MvG § 4.6, 4.7.
HR, 12-07-2013, nr. 12/03196
ECLI:NL:HR:2013:CA0046
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-07-2013
- Zaaknummer
12/03196
- Roepnaam
Brinvast/Delta Lloyd
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:CA0046, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 12‑07‑2013; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA0046, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2004, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2013:CA0046, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:CA0046, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑10‑2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑06‑2012
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2019-0441
Uitspraak 12‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Verzekeringsrecht. Brandschade aan gebouwencomplex. Vergoeding van verkoopwaarde of herbouwwaarde? Uitleg verzekeringsovereenkomst. Indemniteitsbeginsel.
Partij(en)
12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/03196
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
BRINVAST B.V.,gevestigd te Schijndel,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand en mr. K.J.O. Jansen,
t e g e n
DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. D.A. van der Kooij.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Brinvast en Delta Lloyd.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de vonnissen in de zaak 448299/HA ZA 10-147 van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010 en 10 november 2010;
het arrest in de zaak 200.082.615/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 20 maart 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Brinvast beroep in cassatie ingesteld. Delta Lloyd heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor Brinvast toegelicht door mr. K. Teuben en mr. K.J.O. Jansen, advocaten bij de Hoge Raad en voor Delta Lloyd door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.
Mr. Teuben, voornoemd, heeft namens Brinvast bij brief van 8 mei 2013 op die conclusie gereageerd; de advocaten van Delta Lloyd hebben dat gedaan bij brief van 10 mei 2013.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Brinvast in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Delta Lloyd begroot op € 6.118,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Delta Lloyd in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Brinvast begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.A. Loth, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Conclusie 26‑04‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Verzekeringsrecht. Brandschade aan gebouwencomplex. Vergoeding van verkoopwaarde of herbouwwaarde? Uitleg verzekeringsovereenkomst. Indemniteitsbeginsel.
12/03196
mr. J. Spier
Zitting 26 april 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake
Brinvast B.V.
(hierna Brinvast)
tegen
Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.
(hierna Delta Lloyd)
1. Feiten
1.1 In cassatie kan van de navolgende feiten worden uitgegaan.(1)
1.2 Brinvast was eigenaar van een pand gelegen aan de Vicaris van Alphenstraat 8 te Schijndel. In het pand was een café-restaurant gevestigd. In een aanbouw van het pand, met het adres Kluisstraat 11, was de plaatselijke bibliotheek ondergebracht. Ook die aanbouw was eigendom van Brinvast. Sedert medio 2005 werden de panden via Camelot Beheer B.V. "antikraak" bewoond. Beide panden van Brinvast worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als "het gebouwencomplex" of "het complex".
1.3 Het gebouwencomplex was in 2002 door de rechtsvoorgangers van Brinvast aangeschaft als beleggingsobject.
1.4 Op 18 december 2002 is een verzekeringsovereenkomst (hierna de verzekeringsovereenkomst) ten aanzien van het gebouwencomplex tot stand gekomen tussen Brinvast als verzekeringnemer en Eurolloyd B.V. Verzekeringen (hierna Eurolloyd) als gevolmachtigd agent, eerst voor London Market, vervolgens voor Lloyd's of London en vanaf 18 december 2007 voor Delta Lloyd.
1.5 In de oorspronkelijk afgegeven verzekeringspolis van 10 januari 2003 met polisnummer B 126.031 werd als bestemming van het gebouwencomplex vermeld: café-restaurant met zaal annex bibliotheek.
1.6 Per e-mail van 5 april 2006 heeft [betrokkene 1], directeur van [A] B.V., assurantietussenpersoon van Brinvast, het volgende aan Eurolloyd laten weten:
"Beide panden worden inmiddels bewoond door in totaal een zestal bewoners via bemiddeling van Camelot Beheer (...). Er is dus geen sprake van leegstand.
Kunt u mij aangeven of de lopende dekking kan worden gecontinueerd?"
1.7 Namens Eurolloyd heeft [betrokkene 2] per email van 10 april 2006 als volgt gereageerd:
"(...) kunnen wij u mededelen dat verzekeraars bereid zijn om de polis vooralsnog te continueren. Dit dekking zal echter beperkt worden tot de condities brand/storm.
Graag ontvangen wij nog uw schriftelijk bericht inzake de toekomstverwachting van het gebouw.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben en zullen u het wijzigingsaanhangsel zo spoedig mogelijk doen toekomen."
1.8 In het polisaanhangsel no. 2 van 11 april 2006 is de bestemming van het gebouwencomplex gewijzigd in 'tijdelijke bewoning door anti-kraakorganisatie'.
1.9 In het polisaanhangsel van 11 september 2007 is als totaal verzekerde som € 5.518.653 opgenomen.
1.10 Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de algemene verzekeringsvoorwaarden volgens model J2006-ALG (hierna ALG), de bijzondere voorwaarden voor uitgebreide verzekering van gebouwen met referentie BEURS J2006-GEB (hierna GEB) en de bij deze voorwaarden horende lijst met definities met referentie BEURS J2006-DEF (hierna DEF). Deze algemene voorwaarden worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als 'de verzekeringsvoorwaarden'.
1.11 Paragraaf 5 van de GEB bepaalt, voor zover van belang:
"5.1 De verplichting van verzekeraars tot schade-uitkering bestaat uit:
5.1.1 naar keuze van verzekeraars, het verschil tussen de waarde van de verzekerde zaken onmiddellijk voor en onmiddellijk na de gebeurtenis (...),
5.1.2 het bedrag van de vergoedingen boven het verzekerde bedrag overeenkomstig paragraaf 4 (...).
5.2 Waardegrondslag
Bij de bepaling van de waarde van de verzekerde gebouwen onmiddellijk voor de gebeurtenis wordt uitgegaan van de waardegrondslag zoals hieronder genoemd wordt, terwijl bij de vaststelling van de waarde onmiddellijk na de gebeurtenis met deze waardegrondslag rekening zal worden gehouden.
(...)
5.2.2 De herbouwwaarde is de waardegrondslag mits:
5.2.2.1 verzekerde binnen 12 maanden na de schade datum schriftelijk meedeelt dat tot herstel respectievelijk tot herinvestering, al dan niet op dezelfde plaats wordt overgegaan. De herinvestering moet dan binnen 24 maanden na de schadedatum zijn voltrokken;
5.2.2.2 deze lager is dan de verkoopwaarde;
5.2.2.3 op het gebouw een herbouwplicht rust.
5.2.3 De verkoopwaarde is de waardegrondslag indien het gebouw vóór de gebeurtenis:
5.2.3.1 ter verkoop stond aangeboden (...);
5.2.3.2 door de bevoegde autoriteiten onbewoonbaar of onbruikbaar was verklaard;
5.2.3.3 geheel of gedeeltelijk langer dan 6 maanden leeg stond of buiten gebruik was;
5.2.3.4 geheel of gedeeltelijk langer dan 3 maanden gebruikt werd door onbevoegden zoals krakers (...)
5.2.3.5 verzekerde niet binnen 12 maanden na de schadedatum heeft medegedeeld dat tot herstel van de schade wordt overgegaan en dit niet binnen 24 maanden is voltrokken.
(...)
5.2.4 De sloopwaarde indien:
5.2.4.1 de verzekerde voor de gebeurtenis al het voornemen had om het gebouw af te breken;
5.2.4.2 het gebouw bestemd was voor afbraak of onteigening (...)."
1.12 Art. 4 van de DEF bepaalt, voor zover van belang:
"4.4 Herbouwwaarde
Het bedrag dat benodigd is voor herbouw van een verzekerd gebouw - op dezelfde locatie en met dezelfde bestemming naar constructie en indeling gelijkwaardig - onmiddellijk na de gebeurtenis.
(...)
4.10 Herinvestering
Het aanwenden van de schadevergoeding voor herstel, (her)bouw en/of aanschaf van zaken als bedoeld in 2.1 tot en met 2.6 van dit polisblad ter voortzetting van het bedrijf, beroep of andere activiteiten of functie, vallende binnen de in de polis weergegeven omschrijving."
1.13 Op 10 november 2008 is brand ontstaan in het gebouw aan de Vicaris van Alphenstraat 8. Als gevolg van de brand is het gebouwencomplex geheel verloren gegaan.
1.14 Delta Lloyd heeft een expertiseonderzoek naar de toedracht van de brand laten verrichten door onderzoeksbureau I-Tek B.V.
1.15 In een taxatierapport, opgesteld door [B] B.V. als expert voor verzekeraars en [C], expert voor verzekerde, ondertekend op 7 mei/10 juni 2009 is - voor zover van belang - opgenomen:
"(...) hiertoe benoemd bij akte d.d. 18 november 2008 ter vaststelling van de schade, die op 10 november 2008 ten gevolge van brand is ontstaan aan verzekerde zaken, zijnde gebouw met funderingen op het adres V. van Alphenstraat 8/Kluisstraat 11, 5482 KL Schijndel verzekerd op polisnummer [001] tot een bedrag van € 5.263.300,00
verklaren de volgende bedragen te hebben vastgesteld:
€ 4.507.105,00 exclusief BTW op gebouw, herbouwwaarde
€ 1.579.875,00 exclusief BTW op gebouw, verkoopwaarde
€ 50.000,00 exclusief BTW op gebouw, sloopwaarde
€ 54.112,00 exclusief BTW op opruimingskosten, bij herbouwwaarde en verkoopwaarde
€ 9.985,00 exclusief BTW op extra kosten eisen overheid
€ 9.500,00 exclusief BTW op tuinaanleg/bestrating
(...)"
1.16 In december 2008 heeft Delta Lloyd € 60.000 aan Brinvast betaald, te weten € 50.000 voor de sloopwaarde van het gebouwencomplex, vermeerderd met € 9.985 voor de kosten die zijn gemaakt op last van de gemeente Schijndel.
1.17 Op 29 december 2009 is een bouwvergunning (voor de eerste fase) aan Brinvast verleend voor de herbouw van het gebouwencomplex.
2. Procesverloop
2.1.1 Op 28 december 2009 heeft Brinvast Delta Lloyd gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam en gevorderd om Delta Lloyd te veroordelen aan Brinvast (onder de polis met nummer [001]) te vergoeden de schade als gevolg van de onder 1.13 genoemde brand (inclusief opruimingskosten, extra kosten wegens nadere eisen overheidswege en tuinaanleg/bestrating) van € 4.580.702, verminderd met de reeds gedane uitkering van € 60.000, zulks met nevenvorderingen.
2.1.2 Brinvast heeft, in de weergave van de Rechtbank (rov. 3.2), aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst recht heeft op vergoeding van de herbouwwaarde van het gebouwencomplex.
2.2 Delta Lloyd heeft, eveneens in de weergave van de Rechtbank (rov. 3.3), ten verwere aangevoerd dat zij slechts gehouden is tot vergoeding van de sloopwaarde nu Brinvast al vóór de brand het voornemen had tot sloop van het gebouwencomplex.
2.3 De Rechtbank heeft Delta Lloyd in haar vonnis van 10 november 2010 de (hoofd)-vordering van Brinvast toegewezen onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee jaar na betekening van dit vonnis de herbouw overeenkomstig de onder 2.16 genoemde bouwvergunning is gerealiseerd.(2) Het Hof heeft in rov. 4.1.5 een samenvatting gegeven van de door de Rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde gronden.
2.4 Delta Lloyd is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen.
2.5 Het Hof Amsterdam heeft het bestreden vonnis bij arrest van 20 maart 2012 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Delta Lloyd veroordeeld tot betaling aan Brinvast van € 1.593.472. Het Hof heeft hiertoe - voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:
"4.3 Bij de bespreking van de grieven 1, 2 en 4 van Delta Lloyd stelt het hof voorop dat partijen het blijkens hun stellingen in hoger beroep erover eens zijn dat vanwege de totstandkomingsgeschiedenis van de omstreden verzekeringsovereenkomst bij de uitleg van die overeenkomst een meer objectieve benadering past. Het hof deelt die visie en zal de bepleite uitlegmaatstaf toepassen.
4.4 De (rechts)toestand van het verzekerde gebouwencomplex en het daarmee gemoeide belang van Brinvast werden op 10 november 2008, de dag van de brand, gekenmerkt door de volgende feiten en omstandigheden:
- De bedrijfsactiviteit van Brinvast was vastgoedontwikkeling.
- (De rechtsvoorgangster van) Brinvast was eigenaar van het gebouwencomplex, vanaf 2002. Zij had het complex gekocht als beleggingsobject.
- De tussenpersoon die Brinvast bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst heeft bijgestaan, heeft medio december 2002 als te verzekeren waarde van het complex opgegeven € 4,5 mio. In het polisaanhangsel van 11 september 2007 werd als totale verzekerde som een bedrag groot € 5.158.653,- opgenomen.
- Brinvast had van meet af aan de bedoeling om tot herontwikkeling van (de locatie van) het gebouwencomplex over te gaan; Brinvast stond sloop van het bestaande gebouwencomplex voor ogen alsmede de bouw van een nieuw multifunctioneel complex.
- Het gebouwencomplex werd sedert het voorjaar van 2006 niet meer overeenkomstig de oorspronkelijke contractuele bestemming gebruikt, de bibliotheek en de horeca waren vertrokken. In afwachting van de herontwikkeling was voorzien in tijdelijk gebruik. Delta Lloyd was daarmee bekend.
- Brinvast was al jaren in overleg met de gemeente over haar plannen. Goedkeuring daarvoor had zij van de gemeente (nog) niet verkregen. Volgens de welstandscommissie was de hoofdopzet voorstelbaar. De artikel 19, lid 2,WRO-procedure was medio 2008 gestart. Noch een bouwvergunning, noch een sloopvergunning was aangevraagd. Wel hadden een verkennend bodemonderzoek en een akoustisch onderzoek plaatsgehad alsmede een Klic-melding.
- Brinvast had plaatselijke makelaars benaderd ten behoeve van een haalbaarheidsonderzoek. Het resultaat van dit onderzoek hield onder meer in dat moest worden zorg gedragen voor flexibeler bouw, welk resultaat had genoodzaakt tot bijstelling van de plannen. Verder had Brinvast de plaatselijke woningbouwvereniging Huis en Erf bij haar plannen betrokken. Bovendien was van serieuze interesse van investeerders gebleken.
- Brinvast had met inbegrip van de koopsom ruim € 4 mio geïnvesteerd in het gebouwencomplex en het daarmee verbonden project. In de jaren 2002, 2003 en 2004 had de huuropbrengst van het gebouwencomplex € 373.220,- bedragen.
- Brinvast was van plan om het gebouwencomplex te verhuren dan wel te verkopen, als de herontwikkeling niet van de grond zou komen.
4.5 Het hof leidt uit dit samenstel van feiten en omstandigheden af dat Brinvast als vastgoedontwikkelaar druk doende was om haar plan gerealiseerd te krijgen en dat zij daarvoor forse investeringen had gedaan. Brinvast had uitzicht op realisering van haar plan. De benodigde vergunningen waren er evenwel niet. Verder leidt het hof uit dit samenstel van feiten en omstandigheden af dat sloop van het bestaande gebouwencomplex deel uitmaakte van het plan van Brinvast maar dat dit voornemen tot sloop onlosmakelijk was verbonden met de rest van haar plan. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat Brinvast het gebouwencomplex wilde slopen zonder daarvoor in de plaats een nieuw gebouw te bouwen. De stellingen van Delta Lloyd zijn ontoereikend om over een en ander anders te denken. Bewijslevering kan in zover dus achterwege blijven.
4.6 Dit samenstel van feiten en omstandigheden moet in aanmerking worden genomen bij de keuze van de waardegrondslag waarvan moet worden uitgegaan bij de bepaling van de waarde van het gebouwencomplex onmiddellijk voor en na de brand als bedoeld in artikel 5.2 aanhef van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden.
Ook verdient vermelding dat tussen partijen verder niet omstreden is dat in artikel 5.2 de werking van het zogenoemde indemniteitsbeginsel tot uitdrukking is gebracht.
4.7 Naar het oordeel van het hof kan op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden niet worden aanvaard dat Brinvast vóór de brand al het voornemen had om het gebouwencomplex af te breken noch dat het gebouw bestemd was voor afbraak, alles als bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden. Afbraak was, als gezegd, slechts aan de orde in het geval zou worden overgegaan tot nieuwbouw. Zou nieuwbouw niet worden toegestaan, dan was Brinvast van plan om het gebouwencomplex te verhuren of te verkopen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat Brinvast de waarde die voor haar besloten lag in de mogelijkheid van verhuur of verkoop van het gebouwencomplex had prijsgegeven. Artikel 5.2.4 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden mag dan ook niet zo worden uitgelegd dat aan die waardebepalende factor wordt voorbijgegaan. Deze contractsbepaling biedt geen toereikende grondslag om aan te nemen dat het voornemen tot sloop mag worden geïsoleerd van het nieuwbouwplan. Van een voornemen tot sloop als bedoeld in artikel 5.2.4 kan derhalve niet worden gesproken.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat Delta Lloyd niet mag volstaan met uitkering van de sloopwaarde.
4.8 Vervolgens is de vraag aan de orde of Delta Lloyd gehouden is tot uitkering van de herbouwwaarde. In dit verband moet worden onderzocht of Brinvast heeft medegedeeld over te gaan tot herstel respectievelijk herinvestering, als bedoeld in artikel 5.2.2 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden in verbinding met artikel 4 van de bijbehorende lijst met definities.
4.9 Delta Lloyd en Brinvast zijn het erover eens dat Brinvast nimmer heeft meegedeeld het oude gebouwencomplex te willen herbouwen. Het lag al evenmin in haar bedoeling een gebouwencomplex te bouwen met de bestemming "café-restaurant met zaal annex bibliotheek" dan wel een gebouwencomplex met de bestemming "tijdelijke bewoning door anti-kraakorganisatie". De moeilijkheid doet zich nu juist voor dat zij een ander soort gebouwencomplex wilde bouwen met als functieomschrijving "appartementen en commerciële ruimtes" maar dat een dergelijk gebouwencomplex er nog niet stond.
4.10 Voor die situatie is de waardebepaling naar de herbouwwaarde naar het oordeel van het hof niet bedoeld. De argumentatie van Brinvast biedt ontoereikend houvast om daarover in haar geval anders te denken. De waardebepaling met gebruikmaking van de herbouwwaarde vindt haar begrenzing in de functionele continuïteit van het gebouwencomplex. Die functionele continuïteit is hier onvoldoende voor handen. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat Delta Lloyd desalniettemin in de verzekeringsovereenkomst waardebepaling op deze grondslag en dus gebrekkige mogelijkheden tot afgrenzing heeft aanvaard. Brinvast mocht al evenmin veronderstellen dat Delta Lloyd een dergelijke waardebepaling had aanvaard, ook niet toen zij de gewijzigde contractuele bestemming had geaccepteerd. De voor het nieuwe gebouw voorziene functie ligt ook niet zo dicht bij de functie van het oude gebouw dat Delta Lloyd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten meer zou mogen ontlenen aan deze polisbepaling. Dat de verschuldigde verzekeringspremie na het vertrek van de huurders niet goed zou corresponderen met de actuele waarde van het gebouwencomplex legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, reeds omdat niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is wat ten grondslag ligt aan de premiestelling.
4.11 Brinvast heeft nog betoogd dat de verzekeringsvoorwaarden zo moeten worden uitgelegd dat de omstandigheid dat het gebouwencomplex voor haar beleggingsobject was als aanknopingspunt heeft te gelden voor waardebepaling met inachtneming van de herbouwwaarde. Het hof verwerpt dit betoog. De omschrijving "beleggingsobject" heeft een voor waardebepaling met inachtneming van de herbouwwaarde moeilijk vast te stellen betekenis. Bezwaarlijk kan dan ook worden aanvaard dat Delta Lloyd waardebepaling op die grondslag heeft beoogd. Er bestaat evenmin toereikende grond voor het oordeel dat Brinvast op een dergelijke bedoeling gerechtvaardigd mocht vertrouwen.
4.12 Slotsom van deze overwegingen is dat Delta Lloyd in zover succes heeft met haar grieven 1, 2 en 4 dat zij niet gehouden is tot schade-uitkering aan Brinvast met als waardegrondslag de herbouwwaarde.
4.13 Het hof leidt af uit de stellingen van Brinvast, zowel die in hoger beroep als die in de eerste aanleg, dat Brinvast subsidiair aanspraak maakt op schade-uitkering met als waardegrondslag verkoopwaarde. In zover is haar vordering toewijsbaar. De akte van taxatie die tussen partijen is opgemaakt en op 7 mei 2009 respectievelijk 10 juni 2009 namens partijen is ondertekend vermeldt als verkoopwaarde € 1.579.875,00 exclusief BTW op gebouw. Aan die taxatie is Brinvast gebonden. Brinvast heeft nog bepleit, zo begrijpt het hof haar stellingen dat tot de verkoopwaarde de beleggingswaarde van het verzekerde gebouwencomplex moet worden gerekend, zodat haar ook vergoeding van die belegging[s]waarde toekomt. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die beleggingswaarde geen rol heeft gespeeld bij de door de betrokken deskundigen vastgestelde verkoopwaarde. Aan Brinvast komt dus een bedrag groot € 1.579.875,00 toe.
4.14 Eveneens zijn toewijsbaar de opruimingskosten die door de taxateur zijn begroot op € 54.112,00 exclusief BTW. Ook komt Brinvast vergoeding van de extra kosten eisen overheid toe ten bedrage van € 9.985,00 exclusief BTW alsmede de kosten tuinaanleg/bestrating ten bedrage van € 9.500,00 exclusief BTW, welke kostenposten onbestreden zijn gebleven.
4.15 Per saldo is toewijsbaar een bedrag groot € 1.653.472,00. Daarop strekt in mindering het reeds betaalde bedrag groot € 60.000,00, zodat het hof zal toewijzen een bedrag groot € 1.593.472,00. Het door Brinvast meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de door Brinvast gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, omdat deze afwijzing door Brinvast verder niet in het hoger beroep is betrokken."
2.7 Brinvast heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Delta Lloyd heeft geconcludeerd voor antwoord en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. Hierop heeft Brinvast geantwoord, waarna partijen hun stellingen schriftelijk hebben toegelicht. Brinvast heeft vervolgens nog gerepliceerd en Delta Lloyd gedupliceerd.
