Hof Amsterdam, 30-05-2023, nr. 200.302.067/01
ECLI:NL:GHAMS:2023:1227
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
30-05-2023
- Zaaknummer
200.302.067/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:1227, Uitspraak, Hof Amsterdam, 30‑05‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1871
ECLI:NL:GHAMS:2022:2031, Uitspraak, Hof Amsterdam, 12‑07‑2022; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2023-0897
VAAN-AR-Updates.nl 2023-0897
AR-Updates.nl 2024-1249
VAAN-AR-Updates.nl 2024-1249
Uitspraak 30‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Uitleg bonusregeling.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.302.067/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9182289 EA VERZ 21-298
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 mei 2023
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. I.D.C.J. van Driel te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. N. Koene te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
Op 12 juli 2022 is een tussenbeschikking (hierna: de tussenbeschikking) gegeven. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar de tussenbeschikking. Op 20 september 2022 en 16 november 2022 zijn getuigen gehoord door mr. G.C. Boot als raadsheer-commissaris. Hiervan is telkens een proces-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal bevinden zich bij de gedingstukken.
Na de enquête en de contra-enquête zijn de volgende stukken ingediend:
- -
verzoek tot heropening enquête door [geïntimeerde] (per e-mail);
- -
akte uitlaten verzoek heropening, berekening overwerkvergoeding, met productie, door [appellant] ;
- -
conclusie na enquête en akte uitlaten overwerkvergoeding, met producties, door [geïntimeerde] ;
- -
conclusie na enquête, met producties, door [appellant] .
Bij brief van 24 januari 2023 is door het hof afwijzend beslist op het verzoek van [geïntimeerde] tot heropening van de enquête. Nadat vervolgens de conclusies na enquête zijn genomen is ten slotte beschikking gevraagd.
2. De verdere beoordeling
Bonus
2.1
Het hof heeft in de tussenbeschikking [geïntimeerde] toegelaten tot het in 3.4.6 van die beschikking bedoelde bewijs, te weten dat [geïntimeerde] [appellant] tijdens diens sollicitatiegesprek heeft uitgelegd hoe haar bonussysteem (in haar optiek) werkt. Het bonussysteem houdt volgens [geïntimeerde] in dat op het volgens het booklet en het componentenschema berekende bonusbedrag het basissalaris in mindering dient te worden gebracht, of anders gezegd: dat de bonusbedragen slechts worden uitgekeerd voor zover deze het basissalaris overtreffen.
2.2.1
[naam 1] (verder: [naam 1] ) heeft als getuige verklaard: “Ik heb in september 2019 een sollicitatie gesprek gevoerd met [appellant] . Ik kan me dat nog wel herinneren. Hij was een van de eerste security experts plus die ik aannam. Ik had toen nog weinig één op één gesprekken gevoerd, maar met hem wel. (…) Bij het gesprek was ook aanwezig [naam 2] , maar hij was iets verlaat. Ik heb mij aan [appellant] voorgesteld en even later schoof [naam 2] ook aan, die zich ook heeft voorgesteld. Vervolgens begon het sollicitatiegesprek. We hadden het uitgebreide CV van [appellant] al, en we gingen snel over naar het bespreken van het booklet. Dat is een boekje van ongeveer 5 pagina’s en daar staat in wat [geïntimeerde] doet, wie we zijn enzovoort. Onderdeel van dat booklet is een pagina over het bonussysteem. (…) Ik vertelde [appellant] dat [geïntimeerde] een stukje vangnet hanteert. Dat betekent dat je een basisinkomen ontvangt, ook als je geen sales zou maken. (…) Ik heb [appellant] uitgelegd dat wij geen liefdadigheidsinstelling zijn. En dat je eerst sales moet verrichten voordat je je bonus verdient. [appellant] had daar vragen over en [naam 2] heeft die beantwoord. [naam 2] heeft op een papiertje uitgetekend hoe het werkt. Dat was een soort trechter. Eerst moet je je potje vullen en dan pas zou je een bonus krijgen. Bij een basissalaris van 1600 euro moet je tussen de één en drie sales verrichten voordat je een bonus gaat krijgen. [appellant] had een hoger basissalaris, namelijk van 2000 euro. Hem is daarom verteld dat hij vier tot vijf sales moet verrichten voordat hij een bonus zou gaan verdienen. Die aantallen sales die je moet doen verschillen een beetje omdat het ervan afhangt wat je verkoopt, een basispakket of een uitgebreid pakket. Toen [naam 2] hem dat had laten zien en had verteld, had [appellant] daar geen vragen meer over.
2.2.2
[naam 2] (verder: [naam 2] ) heeft als getuige verklaard: “In september 2019 was ik branchemanager (…). Ik herinner me het sollicitatiegesprek met [appellant] nog. Door een miscommunicatie was ik een uur te laat. Het gesprek begon om 11 uur, maar ik schoof om 12 uur aan. Ik heb mij voorgesteld en we zijn toen het zakelijke gedeelte gaan bespreken, dat duurde tot 13:00 uur. Ik heb een uitleg gegeven over de functie, het carrière pad en de betaling/het verdienmodel. Mevrouw [naam 1] was bij dit gesprek ook aanwezig. Ik heb vooral het woord gevoerd. Ik ben dagelijks bezig met dat verdienmodel en bespreek dat vanuit het magazine. Daar staat een voorbeeld in. (…) Ik teken altijd een voorbeeld om het in Jip en Janneke taal duidelijk te maken. Je verdient bij [geïntimeerde] een basissalaris en ik heb uitgelegd wat je kan verdienen als je sales gaat maken. Dat basissalaris is een vangnet. (…) [appellant] werd aangenomen om security expert plus te worden, want hij had enige ervaring en daarom kreeg hij direct een bedrijfsauto. Voor hem golden hogere criteria voor de sales (6 tot 7 sales) en hij kreeg ook een hoger basissalaris. Normaal is het basissalaris toen 1635 euro en [appellant] kreeg 2000 euro. Bij 6 of 7 sales kom je dan boven je basissalaris en alles wat je erboven doet verdien je aan bonus. Aan de hand van het voorbeeld heb ik dat laten zien, wat je bij 7, 8 of 9 sales verdient. Dat hangt verder ook af van het pakket dat je verkoopt. Bij 8 sales is je totale bruto salaris 3200 tot 3600 euro. (…) Ik maak hier ter plekke een tekening zoals ik dat normaal gesproken voor sollicitanten ook doe en zoals ik het mij herinner heb ik dat voor [appellant] ook gedaan. (…) Voordat ik die uitleg gaf had [appellant] vragen over zijn basissalaris en wat dat voor de bonus betekende omdat hij een hoger basissalaris had. Dat heb ik hem toen uitgelegd en daarna had hij geen vragen meer, het was voor hem duidelijk. (…) Ik heb aan [appellant] uitgelegd welke componenten meetellen voor bonus. Je hebt namelijk verschillende pakketten, hoe hoger de prijs van de pakketten, hoe hoger de bonus. Extra componenten leiden dus tot een extra bonus. Je hebt ook nog een trigger-bonus. In potentie kunnen 5 uitgebreide sales dus tot een hogere bonus leiden dan 7 beperkte sales. De in het voorbeeld genoemde bedragen zijn dus een indicatie en dat heb ik met [appellant] besproken. (…) Ik heb later nog wel met [appellant] gesproken. Hij gaf soms aan dat zijn bonus niet klopte omdat hij een extra component had verkocht die dan niet op zijn lijst stond. Dat liet ik dan uitzoeken. Naar mijn idee had [appellant] goed begrepen wat het verdienmodel was. Hij zei mij wel op een gegeven moment dat het volgens hem in het contract anders stond dan dat ik het had uitgelegd. Hij zei dat in het contract stond dat je een basissalaris had en dat de bonus er op kwam. Ik zei daarop dat het bij [geïntimeerde] niet zo werkte. Ik denk dat dit gesprek in de eerste twee maanden na zijn indiensttreding plaatsvond. Daarna is [appellant] er bij mij niet meer op teruggekomen. (…) Een dergelijk bonusscheme (bonusscheme for coach, toevoeging hof), maar dan voor de functie van [appellant] is met hem besproken. Dat gebeurde toen in de vierdaagse training die start op de eerste werkdag. Tegenwoordig is dat een tweedaagse training. Toen was het zo dat die training in de eerste werkweek werd gegeven op maandag, dinsdag, woensdag en vrijdag. Ik was daar zelf niet bij maar door trainers wordt aan de hand van dit bonusscheme uitgelegd hoe het werkt. Je kan dan precies zien wat je bijvoorbeeld krijgt bij verkoop van een king-sales.”.
