. Deze lijn wordt ook in de lagere rechtspraak aangehouden. Zie in dit verband T.C.P. Christoph, Vervangende toestemming voor verhuizing II, EB 2015, 45. Een geval van verhuizing naar het buitenland speelde ook in het recente arrest van de Hoge Raad van 26 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:924, RvdW 2016, 1207.
HR, 24-03-2017, nr. 16/02658
ECLI:NL:HR:2017:487, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2017
- Zaaknummer
16/02658
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:487, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑03‑2017; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:74, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2016:1494, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2017:74, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑01‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:487, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2016
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2017-0085
Uitspraak 24‑03‑2017
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Vervangende toestemming om met kind naar buitenland te verhuizen. Art. 1:253a BW. Verwijzing naar HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414.
Partij(en)
24 maart 2017
Eerste Kamer
16/02658
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] ,wonende te [woonplaats] , Duitsland,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. E.H. Hoeksma, thans mr. M.E. Bruning,
t e g e n
[de vader] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/08/172869 / FA RK 15-1405 van de rechtbank Overijssel van 31 juli 2015;
b. de beschikkingen in de zaak 200.175.132 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2015 en 25 februari 2016.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 25 februari 2016 heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het hof.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 10 februari 2017 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2010 een zoon geboren. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De hoofdverblijfplaats van de zoon is bij de moeder.
(ii) Het huwelijk is op 8 januari 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
De moeder heeft de rechtbank op de voet van art. 1:253a BW onder meer verzocht te bepalen dat het haar is toegestaan met de zoon te verhuizen van [plaats A] naar Duitsland. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij een nieuwe partner heeft die in Duitsland woont, dat zij in november 2015 een kind verwacht uit deze relatie en dat zij een gezin wil vormen met de nieuwe partner, de zoon, de aanstaande baby en twee kinderen van de nieuwe partner uit een eerdere relatie. De partner heeft een vaste baan en beschikt over voldoende inkomsten om haar en haar zoon mede te onderhouden. De moeder is al enige tijd werkloos en denkt dat de kans op een baan in de omgeving waar haar partner woont groter is dan in [plaats A].
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder toegewezen.
3.2.2
Het hof heeft het verzoek afgewezen. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“5.2 Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen en een eventuele nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
(…)
5.5 (…)
Naar het oordeel van het hof heeft de moeder de noodzaak om te verhuizen (…) niet aangetoond. Niet gebleken is dat de moeder haar financiële positie zal kunnen verbeteren omdat zij, naar eigen zeggen, gemakkelijker aan een baan zal kunnen komen. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij nog geen werk heeft. Voorts is niet gebleken dat de moeder de verhuizing goed doordacht en voorbereid heeft. De vader heeft onweersproken verklaard dat hij pas achteraf van [de zoon] heeft vernomen dat de moeder daadwerkelijk was verhuisd. Gebleken is dat de ouders onvoldoende in staat zijn in onderling overleg zaken af te stemmen en dat sprake is van een slechte communicatie tussen partijen. De verhuizing van [de zoon] en de moeder brengt extra kosten van het heen en weer reizen in het kader van de omgang met zich. Het reizen is door de grote afstand (350 kilometer enkele reis) bovendien vermoeiend voor [de zoon].
[De zoon] heeft achterstand in taal, spraak en in zijn kleine motoriek en heeft daarom logopedie nodig. Gebleken is dat hij nog steeds geen logopedie heeft omdat hij die in Duitsland niet krijgt zolang hij de Duitse taal niet goed beheerst. Voorts is gebleken dat hij nog op de Kindergarten zit en pas volgend jaar naar het basisonderwijs gaat en dan pas les in de Duitse taal krijgt. [De zoon] loopt daardoor nu achterstand op. In Nederland kan hij nu al logopedie krijgen. Beide ouders zijn belangrijke hechtingsfiguren voor [de zoon]. De moeder blijft een hechtingsfiguur voor [de zoon] maar die van de vader vermindert door de verhuizing omdat de vader [de zoon] minder frequent ziet dan voorheen.De frequentie van het contact is immers verminderd van wekelijks contact (elke dinsdag en woensdag en een weekend in de twee weken) naar twee wekelijks contact (een weekend in de twee weken). Indien sprake was van een goede en open communicatie zou tussentijds contact plaats kunnen vinden via bijvoorbeeld skype maar daar is nu geen sprake van. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een verhuizing van [de zoon] (…) niet in zijn belang moet worden geacht (…).”