3. Inleiding
3.1 Afhankelijk van de optiek gaat het hier om een zaak die juridisch interessant is, dan wel een geschil dat geen relevante juridische kwesties aan de orde stelt vanwege het hoge feitelijke gehalte van 's Hofs oordeel. De meeste klachten schuren langs goeddeels feitelijke kwesties, gebaseerd als ze zijn op de uitleg van de verzekeringsvoorwaarden en de vraag of het Hof voldoende op een grote veelheid van niet steeds even relevante stellingen is ingegaan.
3.2 De verzekeraar hamert daarenboven op het indemniteitsbeginsel. Niet geheel zonder recht. Maar omdat zij in mijn ogen overvraagt en haar betoog geheel is gebaseerd op een onjuist feitelijk vertrekpunt, kan dit beginsel haar m.i. niet baten.
3.3 Ontdaan van wat franje is één van de speerpunten van Brinvast dat de verzekeraar van de hoed en de rand wist en dat hij ondanks het in zijn visie véél lagere risico de oude (aanzienlijke) premie is blijven incasseren.(3) Aldus probeert zij het beeld op te roepen van een inhalige verzekeraar die wel premie wil ontvangen, maar niet wil uitkeren.(4) Ook die discussie vertoont raakvlakken met het indemniteitsbeginsel, meer in het bijzonder de bres die Uw Raad daarin heeft geschoten.
3.4 Laat ik maar met de deur in huis vallen: hoewel ik hierna op de onder 3.2 en 3.3 genoemde themata inga, denk ik dat deze zaak zich niet goed leent voor een principiële aanpak. 's Hofs beoordeling is immers heel sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard. Een andere waardering, zowel ten gunste van Brinvast als van Delta Lloyd, was wellicht mogelijk geweest, maar dat is onvoldoende om het bestreden arrest te doen sneven.
4. De kern van 's Hofs gedachtegang
4.1 In rov. 4.4 schetst het Hof de omstandigheden die zijns inziens voor beoordeling van de door partijen opgeworpen vragen van belang zijn. M.i. komt het met name aan op het volgende:
a. Brinvast had het voornemen over te gaan tot herontwikkeling en daarmee sloop van de bestaande bouwsels;
b. uitvoering van dit voornemen stuitte evenwel op een aantal problemen, terwijl in elk geval nog een aantal vergunningen moest worden aangevraagd;
c. als herontwikkeling niet van de grond zou komen, dan wilde Brinvast het gebouwencomplex verkopen of verhuren.
4.2 Uit een en ander trekt het Hof in rov. 4.5 de conclusie dat er "uitzicht bestond op realisering" van de plannen van Brinvast, waarmee het Hof tot uitdrukking brengt dat er een reële mogelijkheid bestond dat haar plannen konden worden gerealiseerd. Deze bedoeling komt tot uitdrukking in de tweede alinea van rov. 4.5: zonder dat er nieuwbouw zou komen, zou Brinvast niet tot sloop hebben willen overgaan. Nog duidelijker blijkt dit uit rov. 4.7.
4.3 In rov. 4.6 memoreert het Hof dat het indemniteitsbeginsel is verankerd in art. 5.2 van de bijzondere verzekeringsvoorwaarden.
4.4.1 Om voor vergoeding op basis van herbouwwaarde in aanmerking te komen, is vereist dat de beoogde nieuwbouw - geparafraseerd weergegeven - een "functionele continuïteit van het gebouwencomplex" zou zijn. Welnu, deze is er in casu "onvoldoende", ook al niet omdat het beoogde nieuwe gebouw qua functie "niet zo dicht [ligt] bij de functie van het oude gebouw dat Delta Lloyd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten meer zou mogen ontlenen aan deze polisbepaling" (rov. 4.10).
4.4.2 De omschrijving van "beleggingsobject" ter bepaling van de waarde acht het Hof "moeilijk vast te stellen".
5. Een korte verkenning van het indemniteitsbeginsel
5.1 In het om een aantal redenen vrij spectaculaire arrest Maring/Assuradeuren gewaagt Uw Raad van het aan het Nederlandse schadeverzekeringsrecht ten grondslag liggende indeminiteitsbeginsel. Dat brengt mee dat
"de verzekeringsovereenkomst behoort te zijn gericht op de vergoeding van de schade welke de verzekerde zal lijden als gevolg van het onzeker voorval waartegen de verzekering dekking geeft, en niet de strekking mag hebben dat de verzekerde als gevolg van het intreden van dat voorval in een voordeliger positie geraakt".(5)
5.2.1 Voor het huidige recht is dit beginsel verankerd in art. 7:944 BW, met dien verstande dat art. 7:960 BW er een zekere bres in schiet: de verzekerde mag krachtens de verzekering geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken; dit laatste sluit aan bij de benadering in de rechtspraak.(6) Ingevolge art. 7:963 lid 1 BW is art. 7:960 BW van dwingend recht.
5.2.2 In de Principles of European Insurance Contract Law komt, naar de kennelijke strekking, in art. 8:101 lid 1 eenzelfde bepaling voor als art. 7:944 BW. Uit de toelichting blijkt evenwel dat deze bepaling geen wet van Meden en Perzen is; immers wordt gerept van "in principle". Ook moet de toelichting met de nodige voorzichtigheid worden benaderd. Vermeld wordt dat het beginsel "a central role [heeft] in all legal systems", terwijl enkele pagina's verderop wordt vermeld dat het beginsel in Zweden en Duitsland is losgelaten.(7)
5.2.3 Art. 7:956 BW bepaalt nog dat een gebouw naar zijn herbouwwaarde "is verzekerd".
5.3 In het arrest Maring/Assuradeuren en later ook in de MvAI op art. 7:960 BW wordt benadrukt dat de "algemene strekking van het indemniteitsbeginsel" is "te voorkomen dat de verzekerde belang krijgt bij de schade". De MvAI voegt daaraan nog toe dat het beginsel voldoende duidelijk is geformuleerd en in de praktijk geen grote moeilijkheden heeft gegeven.(8)
5.4 Als ik het goed zie, dan moet de dragende grond die wordt geschoven onder afwijking van het beginsel vooral worden hierin gezocht dat strikt vasthouden aan het beginsel tot onbevredigende uitkomsten kan leiden. In voorkomende gevallen moge juist zijn dat de verzekerde in vermogenstechnische zin beter wordt van een uitkering op basis van nieuwbouwwaarde, maar zou hij minder ontvangen dan zou hij problemen kunnen ondervinden, bijvoorbeeld bij het voortzetten van zijn onderneming waarin het teloor gegane gebouw een belangrijke functie vervulde.(9) Daarnaast speelt, onder meer, een rol dat premie is betaald voor de dekking op basis van herbouwwaarde.(10)
5.5 Verschillende auteurs hebben er, m.i. terecht, op gewezen dat het begrip "duidelijk voordeliger" elastisch is.(11) Aan de ene kant valt dat wellicht te betreuren, aan de andere kant biedt het juist de mogelijkheid van maatwerk. Zelf denk ik dat dit laatste een groter voordeel is dan het evidente nadeel van de afwezigheid van een glashelder, maar daarmee in voorkomende gevallen ook knellend, precies geformuleerd criterium.
6. Bespreking van het middel in het principale beroep
6.1 In het principale cassatieberoep gaat het om de vraag of Delta Lloyd gehouden is aan Brinvast de verkoopwaarde uit te keren, zoals het Hof meent, dan wel de herbouwwaarde van het gebouwencomplex zoals Brinvast steeds heeft uitgedragen.
6.2.1 De klachten proberen Uw Raad te verleiden tot beoordeling van een eindeloze reeks stellingen die het Hof, volgens Brinvast, zou hebben veronachtzaamd of miskend. Brinvast ontwikkelt eerst een algemene klacht (onder B). Deze komt er, heel kort gezegd, op neer dat onder de (in de cassatiedagvaarding onder (i)-(v) genoemde) omstandigheden een redelijke uitleg van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden meebrengt dat de verzekerde die na "vernietiging" van het pand door brand overgaat tot (her)bouw van een nieuw beleggingspand, recht heeft op uitkering van de herbouwwaarde; althans dat de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitkering naar herbouwwaarde niet kan weigeren nu de gewijzigde bestemming van het nieuwe beleggingspand is ingegeven door dwingende eisen van de gemeente.
6.2.1 De volgens Brinvast relevante omstandigheden komen er, kort gezegd, op neer dat:
1) de verzekeraar een beleggingspand tegen brand heeft verzekerd (en is blijven verzekeren) met de herbouwwaarde als hoogst mogelijke (en voor de omvang van de verzekeringspremie bepalende) waarderingsgrondslag; terwijl
2) de verzekeraar wist dat het om een beleggingspand ging en dat dit pand op termijn zal worden herontwikkeld.
6.3.1 De algemene klacht onder B wordt in de onderdelen C1-C8 verder uitgewerkt. Ik meen dat deze klachten, naar de kern genomen, het volgende aan de orde stellen:(12)
1) Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat voor uitkering naar herbouwwaarde "functionele continuïteit" is vereist (onderdeel B en onderdeel C5). In het bijzonder klagen de onderdelen C1, C2 en C4 over de door het Hof gehanteerde maatstaf in rov. 4.10. Onderdeel C1 voert aan dat het Hof heeft miskend dat ook bij een objectieve uitleg van een verzekeringsovereenkomst (welke uitleg het Hof voorop stelt in rov. 4.3) plaats is voor een 'contextgebonden uitleg'; onderdeel C2 meent dat het Hof een onjuiste uitleg geeft aan het indemniteitsbeginsel in het kader van de "functionele continuïteitseis"; onderdeel C4 verwijt het Hof een onjuiste uitleg te hebben gegeven aan art. 5.2.2 van de verzekeringsvoorwaarden: het gaat in dat artikel niet om het herbouwen van het oorspronkelijke pand maar om het doen van een herinvestering;
2) Bestreden wordt het oordeel van het Hof dat de bedoelde functionele continuïteit in casu onvoldoende voorhanden is (onderdeel C7);
3) Het Hof heeft ten onrechte het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen (onderdeel C6).
6.3.2 Resteert nog een klacht over overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd, daarin bestaande dat het Hof meent dat moet worden onderzocht of Brinvast heeft meegedeeld over te gaan tot herstel respectievelijk herinvestering (onderdeel C3) en een 'slotklacht' tegen rov. 4.12 dat - als de hiervoor geformuleerde klachten slagen - Delta Lloyd niet gehouden is tot uitkering van de herbouwwaarde (onderdeel C8).
6.4 De rode draad in het middel (met name de onderdelen C4, C5 en in feite ook C7) is dat het Hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip "herbouwwaarde" en "herinvestering" als hierboven geciteerd onder 1.12.
6.5.1 Waarom het Hof uit art. 4.10 DEF had moeten afleiden dat de beoogde bouw van appartementen in plaats van het verzekerde object (aanvankelijk café-restaurant met zaal annex bibliotheek en daarna tijdelijke bewoning door anti-kraakorganisatie) herbouw in de zin van de vigerende voorwaarden zou zijn, maakt het middel evenwel niet duidelijk. Het hamert erop dat herbouw elders zou hebben mogen plaatsvinden en dat Brinvast - naar Delta Lloyd wist - een belegger was, maar noch het een, noch het ander is voldoende om de door Brinvast bepleite benadering te kunnen volgen. Art. 4.10 DEF behelst immers twee belangrijke restricties: "van zaken als bedoeld in 2.1 tot en met 2.6" (cursivering toegevoegd) en "binnen de in de polis weergegeven omschrijving". Reeds de tekst van art. 4.10 maakt duidelijk dat het niet aankomt op de hoedanigheid van de verzekerde of op de tak van bedrijvigheid waarin zij zich begeeft. Brinvast heeft evenmin iets nuttigs te berde gebracht waaruit volgt dat genoemde beperking tot specifieke zaken een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor haar stelling dat (her)bouw van iets geheel anders dan hetgeen was verzekerd, zou gelden als "herinvestering" in de hier bedoelde zin. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom het Hof op deze grond een beoogde herbouw van appartementen had moeten aanmerken als een "herinvestering" als bedoeld in art. 4.10, die dan weer aanspraak zou geven op vergoeding van herbouwwaarde. Ik onderschrijf aldus het standpunt van mrs Van der Wiel en Van der Kooij in hun s.t. onder 4.1 - 4.6.
6.5.2 Bovendien - het is een zelfstandig dragende grond - geeft art. 4.4 DEF aan wat onder herbouwwaarde moet worden verstaan:
"het bedrag dat benodigd is voor herbouw van een verzekerd gebouw - op dezelfde locatie en met dezelfde bestemming naar constructie en indeling gelijkwaardig - onmiddellijk na de gebeurtenis"
De beoogde bouw voldoet niet aan de zojuist genoemde eisen. Daarbij valt nog te bedenken dat art. 5.2.1.1 GEB voor herbouwwaarde als waardegrondslag, voor zover thans van belang, vereist dat de verzekerde binnen 12 maanden na de schadedatum schriftelijk meedeelt dat tot herstel, al dan niet op dezelfde plaats, wordt overgegaan. De verschillende bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, vergen dus dat er een bouwsel moet komen met, in 's Hofs bewoordingen, een "functionele continuïteit".
6.5.3 In het licht van het voorafgaande is 's Hofs oordeel in rov. 4.10 dat een "functionele continuïteit" (in de zin van de verzekeringsvoorwaarden) ontbreekt alleszins begrijpelijk.
6.6.1 Brinvast heeft ter weerlegging van de onder 6.5 geschetste opvatting aangevoerd dat aldus de hele herbouwgrondslag illusoir wordt (repliek onder 5). Geheel juist is dat m.i. niet, want het valt wellicht niet uit te sluiten dat er mogelijkheden waren geweest van herbouw die voldoende dicht aanlagen tegen hetgeen was verzekerd, nog daargelaten dat partijen en zeker de verzekeraar onmogelijk konden weten dat de gemeente - zoals Brinvast heeft aangevoerd - herbouw zou beletten.
6.6.2 Maar zelfs als Brinvast de spijker op de kop zou slaan, verliest zij uit het oog dat zij, door tussenkomst van de directeur van haar assurantietussenpersoon, zelf heeft gevraagd om continuering van de dekking; zie onder 1.6. Retrospectief bezien, was dat wellicht niet zo'n verstandige vraag, maar Brinvast kan Delta Lloyd moeilijk aanwrijven dat zij het verzoek van Brinvast in essentie heeft gehonoreerd.
6.7 Brinvast heeft zich ten slotte, ter stoffering van haar standpunt, nog beroepen op het arrest Allianz/Ronvast.(13) Op het eerste gezicht is dat beroep ijzersterk. Immers werd in dat arrest in rov. 3.3 het volgende geoordeeld:
"Bij verzekering van een bedrijfsgebouw naar herbouwwaarde is (...) , tenzij anders is overeengekomen, niet van belang of het gebouw na te zijn herbouwd een zelfde functie in de bedrijfsvoering van de verzekerde herkrijgt als die welke het had vóór het plaatsvinden van de gebeurtenis waardoor het is beschadigd of verloren is gegaan."
6.8 Delta Lloyd meent dat dit arrest niet van belang is omdat het afgebrande gebouwencomplex geen functie meer vervulde in de bedrijfsvoering van Brinvast (s.t. onder 4.6). Onverdedigbaar is die opvatting niet, maar zij lijkt mij wel wat gezocht. In casu was evident sprake van een onvermijdelijke tussenoplossing. Dat wist Delta Lloyd ook, wat valt af te leiden uit haar vraag naar hetgeen Brinvast met het verzekerde van plan is; zie hiervoor onder 1.7.
6.9 Nochtans meen ik dat Brinvast geen steun kan vinden bij het arrest Allianz/Ronvast. Het thans bestreden arrest kan moeilijk anders worden begrepen dan aldus dat in casu "anders is overeengekomen" in de zin van het onder 6.7 geciteerde arrest en wel door opneming van de herinvesteringsclausule met daarin de hiervoor besproken beperkingen. Dat (feitelijke en niet onbegrijpelijke) oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
6.10 Ik ben me er - uiteraard - van bewust dat de rechtspraak van Uw Raad op het stuk van vorderingen tot uitkering van de herbouwwaarde verzekerde-vriendelijk is. Ook in casu is voor zo'n aanpak zeker iets te zeggen, met name ook in het licht van hetgeen Brinvast in haar s.t. onder 2.14 onder v te berde heeft gebracht. Als Uw Raad Brinvast te hulp wil schieten, is m.i. de "eenvoudigste" weg aansluiting te zoeken bij het arrest Allianz/Ronvast. Aan te nemen ware dan dat in casu niet anders is overeengekomen in de hiervoor onder 6.9 bedoelde zin. Maar die weg is m.i. niet heel gemakkelijk begaanbaar om de eveneens onder 6.9 genoemde reden.
6.11 Onderdeel C1 scharniert om de uitleg en de daarbij door het Hof gehanteerde maatstaf. Voor het geval het Hof heeft geoordeeld dat geen ruimte bestaat voor het meewegen van andere omstandigheden dan louter objectieve wordt dat oordeel gelaakt.
6.12 Bij de uitleg van verzekeringsvoorwaarden is sinds het arrest Chubb/Dagen-staed(14) het zwaartepunt verplaatst naar de objectieve factoren. De Hoge Raad verwoordde het als volgt:
"3.4.2 Het gaat hier om de uitleg van art. 2.1.2 van de polisvoorwaarden, die deel uitmaken van een beurspolis. Nu over dergelijke voorwaarden niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden (en uit de stukken van het geding geen andere conclusie getrokken kan worden dan dat niet gesteld is dat zulks in dit geval anders is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval - zoals ook hier - bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.
Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (vgl. HR 9 juni 2006, nr. C05/075, NJ 2006, 326). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen."
6.13.1 Door de woorden 'met name' is er nog wel ruimte om, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, bij de uitleg ook gewicht toe te kennen aan meer subjectieve factoren (zoals de Haviltex-norm voorschrijft).(15) Wansink c.s. merken op dat deze door de Hoge Raad voorgestane meer objectieve methode 'meer uitgewerkt' betekent dat
1) geen ruimte is voor een beroep door de verzekeraar op binnen de verzekeringsbranche heersende opvattingen, indien en voor zover de verzekerde daarvan bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst niet op de hoogte was en de verzekeraar redelijkerwijs niet van het tegendeel mocht uitgaan;
2) wel ruimte bestaat om gewicht toe te kennen aan de betekenis die een bepaald begrip in het algemeen spraakgebruik heeft.(16)
6.13.2 Met betrekking tot 'beurspolissen' zal moeten worden aangenomen dat deze door tussenkomst van een professionele makelaar 'ter beurze' worden gesloten. Wansink c.s. menen dat in die gevallen, waarin gemeenlijk bij het gebruik van nieuwe condities overleg plaatsvindt tussen makelaars en beursassuradeuren, een uitleg die dichter aansluit bij de subjectieve Haviltex-norm en waarin primair aansluiting wordt gezocht bij ter beurze geldende gebruiken en opvattingen, meer in de rede ligt dan de toepassing van de meer objectieve cao-norm.(17) Met betrekking tot de overweging van de Hoge Raad in het Chubb/Dagenstaed-arrest dat over de voorwaarden van een beurspolis niet tussen partijen onderhandeld pleegt te worden, is dan ook wel kritiek geleverd.(18)
6.13.3 In het arrest Lundiform/Mexx(19) heeft Uw Raad in rov. 3.4.3 geoordeeld dat
"[o]ok indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, (...) de overige omstandigheden van het geval [kunnen] meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten."
6.14 Het Hof heeft niet vastgesteld en het middel voert niet aan dat partijen over de verzekeringsvoorwaarden hebben onderhandeld of dat er een toelichting op de voorwaarden is verstrekt. In een dergelijke setting ligt, met de onder 6.13.3 genoemde belangrijke nuancering, een meer objectieve benadering voor de hand ligt. Maar er blijft, als gezegd, zeker ruimte voor het meewegen van andere factoren bij de uitleg van de verzekeringsvoorwaarden. In zoverre gaat het onderdeel uit van een juiste rechtsopvatting.
6.15 Om twee zelfstandige redenen mislukt de klacht evenwel:
a. ook het Hof heeft in rov. 4.3 aangenomen dat bij de uitleg een 'meer objectieve benadering past'. Hiermee brengt het Hof tot uitdrukking dat ook andere factoren een rol kunnen spelen; het Hof stelt slechts conform het Chubb/Dagenstaed-arrest de objectieve benadering voorop. In rov. 4.9 en 4.10 bespreekt het vervolgens een aantal andere factoren;
b. zonder nadere toelichting, die evenwel niet uit de verf is gekomen, is niet duidelijk wat er schort aan 's Hofs hiervoor besproken uitleg van de herbouwbepaling. Onderdeel C1 blijft steken in abstracties.
6.16 Nu 's Hofs oordeel niet is gebaseerd op het indemniteitsbeginsel, mist onderdeel C2 belang, wat daar verder ook van zij.
6.17 Ook onderdeel C3 haakt in op een overweging die 's Hofs oordeel niet draagt. Het mist daarom belang. Bovendien vergt het, blijkens voetnoot 46, teveel van de rechter, te weten dat hij zelfstandig allerlei producties gaat nalopen op mogelijke relevantie.
6.18.1 Onderdeel C7 trekt ten strijde tegen 's Hofs oordeel dat de omschrijving "beleggingsobject" een voor de waardebepaling met inachtneming van de herbouwwaarde moeilijk vast te stellen betekenis heeft. Dat oordeel wordt ontmaskerd als onbegrijpelijk omdat bij de herbouwwaarde slechts behoeft te worden beoordeeld wat de kosten zijn van herbouw van een bouwsel dat qua bestemming, constructie en indeling gelijkwaardig is. Dat wordt niet bemoeilijkt door de kwalificatie "beleggingsobject".
6.18.2 Het onderdeel voert daarenboven, geparafraseerd weergegeven, aan dat herbouw in de oorspronkelijke vorm niet mogelijk was zodat een geheel ander bouwsel heeft te gelden als "het moderne equivalent" van hetgeen door brand teloor is gegaan.