2.2.3
[appellant] heeft als getuige verklaard: “Ik zou een gesprek hebben met mevrouw [naam 1] en [naam 2] . [naam 2] was er echter niet, dus ik heb het eerste uur alleen met mevrouw [naam 1] gesproken. Het bleek dat [naam 2] op dat tijdstip een promotiegesprek had. Na een uur kwam hij energiek binnen. In het eerste uur alleen met [naam 1] vertelde zij het volgende. Er was een bonusregeling. Ze liet mij ook het booklet zien. Zij vertelde mij wat je kon verdienen. De sky was the limit. Er waren verkopers die wel € 10.000,- verdienden. Je had een vast salaris en voor alles wat je verkocht kreeg je een bonus bovenop je salaris. Toen ik om uitleg daarover vroeg zei zij: dat krijg je op de branche te horen. Ik wilde namelijk weten wat ik zou gaan verdienen in plaats van wat ik kon verdienen. In dat eerste uur heeft [naam 1] over de grote ambitie van [geïntimeerde] gesproken. Na ruim een uur kwam [naam 2] binnen (…). Hij pakte mijn CV en zei dat [geïntimeerde] mij als senior verkoper wilde inlijven. Ik zou security expert plus worden, dat was iets nieuws, ik zou de tweede of de derde zijn. Daarmee kreeg ik een vast salaris van € 2000,- en direct een auto van de zaak en ik had snellere doorgroei mogelijkheden. In bijzijn van [naam 2] (dus in het gesprek met zijn drieën) is het booklet niet meer doorgenomen. Er is helemaal niets op tafel gekomen over de bonusregeling. [naam 2] heeft geen tekening gemaakt over de bonusregeling. Dat weet ik absoluut zeker. [naam 2] heeft niks inhoudelijks over die bonus gezegd. Als dat wel zo zou zijn geweest dan had ik hier niet gezeten.”
2.2.4
[naam 3] (verder: [naam 3] ) heeft als getuige verklaard: “Bij mijn sollicitatiegesprek kreeg ik een presentatie over [geïntimeerde] en toen een gesprek met [naam 2] en een dame van HR. Er werd gezegd dat er een bonusregeling was, en dat de sky the limit was, dus dat er geen plafond was. Er werd toen niet uitgelegd hoe die regeling werkte. Wel dat als je veel verkocht je veel bonussen kreeg. Pas op de trainingsweek toen ik in dienst was werd er uiteengezet hoe de bonusstructuur in elkaar zat. Er werd een PowerPoint getoond met getallen en bedragen. (…) Op een gegeven moment had ik een maand maar twee of drie sales en een vrij laag salaris. Ik heb daar vragen over gesteld aan (…) [naam 2] . Die zei dat je eerst je basissalaris moest terugverdienen voordat je bonussen kreeg uitbetaald. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wist. In mijn sollicitatiegesprek met [naam 2] heeft hij geen tekening gemaakt.”
2.2.5
[naam 4] (verder: [naam 4] ) heeft als getuige verklaard: “Ik ben in dienst gekomen in ongeveer 2017/2018. Er is toen een PowerPoint getoond over de bonusregeling. Hoe de bonusregeling in de praktijk werkte, werd mij pas in de loop van de tijd duidelijk. Het systeem van potje vullen was mij toen ik dienst trad niet duidelijk. (…) Ik heb één keer zelf een sollicitatiegesprek gevoerd. Daar is ook de recruiter en er wordt een PowerPoint getoond. Uit die PowerPoint, en mijn toelichting daarop, kon je afleiden wat je zou verdienen bij vijf sales en wat bij tien sales. Ik denk dat de toehoorder daar niet uit kon afleiden dat je eerst je basissalaris aan sales moest verdienen voordat je een bonus uitgekeerd kreeg.”
2.2.6
[naam 5] (verder: [naam 5] ) heeft als getuige verklaard: “Voorafgaand aan mijn sollicitatiegesprek met [naam 7] en [naam 2] had ik gesproken met de recruiter, [naam 1] . (…) Er werd mij verteld wat de baan inhield, wat er van mij werd verwacht en dat er een bonusregeling was. Vooral [naam 2] deed het woord. Er was een basissalaris en aan de hand van sales kon je dat uitbreiden met een bonus. Dat werd verteld en er werd een brochure getoond, daar werd doorheen gebladerd. Ik kreeg hem ook mee. Wat ik me ervan herinner stond daarin uitgelegd wat een sale oplevert, je hebt verschillende niveaus van sales. Het basissalaris was het minimumloon of iets daarboven. Als je een slechte maand had en niks verkocht zou je toch dat basissalaris ontvangen. Wanneer je in een maand maar één verkoop zou hebben gedaan, dan zou je toch een bonus krijgen. Zo had ik dat begrepen. (…) Tijdens het sollicitatiegesprek wat ik met [naam 2] had is er geen tekening gemaakt.”
2.2.7
In een aanvullende verklaring van 15 februari 2023 heeft [naam 1] geschreven: “Ik (…) heb, zoals eerder verklaard, op 13 september 2019 een infomeeting/sollicitatie gehad met [appellant] en [naam 2] . [naam 2] was ongeveer een uur verlaat, waardoor [appellant] en ik een tijd met zijn 2en hebben gewacht. (…) Tijdens het wachten hebben [appellant] en ik niet over de bonus gesproken maar meer over privé-zaken zoals zijn hond. Nadat [naam 2] was aangeschoven en zich had voorgesteld, hebben wij meerdere dingen met [appellant] besproken. Toen hebben [naam 2] en ik ook het bonussysteem aan [appellant] uitgelegd, waar [naam 2] met name het woord had. (…) [naam 2] heeft hierbij ook een tekening gemaakt om de werking van de bonus te verduidelijken. Ik begrijp dat er nu discussie is of [naam 2] die tekening heeft gemaakt. Ik weet 100% zeker dat dit zo is gedaan bij [appellant] , die tekening is gemaakt en is ook zoals [naam 2] die aan de rechter heeft laten zien. (…)”.
2.2.8
In een aanvullende verklaring van 20 februari 2023 heeft [naam 2] geschreven: “Ik weet zeker dat in elk geval bij [appellant] als security expert plus een tekening heb gemaakt, zoals ik ook aan de rechter heb laten zien. (…) Ook met [naam 6] en [naam 3] heb ik een sollicitatiegesprek gevoerd (…) Na de presentatie heb ik samen met (…) een sollicitatiegesprek gehad en aan [naam 6] en [naam 3] gevraagd of alles duidelijk was en ook of het bonussysteem duidelijk was. Beide hebben toen aangegeven dat dit zo was en daarom geen extra uitleg meer gegeven en ook geen tekening gemaakt. (…) Ik heb in mijn getuigenverklaring terug gelezen dat ik eerst zei dat ik altijd een tekening maak en later dat ik dat normaal gesproken doe. Dat laatste is juist, ik doe dat normaal gesproken maar niet altijd. Ik doe het als ik het systeem wil uitleggen. Soms is dat niet nodig omdat de kandidaat dan al eerst een uitgebreide presentatie heeft gehad en zegt dat alles duidelijk is. In dat soort gevallen maak ik niet nog een tekening omdat het dan al uitgelegd is. Bij [appellant] weet ik zeker dat hij niet al een presentatie had voor het gesprek met mij en [naam 1] . Ik heb bij [appellant] de uitleg gegeven over de bonusregeling. Ik weet absoluut zeker dat ik bij [appellant] de tekening gemaakt heb zoals ik zei bij de rechter. Ik zou daar nooit over liegen. (…).”
2.3.1
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Daartoe dient het volgende.
2.3.2
[naam 1] en [naam 2] verklaren ieder voor zich in duidelijke bewoordingen dat aan [appellant] tijdens het sollicitatiegesprek is verteld dat hij een aantal sales zou moeten verrichten, voordat hij een bonus zou verdienen. Aan de duidelijkheid van de aan [appellant] gegeven uitleg wordt, naar het oordeel van het hof, echter afgedaan door het volgende.