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof de maatstaf die is neergelegd in (onder meer) HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414 (hierna de beschikking van 2008) heeft miskend door een aantal door de moeder aangevoerde stellingen niet kenbaar in zijn beslissing te betrekken. Onderdeel 2 betoogt dat het hof door de zojuist bedoelde stellingen niet in zijn beslissing te betrekken, zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. De onderdelen wijzen daarbij op de volgende stellingen:
(i) De moeder heeft een bestendige relatie met haar nieuwe partner en heeft met hem een gezin gevormd, met haar zoon en met haar eind 2015 uit die relatie geboren dochter.
(ii) De zoon heeft een goede band ontwikkeld met de twee kinderen van haar partner uit een eerdere relatie.
(iii) Haar partner heeft een vaste dienstbetrekking, waardoor hij in staat is de moeder en haar twee kinderen te onderhouden.
(iv) Gezien zijn vaste dienstverband is het voor haar partner moeilijk (zo niet onmogelijk) om naar [plaats A] te verhuizen.
(v) Haar partner wordt bij een verhuizing naar [plaats A] beperkt in de omgang met zijn kinderen uit de eerdere relatie.
3.3.2
In de beschikking van 2008 heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechter zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid dat bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening het belang van het kind altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Voorts heeft de Hoge Raad in die beschikking overwogen dat de rechter bij zijn beslissing over geschillen als bedoeld in art. 1:253a BW alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen, wat in voorkomend geval ook ertoe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging.
3.3.3
Uit de rov. 5.1-5.5 blijkt dat het hof, overeenkomstig de hiervoor in 3.3.2 weergegeven uitgangspunten, de belangen van de zoon, de moeder en de vader in zijn afweging heeft betrokken. Daarbij heeft het hof het belang van de moeder bij het kunnen opbouwen van een gezinsleven met haar nieuwe partner vooropgesteld (rov. 5.2). In rov. 5.3 heeft het de bezwaren van de vader tegen de voorgenomen verhuizing weergegeven en in rov. 5.4 de door de moeder aangedragen argumenten voor de verhuizing. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.5 verantwoording afgelegd van zijn afweging, welke erop neerkomt dat het belang van de zoon niet is gediend met een verhuizing en dat het belang van de moeder daarvoor moet wijken. In die afweging en de motivering daarvan ligt besloten dat het hof de hiervoor in 3.3.1 genoemde omstandigheden, voor zover relevant, te licht heeft bevonden. Dit oordeel is ook zonder nadere motivering begrijpelijk. De onderdelen 1 en 2 falen dan ook.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 maart 2017.
Conclusie 27‑01‑2017
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Vervangende toestemming om met kind naar buitenland te verhuizen. Art. 1:253a BW. Verwijzing naar HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414.
Partij(en)
Zaaknr: 16/02658
mr. J.B.M.M. Wuisman
Zitting: 27 januari 2017
Conclusie inzake:
[de moeder]
tegen
[de vader]
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden aangehouden:
(i) Eiseres tot cassatie (hierna: de moeder) is tot 8 januari 2014 gehuwd geweest met verweerder in cassatie (hierna: de vader). Zij woonden beide te [plaats A]. Op voornoemde datum is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 12 december 2013 in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
(ii) Partijen zijn de ouders van een op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] geboren kind, [de zoon] genaamd, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de zoon] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
(iii) Bij echtscheidingsconvenant, houdende ouderschapsplan, ondertekend op 2 december 2013, zijn partijen, voor zover hier van belang, overeengekomen:
“1.1 Partijen achten het in het belang van [de zoon] dat zij na de echtscheiding gezamenlijk het gezag over hem blijven uitoefenen. Zij vinden het ook belangrijk dat het contact tussen hem en de ouders zo min mogelijk door de echtscheiding wordt beïnvloed. Partijen zullen dan ook bevorderen dat [de zoon] een zo goed mogelijk contact zal hebben met ieder van de ouders.