6.19.1 De onder 6.18.1 weergegeven klacht is op zich gegrond. Het kan Brinvast evenwel niet baten. Zoals hiervoor al aangegeven, bestaat slechts in een aantal in de polisvoorwaarden wel (zo men wil: eng) omschreven situaties aanspraak op uitkering op basis van herbouwwaarde. Daartoe behoort niet de situatie dat de (beoogde) nieuwe bebouwing naar aard en bestemming volledig afwijkt van het verzekerde object dat in vlammen is opgegaan. Daarop stuit ook deze klacht in haar geheel af.
6.19.2 Het onderdeel doet nog beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Daaraan besteed ik hierna aandacht in het kader van onderdeel C6. In dat kader neem ik de onder 6.18.2 weergegeven klacht mee.
6.20.1 Onderdeel C6 scharniert om de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Als ik het goed zie, doet Brinvast een beroep op drie omstandigheden, te weten:
1) de oorzaak van de gewijzigde bestemming is gelegen in de restricties van de gemeente;
2) Brinvast is premie is blijven betalen voor een verzekering op basis van de herbouwwaarde en
3) daarom mocht zij ervan uitgaan dat zou worden uitgekeerd op basis van herbouwwaarde. Daarom zou de weigering van Delta Lloyd een uitkering naar de herbouwwaarde te betalen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
Voor het overige valt het onderdeel in herhalingen.
6.20.2 Bovendien zou het Hof, als ik het goed begrijp, buiten de rechtsstrijd zijn getreden nu in confesso is dat de premie is gebaseerd op herbouwwaarde.
6.21 In mijn conclusie van 1 maart 2013 in de zaak met rolnummer 12/03740 ben ik uitvoerig ingegaan op de problematiek van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid in het kader van verzekeringsovereenkomsten. Ik veroorloof mij een citaat uit die conclusie:
"3.14.1 Volgens het gezaghebbende handboek Wansink/Van Tiggele & Salomons(20) rechtvaardigt de gedachtegang dat "gemeten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid" van een verzekeraar niet kan worden gevergd dat hij de verzekering met iedere willekeurige verzekerde voortzet (de gedachtegang die ook ten grondslag ligt aan het huidige art. 7:948 BW), dat terughoudendheid moet worden betracht om "een beroep van de verzekeraar op het ontbreken van dekking tegenover de nieuwe verzekerde te honoreren bij gebreke van een (tijdige) verklaring in de zin van art.7:948 lid 2 BW indien er afgezien van de rechtsvorm waarin de onderneming werd uitgeoefend en de naam van de vennootschap, met de overgang van het verzekerd belang geen sprake is van relevante veranderingen (verzwaringen) ten aanzien van het verzekerd risico."
3.14.2 Voor de onder 3.14.1 verwoorde opvatting valt wél en niet veel te zeggen. Ik onderschrijf, met de onder 3.18 te maken algemene kanttekeningen, graag de opvatting dat een beroep op een bepaling zoals art. 14 in een vermoedelijk groot aantal gevallen met behulp van art. 6:248 lid 2 BW de pas kan worden afgesneden als sprake is van materieel gesproken dezelfde verzekerde vóór en na de eigendomsoverdracht. Met name in dergelijke situaties kan men zich nog wel indenken dat de verzekeringstechnische en premie-consequenties niet (ten volle) worden doordracht, vooral wanneer het gaat om kleinere ondernemingen.
3.14.3 Met de onder 3.14.2 gemaakte kanttekening, kan men zich evenwel afvragen of de opvatting van Wansink c.s. niet té stellig is. Ik zou menen dat in voorkomende gevallen ook buiten situaties als door hen bedoeld door de nieuwe verzekerde met vrucht beroep zou moeten kunnen worden gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Mijn opvatting vindt steun in een betoog van Kamphuisen, evenals Wansink c.s. een kenner van zowel de theorie als de praktijk van het verzekeringsrecht. Kamphuisen heeft in een artikel in AV&S(21) betoogd dat de omstandigheid dat de verzekeraar premie is blijven ontvangen in samenhang met de omstandigheid dat een feitelijke wijziging van het materiële of morele risico ontbreekt, met zich brengt dat 'eigenlijk' niet valt in te zien welk belang van de verzekeraar geschaad zou zijn. Hij vervolgt dan:
"Voor de praktijk lijkt uit dit alles in elk geval de conclusie te moeten zijn, dat de verzekeraar steeds rekening zal moeten houden met het feit dat hij over redelijke gronden moet beschikken waarop hij de verzekering niet met de nieuwe belanghebbende zou hebben voortgezet."
3.14.4 Hierna onder 3.18 e.v. waag ik een poging om het juridisch debat in deze kwestie een stapje verder te brengen. Alvorens dat te doen, sta ik nog stil bij twee door Uw Raad gewezen arresten.
3.15.1 Het eerste arrest dat bespreking verdient is NOWM/Van Ratingen q.q.(22) Ook in die zaak kwam de hier besproken kwestie aan de orde.(23) In deze zaak werd het vervallen van de verzekering op grond van de vigerende polisbepaling door het Hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht. Het Hof overwoog daartoe - en de Hoge Raad laat dit oordeel in stand - in de eerste plaats dat NOWM (de verzekeraar) moest worden geacht ruim voor de brand op de hoogte te zijn geraakt van de wijziging van de organisatiestructuur.(24)
3.15.2 Het belang van dit arrest is vooral hierin gelegen dat duidelijk wordt dát een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid mogelijk is.
3.15.3 In mijn conclusie voor dit arrest heb ik onder andere gewezen op de potentieel relevante omstandigheid dat de verzekeraar premie is blijven ontvangen. Voorts dat in cassatie niet meer werd bestreden dat de verzekeraar niet had aangevoerd dat hij, zou destijds de vereiste melding zijn gedaan, de verzekering zou hebben beëindigd.(25)
3.16.1 De zaak Amlin en Delta Lloyd tegen Outokompu,(26) die het niet verder heeft gebracht dan een art. 81 RO beslissing (maar wel in een "vijf formatie"), is vooral van belang vanwege de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Wissink. In die zaak ging het om een juridische fusie tussen twee vennootschappen. Kennelijk(27) was in de verzekeringsvoorwaarden een meldingsbepaling opgenomen bij overgang van belang, terwijl deze melding achterwege was gebleven. Volgens het Hof had de verzekeraar - evenals in de onderhavige zaak - onder meer niet gemotiveerd weersproken dat een melding niet zou hebben geleid tot opzegging, dat de fusie geen zwaarder risico meebracht en dat na de fusie aan alle verplichtingen (ik veronderstel: vooral premiebetaling) is voldaan. Het Hof achtte niet doorslaggevend dat, volgens de verzekeraar, juridische begeleiding was ingeroepen bij de fusie. Volgens het Hof had van de verzekeraar verwacht mogen worden dat deze zou toelichten dát en waarom bij tijdige melding tot opzegging zou zijn overgegaan. Op grond van dit alles meende het Hof dat een beroep van de verzekeraar op het achterwege blijven van een melding onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (conclusie onder 2.3 e.v.).
3.16.2 Naar aanleiding van de klachten merkt A-G Wissink onder meer het volgende op:
a. omdat in de door de "nieuwe verzekerde" aangevoerde omstandigheden besloten lag dat de verzekeraar de verzekering zou hebben voortgezet, zou tijdig mededeling zijn gedaan, is niet onjuist dat het Hof waarde heeft gehecht aan de omstandigheid dat de verzekeraar niet in reactie op deze stellingen heeft aangevoerd dat hij wel zou hebben opgezegd; een "kale betwisting" zou onvoldoende zijn geweest. Daaraan doet niet af dat de verzekeraar de vrijheid zou hebben gehad om continuering achterwege te laten;
b. er zijn zekere grenzen aan de vrijheid van een verzekeraar om op te zeggen; de grenzen daarvan behoefden in die zaak evenwel niet te worden onderzocht;
c. als de verzekeraar constateert dat hij na afloop niet meer kan aantonen wat hij destijds zou hebben gedaan, dan moet hij aan de hand van zo concreet en gespecificeerd mogelijke stellingen aangeven waarom hij dat niet meer kan vaststellen;
d. aan de doorbetaling van de premie komt betekenis toe.(28)
3.17 Het is wellicht goed om een poging te wagen om de door Wasserij de Blinde c.s. aan de orde gestelde kwestie wat nader uit te werken. Te dien einde het volgende.
3.18 Toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is niet bedoeld voor generieke uitzonderingen. Integendeel: het vereist maatwerk. Zoals de wettelijke maatstaf al aangeeft en in vaste rechtspraak ook wordt benadrukt moet strikte toepassing van een contractuele bepaling in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zijn. Dat is niet spoedig het geval.
3.19 De enkele omstandigheid dat één partij van strikte toepassing van hetgeen is overeengekomen duidelijk beter en (dus) de andere partij duidelijk slechter wordt, is niet voldoende om een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid te rechtvaardigen. Zeker niet wanneer er, al met al, een voldoende goede grond voor een dergelijke onevenwichtige situatie bestaat. Wanneer ter afwering van een beroep op art. 6:248 lid 2 BW serieuze argumenten ter rechtvaardiging van de onbalans naar voren worden gebracht door degene tegen wie dit beroep in stelling wordt gebracht, dan zal het beroep doorgaans niet kunnen slagen.
3.20 Toegespitst op gevallen als de onderhavige is de enkele omstandigheid dat de "nieuwe verzekerde" is vergeten (of zegt te zijn vergeten) de overgang bij de verzekeraar aan te melden onvoldoende om een beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid te kunnen schragen. Dat wordt niet anders wanneer de verzekeringspremie reeds is voldaan of na ommekomst van de overgang steeds opnieuw is voldaan. Anders zou immers een generieke uitzondering voor een zéér groot aantal gevallen worden gecreëerd.
3.21 Een verzekeraar kan er om een veelheid van redenen een redelijk belang bij hebben om vast te houden aan de contractuele regeling. De eerste en meest in het oog springende situatie is dat ofwel sprake is van een risicoverzwaring of dat de verzekeraar ex post niet goed meer goed meer kan beoordelen of sprake is van zodanige verzwaring. Maar een verzekeraar kan, zoals ook mijn ambtgenoot Wissink eerder betoogde, er niet enkel mee volstaan dit argument in de strijd te werpen; zie onder 3.16.2 sub c. Hij zal het ten minste enigszins moeten onderbouwen. Aan die onderbouwing zullen m.i. in het algemeen geen hoge eisen mogen worden gesteld, voor zover de aangevoerde argumenten niet op voorhand gezocht of ongeloofwaardig zijn.
3.22.1 De "nieuwe verzekerde" zal desgevraagd inzicht moeten geven in kwesties die redelijkerwijs van belang zijn of (hadden) kunnen zijn bij de beoordeling door de verzekeraar van de vraag of sprake is van een risicoverzwaring. Gebruikt de verzekeraar daarvoor in het algemeen standaardformulieren, dan zullen deze doorgaans ook voldoende moeten zijn als basis voor zodanige navraag in settingen als de onderhavige.
3.22.2 Wanneer de verzekeraar in een concreet geval voldoende reden heeft - wat niet meer behoeft te zijn als een voldoende serieuze aanwijzing of verdenking - om te veronderstellen dat relevante gegevens voor hem worden achtergehouden, kan hij experts inschakelen om nader onderzoek in te stellen, wat in talloze andere settingen ook al gebeurt, bij tijd en wijle op een wijze die de persoonlijke levenssfeer van een verzekerde in het hart raakt. Wanneer de "nieuwe verzekerde" en/of, in voorkomende gevallen de verzekeringnemer, weigert om redelijke vragen te beantwoorden, zal een beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid in beginsel tot mislukken gedoemd zijn.
3.23 Ik keer nog even terug naar argumenten die de verzekeraar in stelling zou kunnen brengen ter afwering van een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Zo'n argument zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat wellicht ten tijde van de overgang geen sprake was van een risicoverzwaring, maar dat deze zich heeft voorgedaan tussen het moment waarop de litigieuze schade is ontstaan en de overgang. Ook hier zullen doorgaans geen hoge eisen mogen worden gesteld aan de stelplicht van de verzekeraar.
3.24 Voorts kan worden gedacht aan gevallen waarin er redelijke aanwijzingen zijn dat de schadeveroorzakende gebeurtenis door de "nieuwe verzekerde" welbewust of met meer dan gewone onachtzaamheid in de hand is gewerkt, bijvoorbeeld omdat er redelijke - maar uit de aard der dingen niet steeds hard bewijsbare - aanwijzingen zijn voor brandstichting. Wanneer een verzekeraar zich ten opzichte van de "eigenlijke verzekerde" op brandstichting wil beroepen, dan zal hij deze moeten bewijzen. Maar in een setting waarin de "nieuwe verzekerde" het voor zijn dekking moet hebben van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid zijn redelijke aanwijzingen m.i. voldoende. Wanneer daarvan sprake is, kan in het algemeen niet worden gezegd dat onaanvaardbaar is dat de verzekeraar beroep doet op een bepaling zoals art. 14.
3.25 In voorkomende gevallen kan ook van belang zijn of sprake is van een professionele verzekeringnemer en/of een professionele "nieuwe verzekerde", dan wel of de "nieuwe verzekerde" werd bijgestaan door een professionele tussenpersoon die van de overgang op de hoogte was.
3.26 Ook de hoogte van de schade kan mogelijk van belang zijn. Naarmate deze geringer is, is het uit rechtseconomisch oogpunt niet zinvol om een lange strijd aan te moedigen over de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid."
6.21 Het lange citaat uit eigen werk heeft betrekking op een enigszins andere kwestie. Maar er zijn m.i. voldoende raakpunten. Voor een geslaagd beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, des dat een uitdrukkelijke beperking van de dekking wordt geëcarteerd, zijn sterke argumenten nodig.
6.22.1De kern van het betoog van Brinvast komt erop neer dat zij dacht en mocht denken dat zij bij brand nog steeds een uitkering op herbouwwaarde zou krijgen.
6.22.2 Voor dat betoog valt wat te zeggen, maar er valt ook veel op af te dingen, afhankelijk van een (feitelijke) waardering van de omstandigheden van het onderhavige geval. Ik stel voorop dat, zoals we hebben gezien, de tekst van de dekkingsvoorwaarden geen steun biedt voor de opvatting van Brinvast. Juist daarom zal zij het moeten hebben van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.
6.23 M.i. draait het bij de beoordeling van de hier besproken klacht om de interpretatie van het onder 1.5 geciteerde verzoek van Brinvast. Men kan dat op twee manieren lezen, waarbij het aankomt op de uitleg van "de lopende dekking":
a. de bestaande dekking op herbouwbasis wordt gehandhaafd, al is niet helemaal duidelijk wat dat voor gevallen al de onderhavige precies betekent;
b. de dekking zoals deze volgens de toepasselijke voorwaarden bestond, moet blijven bestaan. In deze lezing wordt, in mijn eigen woorden, in genen dele een uitbreiding aan de dekking gegeven, anders dan de uitdrukkelijke aanvaarding door de verzekeraar van de "antikraak-bewoning".
6.24 Het onder 1.6 geciteerde antwoord van de verzekeraar, waarin wordt gerept van continuering van "de polis", doet m.i. vermoeden dat hij is uitgegaan van de lezing onder 6.23 sub b, maar dat veronderstelt dat hij zich het probleem bewust is geweest.
6.25.1 Het middel doet geen beroep op concrete stellingen die voedsel geven aan de gedachte dat moet worden uitgegaan van de onder 6.23 sub a bedoelde lezing.
6.25.2 Ware dat al anders, dan betekent dat nog steeds niet, laat staan zonder meer, dat Brinvast mocht aannemen dat, ongeacht de omstandigheden, zou worden uitgekeerd op basis van herbouwwaarde, ook wanneer niet aan de daarvoor in de polisvoorwaarden gestelde voorwaarden was voldaan. Dat klemt eens te meer in het licht van het navolgende.
6.26 De cassatiedagvaarding wijst er onder 5 zelf - klaarblijkelijk als relevante omstandigheid - op dat er ten tijde van de brand nog geen concreet voornemen tot sloop bestond,(29) zij het dat wel - naar Delta Lloyd volgens Brinvast ook wist - het voornemen tot herontwikkeling bestond (cassatiedagvaarding onder 6 (ii) tweede liggend streepje). Anders gezegd: Brinvast had als gevolg van de door Delta Lloyd gecontinueerde polis een reële dekking.
6.27 Betekent de enkele omstandigheid dat als gevolg van externe omstandigheden nimmer meer sprake zou kunnen zijn van een uitkering op basis van herbouwwaarde dat het onaanvaardbaar is dat de verzekeraar deze niet wil uitkeren? Onverdedigbaar is dat niet, maar erg overtuigend is het m.i. evenmin. Een bevestigende beantwoording van deze vraag zet de deur wagenwijd open voor een beroep op art. 6:248 lid 2 BW in een potentieel heel groot aantal gevallen. Dat is geen wenkend perspectief.
6.28 De vergelijking gaat niet helemaal op, maar het volgende voorbeeld is wellicht illustratief. X heeft een goede baan bij Y. Als gevolg van een ongeluk kan X zijn werk niet meer verrichten. Z is aansprakelijk voor het ongeval. Natuurlijk moet Z X' inkomensschade vergoeden. Maar als zou komen vast te staan dat X, bijvoorbeeld als gevolg van de recessie (een externe omstandigheid) en het ongeval weggedacht, zou zijn ontslagen en geen ander passend werk had kunnen vinden, dan is zijn inkomensschade beperkt. De aansprakelijkheidsverzekeraar van Z hoeft dan niet meer te betalen dan
de (beperkte) schade. Voor X is dat erg zuur, maar het zure ligt niet in de omstandigheid dat de verzekeraar niet meer wil betalen dan de schade, maar in de recessie.
6.29 Kort en goed: hoewel ik voor het standpunt van Brinvast gevoelsmatig wel enige sympathie heb, is het m.i. te zwak om de klacht te kunnen laten slagen.
6.30 Voor zover het onderdeel nog een klacht opwerpt die verband houdt met de hoogte van de premie, mislukt zij eveneens. Delta Lloyd heeft erop gewezen dat de premie is gebaseerd op de hoogte van het risico.(30) Dat risico houdt in dat, afhankelijk van de concrete omstandigheden, wordt uitgekeerd op basis van één van de drie in art. 5.2 GEB genoemde grondslagen (s.t. onder 4.59). In essentie is dat betoog m.i. aannemelijk. Brinvast heeft niets nuttigs aangevoerd dat op het tegendeel wijst; ook niet in haar repliek.
6.31 Voor zover onderdeel C8 nog de klacht behelst dat het Hof heeft miskend dat uit de opbouw van de polis voortvloeit dat "herbouwwaarde als logisch uitgangspunt voorop stond", mist het belang. Ook als dat juist zou zijn, blijft overeind dat het aankomt op de vraag onder welke categorie een specifieke schade valt. Die laatste vraag heeft het Hof beantwoord. Het Hof heeft zich niet geroepen gevoeld tot zaak-over-schrijdende beschouwingen; het was daartoe ook allerminst gehouden, nog daargelaten dat Brinvast bij dergelijke obiter dicta geen garen had kunnen spinnen.
6.32 Onderdeel D vertolkt louter een voortbouwende klacht. Zij is gedoemd het lot van haar voorgangers te delen.
7. Beoordeling van het incidentele beroep
7.1 Zoals reeds vermeld, meent Delta Lloyd dat Brinvast genoegen moet nemen met de sloopwaarde.(31) Zij baseert die stelling op twee zelfstandige pijlers, die op hun beurt steunen op de stelling dat Brinvast, de brand weggedacht, al het voornemen had om tot sloop over te gaan:
a. uitleg van de polisvoorwaarden;
b. het indemniteitsbeginsel.
7.2 In haar s.t. onder 1.10 staat Delta Lloyd stil bij wat - volgens haar - de betekenis is van "een voornemen tot sloop":
"een voornemen tot sloop [bestaat] wanneer de verzekerde zonder het voorval tot sloop zou zijn overgegaan".
7.3 Met betrekking tot het beweerde ten tijde van de brand al bestaande sloopvoornemen vermeldt de s.t. van Delta Lloyd onder 1.10 het volgende:
"De brand weggedacht, zou Brinvast gelet op deze omstandigheden het sloop- en bouwplan hebben uitgevoerd".
7.4 Het Hof heeft in rov. 4.4 een aantal relevante omstandigheden opgesomd. In het onderhavige kader gaat het vooral om de volgende:
a. Brinvast had "van meet af aan" de bedoeling tot herontwikkeling over te gaan en daartoe het bestaande complex te slopen;
b. zij had evenwel nog geen gemeentelijke goedkeuring gekregen;
c. zij was van plan om het gebouwencomplex te verhuren dan wel te verkopen als de herontwikkeling niet van de grond zou komen.
7.5.1 Het Hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat van een voornemen als bedoeld in art. 5.2.4.1 GEB alleen sprake is als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het voornemen ook ten uitvoer kan worden gebracht. Deze ('s Hofs) bedoeling blijkt duidelijk uit rov. 4.5, met name de volgende volzin:
"Er bestaat geen enkele aanwijzing dat Brinvast het gebouwencomplex wilde slopen zonder daarvoor in de plaats een nieuw gebouw te bouwen."
7.5.2 Uit het geheel van omstandigheden leidt het Hof af dat niet kan worden aangenomen "dat Brinvast vóór de brand al het voornemen had om het gebouwencomplex af te breken" (rov. 4.7). Daarbij heeft het Hof evident het oog op een voornemen als bedoeld in art. 5.2.4.1 GEB.
7.6.1 's Hofs oordeel is van feitelijke aard en leent zich daarom nauwelijks voor toetsing in cassatie. Onbegrijpelijk is zijn oordeel niet. De anders luidende visie van Delta Lloyd komt er, als ik het goed zie, op neer dat de enkele grond dat een verzekerde een ver gevorderd voornemen had tot sloop over te gaan, betekent dat nog slechts ruimte bestaat voor uitkering op grond van de - doorgaans povere - sloopwaarde, zelfs wanneer er nog een meer dan theoretische kans bestond dat de beoogde sloop, de brand weggedacht, niet zou zijn geëffectueerd. Dat leidt m.i. tot een maatschappelijk niet goed te aanvaarden resultaat. Plannen waarvan nog niet vaststaat dat ze kunnen of zullen worden verwezenlijkt, zouden dan immers een aanzienlijke bres schieten in een dekking waarvoor in essentie wél premie is betaald.
