Rb. Noord-Nederland, 07-05-2026, nr. 18.260929.24
ECLI:NL:RBNNE:2026:1587
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
18.260929.24
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:1587, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
- Wetingang
art. 246 Wetboek van Strafrecht
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hij heeft onverhoeds het bikinibroekje van het slachtoffer naar beneden getrokken, met zijn vingers haar schaamlippen betast en daarbij seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Dit deed verdachte terwijl hij werkzaam was als kleermaker en het slachtoffer zich in het kleedhokje bevond. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 31 dagen waarvan dertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van tachtig uren.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.260929.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Arends, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 augustus 2023 te [plaats] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten door
- -
met zijn handen het (bikini)broekje van die [slachtoffer] (onverhoeds) naar beneden te trekken;
- -
met een of meerdere vinger(s) door en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ging en daarbij zei: ”Oh lekker” en/of “Zo dat ziet er goed uit” en/of “Wat ben je een mooie vrouw” of woorden van soortgelijke aard en/of strekking.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is en dus niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De verklaring van aangeefster is op essentiële punten inconsistent en op bepaalde punten (innerlijk) tegenstrijdig, vergeleken met de inhoud van het chatgesprek met een medewerker van het Centrum Seksueel Geweld en de getuigenverklaring van [getuige 1] .
Subsidiair heeft de raadvrouw aangevoerd dat, indien naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar is, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De verklaring van aangeefster vindt geen steun in het overige bewijs of in bewijs afkomstig van een andere bron dan aangeefster zelf. Getuige [getuige 1] heeft enkel verklaard over hetgeen zij aangeefster zelf heeft horen zeggen. Bovendien bestaan er wezenlijke verschillen tussen beide verklaringen over de seksuele handelingen. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt bovendien niet of en, zo ja, op welke wijze zij emoties zou hebben waargenomen bij aangeefster. Daarbij komt dat er voorafgaand aan de door [getuige 1] afgelegde verklaring mogelijk overleg is geweest tussen deze getuige en aangeefster. Ten slotte heeft getuige [getuige 2] , die op het moment van de vermeende aanranding ook in de winkel aanwezig was, geen beschrijving gegeven van emoties bij aangeefster en geeft hij aan die dag niets bijzonders te hebben waargenomen.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Aangeefster heeft aangifte gedaan van, kort gezegd, aanranding. Verdachte heeft, zowel bij de politie als ter terechtzitting, stellig ontkend dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: de aangeefster en de verdachte. In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat door de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste
gelegde feit zou hebben begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van aangeefster. De verklaring van aangeefster ook als die betrouwbaar wordt geacht is dus onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De aangifte moet in elk geval worden ondersteund door tenminste één verklaring uit een andere bron. Het ondersteunend bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van het slachtoffer. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd, ondersteuning vinden in één of meer andere bewijsmiddelen.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster en steunbewijs
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is en of de aangifte voldoende steun vindt in de in andere verklaringen weergegeven feiten en omstandigheden.
Allereerst heeft aangeefster in haar aangifte (gedaan op 2 augustus 2023) gedetailleerd verklaard over datgene wat is gebeurd. Eén dag ervoor (op 1 augustus 2023) heeft zij telefonisch tegen een verbalisant en tijdens een chatgesprek met een medewerker van het Centrum Seksueel Geweld in hoofdlijnen eenzelfde verhaal gedaan. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] . Dat maakt haar verklaring consistent. De rechtbank acht enige discrepanties tussen de inhoud van de aangifte en die van de voormelde (en andere) stukken onvoldoende om de verklaring van aangeefster niet geloofwaardig te achten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank dat de verklaring van aangeefster voor het bewijs kan worden gebezigd.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in de hieronder opgenomen getuigenverklaring van [getuige 1] . De verklaring van [getuige 1] levert op onderdelen steunbewijs op voor de ontucht en het betreft een zelfstandige en eigen waarneming van de hevig emotionele toestand van aangeefster zeer kort na het moment waarop het feit heeft plaatsgevonden. In het gevoerde telefoongesprek, dat startte op het moment dat aangeefster zich nog in de winkel van verdachte bevond, heeft deze getuige opgemerkt dat aangeefster qua stemgeluid bang en terughoudend klonk en dat aangeefster moeilijk begon te ademen en in shock was. Ook heeft deze getuige (onder meer) verklaard dat aangeefster in dit telefoongesprek heeft verteld over het aanraken bij de schaamlippen en over de gedane uitlatingen.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 2 augustus 2023, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023203621 d.d. 5 augustus 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [plaats]
V: Wat kun je ons vertellen wat er gebeurd is?
