De bewijsmiddelen waarnaar hieronder wordt verwezen zijn in de wettelijke vorm door bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal.
HR, 12-11-2024, nr. 22/03854
ECLI:NL:HR:2024:1651
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/03854
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1651, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2843
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:619
ECLI:NL:PHR:2024:619, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1651
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Lokaalvredebreuk door zich kort voor sluitingstijd naar gemeentehuis Amsterdam te begeven met als doel daar te overnachten (art. 139.1 Sr). 1. Bewijsklacht bestanddeel “bevoegde ambtenaar”. 2. Afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan verzoek tot horen van 3 getuigen, op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/01346 en 22/03695.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03854
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2022, nummer 23-004049-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art 139 Sr. Falende klachten over bewijs “de bevoegde ambtenaar” en afwijzing getuigenverzoeken. Conclusie strekt ot verwerping
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03854
Zitting 11 juni 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2843) veroordeeld wegens het "wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen" (art. 139 Sr). Het gerechtshof heeft aan de verdachte geen straf of maatregel opgelegd (art. 9a Sr).
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/03695 en 22/01346. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Zaak 22/03695 betreft een cassatieberoep ingesteld tegen een eveneens op 4 oktober 2022 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2844). Zaak 22/01346 betreft een arrest van hetzelfde hof van 12 april 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1133). In alle drie de zaken gaat het om dezelfde verdachte. In de onderhavige zaak heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld..
De cassatiemiddelen in het kort
2.1
Het eerste middel heeft betrekking op de bewijsvoering ter zake van feit 1, in het bijzonder van het bestanddeel “de bevoegde ambtenaar”. Het tweede middel bevat een klacht over de afwijzing van getuigenverzoeken. De middelen liggen in elkaars verlengde, omdat de verzochte getuigen zouden hebben kunnen verklaren over de (on)bevoegdheid van de betrokken ambtenaren. Ik kom daar na het weergeven van de relevante onderdelen uit het arrest op terug.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop
3.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“op 2 mei 2019 te Amsterdam, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis van Amsterdam, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.”
3.2
Het hof heeft onder het kopje “bespreking van een bewijsverweer” de volgende overweging opgenomen (voetnoten als in origineel):
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat niet blijkt dat de vordering zich te verwijderen door of namens de rechthebbende is gedaan.
Het hof overweegt als volgt.1.
De verdachte heeft zich op 2 mei 2019 kort voor sluitingstijd naar het gemeentehuis van de gemeente Amsterdam begeven met als doel daar te overnachten. Het was hem niet gelukt om ergens anders een slaapplek te regelen. De medewerkers van het gemeentehuis konden hem niet helpen en daarom wilde de verdachte het pand niet verlaten, totdat hij een slaapplaats had. De verdachte is meermalen door een beveiliger gevorderd om het pand te verlaten, maar dat weigerde hij.2.Ook toen de verdachte vervolgens, na te zijn gewaarschuwd voor de consequenties van verdere weigering, door een ter plaatse gekomen politieambtenaar is gevorderd het pand te verlaten, weigerde de verdachte. Hierop is de verdachte aangehouden op verdenking van lokaalvredebreuk.3.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd zich uit het gemeentehuis te verwijderen. Eerst is de verdachte, zoals hij zelf ook heeft verklaard, door de beveiliging van het gemeentehuis gevorderd om het gemeentehuis te verlaten. Aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevoegdheid van de beveiliger om de verdachte te vorderen het gemeentehuis te verlaten, zijn er niet. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, mag er vanuit worden gegaan dat een beveiliger optreedt namens de rechthebbende van het lokaal, in dit geval de gemeente Amsterdam. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte door een bevoegde ambtenaar is gevorderd om het gemeentehuis te verlaten. Nu de verdachte aan de vorderingen herhaaldelijk geen gehoor heeft gegeven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het horen als getuigen van de beveiligers [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , indien het hof het vrijspraakverweer verwerpt. De onderbouwing van het verzoek ziet op het vraagstuk van de bevoegdheid van de beveiliging. Het hof is van oordeel dat het dossier op dat punt voldoende informatie bevat, zodat het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen wordt afgewezen, nu de noodzaak hiertoe niet is gebleken.”