2.3.3
[naam 1] heeft als getuige verklaard dat zij een substantieel van de relevante informatie aan [appellant] had gegeven, doordat zij verklaarde: “Ik vertelde (onderstreping hof) [appellant] dat [geïntimeerde] een stukje vangnet hanteert. Dat betekent dat je een basisinkomen ontvangt, ook als je geen sales zou maken. (…) Ik heb [appellant] uitgelegd dat wij geen liefdadigheidsinstelling zijn. En dat je eerst sales moet verrichten voordat je je bonus verdient.” In haar aanvullende verklaring schrijft [naam 1] echter dat [naam 2] tijdens het gesprek vooral het woord voerde. Dat laatste wordt bevestigd door [naam 2] in zijn getuigenverklaring.
2.3.4
In de in eerste aanleg door [naam 1] en door [naam 2] (ieder op 22 februari 2021) afgegeven gedetailleerde verklaringen over de loop van het sollicitatiegesprek met [appellant] staat niets over een door [naam 2] daarbij gemaakte, verduidelijkende, tekening. Als getuige verklaart [naam 1] dat [naam 2] tijdens dat gesprek op een papiertje heeft uitgetekend hoe het werkt. Als getuige heeft [naam 2] verklaard “Ik teken altijd een voorbeeld om het in Jip en Janneke taal duidelijk te maken” als ook “Ik maak hier ter plekke een tekening zoals ik dat normaal gesproken voor sollicitanten ook doe en zoals ik het mij herinner heb ik dat voor [appellant] ook gedaan.” In zijn aanvullende verklaring schrijft [naam 2] dat hij niet altijd, maar wel normaal gesproken een tekening maakt en dat hij dat niet doet als het al uitgelegd is. Ook schrijft [naam 2] dat hij ‘absoluut zeker’ weet dat hij voor [appellant] wel die tekening heeft gemaakt.
2.3.5
[geïntimeerde] heeft geen verklaring gegeven voor de (lichte) inconsistenties in de verklaringen als getuige en in de schriftelijke verklaringen van [naam 1] en [naam 2] . Als getuige verklaart [naam 1] dat zij wezenlijke informatie over de bonusregeling aan [appellant] heeft uitgelegd, maar in haar nadere verklaring verklaart zij dat [naam 2] vooral het woord deed. In de in eerste aanleg ingebrachte verklaringen vermelden [naam 1] en [naam 2] niets over een door [naam 2] tijdens het sollicitatiegesprek gemaakte verduidelijkende tekening. Als getuige doet [naam 1] dat wel, en [naam 2] verklaart wisselend: enerzijds verklaart hij dat hij die tekening ‘altijd’ maakte, anderzijds dat hij dat ‘normaal gesproken’ deed. Over het gesprek met [appellant] verklaart [naam 2] als getuige dat hij toen “zoals ik het mij herinner” voor [appellant] ook zo’n tekening heeft gemaakt. Nadat in contra-enquête verschillende getuigen stellig hebben verklaard in hun sollicitatiegesprek met [naam 2] niet zo’n tekening te hebben gekregen, zwakte [naam 2] zijn getuigenverklaring af in die zin dat hij verklaarde dat hij zo’n tekening niet maakte als de bonusregeling al was uitgelegd, terwijl hij over het aan [appellant] tonen van die tekening steeds stelliger wordt (van: ‘zoals ik het mij herinner’ naar ‘absoluut zeker’) zonder voor die verschillende herinnering een verklaring te geven. Als getuige verklaart [naam 1] dat [appellant] vragen had over de uitleg van het bonussysteem, terwijl [naam 1] in haar verklaring van 22 februari 2021 heeft verklaard dat [appellant] geen vragen heeft gesteld over zijn bonus of het systeem van de bonus.
2.3.6
Alles af- en overwegend houdt het hof rekening met de mogelijkheid dat vanwege de bijzondere situatie ( [naam 2] die een vol uur te laat op de afspraak verschijnt; [geïntimeerde] nam in de betreffende periode zestig tot tachtig personen per maand aan) zowel in het gedeelte van het gesprek uitsluitend tussen [naam 1] en [appellant] als in het gesprek met [naam 1] , [naam 2] en [appellant] , namens [geïntimeerde] onvoldoende duidelijk is gemaakt dat de bonusregeling die op [appellant] van toepassing was de inhoud had zoals door [geïntimeerde] voorgestaan, namelijk dat eerst een minimum aantal sales moest worden verricht, voordat een bonus zou worden verdiend. Aldus is [geïntimeerde] aldus niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs.
2.4
Het hof is daarmee van oordeel dat op [appellant] de bonusregeling van toepassing is op de wijze zoals door [appellant] uitgelegd. Daartoe dient, deels in aanvulling op hetgeen hierover in de tussenbeschikking al is overwogen, het volgende. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de voorwaarden ten aanzien van de bonusregeling door [geïntimeerde] worden vastgelegd in een addendum dat een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van de arbeidsovereenkomst. Dat addendum is er niet. Wel is er een ‘booklet’, met daarin een componentenschema, dat bij indiensttreding aan [appellant] is verstrekt. Het componentenschema geeft naar het oordeel van het hof geen uitsluitsel of op de door de verkoopresultaten gerealiseerde bonus het vaste salaris in mindering moet worden gebracht, of niet. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de bonus ‘bovenop’ het vaste salaris komt. Niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] tijdens het sollicitatiegesprek aan [appellant] voldoende duidelijkheid heeft gegeven dat de bonusregeling moet worden uitgelegd zoals [geïntimeerde] dat voorstaat. [appellant] heeft in ieder geval in april 2020 ondubbelzinnig aan [geïntimeerde] laten weten het niet eens te zijn met de door [geïntimeerde] aan de bonusregeling gegeven uitleg. Partijen verschillen er over van mening of [appellant] dat al eerder had laten weten. [appellant] zegt van wel, en ook [naam 2] verklaart als getuige dat [appellant] in een gesprek in de eerste twee maanden na zijn indiensttreding hem al gemeld had dat in het contract stond dat de bonus bovenop het basissalaris kwam. Gelet op al deze, hiervoor samengevatte, omstandigheden legt het hof de bonusregeling ten aanzien van [appellant] aldus uit dat de bonus bovenop het salaris komt, en dat daarop niet het vaste salaris in mindering wordt gebracht. In de tussenbeschikking heeft het hof, los hiervan, al overwogen dat de bonusregeling onder het bereik van artikel 7:655 lid 1 aanhef en onder h en lid 3 BW valt en dat [geïntimeerde] [appellant] daarom schriftelijk had moeten informeren over de inhoud van de bonusregeling. Schending van zijn klachtplicht door [appellant] is ter zake niet aan de orde. Los van de vraag of de klachtplicht hier relevant is heeft [appellant] hoe dan ook tijdens zijn dienstverband en daarmee voldoende tijdig bij [geïntimeerde] aan de bel getrokken. De grieven 2 en 3 slagen.
2.5
[appellant] heeft in eerste aanleg de hoogte van de hem nog niet uitgekeerde bonus becijferd op € 32.170,79 bruto. Een onderbouwing van dit bedrag heeft hij aanvankelijk niet gegeven. Nadat [geïntimeerde] in haar verweerschrift in eerste aanleg (randnummer 3.15) op het gebrek aan onderbouwing had gewezen heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg verklaard dat het vast overeengekomen salaris dat niet is betaald, resulteert in € 32.170,79, wat een ‘raar’ bedrag is maar dat wordt verklaard omdat [appellant] halverwege september is begonnen. [geïntimeerde] heeft hier in eerste aanleg niet meer op gereageerd. [appellant] heeft in hoger beroep door middel van productie 52 een nadere onderbouwing gegeven van de hoogte van het wederom (ter zake) gevorderde bedrag van € 32.170,79 bruto. [geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep (pleitaantekeningen randnummer 14) er van blijk gegeven deze productie te zien als onderbouwing van genoemd bedrag. [geïntimeerde] heeft echter gesteld die onderbouwing onduidelijk te vinden. Naar het oordeel van het hof is de door [appellant] gegeven onderbouwing voldoende duidelijk, immers heeft hij per maand vermeld wat hij heeft ontvangen en wat hij zijns inziens had behoren te ontvangen. Bovendien is duidelijk dat de vordering van [appellant] er op is gebaseerd dat hij claimt per maand € 2.000,- bruto (aan basissalaris) te weinig te hebben ontvangen en over de maanden april tot en met juni 2020 € 1.600,- bruto per maand. Het gevorderde bedrag van € 32.170,79 bruto zal daarom, als onvoldoende gemotiveerd betwist, worden toegekend. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de wettelijke verhoging worden beperkt tot 15%.
