HR 3 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.4.
HR, 22-04-2025, nr. 23/05018
ECLI:NL:HR:2025:591
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
23/05018
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:591, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:363
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2438
ECLI:NL:PHR:2025:363, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:591
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van medeplegen gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr) en medeplegen diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende (art. 312.3 Sr) bij ripdeal in Schiedam in 2019. Noodweer, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat wijze van verdediging door slachtoffer (gebruik maken van vuurwapen) in redelijke verhouding stond tot ernst van aanranding (dreiging met vuurwapen en vastbinden)? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04811.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/05018
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 december 2023, nummer 22-003008-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat O.J. Much bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Eendaadse samenloop van medeplegen van gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweldpleging met de dood ten gevolge. Art. 288 en 312 Sr. Het middel klaagt dat beroep op noodweer ontoereikend gemotiveerd is verworpen. Middel faalt, omdat hof heeft kunnen oordelen dat uiteindelijke slachtoffer zich op rechtmatige wijze heeft verdedigd tegen aanranding die van verdachte en medeverdachte uitging, zodat verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/04811.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/05018
Zitting 25 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 december 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 en 2 “eendaadse samenloop van medeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en negen maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04811. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft O.J. Much, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft R.G. van der Laan, advocaat in Den Haag, een verweerschrift ingediend.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 28 december 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen kogels af te vuren op die [slachtoffer 1] welke doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
2.
hij op 28 december 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, enig goed dat toebehoorde aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door
- een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] te richten en
- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 4] te schreeuwen 'Down' en/of 'Op de grond' en
- de enkels van die [slachtoffer 1] vast te binden met een (HDMI) kabel en
- met een vuurwapen kogels af te vuren op die [slachtoffer 1] , terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge had.”
2.3
Ten aanzien van het namens de verdachte gedane beroep op noodweer heeft het hof overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
De raadsman heeft gesteld dat [betrokkene 1] in de kamer was met de twee Marokkanen, dat zij op enig moment naar buiten rende naar de verdachte en zei dat zij een wapen zag. De verdachte is vervolgens naar binnen gegaan, zag dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) een vuurwapen in zijn hand had en haalde toen ook zijn vuurwapen tevoorschijn. [slachtoffer 1] heeft vervolgens zijn vuurwapen op de grond gelegd en is zelf ook gaan liggen. [slachtoffer 1] heeft toen kans gezien zijn vuurwapen door te laden en te schieten richting het hart van de verdachte. Op dat moment werd er geen druk uitgeoefend op [slachtoffer 1] en was er - aldus de verdediging - geen sprake van een noodsituatie. [slachtoffer 1] had niet mogen schieten. Het tonen van een vuurwapen,. binnen het milieu waarin de betrokkenen verkeren, betekent niet zonder meer dat het vuurwapen wordt gebruikt om mee te schieten. Het terugschieten van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Eerst heeft de verdachte [betrokkene 1] verdedigd en daarna zichzelf.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Zoals in het voorgaande reeds uiteengezet, is de verdachte vanuit een andere ruimte met [medeverdachte ] de woonkamer binnengegaan, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] zich op dat moment bevonden, waarbij de verdachte een vuurwapen heeft getrokken. Vervolgens werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] onder dreiging met dit vuurwapen door de verdachte en [medeverdachte ] gedwongen op de grond te gaan liggen. Op het moment dat [slachtoffer 1] op zijn buik op de grond lag, werd hij nog steeds door de verdachte met dit vuurwapen bedreigd, terwijl [medeverdachte ] de benen en later de armen van [slachtoffer 1] probeerde vast te binden met een HDMI-kabel. Op dat moment heeft [slachtoffer 1] kans gezien om zijn vuurwapen te pakken en te schieten op de verdachte die daarbij werd geraakt in zijn arm, en die vervolgens meerdere malen terugschoot waarbij [slachtoffer 1] dodelijk werd verwond.
Gelet op deze feiten en omstandigheden was naar het oordeel van het hof van de zijde van [slachtoffer 1] sprake van een rechtmatige verdediging. [slachtoffer 1] lag in een kwetsbare positie op zijn buik op de grond, terwijl hij werd bedreigd met een vuurwapen en werd vastgebonden. Op dat moment kon hij niet bevroeden wat de verdachte en diens medeverdachte (verder) met hem en [slachtoffer 4] van plan waren en kon van hem evenmin worden gevergd er maar van uit te gaan dat het vuurwapen niet daadwerkelijk zou worden gebruikt. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen [slachtoffer 1] zich mocht verdedigen. Hij kon zich aan deze aanranding niet onttrekken en de wijze van verdediging (het gebruik maken van een vuurwapen terwijl sprake was van dreigen met een vuurwapen en vastbinden) stond in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Dit maakt dat het handelen van [slachtoffer 1] jegens de verdachte geen wederrechtelijke aanranding betreft waartegen de verdachte zich gerechtvaardigd mocht verdedigen zodat hem geen beroep op noodweer toekomt.