1.2
Op grond van het gezamenlijk gezag beslissen de partijen tezamen waar [de zoon] zijn hoofdverblijf zal hebben en waar hij zal zijn ingeschreven. Dit zal bij de vrouw zijn, zij zal gerechtigd zijn tot de kinderbijslag en het kind gebonden budget, voor zover daar aanspraak op kan worden gemaakt.
1.3
[de zoon] zal eens per twee weken van vrijdag voor het eten (omstreeks 16.30 uur) tot zondag na het eten (omstreeks 18:00 uur) bij de man verblijven, evenals wekelijks van dinsdag voor het eten (omstreeks 16:30 uur) tot woensdag voor het eten (omstreeks 16:30 uur). De man is schilder en is in de wintermaanden - afhankelijk van de weersomstandigheden - doorgaans meer thuis. In die periode zal hij in nader onderling overleg vaker tussendoor de zorg voor [de zoon] op zich nemen.
1.4
Het verblijf tijdens vakanties en feestdagen zullen partijen in nader onderling overleg nader gestalte geven. Uitgangspunt is in ieder geval dat beide partijen [de zoon] in de zomervakantie gedurende 3 weken bij zich zullen hebben. Verder zal [de zoon] op vader- en moederdag en de verjaardagen van partijen verblijven bij de ouder die de bijzondere dag betreft.
(...)
1.6
In het kader van de uitoefening van hun gezamenlijk gezag zullen partijen elkaar op de hoogte houden omtrent de aangelegenheden die met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de zoon] van meer dan ondergeschikt belang zijn en zij zullen elkaar raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. De beslissingen van enig gewicht zullen door de ouders tezamen worden genomen. Partijen verstaan hieronder in elk geval de te nemen beslissingen over bv. schoolkeuze en beroepsopleiding, over medische behandelingen en ingrepen en over verblijf in het buitenland gedurende een langere periode. De dagelijkse beslissingen over [de zoon] zullen worden genomen door de ouder bij wie hij op dat moment verblijft.
(…)
(iv) De moeder is een relatie met een andere man (hierna: de partner) aangegaan, die in [plaats B], Duitsland, woont. Uit die relatie is in november 2015 een baby geboren.
1.2
Op 16 juni 2015 heeft de moeder bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op de voet van artikel 1:253a BW een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt om haar een vervangende toestemming te verlenen voor het met [de zoon] verhuizen naar [plaats B] in Duitsland en om in verband daarmee het ouderschapsplan te wijzigen voor wat betreft de tijdstippen waarop [de zoon] bij de vader zal kunnen verblijven. Aan deze verzoeken heeft de moeder, kort samengevat, onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft een relatie met een nieuwe partner gekregen, die woonachtig is in Duitsland te [plaats B]. Zij verwacht een baby uit die relatie in november 2015 en wil graag een gezin vormen met de partner, [de zoon] voor wie zij de hoofdzorg draagt, de aanstaande baby en twee kinderen van de partner uit een eerdere relatie. De partner heeft een vaste baan en beschikt daarmee over voldoende inkomsten om de moeder en [de zoon] mede te onderhouden. De moeder, die al enige tijd werkloos is, denkt dat de kans op een baan in de omgeving van [plaats B] groter is. De verhuizing is goed voorbereid. [de zoon] kan het aankomende schooljaar naar een kleinschalig kinderdagverblijf, speciaal voor kinderen uit het buitenland, om de Duitse taal te leren voordat hij vanaf zijn zesde levensjaar in Duitsland naar school zal gaan. Zijn huidige logopedie-oefeningen kan hij online voortzetten.
1.3
De vader heeft op 17 juli 2015 bij de rechtbank een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft verzocht om de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Daartoe heeft hij, ook nu kort samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [plaats B] ligt in de nabijheid van Hamburg en daarmee op een afstand van ruim 300 km van [plaats A]. De reisduur zal minimaal 2 uren en 45 minuten zijn. Deze afstand en reisduur zullen de omgang en opvang van [de zoon] aan de kant van de vader zeer bemoeilijken, zeker gelet op diens in de toekomst te verwachten sociale activiteiten te [plaats B]. Er is nog geen sprake van een standvastige en bestendige relatie tussen de moeder en de nieuwe partner. Om meer redenen is het niet in het belang van [de zoon], die een gevoelige jongen is en kampt met een logopedisch gebrek, dat hij de hem vertrouwde omgeving van [plaats A] verlaat. Diens belang dient te prevaleren boven dat van de moeder. Niet onderbouwd zijn de stellingen dat de moeder in de omgeving van [plaats A] geen baan heeft kunnen krijgen en dat de huidige werksituatie van de partner en de goede voorzichten daarbij het onwenselijk doen zijn dat hij verhuist naar [plaats A].