Het eerste middel
4.1
Het middel bevat de klacht dat het hof “op onjuiste, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft bewezenverklaard dat [de verdachte] is gevorderd door ‘de bevoegde ambtenaar’”. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat de steller van het middel meent dat het hof ten aanzien van het bewijs van het onderdeel ‘bevoegde ambtenaar’ in zijn bewijsmotivering blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2
Met betrekking tot de feiten waarvan moet worden uitgegaan stel ik het volgende voorop. In (de toelichting op) het middel wordt de (PROMIS-)bewijsvoering van het hof als zodanig niet aangevochten. De feitelijke gang van zaken die ook de steller van het middel bij zijn betoog tot uitgangspunt heeft genomen is aldus dat de verdachte eerst meermaals door “de beveiliging” van het gemeentehuis is gevorderd zich te verwijderen (hetgeen de verdachte weigerde), waarna de politie is gebeld die de verdachte eveneens en tot twee maal toe heeft gevorderd zich te verwijderen. Na het volharden in zijn weigering is de verdachte door de politie aangehouden.
4.3
Voor de beoordeling van het middel wijs ik om te beginnen op een arrest van 13 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2100), op welk arrest ook door de steller van het middel een beroep wordt gedaan. In deze zaak ging het om een verdachte die eerst in een politiebureau te Winschoten en daarna tweemaal in twee gerechtsgebouwen in Groningen had geweigerd zich te verwijderen na een daartoe strekkende vordering van politieambtenaren. De Hoge Raad ging in dit arrest in op de wetsgeschiedenis van onder andere art. 139 Sr en oordeelde over het bestanddeel “bevoegde ambtenaar” dat:
“[t]egen deze achtergrond bezien moet worden aangenomen dat de woorden 'vordering van den "bevoegden" ambtenaar' in art. 139, eerste lid, Sr enkel tot uitdrukking brengen dat de vordering moet zijn gedaan vanwege de rechthebbende - bijvoorbeeld de Staat of de gemeente - van het voor de openbare dienst bestemde lokaal. Onder "ambtenaar" is tevens begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd (vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599).”
4.4
Uit dit arrest volgt aldus dat ‘bevoegde ambtenaar’ ruim moet worden uitgelegd en dat het niet alleen gaat om personen aan wie door een geformaliseerd mandaat een specifieke bevoegdheid is toegekend, maar dat het bijvoorbeeld ook kan gaan om personen die door de betreffende overheidsinstantie met een bepaalde taak zijn belast of die zijn gevraagd op te treden tegen de ongewenste aanwezigheid van een ‘binnendringer’. Het eerste zal in de regel samenvallen met de hoedanigheid van een persoon die “onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.”
4.5
De steller van het middel leest in dit arrest de eis dat “ten minste moet worden bewezen dat degene die de vordering doet vanwege de rechthebbende bevoegd is”. Hieruit leidt hij - zo begrijp ik - af dat het hof gehouden was nadere vaststellingen te doen over de bevoegdheid van de individuele ambtenaar of ambtenaren die de verdachte gevorderd hebben te vertrekken.
4.6
Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte door de “beveiliging” van het gemeentehuis is gevorderd te vertrekken. Dat in (publieke) gebouwen doorgaans beveiliging aanwezig is die daartoe onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld lijkt mij een feit van algemene bekendheid. Met het bewijs dat iemand door zo’n beveiligingsmedewerker is gevorderd zich te verwijderen, lijkt mij het bewijs dat diegene door een “bevoegde ambtenaar” is gevorderd zich te verwijderen dan ook in beginsel te zijn gegeven.
4.7
Dit is wat het hof tot uitdrukking heeft gebracht in de overweging dat “[b]ehoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel (…) vanuit [mag] worden gegaan dat een beveiliger optreedt namens de rechthebbende”. Dit oordeel getuigt gelet op het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover in het middel wordt betoogd dat het hof een op het recht gestoeld bewijsvermoeden heeft toegepast, mist het feitelijke grondslag.