Het verweer wordt verworpen.”
2.4
De steller van het middel richt zijn pijlen uitdrukkelijk niet op het oordeel van het hof dat er een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (door de verdachte en diens medeverdachte) was waartegen [slachtoffer 1] zich mocht verdedigen, maar wel op het daarop volgende oordeel dat de wijze van verdediging door [slachtoffer 1] (het gebruik maken van een vuurwapen) in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding (dreiging met een vuurwapen en vastbinden). Naar de mening van de steller van het middel is dat laatste oordeel niet zonder meer begrijpelijk, omdat i) het hof niet heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] alvorens zijn vuurwapen te gebruiken met dat gebruik heeft gedreigd, en ii) uit de bewijsvoering van het hof niet concreet blijkt dat [slachtoffer 1] ernstig fysiek letsel zou worden toegebracht.
2.5
Uit de door het hof gedane vaststellingen volgt dat de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] , waartegen deze zich mocht verdedigen, eruit bestond dat [slachtoffer 1] toen hij inmiddels in een kwetsbare positie op zijn buik op de grond lag, nog door de verdachte met een vuurwapen werd bedreigd, terwijl de medeverdachte intussen probeerde zijn benen en armen vast te binden met een HDMI-kabel. Gelet hierop kon het hof wat mij betreft oordelen dat van het slachtoffer niet kon worden gevergd dat hij er maar van moest uitgaan dat de verdachte het vuurwapen niet tegen hem zou gebruiken, dat er dus sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waaraan hij zich niet kon onttrekken en waartegen hij zich mocht verdedigen, dat het schieten in redelijke verhouding stond tot de aanranding die uitging van de verdachte en zijn medeverdachte en dat het slachtoffer zich derhalve rechtmatig heeft verdedigd. Hierin ligt besloten dat het slachtoffer uit noodweer heeft gehandeld, hetgeen meebrengt dat het schot dat hij heeft gelost op de verdachte niet kan worden aangemerkt als wederrechtelijke aanranding van de verdachte.1.Het hof kon daarmee oordelen dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.
2.6
Het argument dat het hof niet heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] alvorens zijn vuurwapen te gebruiken met dat gebruik heeft gedreigd, doet aan het voorgaande niet af. Dit argument vindt zijn weerlegging in het oordeel van het hof dat het slachtoffer zich niet aan de aanranding kon onttrekken en dat de wijze van verdediging in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Hiermee heeft het hof naar mijn mening tot uitdrukking gebracht dat een minder ingrijpende wijze van verdediging door het uiteindelijke slachtoffer, zoals bijvoorbeeld het eerst dreigen met het wapen, onder de omstandigheden waarin [slachtoffer 1] zich bevond niet van hem kon worden verlangd. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk gezien de feitelijke vaststellingen die het hof heeft gedaan omtrent de positie waarin hij zich ten tijde van het schieten bevond (liggend op de grond, vastgebonden en onder schot gehouden door de verdachte). Het argument dat uit de bewijsvoering van het hof niet concreet blijkt dat [slachtoffer 1] ernstig fysiek letsel zou worden toegebracht, gaat ook niet op, omdat hiermee een eis wordt gesteld die het recht niet kent. Het gaat erom dat de gestelde aanranding “in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend [moet] zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr”.2.Het impliciete oordeel van het hof dat aan dit criterium is voldaan, acht ik, wederom met het oog op de vaststellingen die het hof heeft gedaan, toereikend gemotiveerd.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, mogelijk uitspraak zal doen meer dan 16 maanden nadat op 22 december 2023 het cassatieberoep is ingesteld. In dat geval zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM worden overschreden. De Hoge Raad kan, als hij dat nodig vindt, de duur van de opgelegde gevangenisstraf vernietigen en vervolgens verminderen.3.Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑03‑2025
HR 3 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond, r.o. 3.4.
Als de overschrijding kan worden beperkt tot minder dan één maand, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2).