1.4
Na de mondelinge behandeling op 20 juli 2015 heeft de rechtbank op 31 juli 2015 een beschikking uitgesproken, waarin zij aan de vrouw de verlangde vervangende toestemming om met [de zoon] naar [plaats B] te verhuizen verleent en zij ook een wijziging van het ouderschapsplan vaststelt voor wat betreft het verblijf van [de zoon] bij de vader. De rechtbank stelt voorop:
“Bij een beoordeling als hier aan de orde dient de kinderrechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind is daarbij een overweging van de eerste orde, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het gaat dan om enerzijds het belang van de vrouw om met [de zoon] naar Duitsland te verhuizen teneinde daar een nieuw bestaan op te bouwen, en anderzijds het belang van de man om regelmatig omgang te hebben met [de zoon].”
en overweegt vervolgens:
“Uit de stukken en de behandeling ter zitting is het navolgende gebleken. Partijen zijn in 2013 gescheiden. De minderjarige [de zoon] woont sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw. [de zoon] verblijft bij de man van dinsdagmiddag uit school tot en met woensdag 18.00 uur en om het weekend. De vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld. De vrouw is derhalve de hoofdopvoeder van [de zoon]. Uitgangspunt is dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
Er is sprake van een bestendige relatie tussen de vrouw en [de partner]. De vrouw is thans zwanger van deze partner en is in november 2015 uitgerekend. De vrouw wenst met [de partner] een gezin te vormen. De [partner] heeft omgang met twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie en heeft een vaste dienstbetrekking in [plaats B]. Een verhuizing van de [partner] naar deze omgeving ligt dan ook niet in de lijn der verwachting. De vrouw is sedert geruime tijd werkloos. Door een verhuizing zullen de vrouw en [de zoon] in een betere financiële situatie komen te verkeren. Gelet op het voorgaande is de noodzaak van de verhuizing van de vrouw naar het oordeel van de kinderrechter voldoende aangetoond. Dit wordt door de man ook niet betwist.
Ten aanzien van het belang van [de zoon] is door de aanwezige vertegenwoordiger van de Raad opgemerkt dat een verhuizing een jaar eerder beter was geweest. [de zoon] is thans ruim vier jaar oud en op die leeftijd is er een sociale omgeving gevormd. Ook zal het contact met zijn vader en de familie vaderszijde verminderen, hetgeen echter wellicht gecompenseerd kan worden door vakanties en weekenden aansluitend aan vakanties. Een positief punt is dat de vrouw bij een verhuizing beter in haar vel zal komen te zitten, hetgeen ook zijn positieve weerslag zal hebben op [de zoon].
Het reizen zal een belasting vormen voor [de zoon], maar gezien zijn leeftijd moet hij dit wel aan kunnen. [de zoon] gaat nu ook regelmatig met de vrouw mee naar [plaats B], dus ook wanneer de vrouw niet zou mogen verhuizen, blijft dit reizen aan de orde.
Hoewel duidelijk is dat het contact tussen de man en de minderjarige zal veranderen, is er wel een ruim contact gewaarborgd. De wekelijkse omgang zal komen te vervallen, maar volgens de vrouw wordt [de zoon] een groot deel van de tijd opgevangen door oma v.z. in verband met het werk van de man. De man heeft aangevoerd dat hij [de zoon] op woensdag naar school brengt en dat hij vaak op dinsdag wat eerder weg kan van zijn werk. Door de vrouw is ter compensatie een omgangsregeling voorgesteld waarbij [de zoon] naast een weekend per twee weken gedurende alle vakanties bij de man verblijft, enkel de zomervakantie uitgezonderd. Deze zal in onderling overleg tussen partijen worden verdeeld, waarbij [de zoon] sowieso gedurende drie aaneengesloten weken bij de man verblijft.