7.6.2 Het moge zijn dat uitkering van de verkoopwaarde in een setting als bedoeld onder 7.6.1 kan leiden tot een weinig wenselijke uitkomst en dat dat zij een aansporing kan zijn voor malafide personen om - beleefd gezegd - het toeval een handje te helpen, maar die enkele omstandigheid is m.i. niet voldoende om er de belangen van bonafide verzekerden (allicht veruit de meeste) aan op te offeren. Hierbij valt nog te bedenken dat in voorkomende gevallen:
a. het indemniteitsbeginsel uitkomst kan bieden;
b. verzekeraars, naar de ervaring leert, niet schuwen om soms nog al vergaande onderzoeken te laten uitvoeren naar pretens malafide handelingen. Onderzoeken die, in mijn lekenogen, op niet steeds erg overtuigende gronden leiden tot de conclusie dat een brand is aangestoken. Anders gezegd: in, naar ik vermoed, de veel, zoal niet de meeste gevallen komen malafide verzekerden vermoedelijk hoe dan ook niet aan hun trekken.
7.7.1 Onderdeel 1.1 richt tegen 's Hofs oordeel een rechtsklacht. Deze komt er - kort gezegd - op neer dat het Hof de hiervoor al besproken Chubb/Dagenstaed-maatstaf zou hebben miskend. Uit rov. 4.3 valt op te maken dat het Hof ten deze de juiste maatstaf heeft gehanteerd. In die maatstaf is, als gezegd, ook ruimte voor andere factoren, wat het Hof verwoordt als "een meer objectieve benadering"; zie hiervoor onder 6.13. Ook de aannemelijkheid van de gevolgen kan bij de uitleg een rol spelen.(32) Daarin loopt het onderdeel stuk.
7.7.2 Volgens Tolman kan men met het "voornemen tot afbraak" taalkundig niet uit de voeten, omdat een voornemen in beginsel ieder plan is dat er uiteindelijk toe strekt de verzekerde opstal af te breken. Dat zou, als ik het goed zie, zijns inziens te ver gaan.(33) Ik onderschrijf die opvatting. Dat betekent dat "voornemen tot afbraak" via de band van de uitleg nader zal moeten worden bepaald. Het Hof heeft dat gedaan op een wijze die m.i. bestand is tegen de toets der kritiek in cassatie.
7.8.1 Onderdeel 1.2 werpt talloze omstandigheden in de strijd die er, zoals vermeld in het onderdeel sub i., op neerkomen dat de plannen van Breevast zich in een zeer vergevorderd stadium bevonden en dat daarom zou sprake zijn van "het concrete voornemen" het complex op korte termijn te slopen (onder m).
7.8.2 Volledigheidshalve geef ik de door het onderdeel genoemde omstandigheden weer:
a) in de loop van 2005 heeft Brinvast, een vastgoedontwikkelaar, voor het eerst werk gemaakt van een plan om op de locatie van het gebouwencomplex aan de Vicaris van Alphenstraat 8 te Schijndel tot nieuwbouw te komen. Vanaf de aankoop stond Brinvast voor ogen de sloop van het bestaande gebouwencomplex alsmede de bouw van een nieuw multifunctioneel complex. Ten tijde van de aankoop was evenwel nog niet duidelijk wanneer dit plan gerealiseerd zou kunnen worden. In 2005 heeft Brinvast een viertal architecten opdracht gegeven om plannen te maken voor de locatie;
b) het gebouwencomplex werd sinds het voorjaar van 2006 niet meer overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming (café-restaurant met zaal annex bibliotheek) gebruikt. Brinvast liet het gebouwencomplex door "antikrakers" bewonen op grond van contracten met een zeer korte opzegtermijn;
c) tussen de gemeente Schijndel en Brinvast heeft jarenlang overleg plaatsgevonden over het plan van Brinvast. In het aanvankelijke plan van Brinvast zouden winkels en appartementen worden gerealiseerd. Volgens dit plan zou het gebouwencomplex in 2009 worden gesloopt;
d) ter voorbereiding op de uitvoering van het plan heeft in opdracht van Brinvast op 28 april 2008 een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, is op 7 mei 2008 een zogenoemde Klic-melding uitgevoerd om de exacte ligging van de kabels en leidingen op het terrein te bepalen en is op 4 juni 2008 een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bezien of de Wet Geluidshinder in de weg zou staan aan de bouw van woningen op de locatie;
e) Brinvast heeft op 4 juni 2008 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente verzocht om vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan op grond van art. 19 lid 2 WRO. Deze vrijstelling is in het algemeen de eerste stap tot het verkrijgen van een bouwvergunning en kan alleen worden aangevraagd op basis van een concreet bouwplan. Het ontwerpbesluit van het college van burgemeester en wethouders tot verlening van de vrijstelling heeft ter inzage gelegen in de periode juni/juli 2008;
f) in juli 2008 heeft de welstandscommissie van de gemeente de bouwcomponent van Brinvasts plan in eerste instantie niet goedgekeurd. De welstandscommissie heeft slechts een adviserende rol;
g) vervolgens heeft in september 2008 overleg plaatsgevonden tussen Brinvasts architect en de welstandscommissie. Dit heeft geleid tot een bouwplan waarover op hoofdlijnen overeenstemming was tussen Brinvast en de welstandscommissie. Nadien heeft nog overleg met de welstandscommissie plaatsgevonden over zaken van ondergeschikt belang zoals gevelopeningen en brandramen;
h) in verschillende fasen van de totstandkoming van het plan heeft Brinvast makelaars en anderen ingeschakeld om onderzoek te verrichten naar de commerciële haalbaarheid van het plan en de beoogde vraagprijzen. Vóór het voorval bleek dat Brinvasts plan haalbaar was, mits (i) door flexibele bouw de kopers zelf een zekere inbreng ten aanzien van de indeling zouden hebben en (ii) de koopprijzen van de appartementen zouden worden verlaagd. Brinvast heeft haar bouwplan vóór het voorval in overeenstemming gebracht met deze aanbevelingen door flexibele bouw mogelijk te maken en dure appartementen om te zetten naar goedkopere, kleinere appartementen. Dit aangepaste bouwplan is op 23 oktober 2008 aan de gemeente voorgelegd. Er was een woningbouwvereniging betrokken en er was serieuze interesse van investeerders;
i) het plan bevond zich (aldus) kort vóór het voorval in een zeer vergevorderd stadium. Brinvast was vóór het voorval druk doende om haar plan gerealiseerd te krijgen, had daartoe forse investeringen gedaan en had concreet uitzicht op de realisatie van haar plan. Niet uitgesloten is dat er nog enige vertraging zou optreden, maar Brinvast had het duidelijk kenbare voornemen om het complex op korte termijn te slopen en nieuwbouw te realiseren. Brinvast had haast vanwege andere nieuwbouwplannen in Schijndel, waarop zij een voorsprong wilde hebben;
j) volgens de wethouder van ruimtelijke ordening van de gemeente kon het laatste, aangepaste plan, dat al aan de gemeente was voorgelegd, op de steun van de gemeente rekenen. Het verstrekken van een sloopvergunning zou volgens deze wethouder geen enkel probleem hebben opgeleverd. Wat de gemeente betreft had de sloop en bouw binnen enkele maanden nadat het aangepaste plan aan haar was voorgelegd, kunnen beginnen;
k) Brinvast heeft verklaard dat indien er geen brand zou zijn geweest, de ingeslagen weg zou zijn voortgezet, er herontwikkeld zou zijn en er een renderend pand zou zijn neergezet;
l) het plan is, met zeer beperkte aanpassingen, na de brand alsnog uitgevoerd.
7.9 Delta Lloyd slaat m.i. de spijker op de kop dat uit de genoemde omstandigheden - die ten dele ook in rov. 4.4 worden genoemd - redelijkerwijs valt af te leiden wat zij in onderdeel 1.1 onder i en m aanvoert. Een letterlijke interpretatie van de betrokken voorwaarde brengt dan inderdaad mee dat Brinvast genoegen moet nemen met vergoeding van de sloopwaarde. Om de al genoemde reden meen ik evenwel dat het Hof zich niet behoefde te bekeren tot deze letterlijke interpretatie, met name niet gelet op 's Hofs als zodanig niet (begrijpelijk) bestreden oordelen weergegeven onder 7.4 en 7.5.1. Voor zover nodig komt daar als afrondingsfactor nog bij dat het gaat om een feitelijk oordeel.
7.10 In dit een en ander vinden de onderdelen 1.2.1 en 1.2.2 hun Waterloo. Met betrekking tot onderdeel 1.2.2 geef ik toe dat het Hof zijn gedachtegang wat uitvoeriger had kunnen opschrijven, maar voldoende duidelijk is wat het voor ogen stond: de mate van zekerheid was onvoldoende om Brinvast te versteken van een uitkering op basis van de verkoopwaarde.
7.11.1 Voor zover onderdeel 1.3 niet in herhalingen valt, zoekt het zijn heil bij posterieure omstandigheden. Het Hof is er klaarblijkelijk, niet onbegrijpelijk en dan ook niet bestreden, vanuit gegaan dat het relevante voornemen moet worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden die voorafgaan aan de schadegebeurtenis (brand).
7.11.2 Onderdeel 1.3.2 voert in dit verband nog aan dat uit posterieure omstandigheden kan voortvloeien hoe concreet een voornemen was (cursivering van de steller van het onderdeel). Dat is ongetwijfeld juist, maar het procédé heeft me iets te veel weg van de Von Münchhausen-exercitie. Het is doorgaans te speculatief of dergelijke omstandigheden werkelijk iets zeggen over de mate van concreetheid van een voornemen. Wanneer iemand dubt of hij iets zal doen, dan is heel gevaarlijk om uit de omstandigheid dat hij het later inderdaad doet af te leiden dat hij het "eigenlijk" altijd al van plan was. Delta Lloyd heeft niet nader uitgelegd waarom dit voor de door haar geëtaleerde omstandigheden anders zou zijn.
7.12 Voor het overige werpt het onderdeel het indemniteitsbeginsel in de strijd. Daarop zal ik ingaan in het kader van onderdeel 1.2. Het lijkt goed reeds hier te memoreren dat vijftien jaar geleden Wansink al melding maakte van een erosie van het beginsel.(34) Dat klopt als een bus. Ik zie weinig reden om de klok terug te draaien.
7.13 Onderdeel 1.3.3 is mij niet goed duidelijk. Het ziet er in elk geval aan voorbij dat het Hof het oog heeft op een voornemen in de zin van de betrokken polisbepaling. Dat Brinvast de bedoeling had om tot herontwikkeling (en in dat geval sloop) over te gaan, wordt met zoveel woorden overwogen in rov. 4.4 vierde liggend streepje. In 's Hofs visie was dat evenwel nog geen voornemen in de zin van art. 5.2.4.1 GEB.
7.14.1 Onderdeel 1.4 loopt te gemakkelijk heen over de omstandigheid dat het Hof, als zodanig niet bestreden, in rov. 4.4 heeft geoordeeld dat:
a. de gemeente en Brinvast al jaren overlegden;
b.de welstandscommissie "de hoofdopzet voorstelbaar" achtte;
c. nog geen bouw- en sloopvergunning was aangevraagd.
7.14.2 In het licht van deze vaststellingen is de enkele stelling dat Brinvast volgens "de Gemeente (..) binnen enkele maanden nadat het aangepaste plan aan haar was voorgelegd had kunnen beginnen" te vaag, zoal niet onrealistisch. Het is van algemene bekendheid dat overheden van mening kunnen veranderen, al dan niet als gevolg van nieuwe politieke verhoudingen. Dat al "jarenlang" werd gesproken, wijst er niet aanstonds op dat het vóór de brand al een gelopen race was.
7.15 Onderdeel 1.4.2 miskent dat Delta Lloyd zelf de "huur- en ontwikkelpotentie" ter sprake heeft gebracht, zoals mrs Teuben en Jansen in hun s.t. onder 5.11 met juistheid betogen.
7.16 Onderdeel 1.5 is onbegrijpelijk. Uit een bepaalde uitleg in een concreet geval valt niet af te leiden dat de rechter (in casu: het Hof) heeft miskend dat de verzekeraar vrijelijk de dekking mag bepalen. Het arrest biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het Hof daaraan voorbij heeft gezien.
7.17 Ter afronding van de bespreking van dit onderdeel lijkt goed Tolman te citeren. Tolman is juridisch adviseur van Delta Lloyd, maar dat is niet de reden waarom ik hem citeer. Zijn geschriften kenmerken zich m.i. door scherpe en trefzekere analyses; vandaar. Ik laat thans Tolman aan het woord:(35)
"Voornemen is een uit zijn aard vaag begrip dat verschillende gradaties en stadia kan omvatten en is op zichzelf genomen onvoldoende sluitend om welk standpunt dan ook op te baseren. Dan komt het erop aan die verschillende gradaties en stadia in het licht van de aard van de verzekering te beoordelen om het meest aannemelijke rechtsgevolg te achterhalen (..)"
Dat laatste is m.i. nauwkeurig wat het Hof heeft gedaan.
7.18 Als ik het goed begrijp, dan komt onderdeel 2 erop neer dat zelfs wanneer op grond van de vigerende polisbepalingen de verkoopwaarde zou moeten worden uitgekeerd, het indemniteitsbeginsel meebrengt dat deze wordt gereduceerd tot de sloopwaarde. Ik leid dat laatste met name af uit onderdeel 2.2.3. Ook de s.t. van mrs. Van der Wiel en Van der Kooij onder 3.12 en 3.13 onderstreept dat.
7.19 In deze lezing voldoet de klacht aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., maar mislukt zij aanstonds omdat ze berust op een onjuiste rechtsopvatting. Zelfs wanneer alle bijzondere omstandigheden buiten aanmerking worden genomen, blijft overeind dat het indemniteitsbeginsel in een setting als de onderhavige meebrengt dat de verzekerde niet in een duidelijk voordeliger positie mag geraken; zie hiervoor onder 5.2. Hoewel bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling nog niet volledig is uitgekristalliseerd (en vermoedelijk in abstracto ook moeilijk kán worden aangegeven) wat de buitengrenzen van de "duidelijk voordeliger positie" zijn, is wél duidelijk dat een niet onbeduidende "verrijking" geoorloofd kan zijn.(36)
7.20 Bij deze stand van zaken is juist dat het indemniteitsbeginsel ertoe kan leiden dat een deel van het op grond van de polisvoorwaarden uit te keren bedrag kan worden afgeknabbeld, maar (in beginsel) niet dat het voordeel volledig moet worden afgeroomd. Welnu, dat laatste is wat Delta Lloyd voorstaat blijkens haar stelling dat Brinvast hoe dan ook genoegen moet nemen met de sloopwaarde. Die opvatting is onjuist.
7.21 Wanneer we onderdeel 2.2.3 buiten beschouwing laten (maar ik zie geen goede reden om dat te doen) voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers geeft Delta Lloyd in dat geval in het geheel niet aan wat het Hof in haar visie wél had moeten doen en welke invloed het indemniteitsbeginsel in casu heeft op het uit te keren bedrag. Zij verwijst evenmin naar nuttige stellingen die op dit punt in feitelijke aanleg zijn geëtaleerd. Dat brengt mee dat, in deze lezing van de klacht, niet "met bepaaldheid en precisie" wordt aangegeven "welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing het recht is geschonden".(37)
7.22.1 Het onderdeel voldoet evenmin aan de daaraan te stellen eisen of berust op een onjuiste rechtsopvatting omdat het een wezenlijk element buiten beschouwing laat. Ik wil (veronderstellenderwijs) best aannemen dat er een niet onaanzienlijke kans bestond dat Brinvast, de brand weggedacht, tot sloop zou zijn overgegaan. Uitgaande van 's Hofs oordeel, dat door onderdeel 1, zoals we hebben gezien, m.i. tevergeefs wordt bestreden, moet rekening worden gehouden met de meer dan theoretische mogelijkheid dat Brinvast, het ongeval weggedacht, het complex zou hebben verkocht of verhuurd. Delta Lloyd heeft zelf, met kennelijke instemming, naar deze stellingname van Brinvast verwezen.(38) Dat doet er uiteraard toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schending van het indemniteitsbeginsel en zo ja welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden.
7.22.2 Het onderdeel zit op een ander en m.i. onjuist spoor. Het vertrekt wederom van het uitgangspunt dat Brinvast, de brand weggedacht, het complex zeker zou hebben gesloopt. Als Uw Raad onderdeel 1 ongegrond bevindt, dan bouwt de klacht voort op een ondeugdelijke veronderstelling. Daarmee is haar lot bezegeld.
7.23.1 Onderdeel 2.1.2 verwijt het Hof nog dat het de rechtsgronden niet heeft aangevuld bij gebreke van een nuttig debat over de door het onderdeel aangekaarte kwestie. Ook die klacht faalt omdat het in casu om meer gaat dan louter het aanvullen van rechtsgronden. Eén van de relevante aspecten is, als gezegd, de mate van waarschijnlijkheid dat Brinvast, de brand weggedacht, tot sloop zou zijn overgegaan. Dat is een feitelijke kwestie. Nu een debat daarover achterwege is gebleven (of iets juister gezegd: Delta Lloyd is uitgegaan van de door het Hof onjuist bevonden gedachte dat Brinvast dat zeker zou hebben gedaan), was het Hof niet gehouden, zoal in staat, om zonder meer rechtsgronden aan te vullen.
7.23.2 Er is nog een tweede (ten minste gedeeltelijk) feitelijk element dat in casu een rol speelt: de mate waarin een uitkering op basis van verkoopwaarde zou moeten worden gekort op grond van het indemniteitsbeginsel. Ook in dat opzicht doet het onderdeel geen beroep op nuttige in feitelijke aanleg betrokken stellingen. Ook daarom gaat het niet louter om het aanvullen van rechtsgronden.
7.24 Ik keer ten slotte weer terug naar Tolman, die ik andermaal citeer:
"Het indemniteitsbeginsel - het leidend schadevergoedingsprincipe in het schadeverzekeringsrecht - biedt keuzevrijheid. De schade mag op basis van herbouwwaarde worden vergoed, ook al wordt er niet herbouwd, mits de uitkering maar wordt gebruikt om het bedrijf weer op de been te helpen. Het is paradoxaal genoeg de keuzeclausule die tot op zekere hoogte een eind aan die keuzevrijheid maakt. In ieder geval in die situaties waarin niet wordt herbouwd. Als er iets anders wordt gebouwd dan er stond zal niet te snel met de keuzeclausule in de hand voor verkoopwaarde geopteerd mogen worden. Er is premie betaald op basis van herbouwwaarde dus iedere lagere vergoeding is eigenlijk pure winst voor de verzekeraar. Daarom zal bij twijfel de balans al snel in het voordeel van de verzekerde moeten doorslaan."(39)
7.25 Ik zou niet zo ver willen gaan als Tolman. In mijn ogen is een subtielere afweging nodig. Maar zijn betoog illustreert wel dat in vooraanstaande verzekeraarskringen het betoog van Delta Lloyd niet erg aanslaat. Met mijn aanzienlijk voorzichtiger benadering zou men dan ook heel tevreden moeten zijn (wat, onnodig te zeggen, niet mijn drijfveer is).
7.26.1 Onderdeel 3 scharniert om één van de evergreens in cassatie: het (negeren) van een bewijsaanbod. Heel erg helder is de klacht intussen niet. Wat Delta Lloyd nauwkeurig had willen bewijzen en wat in het bijzonder de relevantie daarvan is, komt immers in het onderdeel niet goed uit de verf.
7.26.2 Onderdeel 3.2 geeft een minder juiste voorstelling van zaken. De daarin genoemde bewijsthema's zijn niet dezelfde als die vermeld in de mvg onder 9.1 onder het kopje "Bewijsmiddelen en bewijsaanbod". Daarom ontbeert de klacht een deugdelijke feitelijke basis. Reeds daarop loopt zij stuk.
7.27 Anders dan het onderdeel suggereert, heeft het Hof niet miskend dat reeds sprake was van vergevorderde plannen en een reële kans dat ter uitvoering van die plannen het gebouwencomplex, de brand weggedacht, zou hebben moeten worden gesloopt. Dat volgt genoegzaam uit rov. 4.4 en 4.5. (Nadere) bewijslevering daarvoor was dus niet nodig.
7.28 De te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden, zoals nader uitgeschreven in de onderdelen 3.2 en 3.3, zouden wellicht van belang (hebben) kunnen zijn ter beoordeling van de vraag in hoeverre op basis van het indemniteitsbeginsel, zoals hiervoor nader uitgewerkt, een aftrek op de verkoopwaarde zou moeten plaatsvinden. Naarmate, geabstraheerd van de brand, de kans op sloop groter was, zou goede grond kunnen bestaan voor een hogere "aftrek". Delta Lloyd heeft er, zoals hiervoor bleek, evenwel voor gekozen om de stelling te betrekken dat Brinvast in de gegeven omstandigheden, waarin niet als een paal boven water stond dat het complex, de brand weggedacht, zou worden gesloopt, niet meer dan de sloopwaarde mag krijgen. Hiervoor heb ik al aangegeven waarom die stelling in mijn ogen onjuist is. Bij die stand van zaken mist Delta Lloyd belang bij haar bewijsaanbod. Het zou namelijk niet tot de door haar bepleite uitkomst kunnen leiden.
7.29 Onderdeel 3.2.3 berust op het eerder gesignaleerde misverstand. Het Hof heeft niet geoordeeld dat er geen voornemen bestond tot sloop; slechts dat de bestaande plannen onvoldoende waren om tot het oordeel te kunnen komen dat Brinvast slechts aanspraak had op vergoeding van de sloopwaarde.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Zie het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 10 november 2010 onder 2.1-2.16. Ook het Amsterdamse Hof is van deze feiten uitgegaan, zoals blijkt uit zijn arrest van 20 maart 2012 onder 3. Het Hof heeft een eigen korte samenvatting gegeven in rov. 4.1.1 - 4.1.3.
2 Bij brief van 16 november 2010 heeft Brinvast de Rechtbank verzocht om verbetering in die zin dat 'onder opschortende voorwaarde' wordt vervangen door 'onder ontbindende voorwaarde'. De Rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 8 december 2010 afgewezen.