4.8
Uiteraard kunnen specifieke omstandigheden reden zijn te oordelen dat in een geval als dit de vordering toch niet vanwege de rechthebbende is gedaan. Het ontbreken daarvan hoeft echter niet afzonderlijk te worden bewezen.
4.9
Enigszins ten overvloede merk ik nog op dat in cassatie niet de strijd wordt aangebonden met het oordeel van het hof dat geen sprake was van dergelijke “[a]anknopingspunten om te twijfelen aan de bevoegdheid van de beveiliger om de verdachte te vorderen het gemeentehuis te verlaten.” In feitelijke aanleg is ook geen reden genoemd waarom de beveiliging in de onderhavige zaak niet bevoegd zou zijn.4.Hieruit volgt dat het feitelijke oordeel van het hof dat van dergelijke aanknopingspunten geen sprake was niet onbegrijpelijk is.
4.10
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
5.1
Het middel is gericht tegen de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en (opnieuw) [betrokkene 3] te horen. Alle drie genoemde personen zijn - zo begrijp ik - werkzaam in de beveiliging van het gemeentehuis.
5.2
Het voorwaardelijke verzoek voornoemde personen als getuige te horen is door de raadsman van de verdachte op de zitting van 20 september 2022 als volgt gemotiveerd:
“Motivering: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dienen te verklaren of zij bij het tenlastegelegde feit van 2 mei 2019 aanwezig zijn geweest. Ook dienen zij te verklaren of zij een blouse of een overhemd droegen, en zo ja, welke kleur dit had. Tot slot dienen zij te verklaren of zij in naam van de rechthebbende hebben gevorderd dat cliënt het gebouw diende te verlaten. [betrokkene 3] dient te worden gevraagd of [betrokkene 2] bij het voorval aanwezig is geweest en zo ja of hij een blouse of een overhemd droeg, en welke kleur dit had.”
5.3
Tegen de hierboven weergegeven afwijzing van dit verzoek wordt in cassatie opgekomen met een aantal deelklachten. Ik onderscheid in de schriftuur de klacht dat het hof het verzoek heeft afgewezen terwijl het “niet heeft vastgesteld wie [van de verzochte getuigen, MvW] de vordering jegens [de verdachte] heeft gedaan” (randnummer 10 van de schriftuur) en de klacht dat de verdediging zo niet heeft kunnen “onderzoeken” of de ambtenaar die de verdachte heeft gevorderd te vertrekken bevoegd was (randnummer 11).
5.4
Een en ander zou temeer onbegrijpelijk zijn in het licht van de overweging van het hof dat “behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel” uitgegaan zou moeten worden van de bevoegdheid van de vorderende ambtenaar. Door de getuigenverzoeken niet toe te wijzen zou de verdediging “de pas [zijn] afgesneden” om die concrete aanwijzingen boven water te halen, aldus de steller van het middel.
5.5
Het middel kan niet slagen. Niet betwist wordt dat nergens tijdens de feitelijke aanleg is gebleken van aanwijzingen dat de ambtenaar die het vertrek van de verdachte heeft gevorderd niet bevoegd zou zijn. De verdediging heeft in hoger beroep ook niet meer gesteld dan dat ze de hypothetische onrechtmatigheid zou willen “onderzoeken” door het horen van dit drietal getuigen.
5.6
Het hof heeft bij gebrek aan enige aanwijzing voor de plausibiliteit van de mogelijke “onbevoegdheid” van de betrokken ambtenaren een onderzoek in die richting als niet noodzakelijk kunnen beoordelen. Daarmee is ook gezegd dat het hof kon oordelen dat het oproepen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk was. De afwijzing van dit verzoek is dan ook niet onbegrijpelijk.
5.7
Ook het tweede middel faalt.
Afronding
6.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2024
Proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde p. 7.
Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde p. 3-4.
Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte verweer gevoerd “aan de hand van zijn pleitnotities” (p. 2 proces-verbaal van de zitting van 20 september 2022). In die pleitnotities tref ik een dergelijke reden niet aan. In cassatie wordt hieromtrent ook niets aangevoerd.