A: Ik werk naast de winkel waar de man werkt. Ik had een bikini die ik moest laten vermaken. Ik dacht ik neem het mee als ik mijn jurk ga halen en vraag of hij er iets mee kon. Ik haalde de jurk op, rekende af en vroeg of ze ook stoffen zoals bikini's konden vermaken. Ik liet het hem zien, ik had er drie bij me. Bij de grijze en zwarte vroeg hij of ik die even aan wilde doen. Ik trok eerst de zwarte aan zonder slip eronder. Ik zei dat ik klaar was en hij kwam toen mijn hokje binnen. Hij kwam binnen en deed de deur
dicht, het is een klein hokje en ik voelde me er niet fijn bij. Hij maakte direct de opmerking: "Oh wat een fijn lichaam", of zoiets. Toen ging hij door zijn hurken en hield hij me gelijk bij mijn heupen vast. Toen vroeg hij of ik het broekje naar beneden kon doen, ik zei dat ik er niets onderaan had. Ik deed hem een stukje omlaag en hij trok hem helemaal naar beneden en ging heel snel met zijn vingers door mijn schaamlippen heen. Hij keek omhoog met een vieze glimlach en zei toen: "Oh lekker".
Ik ben toen het hokje uitgegaan en wilde alle broekjes mee hebben, ik wilde namelijk niet meer terugkomen. Ik liep daarvoor nog even terug naar het hokje en belde daar snel mijn vriendin [getuige 1] op. Ik heb het gepakt en liep weg. Ik had [getuige 1] toen nog aan de lijn. Ik heb me gedoucht en hij ging eten maken. Ik heb toen gebeld en gechat naar het Centrum Seksueel Geweld.
V: Wanneer is dit gebeurd? A: Gisteren.
V: Dan komt hij het hokje binnen, wat denk je dan?
A: Hij komt binnen en zegt: "Oh wat een mooi lichaam." V: Waar voelde je die vingers precies?
A: Eerst achter tussen de schaamlippen en toen er doorheen getrokken.
V: Hoe laat heb je [getuige 1] gebeld? A: Om 16:40 uur.
V: Wat vertel je haar dan?
A: Ik was al met een nepgesprek begonnen. Ze nam toen toch op en probeerde zo normaal mogelijk te doen. Ik was ook met de man aan het praten. Toen ik de winkel uitliep heb ik [getuige 1] verteld wat er was gebeurd in het kort.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
V: Wat kun jij vertellen waarvan [slachtoffer] aangifte gedaan heeft?
A: Ik werd door haar gebeld. Maar het voelde vaag. Of ik minder in een gesprek zat. Ik hoorde iemand op de achtergrond. Ik hoor haar een conversatie hebben met een man. Ik lette niet heel goed op aan het begin van het gesprek, maar toen ging toch een vaag alarmbelletje af. Haar stem of intonatie was anders. Haar stem was een mix tussen bang en terughoudend, maar niet duidelijk. Ze sprak toen weer met die man en liep snel uit de winkel. Ze zei toen: " [getuige 1] , [getuige 1] er is wat gebeurd." Ik vroeg wat er aan de hand was. Toen begon ze moeilijk te ademen, zoiets van in shock. Ze probeerde het mij uit te leggen, maar het ging alle kanten op en ik hoorde vaak "Oh mijn God". Toen vertelde ze met het verhaal over dat ze bikini's had besteld, daar was iets fout gegaan. Ze dacht naast de winkel waar ze werkt was een winkel om kleding te vermaken. De man in die winkel zei tegen haar: "Doe de bikinibroekjes maar aan." Hij maakte toen een opmerking van iets van wat ben je mooi, wat ben je een mooie vrouw. [slachtoffer] gaf aan dat ze het van achteren klein wilde hebben en toch ging hij voor kijken. Dit was allemaal in een pashokje. Ze heeft uiteindelijk alle bikinibroekjes meegenomen. Ze was geshockeerd en begreep niet wat er gaande was.
A: Dat zou dan op 1 augustus 16:40 uur moeten zijn. Dit zie ik in mijn telefoon. V: Wat heeft [slachtoffer] toen tegen jou gezegd toen ze je belde?
A: Ik begreep dat er iets was gebeurd met man, bikini's met vingers haar heeft aangeraakt. V: Is je dan duidelijk waar hij haar heeft aangeraakt?
A: Bij haar vagina, bij haar schaamlippen.
V: Wat heeft ze je over het aanraken specifiek gezegd?
A: Dat hij aan de voorkant van haar bikini zat en dat hij, niet echt naar binnen is gegaan, maar dat haar vagina was aangeraakt bij haar schaamlippen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2023, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Tijdens de aangifte van [slachtoffer] heb ik haar gevraagd de chat met het Centrum
Seksueel Geweld te verstrekken. [slachtoffer] heeft contact gehad met het Centrum Seksueel Geweld welke haar de chat vervolgens verstrekt hebben.
Het stuk is achter dit proces verbaal van bevindingen gevoegd.