De verhuizing is door de vrouw naar het oordeel van de kinderrechter goed voorbereid. Zij heeft een kleinschalig kinderdagverblijf gevonden waar [de zoon] het komende schooljaar de Duitse taal machtig kan worden, alvorens hij op zesjarige leeftijd in kan stromen op de basisschool. Ook de logopedie van [de zoon] kan online worden voortgezet. Overleg over de verhuizing met de man is gezien de emoties die er spelen niet van de grond gekomen. Desondanks heeft de vrouw in haar afwegingen en voorbereidingen de belangen van [de zoon] en de man op ruim contact met elkaar ruim aandacht gegeven.
Op grond van alle hiervoor genoemde belangen is de kinderrechter van oordeel dat aan de vrouw vervangende toestemming moet worden verleend om met [de zoon] te mogen verhuizen naar [plaats B] en hem aldaar op een school in te schrijven. Hoewel de kinderrechter van oordeel is dat de verbreking van de continuïteit van de woon- en sociale leefomgeving voor een kind van de leeftijd van [de zoon] mogelijk ingrijpend is en dat het contact tussen [de zoon] en de man zal veranderen, heeft een verhuizing van de moeder naar het oordeel van de kinderrechter niet zodanig nadelige gevolgen voor [de zoon] en voor (de kwaliteit van) het contact tussen [de zoon] en de man dat de belangen van de vrouw om haar leven in [plaats B] op te bouwen hiervoor moeten wijken.
De kinderrechter zal de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen conform de door de vrouw voorgestelde regeling, waarmee de man indien de vervangende toestemming verleend wordt kan instemmen. De kinderrechter zal bepalen dat de vrouw zal zorgdragen voor het halen en brengen van [de zoon], uitzonderlijke situaties zoals de periode rondom de bevalling van de vrouw daargelaten. Partijen wonen thans op fietsafstand van elkaar. Omdat het de keuze van de vrouw is om te verhuizen acht de kinderrechter het redelijk dat zij dan ook zorgdraagt voor (de kosten van) het halen en brengen van [de zoon]. Door de vrouw is dit ook aangeboden.”
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder is met [de zoon] naar [plaats B] getrokken.
1.5
De vader heeft op 15 augustus 2015 een beroepschrift bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingediend, tevens houdende een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Hij voert drie grieven aan. Daarmee bestrijdt hij de beslissingen en de door de rechtbank daarvoor gegeven onderbouwing dat de noodzaak van de verhuizing van de vrouw is aangetoond, dat een ruim contact met [de zoon] is gewaarborgd en dat de verhuizing goed is voorbereid.
1.6
Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking d.d. 31 juli 2015 heeft het hof bij tussenbeschikking van 15 oktober 2015 afgewezen.
1.7
De moeder heeft op 29 september 2016 een verweerschrift ingediend. Na het uitgangspunt voorop gesteld te hebben dat een ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met het kind en haar nieuwe partner elders een gezinsleven en toekomst op te bouwen, voert zij verweer tegen hetgeen de vader in het kader van zijn drie grieven heeft gesteld.
1.8
Op 7 januari 2016 heeft bij het hof de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft het hof op 25 februari 2016 zijn beschikking uitgesproken. Het hof komt tot het oordeel dat het verzoek van de moeder om haar toestemming te verlenen om met [de zoon] naar [plaats B] in Duitsland te verhuizen dient te worden afgewezen. De motivering van dit oordeel vangt het hof aan met het vermelden van de volgende uitgangspunten:
5.1
Het hof stelt voorop dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechter een zodanige beslissing neemt als deze in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
5.2
Als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen en een eventuele nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval, na een na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.
(…)
Dan vervolgt het hof met:
5.5
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om met [de zoon] naar [plaats B] te verhuizen dient te worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder de noodzaak om te verhuizen niet aangetoond. Niet gebleken is dat de moeder haar financiële positie zal kunnen verbeteren omdat zij, naar eigen zeggen, gemakkelijker aan een baan zal kunnen komen. Ter mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij nog geen werk heeft.