3 Op die stelling valt wel wat af te dingen. Het risico van gebouwen die "antikraak" worden bewoond, is zeker niet zonder meer hetzelfde als van een "doorsnee" gebouw.
4 Ter vermijding van misverstand: dat is niet mijn stelling. Zoals hierna zal blijken, mist het verwijt in mijn ogen (in essentie) goede grond.
5 HR 3 maart 1972, LJN AB3597, NJ 1972/339 HB (volgens de Kluwer navigator geannoteerd door H.E. Bröring (sic)).
6 Zie reeds HR 3 maart 1972, LJN AB3597, NJ 1972/339 HB en voor verdere rechtspraak D.G. van Zanten, Verzekerings-Archief 1998 nr. 4 p. 128 e.v. en Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* nr 428.
7 Resp. p. 233 onder C1 en p. 235 onder N1.
8 EK 2004-2005, 19529, B p. 25.
9 Zie uitvoerig Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons, 7-IX* nr 431 e.v.
10 Zie verder uitvoerig Van Zanten, a.w.
11 Zie onder veel meer Van Zanten, a.w. p. 137; M.J. Tolman, AV&S 2005/16; Alexandra H. Buijze, Het Verzekerings-Archief 1995 p. 13 e.v.
12 Ik sluit hier dankbaar aan bij de s.t. van mrs. Teuben en Jansen onder 4.4.
13 HR 4 november 1994, LJN ZC1520, NJ 1995/399 MMM. Mendel wijst erop dat de door de Hoge Raad gevolgde koers afwijkt van eerdere rechtspraak.
14 HR 16 mei 2008, LJN BC2793, NJ 2008/284.
15 Zie ook Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012/361.
16 Zie Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons nr. 361.
17 Zie Asser/Wansink, Van Tiggele & Salamons, nr. 366.
18 Idem, nr. 366.
19 HR 5 april 2013, LJN BY8101, NJ 2013/214.
20 Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012/399, p. 352.
21 J.G.C. Kamphuisen, "HR 5 oktober 2007: verval van recht, overgang van belang en bedrog bij schadeafwikkeling in één arrest", AV&S 2008, 5 p. 32.
22 HR 5 oktober 2007, LJN BA8774, NJ 2007/542.
23 Dit onderwerp speelde tevens in HR 29 januari 1993, LJN ZC0841, NJ 1994, 152 en HR 18 april 2003, LJN AF3070, NJ 2004, 634 ([…]/Nederlandse Luchtvaart Pool), beide arresten met noot van Mendel.
24 Zie rov. 3.4.3.
25 Zie onder 4.18/19.
26 HR 24 juni 2011, LJN BQ2804, RvdW 2011/789.
27 De betrokken clausule is klaarblijkelijk weggevallen in de LJN-bron.
28 Zie onder 2.12-2.14, 2.15.3 en 2.18.
29 Dat wordt onderstreept door de onder 6 (ii) laatste liggend streepje en 6 (v) eerste liggend streepje genoemde omstandigheden.
30 Zoals we hierna nog zullen zien, lijkt (haar juridisch adviseur) Tolman dat in het algemeen anders te zien. Hij is uiteraard beter op de hoogte dan ik, maar ik ben geneigd te denken dat het standpunt van Delta Lloyd (in het algemeen) juister is dan dat van Tolman. Voor zover aan premies voor een specifiek risico al meer dan hooguit uiterst globale berekening ten grondslag ligt, wordt allicht ook verdisconteerd dat niet steeds het bedrag, overeenkomend met de maximale dekking, verschuldigd zal zijn.
31 De s.t. van mrs Van der Wiel en Van der Kooij onder 2.15 sub a (p. 11) verduidelijkt dat begrip aldus dat het gaat om "bruikbare respectievelijk waardevolle onderdelen van het gebouw die vóór de sloop te gelde gemaakt hadden kunnen worden".
32 Zie bijvoorbeeld M.J. Tolman in N. van Tiggele-van der Velde e.a. (red.), Verzekering ter beurze p. 178-179; R.P.J.L. Tjittes, Uitleg van schriftelijke contracten p. 18.
33 Als voetnoot 32 p. 179.
34 VrB 1998-8 p. 116. Voorzichtiger C.C. van Dam, VRA 2006 p. 133 e.v.
35 AV&S 201/30 sub 4 i.f.
36 Zie, ook voor verdere bronnen, Van Zanten, a.w. p. 129 e.v.; Buijze, a.w.
37 HR 8 februari 2013, LJN BY2639 rov. 3.1 en HR 5 oktober 2010, LJN BN6196, NJ 2013/214 rov. 3.4.1.
38 Mvg onder 5.39, waar voetnoot 37 van de cassatiedagvaarding ook beroep op doet.
39 AV&S 2005/16 i.f.
Beroepschrift 05‑10‑2012
Hoge Raad der Nederlanden
Datum zitting: 5 oktober 2012
Rolnummer: C12/03196
CONCLUSIE VAN ANTWOORD tevens houdende
INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
inzake
Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,
een naamloze vennootschap gevestigd te Amsterdam (‘Delta Lloyd’),
verweerder in cassatie,
tevens eiser in het incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mrs. B.T.M. van der Wiel en D.A. van der Kooij
tegen:
Brinvast B.V., een besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid gevestigd te Schijndel (‘Brinvast’),
eiser tot cassatie,
tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mrs. J. Duijvendijk-Brand en K.J.O. Jansen
Edelhoogachtbaar College!
- I.
Aangezien door de bestreden uitspraak het recht niet op de daartoe in het middel aangevoerde gronden is geschonden of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn veronachtzaamd, concludeert Delta Lloyd tot verwerping van het principale cassatieberoep; kosten rechtens.
- II.
Delta Lloyd stelt hierbij incidenteel cassatieberoep in tegen het arrest van het hof en voert daartoe aan het volgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
1. Beoordeling aanwezigheid van een voornemen tot sloop
1.1.
's Hofs beoordeling in rov. 4.3 t/m 4.7 of Brinvast vóór de brand van 10 november 2008 (het ‘voorval’) een ‘voornemen tot sloop’ in de zin van art. 5.2.4.1 GEB (het ‘voornemen tot sloop’) had en slotsom in rov. 4.7 dat zulks niet het geval was, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De beoordeling geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof heeft miskend dat bij de uitleg van de polisvoorwaarden waarover (zoals Delta Lloyd ook onbetwist heeft gesteld1.) niet is onderhandeld, de Chubb/Dagenstaed-maatstaf dient te worden toegepast, die meebrengt dat ‘de uitleg […] met name afhankelijk [is] van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval […] bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.’
1.2.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 de Chubb/Dagenstaed-maatstaf heeft toegepast en aldus tot de slotsom is gekomen dat geen sprake is van een voornemen tot sloop, dan is zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uitgegaan dient te worden van de volgende door het hof in rov. 4.4 en 4.5 vastgestelde omstandigheden en in cassatie hypothetisch vaststaande feiten:
- a)
In de loop van 2005 heeft Brinvast — een vastgoedontwikkelaar2. — voor het eerst werk gemaakt van een plan om op de locatie van het gebouwencomplex aan de [a-straat] [1] te [a-plaats] (het ‘gebouwencomplex’) tot nieuwbouw te komen. Brinvast stond vanaf de aankoop sloop van het bestaande gebouwencomplex voor ogen alsmede de bouw van een nieuw multifunctioneel complex. Ten tijde van de aankoop was evenwel nog niet duidelijk wanneer dit plan zou kunnen worden gerealiseerd.3. In 2005 heeft Brinvast een viertal architecten opdracht gegeven om plannen te maken voor de locatie.4.
- b)
Het gebouwencomplex werd sedert het voorjaar van 2006 niet meer overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming (café-restaurant met zaal annex bibliotheek)5. gebruikt en vervulde aldus geen functie. Brinvast liet het gebouwencomplex door antikrakers bewonen op grond van contracten met een zeer korte opzegtermijn.6.
- c)
Tussen de gemeente Schijndel (de ‘Gemeente’) en Brinvast heeft jarenlang overleg plaatsgevonden over Brinvasts plan.7. In Brinvasts aanvankelijke plan zouden winkels en appartementen worden gerealiseerd. Volgens dit plan zou het gebouwencomplex in 2009 worden gesloopt.8.
- d)
Ter voorbereiding van de uitvoering van het plan heeft in opdracht van Brinvast op 28 april 2008 een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden, is op 7 mei 2008 een zogenoemde Klic-melding uitgevoerd, om de exacte ligging van de kabels en leidingen op het terrein te bepalen, en is op 4 juni 2008 een akoestisch onderzoek uitgevoerd, om te bezien of de Wet Geluidshinder in de weg zou staan aan de bouw van woningen op de locatie.9.
- e)
Brinvast heeft op 4 juni 2008 aan het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente verzocht vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan op grond van art. 19 lid 2 WRO. Deze vrijstelling is in het algemeen de eerste stap tot het verkrijgen van een bouwvergunning en kan alleen worden aangevraagd op basis van een concreet bouwplan. Het ontwerpbesluit van het college van burgemeester en wethouders tot verlening van de vrijstelling heeft ter inzage gelegen in de periode juni/juli 2008.10.
- f)
In juli 2008 heeft de welstandscommissie van de Gemeente de bouwcomponent van Brinvasts plan in eerste instantie niet goedgekeurd.11. De welstandscommissie heeft slechts een adviserende rol.12.
- g)
Vervolgens heeft in september 2008 overleg plaatsgevonden tussen Brinvasts architect en de welstandscommissie. Dit heeft geleid tot een bouwplan waarover op hoofdlijnen overeenstemming was tussen Brinvast en de welstandscommissie.13. Nadien heeft nog overleg met de welstandscommissie plaatsgevonden over zaken van ondergeschikt belang zoals gevelopeningen en brandramen.14.
- h)
In verschillende fasen van het tot stand komen van het plan heeft Brinvast makelaars en anderen ingeschakeld om onderzoek te verrichten naar de commerciële haalbaarheid van het plan en de beoogde vraagprijzen. Vóór het voorval bleek dat Brinvasts plan haalbaar was, mits
- (i)
door flexibele bouw de kopers zelf een zekere inbreng ten aanzien van de indeling zouden hebben en
- (ii)
de koopprijzen van de appartementen zouden worden verlaagd.
15.Brinvast heeft haar bouwplan vóór het voorval met deze aanbevelingen in overeenstemming gebracht door flexibele bouw mogelijk te maken en dure appartementen om te zetten naar goedkopere, kleinere appartementen. Dit aangepaste bouwplan is op 23 oktober 2008 aan de Gemeente voorgelegd.16. Er was een woningbouwvereniging betrokken en er was serieuze interesse van investeerders.17.
- i)
Het plan bevond zich (aldus) kort vóór het voorval in een zeer vergevorderd stadium.18. Brinvast was vóór het voorval druk doende om haar plan gerealiseerd te krijgen, had daartoe forse investeringen gedaan en had concreet uitzicht op de realisatie van haar plan.19. Niet uitgesloten is dat er nog enige vertraging zou optreden, maar Brinvast had het duidelijk kenbare voornemen het complex op korte termijn te slopen en nieuwbouw te realiseren.20. Brinvast had haast vanwege andere nieuwbouwplannen in Schijndel, waarop zij een voorsprong wilde hebben.21.
- j)
Volgens de wethouder van ruimtelijke ordening van de Gemeente kon het laatste, aangepaste plan, dat al aan de Gemeente was voorgelegd, op de steun van de Gemeente rekenen. Het verstrekken van een sloopvergunning zou volgens deze wethouder geen enkel probleem hebben opgeleverd.22. Wat de Gemeente betreft had de sloop en bouw binnen enkele maanden kunnen beginnen nadat het aangepaste plan aan haar was voorgelegd.23.
- k)
Brinvast heeft verklaard dat als er geen brand zou zijn geweest, de ingeslagen weg zou zijn voortgezet, zou zijn herontwikkeld en een renderend pand zou zijn neergezet.24.
- l)
Het plan is na de brand — met zeer beperkte afwijkingen — alsnog uitgevoerd.25.
- m)
Op grond van dit alles concludeert Delta Lloyd dat Brinvast het concrete voornemen had het complex op korte termijn te slopen.26.
De bewoordingen waarin de voorwaarde van het voornemen tot sloop zijn gesteld, zijn: ‘de verzekerde voor de gebeurtenis al het voornemen had om het gebouw af te breken’. Delta Lloyd heeft betoogd dat de hierin voorkomende term ‘voornemen’ volgens Van Dale ‘plan’ betekent, dat in de objectieve betekenis van de term voornemen/plan besloten ligt de mogelijkheid dat het voornemen/plan niet uitgevoerd zal worden, en de bewoordingen van de voorwaarde van het voornemen tot sloop niet verlangen dat het voornemen definitief of de uitvoering daarvan (zo goed als) zeker is,27. en evenmin dat sprake is van in alle opzichten afgeronde plannen.28. Vanwege het volgende is 's hofs beoordeling en slotsom in rov. 4.3 t/m 4.7 onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
1.2.1.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 er in overeenstemming met de Chubb/Dagenstaed-maatstaf van is uitgegaan dat bij de uitleg van de voorwaarde van het voornemen tot sloop de objectieve factor van de bewoordingen van de bepaling belangrijk gewicht toekomt, dan is zijn slotsom dat geen sprake is van een voornemen tot sloop in strijd met zijn eerdere overwegingen en onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers enerzijds vastgesteld dat sprake is van een plan tot sloop en herbouw, welk plan zich in een vergevorderd stadium bevond, en dat Brinvast vóór het voorval druk doende was om dat plan gerealiseerd te krijgen, en anderzijds dat geen sprake is van voornemen tot sloop. Uitgaande van de objectieve betekenis van de term ‘voornemen’ laten deze twee oordelen zich niet met elkaar rijmen. Voorts/althans blijft onverklaard waarom uit hetgeen Delta Lloyd heeft gesteld over Brinvasts plan en intentie tot sloop en herbouw, met name in de hierboven onder (i) genoemde stellingen, niet volgt dat sprake is van een plan tot sloop en herbouw en dus van een voornemen tot sloop.
1.2.2.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 bij de uitleg van de voorwaarde van het voornemen tot sloop in weerwil van het belangrijke gewicht dat de objectieve factor van de betekenis van de bewoordingen van de bepaling toekomt, daarvan is afgeweken, dan heeft het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd welke omstandigheden dat rechtvaardigen. Uitgaande van de Chubb/Dagenstaed-maatstaf diende immers aan de objectieve factor van de bewoordingen van de bepaling bijzondere betekenis en/althans aanzienlijk gewicht te worden toegekend. Indien het hof nochtans meer gewicht heeft toegekend aan andere, voor de uitleg van de bepaling relevante omstandigheden, diende het zich daarvan kenbaar rekenschap te geven. Nu een daarop gerichte motivering ontbreekt, is 's hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. 's Hofs oordeel is temeer/althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd indien volgens het hof een definitief en/of onomkeerbaar besluit of plan van Brinvast, of een aangevraagde (en verkregen) sloop en/of bouwvergunning vereist is om tot een ‘voornemen tot sloop’ te kunnen concluderen. Zonder nadere, maar ontbrekende, motivering valt namelijk niet in te zien welke omstandigheden rechtvaardigen dat dergelijke hoge eisen aan een voornemen in de zin van de polisbepaling gesteld zouden moeten worden. Voorts/althans houdt 's hofs oordeel geen toereikend gemotiveerde verwerping in van Delta Lloyds essentiële stelling dat slechts een ‘voornemen’ (tot sloop) in de objectieve betekenis van deze term vereist is.29.
1.3.
's Hofs beoordeling in rov. 4.3 t/m 4.7 of bij Brinvast vóór het voorval een voornemen tot sloop aanwezig was en slotsom in rov. 4.7 dat zulks niet het geval was, is temeer/althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu:
- a)
Delta Lloyd heeft gesteld dat uit interne documenten van de Gemeente blijkt dat Brinvast vóór of op 3 juni 2009, ongeveer 6 maanden na het voorval, een bouwvergunning heeft aangevraagd30. (en in ieder geval ook op 27 oktober 2009)31. voor het vrijwel ongewijzigde plan zoals Brinvast dat vóór het voorval gereed had, en dat eind december 2010 is gestart met de bouw volgens dat plan.32.
- b)
Delta Lloyd heeft gesteld dat Brinvast heeft verklaard vóór het voorval de intentie gehad te hebben om het bouwplan te realiseren, en slechts door externe beletselen (in verband met de benodigde vergunningen en financiering) daarvan afgehouden te kunnen worden.33.
- c)
Brinvast niet heeft gesteld (slechts) uitvoering aan het plan gegeven te hebben omdat het gebouwencomplex was afgebrand, en ook niet heeft gesteld zonder het voorval het bouwplan niet te hebben uitgevoerd.
Niet (althans niet zonder nadere motivering) valt in te zien waarom voor de situatie waarin
- (i)
vóór een voorval een sloop- en bouwplan voorligt,
- (ii)
verzekerde de intentie heeft om dat plan te realiseren,
- (iii)
dat plan na het voorval vrijwel ongewijzigd gerealiseerd wordt terwijl
- (iv)
de verzekerde het plan niet slechts realiseert omdat het verzekerd object door het voorval verloren is gegaan, geen sprake is van een voornemen tot sloop in de zin van de bepaling.
Ten eerste maakt in een dergelijk geval de objectieve betekenis van de term ‘voornemen’ al dat niet valt in te zien waarom nog hogere eisen gesteld zouden kunnen worden aan de mate van concreetheid van het plan en/of zekerheid van de uitvoering daarvan. Ten tweede leidt ook lezing van de voorwaarde van het voornemen tot sloop in het licht van de polisvoorwaarden als geheel tot de conclusie dat voor een dergelijk geval geen hoge eisen aan de mate van concreetheid van het plan en/of zekerheid van de uitvoering daarvan gesteld kunnen worden. Het hof heeft immers in rov. 4.6 vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat in de polisvoorwaarden en in het bijzonder in de waardegrondslagbepaling (art. 5.2 GEB) het indemniteitsbeginsel besloten ligt. Het indemniteitsbeginsel brengt mee dat de verzekerde na een gedekt voorval schadeloos gesteld dient te worden en de verzekerde door het voorval en schadevergoeding niet in een (veel) voordeliger positie mag geraken dan zonder het voorval en schadevergoeding. In de situatie zoals die zich voordoet in deze zaak, samengevat onder (i) t/m (iv), raakt de verzekerde door de uitkering van meer dan de sloopwaarde na het voorval wel in een duidelijk voordeliger positie. In de situatie zoals weergegeven onder (i) t/m (iv) heeft de verzekerde immers de wil om het bouwplan te realiseren en is het bouwplan ook realiseerbaar. Zonder voorval zou de verzekerde het verzekerd object derhalve op korte termijn hebben gesloopt en het bouwplan ook gerealiseerd hebben. In de situatie met het voorval is het verzekerd object door het voorval verloren gegaan, het bouwplan gerealiseerd en verkrijgt de verzekerde bovendien de verkoopwaarde (in dit geval: € 1.593.472,-). Hierom is 's hofs uitleg van het voornemen tot sloop temeer onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Voorts/althans houdt 's hofs beoordeling en slotsom hierom geen toereikend gemotiveerde verwerping in van Delta Lloyds, ook in verband met de uitleg van het voornemen tot sloop relevante, essentiële stelling dat Brinvast na het voorval uitvoering heeft gegeven aan het reeds vóór het voorval gereed zijnde plan in vrijwel ongewijzigde vorm.34.
1.3.2.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 heeft geoordeeld dat voor beantwoording van de vraag of vóór het voorval sprake is van een voornemen tot sloop de omstandigheden die zich na het voorval hebben voorgedaan niet relevant zijn, is zijn oordeel onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uit omstandigheden die zich na het voorval hebben voorgedaan kan immers volgen hoe concreet, realiseerbaar en zeker van uitvoering het voornemen reeds vóór het voorval was en tevens kan daaruit volgen dat de verzekerde door het voorval geen schade (met de omvang van de verkoopwaarde of herbouwwaarde) heeft geleden. Delta Lloyd heeft betoogd dat de omstandigheden na het voorval, in het bijzonder de omstandigheid dat Brinvast na het voorval uitvoering heeft gegeven aan het reeds voor het voorval gereed zijnde plan in vrijwel ongewijzigde vorm, relevant zijn voor de beoordeling of vóór het voorval sprake was van een voornemen tot sloop.35. 's Hofs oordeel houdt geen toereikend gemotiveerde verwerping van deze essentiële stellingen van Delta Lloyd in.
1.3.3.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 heeft geoordeeld dat aan Brinvasts betwisting dat zij een voornemen tot sloop had, niet de eis behoort te worden gesteld dat Brinvast zou verklaren dat zij het bouwplan slechts heeft uitgevoerd omdat het verzekerd object door het voorval verloren is gegaan, is dat oordeel rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Immers, kennis van het motief van Brinvast om na het voorval het reeds vóór het voorval gereed zijnde bouwplan in vrijwel ongewijzigde vorm uit te voeren ligt in Brinvasts domein waardoor het voor Delta Lloyd vrijwel onmogelijk is om hierover gegevens verkrijgen. Het hof heeft miskend dat op Brinvast ter zake van deze gegevens een verzwaarde motiveringsplicht rust.
1.4.
Voorts/althans is 's hofs motivering in rov. 4.7 van zijn slotsom dat geen voornemen tot sloop aanwezig was, op de navolgende gronden onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. In rov. 4.7 overweegt het hof:
‘Zou nieuwbouw niet worden toegestaan, dan was Brinvast van plan om het gebouwencomplex te verhuren of te verkopen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat Brinvast de waarde die voor haar besloten lag in de mogelijkheid van verhuur of verkoop van het gebouwencomplex had prijsgegeven. ’
Delta Lloyd heeft gesteld dat de Gemeente het bouwplan steunde, het verkrijgen van de sloopvergunning, volgens de Gemeente geen enkel probleem geweest zou zijn, en had de sloop en bouw wat de Gemeente betreft binnen enkele maanden nadat het aangepaste plan aan haar was voorgelegd had kunnen beginnen.36. Gelet op deze stellingen is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk het gewicht dat het hof in bovenstaande overweging kennelijk heeft toegekend aan de mogelijkheid dat nieuwbouw door de Gemeente niet zou worden toegestaan. Het hof had hier in ieder geval behoren in te gaan op voornoemde essentiële stellingen van Delta Lloyd die erop neerkomen dat de Gemeente de uitvoering van het plan niet zou hebben belemmerd.