Overwerk
2.6
Het hof heeft in de tussenbeschikking overwogen (ov. 3.5.1) dat het door [appellant] over de periode vanaf februari 2020 gevorderde overwerk terecht is afgewezen. Het hof blijft bij die overweging. Het hof heeft verder overwogen (ov. 3.5.2) dat [appellant] over de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 wel een onderbouwing gegeven van de door hem verrichte werkzaamheden, dat [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet heeft kunnen volstaan met een ‘blote betwisting’ dat dit gewerkte uren betroffen, dat het hof zal uitgaan van het overzicht van [appellant] zoals overgelegd als productie 36 bij verzoekschrift eerste aanleg en dat [appellant] in de gelegenheid wordt gesteld bij akte te motiveren tot welk concreet bedrag het overzicht zou moeten leiden. Het hof blijft bij die overwegingen. [appellant] heeft in genoemde akte een gedetailleerd overzicht gegeven van de over de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 gemaakte overuren (135,75 uur), alsmede een berekening gegeven welk loon daarmee correspondeert (€ 2.535,81 bruto, waarbij rekening is gehouden met een uurloon van € 12,45 en een factor 1,5 omdat “(o)verwerk (…) gebruikelijk [wordt] vergoed tegen 1,5 keer het normale uurloon”). Daarnaast heeft hij aanspraak gemaakt op de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW. [geïntimeerde] heeft hier in haar akte uitlaten overwerkvergoeding op gereageerd. Het hof gaat voorbij aan de opmerkingen van [geïntimeerde] over het aantal geclaimde overuren. Daarover was in de tussenbeschikking al beslist. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat het basissalaris ter zake € 12,45 bruto bedraagt. [geïntimeerde] heeft wel betwist dat overwerk gebruikelijk wordt vergoed tegen 1,5 maal het normale uurloon. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom overwerk gebruikelijk tegen 1,5 maal het normale uurloon moet worden betaald. Voor het overige wordt de vordering van [appellant] , als onvoldoende gemotiveerd betwist, toegewezen. Dat betreft daarmee een bedrag van (€ 2.535,81 : 1,5 =) € 1.690,54 bruto. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de wettelijke verhoging worden beperkt tot 15%. Grief 4 slaagt gedeeltelijk.
Uitbetaling verlofuren
2.7
Het hof heeft in de tussenbeschikking (ov. 3.6.3) overwogen dat de waarde van de bonus dient te worden betrokken bij het vaststellen van de waarde van een vakantiedag en dat bij gebreke aan een andere duidelijke maatstaf het redelijk wordt geacht dat de vakantiedagen hadden moeten worden uitgekeerd met toepassing van het gemiddeld genoten bonusbedrag van in ieder geval € 2.215,84 bruto per maand op voltijds basis, doch dat dit afhankelijk van de uitkomst van de berekening van de bonus hoger kan worden. Uit overweging 2.5 van deze beschikking blijkt dat het salaris inclusief bonus op voltijdbasis € 2.000,- bruto per maand hoger is dan waarvan [geïntimeerde] was uitgegaan. Dat betekent dat het maatgevend salaris voor de berekening van de vakantiedagen niet € 2.215,84 bruto bedraagt, maar € 4.215,84 bruto per maand. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat uitgaande van dat maandbedrag de dagvergoeding € 197,93 bruto omvat. [appellant] heeft in zijn beroepschrift verder gesteld dat de tijdens en na afloop van het dienstverband uitbetaalde vakantiedagen waren afgerekend tegen een dagvergoeding van € 93,90 bruto per dag, zijnde € 104,03 bruto per dag minder dan het juiste bedrag. Dit laatste is door [geïntimeerde] in hoger beroep niet bestreden. Evenmin had [geïntimeerde] dat in eerste aanleg gedaan. [appellant] heeft onweersproken gesteld gedurende het hele dienstverband 35,42 vakantiedagen te hebben opgebouwd. Ter zake zal daarom aan [appellant] een bedrag worden toegekend van 35,42 x € 104,03 = € 3.684,74 bruto. Gelet op de omstandigheden van het geval zal de wettelijke verhoging worden beperkt tot 15%. Grief 5 slaagt.
Transitievergoeding
2.8
[appellant] verzoekt een transitievergoeding van € 3.539,05 – minus hetgeen al aan transitievergoeding is betaald – gebaseerd op een maatgevend salaris van € 7.366,25 bruto. Dit maatgevend salaris is gebaseerd op het gedurende het hele dienstverband gemiddeld genoten salaris, inclusief bonus. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg hier tegenin gebracht dat voor de berekening van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van het in de twaalf maanden voorafgaand aan de einddatum genoten salaris, hetgeen – zonder rekening te houden met de door [geïntimeerde] ‘betwiste’ extra bonus – resulteert in een maatgevend maandsalaris van € 2.215,84 bruto. [appellant] is in hoger beroep uitgegaan van dit door [geïntimeerde] genoemde bedrag van € 2.215,84 bruto, en heeft aangevoerd dat dat moet worden vermeerderd met € 2.000,- per maand aan ten onrechte ingehouden basissalaris. [geïntimeerde] heeft ter zake in hoger beroep geen nieuwe verweren aangevoerd. Het hof volgt de door [appellant] in hoger beroep gebezigde redenering. [geïntimeerde] stelt zelf, zonder verhoging van het bonusbedrag, te moeten uitgaan van een maatgevend salaris van genoemde € 2.215,84 bruto. Het ten onrechte ingehouden basissalaris bedraagt € 2.000,- bruto per maand, zodat het maatgevend maandsalaris € 4.215,84 bruto had moeten bedragen. Door [appellant] is onweersproken gesteld dat zulks resulteert in een toe te kennen transitievergoeding van € 3.539,05 bruto. Dit leidt volgens [appellant] , zoals ook niet is weersproken door [geïntimeerde] , per saldo tot een toe te kennen nabetaling aan transitievergoeding van € 1.439,02 bruto. Het hof zal daartoe overgaan. Grief 7 slaagt.
Billijke vergoeding
2.9
Zoals uit het voorgaande blijkt acht het hof het standpunt van [geïntimeerde] aangaande de hoogte van de toe te kennen bonus, en daarmee de doorwerking hiervan in de hoogte van de uit te betalen vakantiedagen en transitievergoeding, alsmede het niet uitbetalen van de in de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 gemaakte overuren, onjuist. Dat evenwel maakt nog niet dat [geïntimeerde] ook ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten te handelen. De lat voor een dergelijke ernstige verwijtbaarheid ligt hoog, en ook gelet op de door [appellant] genoemde bijkomende omstandigheden, is daaraan niet voldaan. De vordering ter zake is terecht door de kantonrechter afgewezen. Grief 6 slaagt niet.
Buitengerechtelijke kosten
2.10
[appellant] heeft aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke kosten, maar hij heeft – zoals [geïntimeerde] al in eerste aanleg opmerkte en waarop [appellant] in hoger beroep niet meer is ingegaan – niet gespecificeerd welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een dergelijke vergoeding rechtvaardigen. De vordering ter zake is daarom terecht afgewezen. Dit deel van grief 8 slaagt niet, grief 8 slaagt wel waar het betreft de wettelijke rente en slaagt gedeeltelijk waar het betreft de wettelijke verhoging.
Wettelijke rente
2.11
[appellant] vordert over enkele posten wettelijke rente vanaf voor die verschillende posten verschillende momenten. Tegen die vorderingen is door [geïntimeerde] geen verweer gevoerd.