Voorts is niet gebleken dat de moeder de verhuizing goed doordacht en voorbereid heeft. De vader heeft onweersproken verklaard dat hij pas achteraf van [de zoon] heeft vernomen dat de moeder daadwerkelijk was verhuisd. Gebleken is dat de ouders onvoldoende in staat zijn in onderling overleg zaken af te stemmen en dat sprake is van een slechte communicatie tussen partijen. De verhuizing van [de zoon] en de moeder brengt extra kosten van het heen en weer reizen in het kader van de omgang met zich. Het reizen is door de grote afstand (350 kilometer enkele reis) bovendien vermoeiend voor [de zoon].
[de zoon] heeft achterstand in taal, spraak en in zijn kleine motoriek en heeft daarom logopedie nodig. Gebleken is dat hij nog steeds geen logopedie heeft omdat hij die in Duitsland niet krijgt zolang hij de Duitse taal niet goed beheerst. Voorts is gebleken dat hij nog op de Kindergarten zit en pas volgend jaar naar het basisonderwijs gaat en dan pas les in de Duitse taal krijgt. [de zoon] loopt daardoor nu achterstand op. In Nederland kan hij nu al logopedie krijgen. Beide ouders zijn belangrijke hechtingsfiguren voor [de zoon]. De moeder blijft een hechtingsfiguur voor [de zoon] maar die van de vader vermindert door de verhuizing omdat de vader [de zoon] minder frequent ziet dan voorheen. De frequentie van het contact is immers verminderd van tweewekelijks contact (elke dinsdag en woensdag en een weekend in de twee weken) naar tweewekelijks contact (een weekend in de twee weken). Indien sprake was van een goede en open communicatie zou tussentijds contact plaats kunnen vinden via bijvoorbeeld skype maar daar is nu geen sprake van. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een verhuizing van [de zoon] naar [plaats B] niet in zijn belang moet worden geacht en dat het verzoek van de moeder haar vervangende toestemming te verlenen om met [de zoon] naar Duitsland te verhuizen moet worden afgewezen. Nu gebleken is dat de moeder inmiddels is verhuisd naar [plaats B] betekent dit dat [de zoon] weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland. Bij de afweging van de gevolgen daarvan voor [de zoon] en wat het meest in zijn belang moet worden geacht overweegt het hof het volgende.
De raadsvertegenwoordiger heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat kinderen van vijf jaar in het algemeen goed kunnen verhuizen omdat kinderen van die leeftijd nog niet zo zeer gehecht zijn aan plaatsen of vrienden. Het hof is dan ook van oordeel dat het voor [de zoon] geen probleem moet zijn om terug te verhuizen naar [plaats A] en dat het belang van [de zoon] niet meebrengt dat hij in [plaats B] moet blijven. Dat hij van school moet wisselen is geen probleem nu hij in Duitsland nog op de Kindergarten zit en daar ook in augustus/september 2016 op een nieuwe school had moeten aanvangen. Het hof zal evenwel de moeder tot 1 augustus 2016 de tijd geven om terug te verhuizen naar [plaats A] zodat zij in staat is deze verhuizing goed voor te bereiden en [de zoon] in staat is op school in een nieuwe schooljaar te beginnen.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd.
1.9
De moeder heeft op 19 mei 2016 een verzoekschrift tot cassatie ingediend en daarmee tijdig cassatieberoep tegen de beschikking van het hof ingesteld. De vader heeft op 25 juli 2016 een verweerschrift ingediend. Een verzoek van de vader om hem nog de gelegenheid voor een schriftelijke toelichting te geven is niet gehonoreerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleidend gedeelte en vijf onderdelen.
