wet wapens en munitie.
Op het tweede formulier, van 27 mei 2021, is de vraag of de bestuurder (zijnde verdachte) in de vijf jaren voorafgaand aan het invullen van het formulier in aanraking is geweest met politie/justitie, niet beantwoord.
Door het achterwege laten van deze - essentiële - informatie zijn beide formulieren niet naar waarheid ingevuld. Dat sprake is van “valsheid” staat hiermee naar het oordeel van de rechtbank dan ook vast.
Hiermee is echter niet het bewijs geleverd dat sprake is van opzet van verdachte op het valselijk opmaken van de formulieren, laat staan van doelbewuste misleiding van de gemeente door het gebruik ervan (oogmerk).
Verdachte heeft hierover in de kern opgemerkt dat hij niet zo van het lezen is, dat hij dit heeft laten invullen door medewerkers van zijn bedrijf en een jurist en dat hij de documenten daarna heeft ondertekend.
De officier van justitie heeft zich over het opzet en oogmerk niet expliciet uitgelaten. Hij heeft aangevoerd dat verdachte als ondertekenaar van de documenten verantwoordelijk is voor de inhoud ervan. Dat het alleen een foutje was acht de officier van justitie niet aannemelijk.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte opzettelijk deze informatie heeft weggelaten, met het doel de gemeente te misleiden om een vergunning te verlenen die de onderneming niet zou hebben gekregen wanneer de formulieren naar waarheid waren ingevuld.
“Vertrouwen is goed, controleren is beter”, dat weet verdachte als geen ander. Verdachte kan het verwijt gemaakt worden dat hij op derden heeft vertrouwd, maar dat hij het beter had kunnen en moeten controleren. Dat levert echter nog niet het vereiste bewijs op voor een bewezenverklaring.
Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het valselijk opmaken van geschriften met het oogmerk om die als echt of onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. M.M.J. Nuyten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 07 mei 2026.
mr. Nuyten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.