Niet betaalde uren april tot juni 2020
2.12
[appellant] heeft onder 3.85 van zijn beroepschrift een ongenummerde grief gericht tegen de bestreden beschikking, en daarbij aanspraak gemaakt op in de periode april tot en met juni 2020 acht uur per week gewerkte uren die niet zijn uitbetaald. [appellant] voert daartoe aan dat hij gedurende die periode voor 32 uur per week werd uitbetaald, maar 40 uur per week werkte. Dat resulteert volgens hem in een te verrichten nabetaling van € 1.200,- bruto. [geïntimeerde] is in haar verweerschrift in hoger beroep niet ingegaan op specifiek dit aspect, maar heeft wel aangevoerd dat de kantonrechter onder randnummer 19 terecht had overwogen dat partijen over genoemde drie maanden een basissalaris van € 1.600,- hadden afgesproken en dat ook al wanneer [appellant] in die maanden fors zou hebben overgewerkt, hem dat niet zou baten. Het hof overweegt als volgt. [appellant] heeft niet weersproken dat tussen partijen was overeengekomen dat gedurende die drie maanden het dienstverband een omvang zou hebben van 32 uur per week, tegen een basissalaris van € 1.600,- bruto per maand. [appellant] vordert in feite overuren over die periode. Hij heeft de omvang van deze overuren, zoals al in de tussenbeschikking is overwogen, onvoldoende onderbouwd. Het verzoek tot uitbetaling daarvan wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[geïntimeerde] is in hoger beroep overwegend in het ongelijk gesteld, en dat had naar het oordeel van het hof ook in eerste aanleg moeten gebeuren. [geïntimeerde] zal daarom in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep worden veroordeeld.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2021, waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 32.170,79 bruto aan niet-uitbetaalde bonus/te weinig betaald basissalaris, te vermeerderen met de 15% verhoging hierover op grond van artikel 7:625 BW;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 1.690,54 bruto aan niet-uitbetaalde overuren, te vermeerderen met de 15% verhoging hierover op grond van artikel 7:625 BW;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 3.684,74 bruto aan niet-uitbetaalde vakantiedagen, te vermeerderen met de 15% verhoging hierover op grond van artikel 7:625 BW alsmede met de wettelijke rente over genoemd bedrag vanaf 1 maart 2021;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van het restant transitievergoeding van € 1.439,02 bruto met de wettelijke rente hierover vanaf 28 maart 2021;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] begroot op € 499,- aan verschotten en € 3.342,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 566,20 aan verschotten en € 6.889,50 voor salaris;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, R.J.M. Smit en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2023.
Uitspraak 12‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Inhoudsindicatie volgt.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.302.067/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9182289 EA VERZ 21-298
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 juli 2022
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats A] ,
appellant,
advocaat: mr. I.D.C.J. van Driel te Vlaardingen,
tegen
SECURITAS DIRECT B.V.,
gevestigd te Amsterdam ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. N. Koene te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en Verisure genoemd.
[appellant] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 1 november 2021, onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer, op 2 augustus 2021 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking, waarbij de kantonrechter de verzoeken van [appellant] tot betaling van een restant transitievergoeding, een billijke vergoeding, achterstallig loon, achterstallig vakantiegeld, een extra vergoeding voor genoten en niet-genoten vakantiedagen, buitengerechtelijke kosten, alles met rente en voor zover van toepassing wettelijke verhoging, heeft afgewezen, zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de initiële verzoeken – met gewijzigde bedragen – alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Verisure in de proceskosten in beide instanties.
Op 19 april 2022 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van Verisure ingekomen, ertoe strekkende de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties inclusief wettelijke rente.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 1 juni 2022. Bij die gelegenheid heeft namens [appellant] mr. Van Driel, bovengenoemd, het woord gevoerd en namens Verisure mr. Koene, bovengenoemd, en mr. A.K. de Groot, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Bij deze gelegenheid heeft [appellant] nog bij akte de producties 54 tot en met 60 in het geding gebracht. De tekst van die akte is voor het overige geweigerd. Verder heeft Verisure bij die gelegenheid nog twee producties in het geding gebracht, genummerd 54 en 55 (lees: 31 en 32). De producties 61 en 62 van [appellant] worden geweigerd, evenals de tekst van de akte, omdat deze niet binnen tien dagen voor de zitting aan het hof en de wederpartij ter kennis zijn gebracht. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.
Vervolgens is uitspraak bepaald.
2. Feiten
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1.1 tot en met 1.18 een aantal feiten in deze zaak als vaststaand aangemerkt. [appellant] voert met grief I (genaamd grond) aan dat hoewel deze feiten juist zijn, ze onvolledig zijn. Met de door [appellant] gegeven bezwaren zal hierna, voor zover relevant, rekening worden gehouden. De feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.
2.1
[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is bij Verisure in dienst geweest als security expert plus.
2.2
[appellant] is werkzaam geweest op basis van drie arbeidsovereenkomsten:
a. a) een oproepovereenkomst van 23 september 2019 tot en met 31 januari 2020;
b) een arbeidsovereenkomst van 1 februari 2020 tot en met 30 juni 2020;
c) een verlenging van de arbeidsovereenkomst, verwoord in een brief van 30 juni 2020, van 1 juli 2020 tot en met 28 februari 2021.
2.3
Met het beëindigen van de onder 2.2 sub c genoemde arbeidsovereenkomst is het
dienstverband tussen partijen van rechtswege geëindigd.
2.4
Tijdens zijn sollicitatiegesprek is namens Verisure aan [appellant] een zogenaamd booklet overhandigd (ook genaamd ‘informatieboekje’ of ‘magazine’) waarin onder het kopje ‘Jouw compensatie – Duidelijk gedefinieerde compensatieregeling afgestemd op jouw carrierestap’ voor twee functies (Newbie en Security expert) door middel van staafdiagrammen wordt getoond welke compensatie kan worden behaald.
Voor de Security expert ligt bij zes verkopen (‘6 sales’) die compensatie blijkens het desbetreffende diagram tussen € 2.300 en € 2.600; bij ‘7 sales’ tussen € 2.700 en € 3.100; bij ‘8 sales’ tussen € 3.200 en € 3.600, enzovoort tot en met bij ‘12 sales’ een bedrag tussen € 4.800 en € 5.000. Door de diagrammen heen is getekend een stippellijn, waarbij vermeld staat: € 1635,60 guaranteed salary.
2.5
In een e-mail van [naam 1] namens Verisure d.d. 16 september 2019 staat vermeld: “voorwaarden 2000 bruto gegarandeerd salaris.”
2.6
Verisure heeft ook een ‘Bonus Scheme’ (ook wel ‘componentenschema’ genoemd) opgesteld en voor werknemers kenbaar gemaakt (prod. 37 Verzoekschrift eerste aanleg). Bovenaan staat een vak ‘Guaranteed Salary & Additional Benefits’ waarop per functie onder andere is aangegeven ‘Min. Guaranteed’. Daaronder staan vakken met de opschriften ‘Direct Sales payment’, ‘Quality Placing & Programming (P&P)’ en ‘Performance Bonus’ teneinde de verschillende bonuscomponenten aan te geven.
2.7
De onder 2.2 sub a bedoelde oproepovereenkomst bepaalt in artikel 9 lid 4: “Op verzoek van Werkgever is Werknemer verplicht om overwerk te verrichten zonder dat hij daarvoor aanspraak verwerft op extra beloning, overwerkvergoeding in tijd of in welke vorm dan ook extra wordt beloond zolang het overwerk geen overmatige omvang aanneemt.” De oproepovereenkomst bepaalt in artikel 11 lid 1: “Het salaris wordt berekend op basis van de feitelijk gewerkte uren. Het brutoloon bedraagt bij het aangaan van deze overeenkomst EUR 12,45 per uur (inclusief 8% vakantietoeslag).” Lid 3 van artikel 11 bepaalt: “Gedurende de arbeidsovereenkomst heeft Werknemer alleen recht op loon, indien en voor zover Werknemer daadwerkelijk werkzaam is geweest. (…)”. Lid 6 van artikel 11 houdt in: “Werknemer komt mogelijk in aanmerking voor een variabele beloning, bovenop het vast overeengekomen brutoloon. De voorwaarden ten aanzien van de variabele beloning zullen jaarlijks door Werkgever worden vastgesteld en vastgelegd in een addendum, welke een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van deze arbeidsovereenkomst. Onder geen beding mag Werknemer ervan uitgaan dat hij een recht heeft verworven op een dergelijke variabele beloning. Alle uitkeringen ter zake zijn bedragen inclusief vakantiegeld.”
