Gst. 2019/20
Vraag onder welke omstandigheden hoorplicht ex art. 4:8 Awb van toepassing is bij het nemen van een invorderingsbeschikking. (Opmeer)
RvS 12-09-2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956, m.nt. P.H.J. de Jonge & A. de Zeeuw
- Instantie
Raad van State
- Datum
12 september 2018
- Magistraten
Mr. J.E.M. Polak
- Zaaknummer
201705677/1/A1
- Noot
P.H.J. de Jonge & A. de Zeeuw
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS45054:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursprocesrecht / Administratief beroep
Bestuursrecht algemeen / Voorbereiding
Bestuursprocesrecht / Bezwaar
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2018:2956, Uitspraak, Raad van State, 12‑09‑2018
- Wetingang
(Art. 4:8, 4:12, 5:37, 5:39 Awb; art. 5.18 Wabo)
Essentie
Vraag onder welke omstandigheden hoorplicht ex art. 4:8 Awb van toepassing is bij het nemen van een invorderingsbeschikking. (Opmeer)
Samenvatting
De Afdeling overweegt verder naar aanleiding van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. P.J. Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, en anders dan voorheen dat het college alvorens tot invordering over te gaan belanghebbende op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb voorafgaand aan de dwangsominvordering in de gelegenheid dient te stellen te worden gehoord. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het aan de overtreder is om bijzondere omstandigheden waarvan het bestuursorgaan niet al ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.