1.4.1.
Indien het hof in rov. 4.7 heeft geoordeeld dat van een voornemen tot sloop als bedoeld in de polisbepaling eerst sprake is indien Brinvast de waarde die besloten ligt in de mogelijkheid van gebruik van het object heeft prijsgegeven, is dit oordeel onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof heeft aldus miskend dat de vraag of sprake is van een voornemen tot sloop moet worden beantwoord aan de hand van
- (i)
uitleg van de betreffende polisbepaling en
- (ii)
toetsing van de aldus uitgelegde bepaling aan de vaststaande feiten.
En/althans heeft het hof miskend dat van een voornemen tot sloop niet eerst sprake is indien zeker is dat daadwerkelijk tot sloop zal worden overgegaan. Indien het hof met ‘prijsgave van de mogelijkheid van gebruik’ erop doelt dat de aan die mogelijkheid verbonden waarde daadwerkelijk is verdwenen, heeft het miskend dat hiervan pas sprake is indien er daadwerkelijk is gesloopt, welk uitgangspunt onverenigbaar is met uitkering op grond van een polis die strekt tot verzekering van een bestaand object.
1.4.2.
Met het toekennen van (beslissende) betekenis aan de vraag of Brinvast de waarde die voor haar besloten lag in de mogelijkheid van verhuur of verkoop van het gebouwencomplex had prijsgegeven, is het hof in strijd met art. 24 Rv buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Brinvast heeft de relevantie van een dergelijke ‘prijsgave’ immers niet aan haar conclusie ten aanzien van het sloopwaardedebat ten grondslag gelegd.
1.5.
Indien het hof in rov. 4.3 t/m 4.7 tot uitgangspunt heeft genomen dat het begrip ‘voornemen tot sloop’ terughoudend moet worden uitgelegd (in de zin dat aanwezigheid van een dergelijk voornemen niet spoedig mag worden aangenomen) omdat onduidelijk is wanneer van een dergelijk voornemen in de zin van de polis sprake is, heeft het miskend dat het een verzekeraar vrijstaat in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen en daarbij onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.
2. Indemniteitsbeginsel
2.1.
In rov. 4.6 heeft het hof geoordeeld dat tussen partijen verder niet omstreden is dat in art. 5.2 GEB de werking van het indemniteitsbeginsel tot uitdrukking is gebracht (art. 7:960 BW), 's Hofs oordeel in rov. 4.13 dat Brinvasts vordering tot schadevergoeding met de verkoopwaarde als waardegrondslag toewijsbaar is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over het indemniteitsbeginsel dan wel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
2.1.1.
Dit oordeel is rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat het indemniteitbeginsel meebrengt dat de verzekerde krachtens de verzekeringsovereenkomst geen vergoeding zal ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken en/of dat deze regel van dwingend recht is.
2.1.2.
Dit oordeel is voorts/althans rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat door hem op grond van art. 25 Rv, binnen de feitelijke grondslag van Delta Lloyds verweer, de rechtsgronden (met het indemniteitsbeginsel) aangevuld dienen te worden.
2.1.3.
Dit oordeel is voorts/althans rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat een uitkering tot schadevergoeding met de verkoopwaarde als waardegrondslag in strijd is met het indemniteitsbeginsel onder de in § 1.2 genoemde omstandigheden en met name indien de verzekerde
- (a)
vóór het voorval concrete sloop- en bouwplannen heeft,
- (b)
verklaart vóór het voorval de intentie gehad te hebben om de bouwplannen te realiseren, en slechts door externe beletselen (in verband met de benodigde vergunningen en financiering) daarvan afgehouden te kunnen worden, en
- (c)
de bouwplannen na het voorval in vrijwel ongewijzigde vorm uitvoert.
2.1.4.
Dit oordeel is voorts/althans rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat een uitkering tot schadevergoeding met de verkoopwaarde als waardegrondslag in strijd is met het indemniteitsbeginsel indien de verzekerde
- (a)
vóór het voorval concrete sloop- en bouwplannen heeft,
- (b)
de bouwplannen na het voorval in vrijwel ongewijzigde vorm uitvoert en
- (c)
noch stelt, noch bewijst dat zij de bouwplannen (slechts) heeft uitgevoerd omdat het verzekerd object door het voorval (zo goed als) verloren is gegaan en verzekerde het plan zonder voorval niet zou hebben uitgevoerd.
2.2.
Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel in rov. 4.13 vanwege het volgende onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
2.2.1.
Onverklaard blijft waarom in de situatie die voldoet aan de onder subonderdeel 2.1.3 en/of 2.1.4 onder (a) t/m (c) beschreven kenmerken Brinvast door het voorval en de vergoeding van de verkoopwaarde niet in een duidelijk voordeliger positie is geraakt. Uit deze omstandigheden volgt immers dat Brinvast de wil had om het bouwplan te realiseren en het bouwplan realiseerbaar was. Indien derhalve het voorval en de vergoeding niet zouden hebben plaatsgevonden, zou het sloop- en bouwplan ook zijn uitgevoerd. Hieruit volgt dat Brinvast door het voorval en uitkering van verkoopwaarde in een duidelijk voordeliger positie is geraakt dan in de situatie waarin het voorval niet zou hebben plaatsgevonden. In de situatie zonder voorval zou Brinvast immers het gebouwencomplex hebben gesloopt en een nieuw gebouw hebben gebouwd. In de situatie met het voorval is het gebouwencomplex door het voorval verloren gegaan, is een nieuw gebouwen gebouwd, en verkrijgt Brinvast bovendien de verkoopwaarde (van € 1.593.472,-).
2.2.2.
Voorts/althans houdt 's hofs beoordeling geen toereikende verwerping in, ook niet in rov. 4.5–4.7. van Delta Lloyds stellingen die erop neerkomen dat sprake is van een situatie die voldoet aan de onder subonderdeel 2.1.3 en/of 2.1.4 onder (a) t/m (c) beschreven kenmerken.37.
2.2.3.
Voorts/althans is 's hofs oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd indien het hof Delta Lloyds verweer tegen Brinvasts vordering tot uitkering van de herbouwwaarde/verkoopwaarde zodanig heeft uitgelegd dat binnen die feitelijke grondslag geen ruimte zou zijn om op grond van art. 25 Rv de rechtsgronden met het indemniteitsbeginsel aan te vullen. Delta Lloyd heeft immers steeds betoogd dat Brinvast bij uitkering van de (herbouw- of) verkoopwaarde méér vergoed zou krijgen dan haar schade en zulks meebrengt dat zij slechts de sloopwaarde behoeft te vergoeden.38.
3. Passeren getuigenbewijsaanbod
3.1.
's Hofs oordeel in rov. 4.5 dat de Stellingen van Delta Lloyd ontoereikend zijn om anders te denken over het eerder in rov. 4.5 overwogene en bewijslevering in zoverre achterwege kan blijven is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel is ten eerste rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat art. 166 Rv meebrengt dat een partij tot getuigenbewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van betwiste feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het oordeel is ten tweede rechtens onjuist indien het hof heeft miskend dat Delta Lloyds stel/motiveringsplicht ter zake van feiten en omstandigheden die kunnen dienen ter onderbouwing van Delta Lloyds stelling dat Brinvast een voornemen tot sloop had, geen hoge eisen inhoudt omdat deze feiten en omstandigheden in het domein van Brinvast liggen.
3.2.
Indien het hof zonder het voorgaande te miskennen Delta Lloyds getuigenbewijsaanbod heeft gepasseerd is zulks vanwege het volgende onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Delta Lloyd heeft gesteld dat sprake was van sloopen bouwplannen die zich in een zeer vergevorderd bevonden, dat deze plannen op de steun van de Gemeente konden rekenen, dat verlening van de sloopvergunning volgens de Gemeente geen enkel probleem zou zijn, dat wat de Gemeente betreft de bouw binnen enkele maanden nadat het aangepaste plan door Brinvast aan haar was voorgelegd zou kunnen beginnen, en dat met verschillende partijen over financiering werd gesproken, waaronder de partij die het na de brand gerealiseerde project heeft gefinancierd. Delta Lloyd heeft in verband met haar stelling dat Brinvast ten tijde van het voorval het voornemen had het gebouwencomplex af te breken,39. verzocht om als getuige te horen
- (a)
de heer P.G.M.J. Roozendaal, wethouder van ruimtelijke ordening van de Gemeente, omdat deze wethouder zal kunnen verklaren in welk stadium de bouwplannen zich ten tijde van de brand bevonden,40.
- (b)
de heer L.J.G.T. Eijkemans, wethouder van volkshuisvesting van de Gemeente, en als zodanig nauw betrokken bij de verlening van de (latere) bouwvergunning aan Brinvast,41.
- (c)
de heren [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], ambtenaren van de Gemeente die betrokken waren bij de beoordeling van de bouwplannen en aanvraag van de bouwvergunning na het voorval, waardoor zij kunnen verklaren hoe het bouwplan na het voorval zich verhield tot het bouwplan vóór het voorval.42.
3.2.1.
Indien het hof dit getuigenbewijsaanbod onvoldoende specifiek heeft geacht, is dat onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Niet valt namelijk in te zien waarom het onvoldoende specifiek is, nu Delta Lloyd duidelijk heeft gemaakt op welke stelling en welk aspect daarvan het aanbod betrekking had, en welke getuigen daarover zouden kunnen verklaren.
3.2.2.
Indien het hof het aanbod niet ter zake dienend heeft geacht is dat onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Niet valt immers in te zien waarom de precieze status van de bouwplannen in het traject dat gevolgd diende te worden om een bouwvergunning te verkrijgen, de mate van uitwerking en concreetheid van de bouwplannen, en de opvattingen en verwachtingen over de bouwplannen en de verlening van de sloop- en bouwvergunning van degenen die namens de Gemeente over verlening van de sloop- en bouwvergunning zouden beschikken, niet relevant zouden zijn bij de beoordeling of sprake is van een voornemen tot sloop en/althans voor toepassing van het indemniteitsbeginsel. Niet valt voorts/althans in te zien waarom de aard en mate waarin het bouwplan na het voorval nog is aangepast niet van belang kan zijn bij de beoordeling of sprake is van een voornemen tot sloop vóór het voorval.
3.2.3.
's Hofs passeren van Delta Lloyds getuigenbewijsaanbod is temeer/althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd nu het hof in zijn oordeel dat geen sprake is van een voornemen tot sloop in rov. 4.7 (kennelijk) beslissend heeft geacht de mogelijkheid dat nieuwbouw door de Gemeente niet zou worden toegestaan en het hof hierbij Delta Lloyds stellingen die erop neerkomen dat de Gemeente de uitvoering van het plan niet zou hebben belemmerd, niet (kenbaar) heeft betrokken.
3.3.
Delta Lloyd heeft in verband met haar stellingen dat Brinvast ten tijde van het voorval het voornemen had het gebouwencomplex af te breken,43. verzocht om mevrouw [directeur-bestuurder woningbouwvereniging], directeur-bestuurder van de plaatselijke woningbouwvereniging, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Bouwvereniging Huis een Erf (‘Huis en Erf’), te horen.44. Delta Lloyd heeft gesteld dat Huis en Erf reeds vóór het voorval als geïnteresseerde potentiële investeerder bij het project betrokken was en dat het project na het voorval door Huis en Erf is gefinancierd.45. Delta Lloyd heeft voorts gesteld dat voor de hand ligt dat de daarbij gekozen financieringsstructuur ook vóór het voorval al is besproken.46. Indien het hof met het passeren van dit getuigenbewijsaanbod niet de in subonderdeel 3.1 genoemde rechtsregels heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Onverklaard blijft waarom dit aanbod niet relevant en/of niet ter zake dienend zou zijn geweest. Delta Lloyd heeft immers duidelijk gemaakt op welke stelling en welk aspect daarvan het aanbod betrekking had, en welke getuige daarover zouden kunnen verklaren. Tevens zou het niet rondkomen van de financiering een reden kunnen zijn waardoor Brinvast van het uitvoeren van haar plan was afgehouden,47. waardoor relevant kan zijn in welk stadium de gesprekken over de financiering zich vóór en na het voorval bevonden. Temeer/althans getuigt 's hofs passeren van Delta Lloyds bewijsaanbod van een onjuiste rechtsopvatting althans is dit onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd omdat niet valt in te zien waarom van Delta Lloyd verwacht kon worden dat zij concreter stelde in welke fase de onderhandelingen over de financiering vóór het voorval waren, nu deze feiten tot het exclusieve domein van Brinvast en haar partner Huis en Erf behoren.
Conclusie
Delta Lloyd vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑10‑2012
Rov. 4.4, eerste streepje.
MvG § 3.6. CvA § 2.5, 5.21.
Rov. 4.4, vierde streepje. MvG § 3.6, 5.22, 5.23 jo. prod. 7. CvA § 4.4, 4.5, 5.2.
Rov. 4.1.5.
Rov. 4.4, vijfde streepje. MvG § 3.9, 5.52, 5.54–5.58.
Rov. 4.4, zesde streepje. MvG § 5.24, 5.25. CvA § 4.6, 4.7.
MvG § 5.27. CvA § 4.8.
Rov. 4.4, zesde streepje. MvG § 5.30, 5.31.
Rov. 4.4, zesde streepje. MvG § 5.29 jo. prod. 13. CvA § 5.3. Plta I (mr. Kos) § 2.7.
MvG § 5.26, 5.27. CvA 4.8.
CvA § 5.9.
MvG § 5.28, 5.32, 5.47–5.51. CvA § 4.9, 4.10, 4.25–4.29.
MvG § 5.48. CvA § 4.26.
MvG § 5.32, 5.33. CvA § 4.10–4.13
MvG § 5.43. CvA § 4.21. Plta I (mr. Kos) § 2.3.
Rov. 4.4, zevende streepje. MvG § 5.35. CvA § 4.13.
MvG § 5.37. CvA § 4.15. Plta I (mr. Kos) § 2.3, 3.6. 3.7.
Rov. 4.5. MvG § 5.37. CvA § 4.15.
MvG § 5.38. CvA § 4.16.
MvG § 5.44–5.45. CvA § 4.23, 5.3. Plta I (mr. Kos) § 2.4.
MvG § 5.46. CvA § 4.21. Plta I (mr. Kos) § 2.4.
MvG § 5.40–5.44. CvA § 4.22–4.24, 5.5. Pita I (mr. Kos) § 2.4.
MvG § 5,39 jo. p-v 12 augustus 2010, p. 3, derde alinea. CvA § 4.14, 4.30.
MvG § 5.60–5.63. Pita I (mr. Kos) § 2.9.
MvG § 5.5, 5.38, 5.68–5.70. CvA § 4.30, 5.11. Pita I (mr. Kos) § 2.2.
MvG § 5.16, 5.17.
CvA § 4.18.
MvG §5.16, 5.17.
MvG § 5.63, ¡o. prod. 17, p.1, onder ‘Inleiding’.
Plta I (mr. Kos) § 3.3, 3.4, 3.5 jo. prod. 6.
MvG § 5.60–5.63. Plta I (mr. Kos) § 3.9, 4.1.
MvG § 5.39 jo. p-v 12 augustus 2010, p. 3, derde alinea.
M MvG § 5.60–5.63. Plta I (mr. Kos) § 3.5, 3.9, 4.1.
MvG § 5.60–5.63. Plta I (mr. Kos) § 3.5, 3.9, 4.1.
MvG§ 5.41–5.46.
MvG § 5.39 jo. MvG § 5.60–5.63.
MvG § 4.11, 4.17, 4.21, 5.1–5.70. Pita I (mr. Kos) § 1.1–2.1.
MvG § 9.1
MvG § 9.2, tweede streepje.
MvG § 9.2, derde streepje
MvG § 9.3, vierde en vijfde streepje.
MvG § 9.1.
MvG § 9.2, zesde streepje.
MvG § 5.65.
MvG § 3.19, 5.66.
MvG § 5.39 jo. p-v 12 augustus 2010, p. 3, derde alinea.
Beroepschrift 19‑06‑2012
Heden, de [negetiende] juni tweeduizendtwaalf, ten verzoeke van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRINVAST B.V., gevestigd te Schijndel, te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Bezuidenhoutseweg nr. 57 (2594 AC), gebouw New Babylon (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van mrs. J. van Duijvendijk-Brand en K.J.O. Jansen, advocaten bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door haar worden aangewezen om haar te vertegenwoordigen [en als zodanig worden gesteld] in na te melden geding in cassatie;
[Heb ik, SABRINA ZUIDERVAART, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van DENNIS JOUSTRA, gerechtsdeurwaarder met vestigingsplaats Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan het Kon.Wilhelminaplein 38;]
AAN
de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd aan de Spaklerweg 4, 1096 BA Amsterdam, maar overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv mijn exploot doende aan het Gustav Mahlerplein 50, 1082 MA, Postbus 75505,1070 AM Amsterdam, ten kantore van mr. M.G. Kos, advocaat alwaar de gerequireerde in vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[mevrouw P. Koops, aldaar werkzaam;]
AANGEZEGD
dat mijn requirante hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, onder zaaknummer 200.082.615/01 tussen mijn requirante als appellante en gerequireerde als geïntimeerde gewezen en ter openbare terechtzitting van 20 maart 2012 uitgesproken;
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend en relaterend als voormeld, de geïnsinueerde voornoemd,
GEDAGVAARD
om op vrijdag zeven september tweeduizendtwaalf des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, die alsdan wordt gehouden in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage;
MET DE UITDRUKKELIJKE VERMELDING:
- •
dat van gerequireerde bij verschijning een griffierecht zal worden geheven en dat dit griffierecht verschuldigd is vanaf haar verschijning in het geding en binnen vier weken nadien dient te zijn voldaan;
- •
dat dit griffierecht € 6.047 bedraagt, maar dat van een persoon die onvermogend is, een griffierecht van € 302 wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1o.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2o.
een verklaring van de raad als bedoeld in artikel 1, onder b, van die wet, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, bedoeld in artikel 35, derde en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet,
met dien verstande dat als gevolg van inmiddels van kracht geworden wijzigingen van de Wet op de rechtsbijstand nu geldt dat de verklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e van die wet wordt verstrekt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 3 van die wet, terwijl de bedragen waaraan het inkomen wordt getoetst zijn vermeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand;
- •
dat indien gerequireerde in het geding verschijnt door advocaat te stellen, maar het door haar verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, op de voet van art. 139 Rv tegen haar (alsnog) verstek zal worden verleend en ingevolge art. 411 lid 1 Rv zijn recht om in cassatie te komen vervalt.
TENEINDE
alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 4.3, 4.6, 4.8 t/m 4.13, 4.15, 5 en het dictum sub 6 van zijn bestreden arrest d.d. 20 maart 2012, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
A. Inleiding op de klachten
1
In 2002 heeft (de rechtsvoorgangster van) projectontwikkelaar Brinvast een gebouwencomplex te Schijndel gekocht als beleggingsobject, met de bedoeling tot herontwikkeling van (de locatie van) het complex over te gaan. Brinvast heeft het complex bij Delta Lloyd verzekerd tegen (onder meer) het risico van brand, voor een verzekerde som van € 5.263.300,00.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekeringspremie was gerelateerd aan de herbouwwaarde als hoogst mogelijke waarderingsgrondslag voor uitkering.2.
2
De op de verzekeringsovereenkomst (een beurspolis) toepasselijke ‘bijzondere voorwaarden voor uitgebreide verzekering van gebouwen’, met als referentie BEURS J2006-GEB (hierna: GEB), bepalen onder meer als volgt:3.
‘5.2
Bij de bepaling van de waarde van de verzekerde gebouwen onmiddellijk voor de gebeurtenis wordt uitgegaan van de waardegrondslag zoals hieronder genoemd wordt, terwijl bij de vaststelling van de waarde onmiddellijk na de gebeurtenis met deze waardegrondslag rekening zal worden gehouden. (…)
5.2.2
De herbouwwaarde is de waardegrondslag mits:
5.2.2.1
verzekerde binnen 12 maanden na de schade datum schriftelijk meedeelt dat tot herstel respectievelijk tot herinvestering, al dan niet op dezelfde plaats wordt overgegaan. De herinvestering moet dan binnen 24 maanden na de schadedatum zijn voltrokken;
5.2.2.2
deze lager is dan de verkoopwaarde;
5.2.2.3
op het gebouw een herbouwplicht rust.
5.2.3
De verkoopwaarde is de waardegrondslag indien het gebouw vóór de gebeurtenis:
5.2.3.1
ter verkoop stond aangeboden en de verkoopwaarde lager is dan de herbouwwaarde;
5.2.3.2
door de bevoegde autoriteiten onbewoonbaar of onbruikbaar was verklaard;
5.2.3.3
geheel of gedeeltelijk langer dan 6 maanden leeg stond of buiten gebruik was;
5.2.3.4
geheel of gedeeltelijk langer dan 3 maanden gebruikt werd door onbevoegden zoals krakers, drugsgebruikers of zwervers;
5.2.3.5
verzekerde niet binnen 12 maanden na de schadedatum heeft medegedeeld dat tot herstel van de schade wordt overgegaan en dit niet binnen 24 maanden na de schadedatum is voltrokken.
Evenwel is de waardegrondslag toch de herbouwwaarde mits de verzekerde binnen 12 maanden na de schade-datum meedeelt dat tot herstel respectievelijk herbouw zal worden overgegaan en deze binnen 24 maanden na de schadedatum is voltrokken.
5.2.4
de sloopwaarde indien:
5.2.4.1
de verzekerde voor de gebeurtenis al het voornemen had om het gebouw af te breken;
5.2.4.2
het gebouw bestemd was voor afbraak of onteigening.
Indien de voorafgaande taxatie reeds een schatting biedt van de herbouwwaarde, verkoopwaarde of de sloopwaarde, dan zullen de bedoelde schattingen dienen als basis voor de berekening van de schade.’
3
De bij deze polisvoorwaarden behorende definities, met als referentie BEURS J2006-DEF (hierna: DEF), bepalen onder meer als volgt:4.