2.8
De onder 2.2 sub b bedoelde arbeidsovereenkomst bepaalt in artikel 10 lid 1 dat het vaste brutosalaris € 2.000,- per maand (exclusief 8% vakantiebijslag) bedraagt uitgaande van een 40-urige werkweek. Verder is in artikel 10 lid 6 het volgende opgenomen over de variabele beloning: “Werknemer komt in aanmerking voor een variabele beloning, bovenop het vast overeengekomen brutosalaris. De voorwaarden ten aanzien van de variabele beloning zullen jaarlijks door Werkgever worden vastgesteld en vastgelegd in een addendum, welke een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van deze arbeidsovereenkomst. Onder geen beding mag Werknemer ervan uit gaan dat hij een recht heeft verworven op een dergelijke variabele beloning. Alle uitkeringen ter zake zijn bedragen inclusief vakantiegeld.”
2.9
Gedurende zijn dienstverband heeft [appellant] steeds van Verisure loonstroken ontvangen, waarop het salaris stond vermeld, en vanaf de loonstrook met verwerkingsdatum ‘19 november 2019’ ook steeds een post ‘bonus’. Ook ontving [appellant] van Verisure maandelijks, voor het eerst op 13 oktober 2019, een op hem betrekking hebbend Bonus overzicht.
2.10
In het door [appellant] op 13 oktober 2019 ontvangen Bonus overzicht staat vermeld: ‘Totaal bonus + vast salaris’ € 250; ‘Reeds ontvangen’ € 1.635 en ‘Nog te ontvangen’ € 0. [appellant] heeft hierop diezelfde dag aan [naam 2] van Verisure gereageerd: “Ik begrijp deze niet echt….als je het niet erg vindt hahaha….ik ben 23 september in dienst getreden voor een maand salaris van vast 2000 euro bruto…. (….) Daarnaast staat er Reeds ontvangen 1635 maar 1. heb nog niks ontvangen en 2. als dit het vaste salaris voorstelt is het ook fout want ik zou 2000 bruto ex vakantie geld ontvangen (….)”.
2.11
In het op 12 november 2019 ontvangen bonus overzicht staat vermeld: ‘Totaal bonus + vast salaris’ € 4.550; ‘Reeds ontvangen’ € 1.635 en ‘Nog te ontvangen’ € 2.915. [appellant] heeft hierop diezelfde dag aan [naam 3] van Verisure gereageerd en geschreven: “ [naam 4] de klanten Excel sheet is niet van mij en kan niet controleren of alles klopt daarnaast heb ik een vast salaris van 2000 bruto afgesproken excl 8% vakantie geld (…)”.
2.12
Op 17 januari 2020 heeft [appellant] per e-mail aan [naam 5] van Verisure geschreven, met als onderwerp “ [x] – Salaris November [team] [appellant] ”: “Met referte aan ons gesprek hierbij mijn bonus overzicht van november. Sinds ik hier in dienst ben klopt of mijn personalia niet mijn team niet, mijn functie niet en mijn target niet. Ik ben security expert+ met een target van 8 en een ander beloningssysteem. Daarnaast heb ik ook nog steeds het idee dat ik een hoger challenges bedrag heb binnen gehaald dan die 240.” Op 19 februari 2020 heeft [appellant] aan [naam 3] per e-mail geschreven ‘(…) zou je svp de correctie kunnen doorvoeren van mijn salaris van januari waar ze mij mijn vast salaris van 2000 bruto ex vakantie geld niet hebben betaald maar van een newbie/security expert. (…)’.
2.13
In verband met de coronacrisis is met ingang van 1 april 2020 de omvang van het dienstverband van [appellant] door Securitas tijdelijk teruggebracht van 100% naar 80%, waarmee het vaste salaris voor de duur van drie maanden € 1.600,- bruto per maand is geworden. [naam 6] van Verisure heeft op 8 april 2020 aan [appellant] geschreven dat in verband hiermee het salaris van [appellant] verandert naar € 1.322 bruto per maand. Nadat [appellant] [naam 6] er die dag per e-mail op had gewezen dat zijn vaste salaris € 2.000 bruto per maand bedraagt, en een aanpassing dus tot € 1.600 bruto zou leiden, heeft [naam 6] op 9 april 2020 haar bericht gerectificeerd en gemeld dat het basissalaris tijdelijk wordt verlaagd naar € 1.600 bruto.
2.14
Op 10 april 2020 heeft [appellant] daarop per e-mail geantwoord: “Na alles overwogen te hebben in het kader van mijn toekomst bij Verisure wil ik hierbij mijn akkoord geven op de tijdelijk eenzijdige aanpassing van mijn arbeidsovereenkomst.”
2.15
In een e-mail van 27 april 2020 heeft [appellant] het volgende geschreven:
“Ik heb in maar(t, hof) 4670 euro aan bonus verdiend, conform mijn contract zou dat naast mijn vaste salaris moeten zijn. Daar wil ik het nu niet meer over hebben maar er wordt elke keer gekloot met mijn geld, mijn salaris (…) Ik zou graag nu echt een oplossing willen zien.”
2.16
Op 19 mei 2020 heeft [appellant] in een e-mail aan [naam 2] van Verisure geschreven: “Ik had in april had 4670 bruto moeten ontvangen en de onderverdeling 3070 bonus en 1600 vast voor die maand moeten zijn en niet 4670-2000 is 2670 en dan wel 1600 vast neer gaan zetten waardoor ik op 4270 bruto kom.”
2.17
Op 15 juni 2020 heeft [appellant] per e-mail aan HR van Verisure geschreven: “And my 400 euro from my bonus March, Where they deduct 2000 euro in stead of 1600 euro from my salary of 4670 Basicly I miss a serious amount of money in my salary for this month.”
2.18
Op 22 februari 2021 heeft [naam 7] namens Verisure het volgende verklaard over een gesprek met [appellant] op 13 september 2019: “(…) Wij hebben toen het booklet erbij gepakt en deze doorgenomen. Ook het bonusschema hebben wij [appellant] [ [appellant] ; hof] laten zien en verteld precies zoals deze in het booklet staat beschreven. Aan [appellant] is uitgelegd dat de bonus voor uitbetaling alleen het deel is dat is opgebouwd bovenop het basisalaris. Het eigen potje moet eerst gevuld worden tot aan het basisalaris, pas alles daarboven is de echte bonus die wordt uitbetaald” en “ [appellant] heeft geen vragen gesteld over zijn bonus of het systeem van de bonus.” Op 23 juni 2021 heeft [naam 7] in een e-mail aan [naam 8] van Verisure geschreven: “Hierbij verklaar ik dat ik Productie 1 bij het verweerschrift in de kwestie [appellant] / Verisure heb gezien. Deze productie is het relevante onderdeel uit het informatieboekje dat ziet op de compensatieregeling (getiteld: Jouw Compensatie). Ik bevestig hierbij dat ik, samen met [naam 2] dit onderdeel uit het informatieboekje met de heer [appellant] heb doorgenomen op 13 september 2019. Wij hebben de heer [appellant] toegelicht hoe de compensatieregeling werkt binnen Verisure , namelijk eerst het eigen potje vullen (het basissalaris), enkel wat daarbovenop wordt opgebouwd kan gelden als eventuele bonus. Wij hebben dat ook toegelicht aan de hand van de stippellijn die zichtbaar is op de afbeelding. Ik sluit aan bij mijn eerdere schriftelijke verklaring rondom het sollicitatiegesprek met de heer [appellant] . Ik bevestig ook dat Productie 1 bij het verweerschrift (zie onder 2.4, hof), als onderdeel van het informatieboekje, aan de heer [appellant] ter hand is gesteld na afloop van het gesprek op 13 september 2019.”
2.19
[naam 2] , die ook aanwezig was bij het gesprek op 13 september 2019, heeft daarover in een verklaring van 22 februari 2021 het volgendegeschreven: “(…) Aan de hand van tekst en afbeeldingen is het duidelijk omschreven hoe de bonus structuur binnen Verisure is opgebouwd. Zoals aangegeven in het magazine wordt alleen de bonus die is opgebouwd boven op het basis salaris uitbetaald” en “Er is altijd duidelijk aangegeven en vertelt vanaf het begin van zijn werkzaamheden bij Verisure (eerste gesprek tijdens de sollicitatie toen de bonusstructuur is besproken) Dat je eerst je potje (threshold) aan moet vullen het (basissalaris) en het bedrag daarboven is de bonus die je een maand later uitbetaald krijgt. [appellant] heeft altijd gezegd dit te begrijpen.”