Onderdelen 1 en 2
2.2
In de onderdelen 1 en 2 wordt teruggegrepen op de opsomming in het inleidend gedeelte van de feiten en omstandigheden die de moeder bij de rechtbank en het hof heeft aangevoerd en van de feiten en omstandigheden, waaraan het hof volgens de moeder in rov. 5.5, waarin het hof de afwijzing van het verzoek om verlening van de vervangende toestemming motiveert, geen (kenbare) aandacht heeft gegeven. Voorafgaande aan deze opsomming is gewezen op een beschikking van de Hoge Raad uit 2008 – HR 25 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008, 414, m.nt. S.F.M. Wortmann – en een beschikking van de Hoge Raad uit 2010 – HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM5825, NJ 2010, 353. In beide beschikkingen was ook aan de orde een geschil tussen twee voormalige echtelieden over de gerechtvaardigdheid van het voornemen van de vrouw om naar een andere plaats te verhuizen samen met de bij haar verblijvende minderjarige kinderen, waarover zij samen met de man het ouderlijk gezag uitoefent. In rov. 3.3 van de beschikking uit 2008 overweegt de Hoge Raad:
“Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Het hof heeft door in zijn beslissing niet uitdrukkelijk het nieuwe huwelijk van de moeder met haar in Zwitserland wonende echtgenoot, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de bestaande gezinssituatie in zijn afweging te betrekken, deze maatstaf miskend, dan wel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, zodat de hierop gerichte klachten van het middel doel treffen.”
In rov. 3.2 van de beschikking uit 2010 komt de passage voor:
“De klachten van de vader keren zich tegen hetgeen het hof met betrekking tot de verhuisafstand heeft beslist. Voor zover deze klachten al feitelijke grondslag hebben, zijn zij tevergeefs voorgesteld. Het hof – (….) – heeft alle door de ouders over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en heeft de argumenten van beide kanten gewogen, en is op grond daarvan, gelet op de belangen van de kinderen, tot zijn oordeel gekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.”
Uit beide beschikkingen wordt afgeleid dat de rechter bij een beslissing omtrent een op de voet van artikel 1:253a BW gedaan verzoek om toestemming voor verhuizing alle door partijen aangevoerde omstandigheden in acht dient te nemen.(1.) Door niet alle omstandigheden, waarop de vrouw zich heeft beroepen, in zijn beoordeling te betrekken heeft het hof, zo wordt in onderdeel 1 betoogd, de zojuist genoemde maatstaf niet aangelegd of miskend, althans heeft het hof, naar in onderdeel 2 wordt gesteld, zijn oordeel niet deugdelijk en niet toereikend gemotiveerd.
2.3
De omstandigheden waaraan het hof volgens de moeder in rov. 5.5 geen aandacht heeft geschonken, zijn:
a. de moeder heeft een bestendige relatie met [de partner] en de moeder heeft met [de partner] een gezin gevormd, samen met [de zoon] en [de dochter] … (de eind 2015 geboren dochter van de moeder2.;
b. [de zoon] heeft een goede band ontwikkeld met de twee kinderen van [de partner] uit zijn vorige relatie3.;
c. [de partner] heeft een vaste dienstbetrekking, waardoor hij in staat is de moeder, [de zoon] en [de dochter] … te onderhouden4.;
d. de moeilijkheid c.q. onmogelijkheid voor [de partner] om naar [plaats A] te verhuizen gelet op zijn vaste dienstverband in Duitsland5.;
e. de omstandigheid dat [de partner] in de omgang met zijn eigen kinderen wordt beperkt bij een verhuizing naar [plaats A]6..
Een vermelding en waardering van deze omstandigheden komt men in rov. 5.5. inderdaad niet tegen. De achter a. en c. vermelde omstandigheden zijn wel opgenomen in de opsomming in rov. 5.4 van wat de moeder heeft aangevoerd.
2.4
Van de kant van de man wordt niet bestreden dat de hiervoor genoemde omstandigheden door de vrouw zijn gesteld. Wel wordt in 3.10 van het verweerschrift in cassatie opgemerkt, dat de vrouw (zijdelings) stelt dat de omstandigheden vaststaan en dat die stelling onjuist is, omdat de man de noodzaak tot verhuizing telkenmale heeft betwist. Dit verweer gaat echter niet op. Doordat het hof geen aandacht aan de (juistheid van) genoemde omstandigheden heeft geschonken, moeten zij in cassatie in ieder geval bij wege van veronderstelling voor juist worden gehouden.