‘4.4. Herbouwwaarde
het bedrag dat benodigd is voor herbouw van een verzekerd gebouw — op dezelfde locatie en met dezelfde bestemming naar constructie en indeling gelijkwaardig — onmiddellijk na de gebeurtenis.
(…)
4.6. Verkoopwaarde
het bedrag dat bij verkoop in het normale verkeer en uitgaande van dezelfde bestemming van het gebouw — met uitzondering van de grond — verkregen zou kunnen worden. (…)
4.8. Sloopwaarde
het bedrag dat zou kunnen worden verkregen voor de nog bruikbare respectievelijk waardevolle onderdelen van een verzekerde zaak verminderd met de kosten van het laten afbreken, wegruimen, afvoeren en storten en vernietigen. (…)
4.10. Herinvestering
het aanwenden van de schadevergoeding voor herstel, (her)bouw en/of aanschaf van zaken als bedoeld in 2.1 tot en met 2.6 van dit polisblad ter voortzetting van het bedrijf, beroep of andere activiteiten of functie, vallende binnen de in de polls weergegeven omschrijving.’
4
Op 10 november 2008 is het verzekerde gebouwencomplex door brand verwoest. Brinvast heeft hierop aan Delta Lloyd gemeld dat zij tot herinvestering in de zin van art. 4.10 DEF wenste over te gaan en op die grond aanspraak maakte op uitkering van de herbouwwaarde,5. die ten tijde van de brand € 4.507.105,00 bedroeg (exclusief BTW op gebouw).6. Delta Lloyd heeft de aanspraak op verzekeringsdekking als zodanig erkend, maar heeft uitkering van de herbouwwaarde geweigerd,7. omdat Brinvast volgens Delta Lloyd ten tijde van de brand reeds een voornemen had tot sloop van het gebouwencomplex. Op die grond heeft Delta Lloyd niet meer willen uitkeren dan de sloopwaarde, die ten tijde van de brand slechts € 50.000,00 bedroeg (exclusief BTW op gebouw).8.
5
In dit geding vordert Brinvast uitkering van de herbouwwaarde onder de verzekeringspolis. Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat niet is gebleken van een (concreet) voornemen tot sloop aan de zijde van Brinvast ten tijde van de brand.9. Anders dan de rechtbank heeft het hof nochtans de vordering van Brinvast niet toewijsbaar geoordeeld. Volgens het hof is voor uitkering van de herbouwwaarde ‘functionele continuïteit van het gebouwencomplex’ vereist.10. Nu door de beoogde herontwikkeling de bestemming van het complex wijzigt (van ‘cafe-restaurant met zaal annex bibliotheek’ in ‘appartementen en commerciële ruimtes’), moet Brinvast volgens het hof genoegen nemen met de verkoopwaarde van het complex, die ten tijde van de brand € 1.579.875,00 bedroeg (exclusief BTW op gebouw).11. Dat de bedoelde wijziging van de bestemming voortvloeit uit dwingende eisen van de gemeente, doet daaraan in de visie van het hof (kennelijk) niet af.
B. Algemene klacht
6
's Hofs oordeel over de uitleg en concrete toepassing van de polisvoorwaarden in het onderhavige geval geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk, in het licht van (onder meer) de volgende vaststaande feiten:
- (I)
Verzekering op basis van herbouwwaarde overeengekomen
- —
In de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden wordt (tekstueel) de herbouwwaarde als hoogste waarderingsgrondslag vooropgesteld.12.
Dienovereenkomstig heeft Delta Lloyd in feitelijke instanties verklaard dat het een verzekering ‘op basis van herbouwwaarde’ betreft,13. en dat de verzekeringspremie is gerelateerd aan de herbouwwaarde als ‘hoogst mogelijke waarderingsgrondslag voor uitkering’.14.
- —
Uitkering van de herbouwwaarde wordt in de verzekeringsvoorwaarden gekoppeld aan de eis van ‘herinvestering’,15. welke eis in de bijbehorende definitiebepalingen ruim is omschreven als ‘het aanwenden van de schadevergoeding voor herstel, (her)bouw en/of aanschaf van zaken als bedoeld in 2.1 tot en met 2.6 van dit polisblad16. ter voortzetting van het bedrijf, beroep of andere activiteiten of functie, vallende binnen de in de polis weergegeven omschrijving’.17.
- —
Partijen zijn het erover eens dat de verzekeringsvoorwaarden ter zake van de uitkering van herbouwwaarde níet de eis stellen van ‘geheel overeenstemmende bestemming’.18.
- (ii)
Plannen tot herontwikkeling van meet af aan bekend
- —
Het gebouwencomplex was, naar Delta Lloyd wist,19. door (de rechtsvoorgangster van) Brinvast aangekocht als beleggingsobject.20.
- —
Brinvast had, naar Delta Lloyd eveneens wist,21. van meet af aan de bedoeling om (op termijn) over te gaan tot herontwikkeling van het complex.22.
- —
Ten tijde van de brand was Brinvast al jaren in overleg met de gemeente over de verwezenlijking van haar plannen tot herontwikkeling, maar deze plannen waren destijds nog niet door de gemeente goedgekeurd en behoefden nog uitwerking.23.
- —
Brinvast was voornemens om, indien de herontwikkeling niet van de grond zou komen, het gebouwencomplex te verhuren of verkopen.24.
- (iii)
Verzekeringsdekking gehandhaafd ondanks melding anti-kraakbewoning
- —
De in de oorspronkelijke verzekeringspolis van 10 januari 2003 vermelde bestemming van het complex (‘cafe-restaurant met zaal annex bibliotheek’) is in het polisaanhangsel van 11 april 2006, met het oog op de beoogde herontwikkeling,25. gewijzigd in: ‘tijdelijke bewoning door anti-kraakorganisatie’.26.
- —
Delta Lloyd heeft in deze (tijdelijke) wijziging van de bestemming van het complex geen aanleiding gezien om de (aanzienlijke27.) verzekeringspremie te wijzigen dan wel de overeengekomen dekking voor herbouwwaarde uit te sluiten of te beperken.28.
- —
Uit de aan de wijziging voorafgaande e-mailcorrespondentie tussen (de assurantietussenpersoon van) Brinvast en (de gevolmachtigd assurantiemakelaar van) Delta Lloyd blijkt dat namens Brinvast per e-mail van 10 april 2006 uitdrukkelijk is gevraagd of, ondanks die (tijdelijke) wijziging, de lopende verzekeringsdekking (op basis van herbouwwaarde) kon worden gecontinueerd, waarop namens Delta Lloyd een bevestigend antwoord is gevolgd, met dien verstande dat de verzekeringsdekking zou worden beperkt tot de condities brand/storm.29.
- (iv)
Wijziging bestemming na herontwikkeling wegens gemeentelijke restricties
- —
Op 10 november 2008, ruim tweeënhalf jaar na de bedoelde (tijdelijke) wijziging van de bestemming, is het complex afgebrand.30.
- —
Na de brand heeft Brinvast verder uitvoering gegeven aan haar plannen tot herontwikkeling van het complex.31.
- —
Dienovereenkomstig heeft Brinvast op 6 augustus 2009 aan Delta Lloyd gemeld dat zij tot herinvestering in de zin van de polisvoorwaarden wenste over te gaan en op die grond aanspraak maakte op uitkering van de herbouwwaarde.32.
- —
De beoogde bestemming van het nieuw te bouwen complex luidt ‘appartementen en commerciële ruimtes’.33.
- —
Naar Brinvast in feitelijke instanties onbestreden heeft aangevoerd, is deze gewijzigde bestemming ingegeven door dwingende eisen van de gemeente, die op de betreffende locatie geen bibliotheek meer toestaat, slechts een beperkte oppervlakte voor horeca accepteert en voorts verlangt dat het grootste gedeelte van de nieuwbouw voor bewoning wordt gebruikt.34.
- —
Ter comparitie in eerste aanleg heeft Delta Lloyd desgevraagd niet kunnen aangeven welke in de gegeven omstandigheden denkbare bestemming van het gebouwencomplex volgens haar wel toelaatbaar zou zijn.35.
- (v)
Complex vertegenwoordigde tot aan de brand een reële vermogenswaarde
- —
Vaststaat dat Brinvast de waarde die voor haar besloten lag in de mogelijkheid van verhuur of verkoop van het gebouwencomplex ten tijde van de brand nog niet had prijsgegeven.36.
- —
Delta Lloyd heeft niet bestreden dat het complex ten tijde van de brand nog een ‘aanzienlijke huur- en ontwikkelpotentie’ vertegenwoordigde,37. en dat er voorafgaand aan de brand ook daadwerkelijk huurders en projectontwikkelaars belangstelling hebben getoond voor het pand.38.
- —
Dienovereenkomstig heeft Brinvast, eveneens onbestreden, aangevoerd dat zij in verband met de brand op instructie van haar accountant op voorhand reeds een bedrag van € 1.750.000,00 heeft afgeboekt, dat het daadwerkelijk vermogensverlies ten gevolge van de brand nog aanzienlijk groter zal zijn,39. en dat haar vermogenspositie door een uitkering op basis van de herbouwwaarde niet beduidend zal afwijken van die vóór dé brand.40.
7
Aangenomen moet worden dat onder zodanige omstandigheden — kort gezegdinhoudend dat de verzekeraar een beleggingspand tegen brand verzekert (en blijft verzekeren), met de herbouwwaarde als hoogst mogelijke (en voor de omvang van de verzekeringspremie bepalende) waarderingsgrondslag, terwijl de verzekeraar weet dat het een beleggingspand betreft en dat dit pand (op termijn) door de verzekerde zal worden herontwikkeld — een redelijke uitleg van de op deze beurspolis toepasselijke verzekeringsvoorwaarden meebrengt dat de verzekerde die na vernietiging van het pand door brand overgaat tot (her)bouw van een nieuw beleggingspand, recht heeft op uitkering van de herbouwwaarde, althans dat de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid uitkering van de herbouwwaarde níet kan weigeren, indien (zoals in casu) de gewijzigde bestemming van het nieuwe beleggingspand is ingegeven door dwingende eisen van de gemeente.
8
Deze klacht wordt hieronder, in onderdeel C van de cassatiedagvaarding, nader uitgewerkt, toegelicht en nog verder toegespitst op de afzonderlijke overwegingen van 's hofs bestreden arrest.
C. Nadere uitwerking; specifieke klachten
Onderdeel C.1 Betekenis objectieve uitleg maatstaf
9
In rov. 4.3 stelt het hof voorop dat partijen het erover eens zijn dat vanwege de totstandkomingsgeschiedenis van de verzekeringsovereenkomst (een beurspolis) bij de uitleg van die overeenkomst een ‘meer objectieve benadering past’ en dat het hof die maatstaf zal toepassen. Voor zover het hof hiermee bedoelt (rov. 4.10 bezien in samenhang met rov. 4.3 biedt steun voor deze lezing) dat voor de uitleg van de onderhavige verzekeringspolis de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals hierboven geschetst in § 6, niet relevant zijn, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Oók bij uitleg van een beurspolis als de onderhavige komt het immers aan op de betekenis die partijen daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen,41. meer in het bijzonder gelet op de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval daarbij behorende toelichting.42. Overigens gaat Delta Lloyd zelf ook uit van een dergelijke contextgebonden uitleg, nu zij zelf stelt dat partijen zijn overeengekomen ‘dat door een analyse van de feiten zal worden vastgesteld welke waarde het verloren gegane gebouw vóór het schadeveroorzakende evenement voor de verzekerde had’.43. 's Hofs vooropstelling in rov. 4.3. gelezen in samenhang met zijn oordeel in rov. 4.10. is in zoverre ook onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat.
Onderdeel C.2 Indemniteitsbeginsel en herbouwwaarde
10
In rov. 4.6 overweegt het hof dat tussen partijen niet in geschil is dat in artikel 5.2 GEB, zoals hierboven weergegeven in § 2, het indemniteitsbeginsel tot uitdrukking is gebracht. Voor zover het hof hiermee bedoelt, anticiperend op zijn oordeel in rov. 4.10. dat in het licht van het — kennelijk volgens het hof door partijen contractueel verankerde — indemniteitsbeginsel voor een uitkering naar herbouwwaarde slechts plaats is in geval van ‘functionele continuïteit’ van het gebouwencomplex, is dat oordeel rechtens onjuist. In het Ronvast-arrest uit 1994 oordeelde de Hoge Raad immers, juist tegen de achtergrond van het indemniteitsbeginsel, dat bij verzekering van een bedrijfsgebouw naar herbouwwaarde voor de toelaatbaarheid van een uitkering van die herbouwwaarde, tenzij anders is overeengekomen, ‘niet van belang [is] of het gebouw na te zijn herbouwd een zelfde functie in de bedrijfsvoering van de verzekerde herkrijgt als díe welke het had vóór het plaatsvinden van de gebeurtenis waardoor het is beschadigd of verloren is gegaan’.44.
11
Voor zover het hof bedoelt dat partijen in casu, gelet op de (althans door het hof als zodanig gepercipieerde) contractuele verwijzing naar het indemniteitsbeginsel, hebben bedoeld een dergelijke eis van functionele continuïteit te stelten, is zijn oordeel onbegrijpelijk, meer in het bijzonder in het licht van het partijdebat, nu partijen nimmer hebben aangevoerd dat in art. 5.2 GEB het indemniteitsbeginsel is verwoord en Delta Lloyd bovendien zelf met zoveel woorden heeft verklaard dat bij een concrete, op de felten toegespitste uitleg van de polisvoorwaarden het indemniteitsbeginsel ‘geen rol’ speelt.45.
Onderdeel C.3 Aan vereiste van mededeling herinvestering is voldaan
12
Ten onrechte overweegt het hof in rov. 4.8 dat ‘moet worden onderzocht of Brinvast heeft medegedeeld over te gaan tot herstel respectievelijk herinvestering’. Het hof overschrijdt hiermee de grenzen van de rechtsstrijd, nu tussen partijen in het geheel niet in geschil is dat Brinvast reeds op 6 augustus 2009, binnen een jaar na de brand, aan Delta Lloyd heeft medegedeeld dat zij tot herinvestering in de zin van de polisvoorwaarden wenste over te gaan.46. Het oordeel van het hof is althans zonder nadere, hier ontbrekende, motivering onbegrijpelijk.
Overigens zij hier ter nadere informatie vermeld dat Brinvast de beoogde herinvestering inmiddels ook heeft opgestart. De oplevering van het herontwikkelde complex staat gepland rond de komende bouwvak.
Onderdeel C.4 Herbouw tegenover herinvestering
13
Ten onrechte overweegt het hof in rov. 4.9‘dat Brinvast nimmer heeft meegedeeld het oude gebouwencomplex te willen herbouwen’ en dat de moeilijkheid zich nu juist voordoet ‘dat zij een ander soort gebouwencomplex wilde bouwen’.'s Hofs oordeel getuigt van een onjuist begrip van art. 5.2.2.1 GEB, nu de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel, geen andere uitleg toelaten dan dat, zoals Brinvast in feitelijke instanties ook heeft aangevoerd,47. voor uitkering van de herbouwwaarde níet is vereist dat het oorspronkelijke pand — in identieke vorm, op dezelfde locatie en met gelijke functie — wordt herbouwd, maar dat — binnen 24 maanden na de schadedatum, volgend op een mededeling aan de verzekeraar binnen 12 maanden na de schadedatum — wordt overgegaan tot een herinvestering, welk begrip blijkens art. 4.10 DEF aanzienlijk méér omvat dan alleen een herbouw in eigenlijke zin. Anders gezegd: het hof miskent dat de ‘herbouwwaarde’, zoals bedoeld in art. 4.4 DEF, een fictie behelst: vergoed wordt het bedrag dat gemoeid zou zijn geweest met een (denkbeeldige) herbouw, en wel op voorwaarde dat (daadwerkelijk) wordt overgegaan tot een herinvestering.48. Dat Brinvast nimmer heeft medegedeeld tot herbouw te willen overgaan, is dus hoegenaamd niet relevant voor de beantwoording van de vraag of zij aanspraak kan maken op uitkering van de herbouwwaarde. Zo beschouwd is 's hofs oordeel, gelet op de tekst van de polisvoorwaarden, onbegrijpelijk.
Onderdeel C.5 Functionele continuïteit vereist?
14
De kern van 's hofs bestreden arrest is te vinden in rov. 4.10. waar het hof oordeelt dat de waardebepaling naar herbouwwaarde ‘niet bedoeld’ is voor een situatie als de onderhavige, waarin (aldus het hof in rov. 4.9) de moeilijkheid zich voordoet dat verzekerde ‘een ander soort gebouwencomplex wilde bouwen met als functieomschrijving ‘appartementen en commerciële ruimtes’ maar dat een dergelijk gebouwencomplex er nog niet stond’. Het hof onderbouwt zijn oordeel als volgt:
‘De waardebepaling met gebruikmaking van de herbouwwaarde vindt haar begrenzing in de functionele continuïteit van het gebouwencomplex. Die functionele continuïteit is hier onvoldoende voor handen. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat Delta Lloyd desalniettemin in de verzekeringsovereenkomst waardebepaling op deze grondslag49. en dus gebrekkige mogelijkheden tot afgrenzing heeft aanvaard. Brinvast mocht al evenmin veronderstellen dat Delta Lloyd een dergelijke waardebepaling had aanvaard, ook niet toen zij de gewijzigde contractuele bestemming had geaccepteerd.’
15
's Hofs oordeel berust kennelijk op een petitio principli, te weten dat voor uitkering van de herbouwwaarde ‘functionele continuïteit’ van het gebouwencomplex is vereist. Nu het hof deze interpretatie van de polisvoorwaarden echter niet onderbouwt met een verwijzing naar de tekst van de polisvoorwaarden, noch anderszins voorziet van enigerlei motivering, is volstrekt onduidelijk waarop deze uitleg is gebaseerd, en is bijgevolg ook onnavolgbaar waarom in de visie van het hof aan het bedoelde vereiste van functionele continuïteit in casu niet is voldaan.50.
16
Voor zover 's hofs oordeel in rov. 4.10, mede gelet op rov. 4.3, berust op de veronderstelling dat voor doorbreking van de functionele continuïteit in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval in casu geen plaats is, omdat een ‘objectieve uitleg’ van de onderhavige beurspolis is geboden, respectievelijk, mede gelet op rov. 4.6, dat het indemniteitsbeginsel in een geval als het onderhavige aan uitkering van de herbouwwaarde in de weg staat, berust zijn oordeel in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting (zie hierboven § 9 en 10).
17
Voor zover het hof bedoelt dat een objectieve uitleg van de tekst van de polisvoorwaarden, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel, een eis van functionele continuïteit meebrengt, is zijn oordeel onbegrijpelijk, nu art. 5.2.2.1 GEB voor uitkering van de herbouwwaarde juist géén herbouw met behoud van functie, maar een herinvestering in de zin van art. 4.10 DEF vereist, te weten een herstel, (her)bouw en/of aanschaf van vervangende zaken, ter voortzetting van het bedrijf, beroep of andere activiteiten of functie, vallende binnen de in de polis weergegeven omschrijving. Reeds een zuiver tekstuele uitleg van laatstgenoemde bepaling impliceert, gelet op het gecursiveerde woord ‘of’, dat het bouwen van een nieuw gebouw ter voortzetting van het bedrijf van de verzekerde (in casu: belegging in vastgoed) zonder meer kwalificeert als een herinvestering in de zin van de polisvoorwaarden, recht gevend op uitkering van de herbouwwaarde, ongeacht of tevens sprake is van behoud van de oorspronkelijke functie van het gebouw.51. Veelzeggend is in dit verband, eveneens vanuit een zuiver tekstueel perspectief, dat art. 5.2.2.1 GEB zelfs een herinvestering op een andere locatie toelaat (‘al dan niet op dezelfde plaats’).52. Ook afgezien van de tekst van de polisvoorwaarden is 's hofs uitleg onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat, nu Delta Lloyd zelf heeft erkend dat de verzekeringsvoorwaarden níet de eis stellen van ‘geheel overeenstemmende bestemming’.53.
18
Voor zover het hof de bedoelde eis van functionele continuïteit heeft gemeend te moeten lezen in art. 4.4 DEF, waar het begrip herbouwwaarde wordt omschreven door verwijzing naar het bedrag dat benodigd is voor de herbouw van een verzekerd gebouw ‘op dezelfde locatie en met dezelfde bestemming naar constructie en indeling gelijkwaardig’, getuigt dit oordeel, zoals hierboven reeds werd betoogd (§ 13), van een verkeerd begrip van (de systematiek van) de polisvoorwaarden en is om die reden onbegrijpelijk. Art. 4.4 DEF bevat immers enkel een omschrijving van de waarderingsgrondslag die bij uitkering naar herbouwwaarde wordt gehanteerd, welke is gebaseerd op de fictie van herbouw op dezelfde locatie, met dezelfde bestemming en naar constructie en indeling gelijkwaardig. Veelzeggend is, zoals gezegd, dat art. 5.5.2.1 GEB aan de daadwerkelijke herinvestering zelfs niet de eis van een gelijke locatie stelt (‘al dan niet op dezelfde plaats’).
19
Ronduit onnavolgbaar is hetgeen het hof in zijn hierboven (§ 14) geciteerde overweging laat volgen op de vaststelling dat in casu de bedoelde functionele continuïteit onvoldoende voorhanden is. Volgens het hof kan bezwaarlijk worden aangenomen dat Delta Lloyd ‘desalniettemin’ waardebepaling naar herbouwwaarde, ‘en dus gebrekkige mogelijkheden tot afgrenzing’, heeft ‘aanvaard’. Onbegrijpelijk is allereerst wat het hof bedoelt met de tussenvoeging ‘desalniettemin’. Voor zover bedoeld is dat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat, hoewel de polisvoorwaarden de eis van functionele continuïteit stellen, Delta Lloyd ‘desalniettemin’ uitkering van de herbouwwaarde in een geval als het onderhavige zou hebben aanvaard, kan dat oordeel geen stand houden, omdat, zoals gezegd, de polisvoorwaarden juist níet de eis van functionele continuïteit stellen, althans zonder nadere motivering onduidelijk is waaruit dat blijkt. Onbegrijpelijk is voorts 's hofs verwijzing naar de ‘gebrekkige mogelijkheden tot afgrenzing’, nu het hof niet expliciteert welke afgrenzingsproblemen het bedoelt en ten opzichte waarvan die afgrenzingsproblemen ontstaan, terwijl Delta Lloyd overigens ook geen beroep heeft gedaan op zulke afgrenzingsproblemen. Onbegrijpelijk is ten slotte ook 's hofs overweging, dat Delta Lloyd waardebepaling naar herbouwwaarde niet zou hebben aanvaard. Tussen partijen is immers in confesso dat zij een verzekering naar herbouwwaarde zijn overeengekomen (waarop tevens de premie was afgestemd), en dat Delta Lloyd, naar aanleiding van de e-mail van (de assurantietussenpersoon van) Brinvast d.d. 10 april 2006, juist uitdrukkelijk had aanvaard dat de lopende verzekeringsdekking op basis van herbouwwaarde zou worden voortgezet, in afwachting van de beoogde herontwikkeling van het pand (vgl. hierboven § 6).