2.20
In totaal heeft Verisure aan [appellant] een transitievergoeding betaald van € 2.100,03 bruto.
3. Beoordeling
3.1
[appellant] heeft de kantonrechter in eerste aanleg, kort samengevat en voor zover thans nog van belang, verzocht Verisure te veroordelen tot betaling aan hem van (i) een restant transitievergoeding van € 1.761,72 bruto met wettelijke rente vanaf 28 maart 2021; (ii) een billijke vergoeding van € 100.000,- met wettelijke rente vanaf 28 maart 2021; (iii) achterstallig loon ter hoogte van € 46.569,30 bruto in verband met de bonusregeling met wettelijke verhoging van € 23.284,67 bruto; (iv) achterstallig vakantiegeld ter hoogte van € 1.055,88 met de wettelijke rente hierover vanaf 28 maart 2021 en wettelijke verhoging van € 527,94; (v) te weinig betaald loon ter hoogte van € 6.803,20 bruto over de verlofdagen tijdens het dienstverband, met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van het verzuim althans vanaf 1 januari 2021 en met de wettelijke verhoging van € 3.401,60; (vi) buitengerechtelijke kosten van € 1.977,13 met wettelijke rente vanaf 1 maart 2021en (vii) de proceskosten.
3.2
Na verweer van Verisure heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat het vaste salaris dient te worden afgetrokken van de onder andere volgens het booklet berekende variabele beloning. Over de maanden april, mei en juni 2020 is terecht een basissalaris van € 1.600,- bruto per maand betaald; [appellant] heeft daarmee ingestemd en niet is gebleken dat hij in die maanden overwerk heeft verricht. Ook buiten die periode heeft [appellant] niet onderbouwd overwerk te hebben verricht. Nu de loonvordering is afgewezen is er ook geen plaats voor toewijzing van een extra bedrag over de vakantiedagen. Evenmin bestaat daarom recht op een hogere transitievergoeding. Niet is gebleken dat Verisure ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat ook geen plaats is voor een billijke vergoeding. Gelet hierop worden geen buitengerechtelijke kosten toegewezen en wordt [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
3.3
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met acht grieven (‘gronden’) op. De grieven II en III hebben betrekking op de uitleg van de bonusregeling. Grief IV ziet op de afwijzing van het verzoek ter zake het overwerk. Met grief V voert [appellant] aan dat zijn verlofdagen tegen een te lage waarde zijn uitgekeerd en met grief VII dat ook de transitievergoeding niet volledig is voldaan. Met grief VI betoogt [appellant] dat Verisure wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt hij toekenning van een billijke vergoeding van € 30.000,- bruto. Grief VIII heeft betrekking op de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten. Verisure bestrijdt de grieven.
Het hof oordeelt als volgt.
Uitleg bonusregeling
3.4.1
In de met [appellant] overeengekomen arbeidsovereenkomsten staat vermeld: “De voorwaarden ten aanzien van de variabele beloning zullen jaarlijks door Werkgever worden vastgesteld en vastgelegd in een addendum, welke een onlosmakelijk onderdeel zal zijn van deze arbeidsovereenkomst.” [appellant] heeft gesteld en Verisure heeft erkend dat er geen stuk is genaamd ‘addendum’ en dat ook geen ander stuk bij de arbeidsovereenkomst is gevoegd. Wel zijn partijen het er over eens dat aan [appellant] bij zijn indiensttreding het onder 2.4 genoemde booklet is verstrekt, als ook dat het onder 2.6 genoemde componentenschema voor hem beschikbaar was. Beide betreffen de op [appellant] betrekking hebbende bonusregeling.
3.4.2
[appellant] en Verisure verschillen van mening over de uitleg van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst die betrekking hebben op een bonus, en de uitwerking daarvan in genoemd booklet en componentenschema. [appellant] bepleit dat het op basis van het booklet en het componentenschema berekende bonusbedrag in zijn geheel dient te worden betaald, tezamen met het volledige basissalaris. Verisure stelt dat de bonusregeling inhoudt dat op het volgens het booklet en het componentenschema berekende bonusbedrag het basissalaris in mindering dient te worden gebracht, of anders gezegd: dat de bonusbedragen slechts worden uitgekeerd voor zover deze het basissalaris overtreffen.
3.4.3
Het hof is van oordeel dat noch de tekst van de arbeidsovereenkomst, noch het booklet of het componentenschema hierover volledige duidelijkheid geven. Partijen zijn het er over eens dat indien voldaan is aan de verkooptargets, ‘recht’ bestaat op de daarbij behorende bonus. Het hof deelt daarmee niet de visie van Verisure , dat toekenning van de bonussen een discretionair karakter heeft. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de werknemer in aanmerking komt voor een variabele beloning ‘bovenop’ het vaste salaris. Die formulering wekt niet direct de indruk dat op een te berekenen bonus het vaste salaris in mindering zal worden gebracht maar sluit ook niet uit dat de aldus te betalen variabele beloning een bedrag betreft voor zover dat het vaste salaris heeft overtroffen.
3.4.4
De werkgever is op grond van artikel 7:655 lid 1 aanhef en onder h en lid 3 BW verplicht de werknemer schriftelijk of elektronisch en binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden te informeren over ‘het loon en de termijn van uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid’. Ook in de visie van Verisure betreft de aan bonussen te verwerven inkomsten een substantieel deel van het totale inkomen. Verisure heeft gesteld dat [appellant] gemiddeld € 2.215,84 bruto per maand aan bonus heeft verdiend (verweerschrift eerste aanleg, randnummer 5.2). Dit betreft daarmee een bedrag hoger dan het basissalaris. Nu de bonus uitsluitend afhankelijk is van de hoeveelheid verkochte producten, valt de bonusregeling onder het bereik van artikel 7:655 lid 1 aanhef en onder h en lid 3 BW. Dit onderdeel van het loon is immers afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid. Verisure had daarom [appellant] schriftelijk moeten informeren over de inhoud van de bonusregeling.
3.4.5
Het hof is van oordeel dat zowel het booklet als het componentenschema geen volledige duidelijkheid geven over de manier waarop de bonusregeling moet worden toegepast. In beide stukken is vermeld dat er een gegarandeerd salaris is, maar dat op zich sluit niet uit dat daar bovenop een ‘ongekorte’ bonus wordt betaald. De afbeelding in het booklet onder het kopje ‘Security expert’ (zie onder 2.4) (waarbij het hof opmerkt dat dit niet de functie was van [appellant] en van de wel door [appellant] vervulde functie, te weten Security expert+ geen afbeelding beschikbaar is) toont bij ‘6 sales’ een stippellijn en direct daarboven de cijfers 2.300€ en 2.600€. Gelet op de zes verschillende kolommen is duidelijk dat deze kolommen niet ‘op schaal’ zijn getekend. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat zeer wel denkbaar is en in elk geval niet uitgesloten is dat genoemd bedrag van € 2.300,- tot € 2.600.- (bij het behalen van zes sales) ‘bovenop’ het gegarandeerde salaris van € 1.635,60 moet worden betaald. Ook uit het componentenoverzicht blijkt niet dat het gegarandeerde salaris van de som van de componenten moet worden afgetrokken. Op zichzelf staat niet ter discussie dat [appellant] bij gelegenheid van zijn sollicitatiegesprek het booklet heeft ontvangen. Gelet op het onder 3.4.4 overwogene, de dubbelzinnige tekst van de arbeidsovereenkomsten en het ontbreken van het ‘addendum’ diende Verisure [appellant] uiterlijk binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden uit te leggen hoe het bonussysteem (in haar optiek) werkt en draagt zij de bewijslast van haar (door [appellant] betwiste) stelling dat zij dit, tijdens het sollicitatiegesprek met [appellant] , ook heeft gedaan.