1 augustus
Hallo [slachtoffer] , welkom op de chat
Mijn naam is [naam] , ik werk hier als online hulpverlener
Ik was vandaag naar een kledingmaker geweest een jurk op te halen die deze man had versteld, en ik had een bikini die te groot was en vroeg hem of hij ook dat soort dingen kon vermaken. Hij zei ja alles, ik: oke top. Hij zovan doe het even aan dan kan ik het afmeten enzo (ik was hier wel eens eerder geweest met een broek en die moest ik toen ook aandoen dus in zijn vakmanschap vertrouwde ik hem). Vervolgens in de kleedkamer had ik de bikinibroek aan, en toen kwam hij mijn pashokje binnen. Toen hij naar binnenliep begon hij al met so dat ziet er goed uit, waar ik al een naar gevoel bij kreeg, maar toen ging hij hurken en vroeg hij of ik de bikini iets naar beneden kon doen. Wat ontward zei ik maar ik heb hier niks onder aan. Waarop hij reageerde, nee doe maar even, dus ik deed hem ietsje lager, toen trok hij hem verder naar beneden zei nog iets ranzigs en ging met zn vinger door mijn vagina heen en zei iets van oeh lekker.
20:59
En wat er überhaupt met zoiets gedaan kan worden, ik voel me ranzig en verschrikkelijk 21:00
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 augustus 2023 te [plaats] door een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten door
- -
het bikinibroekje van die [slachtoffer] onverhoeds naar beneden te trekken, en;
- -
met vingers door en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ging en daarbij zei: ”Oh lekker”, “Zo dat ziet er goed uit” en “Wat ben je een mooie vrouw” of woorden van soortgelijke aard en/of strekking.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Daarbij heeft zij rekening gehouden met de strafvorderingsrichtlijnen van het openbaar ministerie, met als uitgangspunt voor het betasten van de blote vagina een gevangenisstraf tussen de drie en zes maanden. Ook heeft zij in haar strafeis meegewogen dat verdachte vanuit zijn professie misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin het slachtoffer zich bevond.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf (waarvan één dag onvoorwaardelijk) en een taakstraf op te leggen. Zij heeft verzocht rekening te houden met het gegeven dat verdachte niet eerder of opnieuw met politie of justitie in aanraking is geweest. Bovendien zal verdachte in geval van de oplegging van een langdurige gevangenisstraf zijn inkomstenbron en huurwoning verliezen. Verder is sprake van een flinke overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hij heeft onverhoeds het bikinibroekje van het slachtoffer naar beneden getrokken, met zijn vingers haar schaamlippen betast
en daarbij seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Dit deed verdachte terwijl hij werkzaam was als [functie] en het slachtoffer zich in het kleedhokje bevond.
Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Het slachtoffer heeft bij de politie verklaard dat zij zich gedurende het voorval heel vies en heel onveilig heeft gevoeld en dat zij nadien heel erg heeft gehuild en paniekaanvallen heeft gehad.
Vanuit zijn beroepsmatige professie heeft verdachte het vertrouwen van een klant in ernstige mate geschonden. Hij heeft enkel oog gehad voor zijn eigen belang en lustgevoelens en zich niets van het slachtoffer en de gevolgen voor haar aangetrokken. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen genomen.
De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als dit in beginsel een gevangenisstraf van enige duur passend is.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 15 januari 2026. De reclassering kan geen adequate inschatting maken van de risicos en verbanden leggen tussen het delict, de persoon van verdachte en de criminogene factoren, gelet op de geheel ontkennende houding van verdachte. Er zijn geen problemen op de leefgebieden. Verdachte werkt nog steeds in het naaiatelier en stelt een goed draaiende zaak te hebben. De reclassering ziet geen noodzaak dan wel mogelijkheden voor (gedrags)interventies. Het advies is een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Voorts rapporteert de reclassering dat, naast de algemene nadelen die voor iedereen gelden, er geen zwaarwegende negatieve consequenties voor het opleggen van een gevangenisstraf zijn en dat verdachte in staat wordt geacht een taakstraf uit te voeren.
Tijdsverloop
De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden en overweegt daartoe het volgende.
De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen.
Op 23 september 2024 heeft verdachte van het openbaar ministerie een brief ontvangen waarin de strafzaak wordt aangekondigd. Dit is dan ook de handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor het strafbare feit door het openbaar ministerie strafvervolging werd ingesteld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Strafafdoening
Gelet op het forse tijdsverloop en het feit dat verdachte door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn inkomsten en woning zal verliezen, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een taakstraf en een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 31 dagen waarvan dertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van tachtig uren.
Toepassing van wetsartikelen
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen;
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
- een taakstraf voor de duur van 80 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. S. Zwarts en
mr. A.L.J.M.A. Janssens, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.