Onderdeel C.6 Derogerende redelijkheid en billijkheid
20
In de tweede helft van rov. 4.10 verwerpt het hof het beroep van Brinvast op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Daartoe overweegt het hof, direct aansluitend op zijn hierboven (§ 14) geciteerde overweging;
‘De voor het nieuwe gebouw voorziene functie ligt ook niet zo dicht bij de functie van het oude gebouw dat Delta Lloyd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten meer zou mogen ontlenen aan deze polisbepaling. Dat de verschuldigde verzekeringspremie na het vertrek van de huurders niet goed zou corresponderen met de actuele waarde van het gebouwencomplex legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, reeds omdat niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is wat ten grondslag ligt aan de premiestelling.’
21
Dit oordeel is vooreerst onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen die door Brinvast aan haar beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid ten grondslag zijn gelegd, te weten dat (kort gezegd) de gewijzigde bestemming van het herontwikkelde gebouwencomplex was ingegeven door dwingende eisen van de gemeente (zie § 6). Het hof gaat, met zijn overweging dat de nieuwe functie van het gebouwencomplex ‘niet zo dicht bij de functie van het oude gebouw’ ligt, dat Delta Lloyd geen rechten meer kan ontlenen aan de polisbepaling, volledig langs de kern van die stellingen van Brinvast heen. Het is veelzeggend dat de rechtbank in eerste aanleg juist vanwege de bedoelde gemeentelijke restricties de vordering van Brinvast toewees,54. terwijl het hof daaraan geen woord wijdt. Overigens valt in het licht van de tekst van de polisvoorwaarden ook niet goed in te zien waarom de mate van functiebehoud in dit verband doorslaggevend zou moeten zijn (vgl. § 15), respectievelijk waarom in dit verband van een voldoende mate van functionele continuïteit geen sprake was. Ter vergelijking zij bedacht dat de rechtbank in eerste aanleg juist tot de conclusie kwam, op grond van een aanzienlijk minder karige motivering, dat ‘de toekomstige bestemming van het gebouwencomplex zozeer aansluit bij de eerdere bestemming, dat Delta Lloyd deze toekomstige bestemming zal moeten accepteren’.55.
22
's Hofs voortbouwende overweging in rov. 4.10, dat de hoogte van de verzekeringspremie ‘daartegenover’ onvoldoende gewicht in de schaal legt, is eveneens onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van Brinvast, nu Brinvast de hoogte van de verzekeringspremie niet enkel ‘daartegenover’ heeft ingeroepen, dus in het kader van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar meer in het algemeen ook in het kader van de door haar bepleite uitleg van de herbouwwaardeclausule.56. Voorts heeft Brinvast zich in dit verband niet, zoals het hof suggereert, beroepen op een wanverhouding tussen de verzekeringspremie en de waarde van het gebouwencomplex, maar op een wanverhouding tussen de verzekeringspremie en de door Delta Lloyd aangeboden verzekeringsuitkering.57. Met andere woorden: het feit dat Brinvast jaar in jaar uit, ook na aankondiging van de tijdelijke bewoning van het complex door een antikraakorganisatie (in afwachting van de beoogde herontwikkeling), was blijven betalen voor een verzekering op basis van herbouwwaarde, betekende volgens Brinvast dat zij in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat zij in geval van vernietiging van het pand door brand ook daadwerkelijk aanspraak zou kunnen maken op uitkering van de herbouwwaarde (omdat zij daarvoor had betaald), en wel ongeacht een eventuele, met dwingende eisen van de gemeente verband houdende wijziging van de bestemming van het herontwikkelde pand.
23
Afgezien van het voorgaande behelst 's hofs overweging dat de hoogte van de premie buiten beschouwing kan blijven, ‘reeds omdat niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is wat ten grondslag ligt aan de premiestelling’, een miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd. Tussen partijen is immers in confesso dat de verzekeringspremie is gerelateerd aan de herbouwwaarde ais hoogst mogelijke waarderingsgrondslag voor uitkering.58.
Onderdeel C.7 Functie van beleggingsobject relevant?
24
In rov. 4.11 verwerpt het hof het betoog van Brinvast dat bij de uitleg van de verzekeringsvoorwaarden rekening moet worden gehouden met het feit dat het gebouwencomplex in de bedrijfsvoering van Brinvast de functie van beleggingsobject vervulde. Ter nadere onderbouwing overweegt het hof:
‘De omschrijving ‘beleggingsobject’ heeft een voor waardebepaling met inachtneming van de herbouwwaarde moeilijk vast te stellen betekenis. Bezwaarlijk kan dan ook worden aanvaard dat Delta Lloyd waardebepaling op die grondslag heeft beoogd. Er bestaat evenmin toereikende grond voor het oordeel dat Brinvast op een dergelijke bedoeling gerechtvaardigd mocht vertrouwen.’
25
Deze overweging is onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de berekening van de herbouwwaarde — zoals gezegd een fictieve waarderingsgrondslag, gebaseerd op de denkbeeldige situatie van herbouw op dezelfde locatie, met dezelfde bestemming en naar constructie en indeling gelijkwaardig (§ 13) — zou worden bemoeilijkt door het feit dat de verzekerde het pand in feite als ‘beleggingsobject’ exploiteert, een algemeen bekende kwalificatie die geenszins een moeilijk vast te stellen betekenis heeft. Nu art. 5.2.2.1 GEB voor uitkering van de herbouwwaarde níet het bestaan van functionele continuïteit vereist, maar een herinvestering (§ 17), waaronder blijkens art. 4.10 DEF ook een herontwikkeling ter voortzetting van het bedrijf van de verzekerde valt, moet in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde het pand exploiteert als beleggingsobject (vgl. § 1), worden aangenomen dat een wijziging van de bestemming die is ingegeven door dwingende eisen van de gemeente, níet aan uitkering van de herbouwwaarde in de weg staat. Een zodanige wijziging van de bestemming vormt dan immers goed beschouwd de enige manier waarop de verzekerde de functie van het pand als beleggingsobject kan voortzetten.59.
26
Dienovereenkomstig oordeelde het Hof Amsterdam in de Interkes-zaak, waarin het ging om een verzekerde die het pand ‘niet voor eigen gebruik doch als winstobject’ had gekocht, dat verzekeraars ‘zich in redelijkheid niet hadden kunnen verzetten tegen het doen van een uitkering op basis van de herbouwwaarde van een modern equivalent waarvan de waarde na voltooiing ongeveer de waarde van een herbouwd pand in de oorspronkelijke maatvoering en architectuur met kantoorbestemming benaderde’.60. Ook in de onderhavige zaak dringt deze terminologie zich op: uitgaande van de gemeentelijke eisen moet het door Brinvast herontwikkelde pand worden beschouwd als het ‘moderne equivalent’ van het afgebrande beleggingspand, waarvan de oorspronkelijke bestemming (‘cafe-restaurant met zaal annex bibliotheek’) al ruim vóór de brand illusoir was geworden.61.
27
Voor zover 's hofs oordeel in rov. 4.11 mede is gegrond op zijn vooropstelling in rov. 4.3, dat bij de uitleg van de onderhavige beurspolis een ‘meer objectieve benadering’ is geboden, en voor zover het hof op die grond van oordeel is dat voor het meewegen van de bijzondere omstandigheid, dat het hier verzekerde pand een beleggingspand was, geen ruimte is, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. § 9). Voor zover 's hofs oordeel, tegen de achtergrond van rov. 4.6. berust op de veronderstelling dat het indemniteitsbeginsel in een geval als het onderhavige, bij herontwikkeling van een beleggingspand met een nieuwe bestemming, aan uitkering van de herbouwwaarde in de weg staat, berust zijn oordeel ook in zoverre, mede gelet op de zojuist bedoelde Interkes-zaak, op een onjuiste rechtsopvatting (zie ook § 10).
Onderdeel C.8 Slotsom: herbouwwaarde als uitgangspunt?
28
Gegrondbevinding van de hierboven geformuleerde klachten vitieert ook de door het hof bereikte slotsom in rov. 4.12. dat de grieven van Delta Lloyd slagen en dat zij niet is gehouden tot uitkering van de herbouwwaarde. Voor zover het hof hiermee tevens impliceert — de clausulering ‘in zoverre’ laat daarover twijfel bestaan — dat de eerste grief van Delta Lloyd (in volle omvang) slaagt, met welke grief Delta Lloyd zich keerde tegen het oordeel van de rechtbank dat de polisvoorwaarden ‘uitkering op basis van de herbouwwaarde als uitgangspunt’ hanteren, geeft 's hofs oordeel ook in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De meergenoemde tekst van de polisvoorwaarden laat immers, mede gelet op de opbouw van de polis (vgl. § 2–3), geen andere conclusie toe dan dat inderdaad de herbouwwaarde als logisch uitgangspunt vooropstond.62. Dienovereenkomstig heeft Delta Lloyd zelf verklaard dat het een verzekering ‘op basis van herbouwwaarde’ betreft,63. en dat de verzekeringspremie is gerelateerd aan de herbouwwaarde als ‘hoogst mogelijke waarderingsgrondslag’.64. 's Hofs oordeel in rov. 4.12 behelst dus tevens een miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd, voor zover het hof daarmee inderdaad bedoelt dat de herbouwwaarde tussen partijen níet als uitgangspunt was overeengekomen.
D. Compensatie van proceskosten
29
Gegrondbevinding van een of meerdere van de hiervoor geformuleerde klachten vitieert ook het oordeel van het hof in rov. 5.3 en het dictum sub 6 dat er reden bestaat om, waar partijen in hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, de proceskosten tussen partijen in hoger beroep te compenseren.
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest waarvan beroep te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij, deurwaarder, € [76,17]
Deurwaarder
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑06‑2012
Zie de als productie 6 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009 ingebrachte verzekeringspolis. Vgl. ook productie 4, houdende een na de brand opgesteld taxatierapport, waaruit blijkt dat de verzekerde som t.t.v. de brand € 5.263.300,00 bedroeg.
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.26; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2. Vgl. ook conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 5.13, waar Delta Lloyd zelf spreekt van een verzekering ‘op basis van herbouwwaarde’ (Idem sub 5.16, 5.22). Blijkens de als productie 6 bij Inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009 ingebrachte polis bedroeg de premie 3 promille van de verzekerde som.
Zie productie 2b bij Inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009.
Zie productie 2c bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009.
Zie productie 12 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een brief d.d. 6 augustus 2009 van mr. Van Dooren (de advocaat van Brinvast) aan Delta Lloyd.
Zie productie 4 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een na de brand opgesteld taxatierapport.
Zie productie 5 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een brief van Delta Lloyd aan Brinvast d.d. 29 juni 2009.
Zie productie 4 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een na de brand opgesteld taxatierapport.
Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.14; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov, 4.7.
Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.10.
Zie productie 4 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een na de brand opgesteld taxatierapport.
Vgl. art. 5.2.2 GEB. De daarin vooropgestelde herbouwwaardeclausule (overigens nog wel voorafgegaan door een in casu niet toepasselijke taxatiewaardeclausule; art. 5.2.1) wordt gevolgd door een verkoopwaardeclausule (art. 5.2.3) en een sloopwaardeclausule (art. 5.2.4). Het slot van art. 5.2.3 (‘is de waardegrondslag toch de herbouwwaarde’) bevestigt dat de herbouwwaarde als hoogst mogelijke waarderingsgrondslag voorop staat. Aldus ook memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2.
Zie conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 5.13 (idem sub 5.16, 5.22).
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.26; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2.
Aldus art. 5.2.2 GEB.
De bedoelde artikelen 2.1 t/m 2.6 zien op het gebouw, de fundering, het huurdersbelang, het vensterglas, de infrastructuur en de bedrijfsuitrusting/inventaris (noot niet in origineel; toevoeging advocaten).
Vgl. inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 5, onder verwijzing naar art. 5.2.2 GEB en 4.10 DEF, alsmede pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 3.2 (ad ii, d).
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 7.17; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.4.6. Vgl. ook de verklaring van mw. [senior schadebehandelaar Delta Lloyd] (senior schadebehandelaar bij Delta Lloyd) ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 5 van het proces-verbaal.
Weliswaar ontkent Delta Lloyd in haar conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 6.4 (idem pleitnotities mr. Kos d.d. 12 augustus 2010, sub 6.6), dat zij van meet af aan heeft geweten dat Brinvast het complex als beleggingsobject had gekocht, maar deze ontkenning wordt gelogenstraft door het feit dat reeds in het aanvraagformulier van de verzekering (productie 2 bij de conclusie van antwoord) de aard van het bedrijf van verzekerde wordt omschreven als ‘vastgoed projectontwikkeling’. Zie in die zin ook de verklaring van mr. Van Dooren ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 2 van het proces-verbaal. Vgl. voorts memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 3.6, waar Delta Lloyd zelf erkent dat bij haar ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst bekend was dat het complex níet was aangekocht voor de exploitatie van een horecagelegenheid, multifunctioneel centrum en bibliotheek, maar dat Brinvast het complex op termijn wilde herontwikkelen.
Zie Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (tweede gedachtestreepje).
Zie inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 3.1 e.v., 4.1 e.v.; conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 2.5, 5.2, 5.19; pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 4.3; memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 3.6; memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 2.3(b), 2.5, 3.2.4; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (vierde en vijfde gedachtestreepje). Vgl. ook productie 8 bij inleidende dagvaarding, houdende een inspectierapport ten behoeve van een andere (naderhand toch niet geïnteresseerde) verzekeraar, waarin werd opgemerkt dat het complex op termijn zou worden gesloopt om er een ‘groot nieuw complex met een multifunctioneel gebruiksdoel’ te ontwikkelen, welk rapport t.t.v. het sluiten van de verzekering bij Delta Lloyd bekend was (inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 3.3; en conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 2.6).
Zie Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 2.2; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (vierde gedachtestreepje).
Zie inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 3.4 e.v.; conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 2.12; memorie van grieven d.d. 20 september 2011, sub 2.3; Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.12; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (zesde gedachtestreepje), 4.5. Overigens verschillen partijen van mening over de mate waarin de bedoeide plannen ten tíjde van de brand nog uitwerking behoefden. Vgl. conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 4.15 e.v., 5.3 e.v.; resp. pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 6.1 e.V.
Zie de verklaring van mr. Van Dooren ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 3 van het proces-verbaal; memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.2.3; Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.11; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (negende gedachtestreepje).
Vgl. pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 4.4; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.4 (vijfde gedachtestreepje).
Zie productie 7 bij Inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009.
Blijkens de als productie 6 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009 Ingebrachte polls bedroeg de verzekeringspremie bij aanvang van de verzekering € 14.850,00 per jaar, zijnde 3 promille van de (toen) verzekerde som.
Vgl. memorie van grieven d.d. 17 mel 2011, sub 3.10; en Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.26.
Zie producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010.
Zie Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 2.12; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.1.1.
Zie inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 3.5; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 2.3 (f).
Zie productie 12 bij Inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, houdende een brief d.d. 6 augustus 2009 van mr. Van Dooren aan Delta Lloyd.
Zie Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.23; en Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.9.
Zie de verklaring van mr. Van Dooren ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 2–3 van het proces-verbaal. Vgl. ook Rechtbank Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.23.
Zie Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.27. Vgl. ook de verklaring van mw. [senior schadebehandelaar Delta Lloyd] (senior schadebehandelaar bij Delta Lloyd) ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 5 van het proces-verbaal.
Zie Hof Amsterdam 20 maart 2012, rov. 4.7. Partijen zijn het hierover eens: vgl. conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 5.13–5.15; de verklaring van mr. Van Dooren ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 2 van het proces-verbaal; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.2.3.
Aldus de verklaring van mr. Van Dooren ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 2 van het proces-verbaal. Vgl. ook memorie van antwoord d,d. 20 september 2011, sub 2.4, 2.6 (ad 5.10) en 3.2.3.
Zie memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 2.4.
Zie memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 2.6 (ad 5.8), waar Brinvast (ter verklaring van het verschil tussen boekwaarde en economische waarde) uitlegt dat op grond van het voorzichtigheldsbeginsel een pand op de balans dient te worden opgenomen tegen de historische kostprijs verminderd met de afschrijving, en dat bij het bepalen van de boekwaarde geen rekening mag worden gehouden met een hogere waarde wegens toekomstige exploitatiemogelijkheden.
Zie memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.2.6, onder verwijzing naar producties 5 en 6, houdende een vermogensoverzicht en een accountantsrapport. Vgl. ook reeds (In eerste aanleg) pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 3.2d (ad ii); en voorts de verklaring van mw. Van Gomper (cfo bij Brinvast) ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 5 van het proces-verbaal, inhoudende dat de financiering van de beoogde herontwikkeling werd bemoeilijkt doordat de bank, als gevolg van het afbranden van het oorspronkelijke gebouwencomplex, de waarde van het beleggingsobject lager waardeerde.
Vgl. Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* (2012), nr. 366.
Vgl. HR 16 mei 2008, LIN: BC2793, NJ 2008/284 (Chubb/Dagenstaed), rov. 3.4.2.
Aldus memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.18 (cure, toegevoegd). Zie in gelijke zin pleitnota mrs. Kos en Lohman d.d. 14 april 2011 (In de kort geding-procedure), sub 5.4.
HR 4 november 1994, ON: ZC1520, KJ 1995/399, rov. 3.3 (Allianz/Ronvast; m.nt. MMM).
Aldus memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.18. Vgl. ook memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.3 e.v.
Zie productie 12 bij inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009.
Zie pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 3.2c (ad ii).
Dit wordt bevestigd doordat blijkens art. 5.2.2.1 GEB ook een herinvestering op een andere locatie is toegestaan (‘al dan niet op dezelfde plaats’), terwijl art. 4.10 DEF uitgaat van de fictie van herbouw op dezelfde locatie.
Bedoeld is kennelijk: waardebepaling naar herbouwwaarde (noot niet In origineel; toevoeging advocaten).
Vgl. Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.28, waar juist werd geoordeeld dat ‘de toekomstige bestemming van het gebouwencomplex zozeer aansluit bij de eerdere bestemming, dat Delta Lloyd deze toekomstige bestemming zal moeten accepteren’, Vgl. ook hieronder § 24 e.v., waar wordt betoogd dat het hof ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de beleggingsfunctie die het complex in het bedrijf van Brinvast vervulde.
Aldus ook pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 4.2.
Vgl. pleitnotities mr. Van Dooren d.d. 12 augustus 2010, sub 3.2c (ad ii) en 3.2e,
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 7.17; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.4.6, Vgl. ook de verklaring van mw. [senior schadebehandelaar Delta Lloyd] (senior schadebehandelaar bij Delta Lloyd) ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 5 van het proces-verbaal.
Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.25.
Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.28. Achtergrond was dat Delta Lloyd ter comparitie desgevraagd zelf niet kon aangeven waarom de functie van het toekomstige gebouwencomplex volgens haar zo volstrekt anders werd dan voorheen en evenmin kon aangeven welke in de gegeven omstandigheden denkbare Invulling van het gebouwencomplex volgens haar wel toelaatbaar zou zijn (idem, rov. 4.27).
Zie bijv. memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2, waar Brinvast betoogt dat de hoogte van de premie het primaat van de waardering naar herbouwwaarde onderstreept. Vgl. ook reeds de inleidende dagvaarding d.d. 28 december 2009, sub 4.2.
Idem. Vgl. ook memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.26, waaruit blijkt dat Delta Lloyd het betoog van Brinvast ook aldus heeft opgevat.
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.26; en memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2. Zie ook hierboven § 6.
Vgl. Rb. Amsterdam 10 november 2010, rov. 4.27, waaruit blijkt dat Delta Lloyd in casu zelf ook niet kon aangeven hoe Brinvast, anders dan door wijziging van de bestemming, tot herinvestering had kunnen overgaan.
Hof Amsterdam 6 april 1995, LJN: AB9380, NJ 1996/95, rov. 4.17 (tussenarrest) en 3.8 (eindarrest), na verwijzing door de Hoge Raad in HR 15 november 1991, LJN: ZC0414, NJ 1992/473 (Interkes/Nieuw Rotterdam c.s.; m.nt. MMM).
Aldus ook memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.2.7. Vgl. ook de verklaring van mr. Kos ter comparitie d.d. 12 augustus 2010, op p. 3 van het proces-verbaal; en memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 7.21, waaruit blijkt dat ook Delta Lloyd meent dat de tijdelijke bewoning door een anti-kraakorganisatie, onmiddellijk voorafgaand aan de brand, geen reële bestemming vormde.
Vgl. art. 5.2.2 GEB. De daarin vooropgestelde herbouwwaardeclausule (overigens nog wel voorafgegaan door een in casu niet toepasselijke taxatiewaardeclausule; art. 5.2.1) wordt gevolgd door een verkoopwaardeclausule (art. 5.2.3) en een sloopwaardeclausule (art. 5.2.4). Het slot van art. 5.2.3 (‘Is de waardegrondslag toch de herbouwwaarde’) bevestigt dat de herbouwwaarde als hoogst mogelijke waarderingsgrondslag voorop staat. Aldus ook memorie van antwoord d.d. 20 september 2011, sub 3.1.2.
Zie conclusie van antwoord d.d. 7 april 2010, sub 5.13 (idem sub 5.16, 5.22).
Zie memorie van grieven d.d. 17 mei 2011, sub 4.26.