3.4.6
De verklaringen van [naam 7] en [naam 2] ondersteunen weliswaar de stelling van Verisure dat zij [appellant] bij diens sollicitatiegesprek heeft uitgelegd hoe haar bonussysteem werkt, maar naar het oordeel van het hof heeft Verisure haar onderhavige stelling hiermee nog niet bewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] een aantal verklaringen van andere (ex-)werknemers van Verisure in het geding heeft gebracht die alle, voor zover van belang, inhouden dat Verisure het door haar gehanteerde bonussysteem in de desbetreffende sollicitatiegesprekken (of enig ander moment) niet heeft uitgelegd. Anders dan Verisure meent, is deze omstandigheid van belang in het kader van de vraag of zij [appellant] toen ter zake heeft geïnformeerd. Er kan immers sprake zijn van een patroon van inadequate informatievoorziening en dat beeld rijst op uit de door [appellant] overgelegde verklaringen. De enkele omstandigheid dat [appellant] in oktober en november 2019 mogelijk ten onrechte niet adequaat heeft geprotesteerd tegen de wijze waarop Verisure de bonus over die maanden had berekend, kan niet leiden tot het oordeel dat ervan dient te worden uitgegaan dat Verisure de bonus (dus) correct had berekend. Hoewel Verisure in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan, laat staan een concreet bewijsaanbod op dit punt, wordt zij, mede gelet op het belang van deze zaak en de eventuele precedentwerking ervan, - ambtshalve - in de gelegenheid gesteld met getuigen te bewijzen dat zij [appellant] tijdens diens sollicitatiegesprek heeft uitgelegd hoe haar bonussysteem (in haar optiek) werkt.
Overwerk
3.5.1
[appellant] stelt minimaal twintig uur per week aan overwerk te hebben verricht. [appellant] heeft wat betreft de eerste vier maanden van zijn dienstverband, toen hij werkte op basis van een oproepovereenkomst, hiervan enige onderbouwing gegeven. Over de periode vanaf februari 2020 heeft [appellant] zijn standpunt niet onderbouwd. Hij heeft weliswaar in randnummer 3.66 van zijn beroepschrift geschreven, zonder dit in het petitum van dat beroepschrift te herhalen, Verisure te verzoeken stukken in het geding te brengen waaruit zijn werktijden blijken, maar het hof is van oordeel dat [appellant] mocht worden verlangd zijn standpunt dat ook vanaf februari 2020 sprake was van substantieel overwerk, nader te onderbouwen. Het verzoek is daarom over deze periode terecht afgewezen.
3.5.2
Over de periode oktober 2019 tot en met januari 2020 heeft [appellant] wel een onderbouwing gegeven van de door hem verrichte werkzaamheden. In productie 36 bij verzoekschrift eerste aanleg, heeft hij een gedetailleerd overzicht gegeven van de, naast zijn reguliere werkzaamheden op het gebied van ‘koude acquisitie’, verrichte huisbezoeken. In dit overzicht worden de namen van de bezochte klanten vermeld met adres en telefoonnummer. Verisure had naar het oordeel van het hof niet kunnen volstaan met een ‘blote betwisting’ dat dit gewerkte uren betroffen. Verisure is verplicht de arbeidstijden van haar werknemers te registreren. Zij heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat nog niet te doen, zodat het hof zal uitgaan van het overzicht van [appellant] zoals overgelegd als productie 36 bij verzoekschrift eerste aanleg. [appellant] wordt in de gelegenheid gesteld bij – na de getuigenverhoren te nemen – akte te motiveren tot welk concreet bedrag het overzicht zou moeten leiden, waarop Verisure vervolgens mag reageren.
Waarde vakantiedagen
3.6.1
Verisure heeft de door [appellant] opgebouwde vakantiedagen uitbetaald op basis van de waarde van het vaste salaris van € 2.000,- bruto per maand. [appellant] stelt dat bij die waarde ook de bonuscomponent dient te worden betrokken. Het hof overweegt als volgt.
3.6.2
Blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2021:987 en ECLI:EU:C:2022:19) “(moet) de werknemer (zich) zich tijdens de jaarlijkse vakantie namelijk in een situatie bevinden die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens gewerkte perioden (arrest van 13 december 2018, Hein, C385/17 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/AUTO/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018&locale=nl), EU:C:2018:1018 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018), punt 33 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018&anchor=) en aldaar aangehaalde rechtspraak).” en “Zo heeft het Hof geoordeeld dat het normale loon tijdens de jaarlijkse vakantieperiode bedoeld is om de werknemer in staat te stellen de vakantiedagen waarop hij recht heeft daadwerkelijk op te nemen. Wanneer het loon dat uitbetaald wordt tijdens de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 bedoelde jaarlijkse vakantie, lager ligt dan het normale loon dat de werknemer in perioden van daadwerkelijke arbeid ontvangt, wordt hij er wellicht van weerhouden zijn jaarlijks betaald verlof op te nemen (arrest van 13 december 2018, Hein, C385/17 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/AUTO/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018&locale=nl), EU:C:2018:1018 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018), punt 44 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=ecli:ECLI%3AEU%3AC%3A2018%3A1018&anchor=)).” Het hof leidt hieruit af dat de beloning die [appellant] ontvangt tijdens het opnemen van vakantie, gelijk zou moeten zijn aan de beloning die hij genoten zou hebben indien hij geen vakantie had genoten. Uit de gegevens die door Verisure zijn verstrekt blijkt dat [appellant] een bonus genoot die hoger was dan het reguliere basissalaris. Indien structureel een dergelijke substantiële bonus wordt verdiend, zou het uitbetalen van vakantiedagen zonder die bonusverdiensten mee te tellen, een belemmering kunnen vormen om vakantiedagen op te nemen.
3.6.3
De waarde van de bonus dient daarom te worden betrokken bij het vaststellen van de waarde van een vakantiedag. Welk bedrag dan precies moet worden aangehouden blijkt niet uit de wet. Het is gebruikelijk om niet-opgenomen vakantiedagen af te rekenen tegen het bij het einde van het dienstverband geldende salaris. Uit het onder 2.8 genoemde bonusoverzicht blijkt dat [appellant] van meet af aan substantiële bonussen verdiende. Bij gebreke aan een andere duidelijke maatstaf acht het hof het daarom redelijk dat de vakantiedagen hadden moeten worden uitgekeerd met toepassing van het gemiddeld genoten bonusbedrag. Dat betreft in ieder geval € 2.215,84 bruto per maand op voltijdse basis (bovenop het vaste salaris; zie ov. 3.4.4) doch kan hoger worden afhankelijk van de uitkomst van hetgeen onder 3.4 is overwogen en waarop nader beslist zal worden.
Hoogte transitievergoeding
3.7
Verisure heeft aangevoerd dat, na aanpassing, de transitievergoeding is toegekend rekening houdend met de in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van het dienstverband gemiddeld genoten bonus. [appellant] heeft niet gemotiveerd betwist dat dat is gebeurd. Indien [appellant] geen aanspraak blijkt te hebben op een nadere bonus (zoals besproken is onder 3.4), is een correct bedrag aan transitievergoeding uitgekeerd. Indien de aan [appellant] verschuldigde bonus hoger mocht blijken te zijn dan tot nu toe is uitbetaald, zal dat ook gevolgen hebben voor het maatgevend salaris voor de berekening van de transitievergoeding.
Billijke vergoeding
3.8
Omdat thans nog niet duidelijk is of Verisure gelijk heeft met haar standpunt aangaande de hoogte van de bonus, en dus ook niet of [appellant] daartegen terecht in rechte is opgekomen, zal een beslissing omtrent de eventuele ernstige verwijtbaarheid van Verisure worden aangehouden tot na de bewijslevering over de bonusregeling.
Overige
3.9
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Gelet op de te verwachten (verdere) duur van het geding en de in verband daarmee te maken kosten, geeft het hof partijen (andermaal) in overweging de zaak in der minne te regelen.
4. Beslissing
Het hof:
laat Verisure toe tot het hiervoor onder 3.4.6 bedoelde bewijs;
beveelt dat, indien Verisure getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. G.C. Boot, daartoe tot raadsheercommissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen datum;
bepaalt dat de advocaat van Verisure schriftelijk de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de door Verisure voor te brengen getuigen in de periode van september 2022 tot en met december 2022 aan het (enquêtebureau van het) hof dient door te geven;
verstaat dat de zaak na de getuigenverhoren zal worden verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van [appellant] over hetgeen hierboven onder 3.5.2 is overwogen, waarop Verisure zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, R.J.M. Smit en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2022.