2.5
Zoals hiervoor vermeld, wordt bij de onderdelen 1 en 2 ervan uitgegaan dat het hof bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw met alle door haar gestelde feiten en omstandigheden rekening diende te houden. Vooral de formulering van de uit de HR-beschikking van 2008 geciteerde overweging biedt hieraan steun. Niettemin zal toch deze nuancering in aanmerking moeten worden genomen dat het wel moet gaan om alle relevante gestelde feiten en omstandigheden. Dat de hiervoor in 2.3 genoemde feiten en omstandigheden relevante feiten en omstandigheden vormen, is door de vrouw in de onderdelen 1 en 2 niet expliciet gesteld. Hieraan zijn echter geen nadelige gevolgen te verbinden. Bedoelde feiten en omstandigheden zijn voor relevant te houden. Zij zijn van een zodanige aard dat aan hen als zodanig gewicht toekomt bij de weging van de belangen die bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw een rol spelen.
2.6
De zojuist vermelde aard van de hiervoor in 2.3 genoemde feiten en omstandigheden brengt mee dat kan worden verlangd dat het hof in rov. 5.5. tot uitdrukking zou hebben gebracht dat het met hen rekening heeft gehouden. Nu dat niet het geval is, wordt er in ieder geval in onderdeel 2 terecht geklaagd over een onvoldoende motivering van de afwijzing van het verzoek van de moeder om verlening van een vervangende toestemming.
Onderdeel 3
2.7
In onderdeel 3 wordt er over geklaagd dat het hof, hoewel het in rov. 5.2 het uitgangspunt vooropstelt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen en een eventuele nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, dit gezichtspunt niet in zijn dragende motivering in rov. 5.5. heeft betrokken, zodat ook hier geldt dat het hof van een onjuiste maatstaf is uitgegaan, althans zijn beslissing niet begrijpelijk en niet toereikend heeft gemotiveerd.
2.8
Deze klacht slaagt, naar het voorkomt, niet. Uit het oog wordt verloren dat het hof in rov. 5.2 aan genoemd – in cassatie als zodanig niet bestreden – uitgangspunt de voorwaarde verbindt van “indien de omstandigheden van het geval, na een belangenafweging zoals hiervoor genoemd, een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen.” Met de passage “belangenafweging zoals hiervoor bedoeld” heeft het hof het oog op de in rov. 5.1 genoemde belangenafweging. Die belangenafweging voert het hof vervolgens met name in rov. 5.5 uit en leidt het hof tot de beslissing dat de verhuizing van [de zoon] naar [plaats B] niet in zijn belang is en het verzoek van de moeder om haar de vervangende toestemming tot verhuizen naar [plaats B] te geven moet worden afgewezen. Daarin ligt besloten dat het hof de zojuist genoemde voorwaarde te dezen voor niet vervuld houdt en dat derhalve te dezen niet overeenkomstig dat uitgangspunt kan worden beslist. Gelet op een en ander, kan niet worden gezegd dat het hof in rov. 5.5 gelet op meergenoemd uitgangspunt een onjuiste maatstaf hanteert, althans zijn beslissing in die rechtsoverweging onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft. Het hof neemt het uitgangspunt in aanmerking, maar acht uiteindelijk geen ruimte om overeenkomstig dat uitgangspunt toestemming tot verhuizing te verlenen.
Onderdeel 4
2.9
In onderdeel 4 wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof aan het begin van rov. 5.5 dat de moeder de noodzaak om naar [plaats B] te verhuizen niet heeft aangetoond. Niet is gebleken, aldus het hof, dat zij aldaar haar financiële positie zal kunnen verbeteren. Dit oordeel wordt als onjuist althans onbegrijpelijk bestreden. De advocaat van de vader heeft op de mondelinge behandeling van 20 juli 2015 bij de rechtbank de noodzaak voor de moeder om te verhuizen erkend. Aan die erkenning bestaat ook in een volgende instantie gebondenheid. Het hof heeft met zijn oordeel de werking van artikel 154 Rv. Miskend.
2.10
In artikel 154 Rv. is de gerechtelijke erkentenis geregeld. Daarvan is blijkens lid 1 van dat artikel sprake wanneer een partij in een aanhangig geding uitdrukkelijk de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij uitdrukkelijk wordt erkend. Die erkentenis kan worden gedaan door de betrokken partij zelf maar ook door een gevolmachtigde of vertegenwoordiger van haar in het geding zoals een advocaat. Aan een dergelijke erkentenis wordt het gevolg verbonden dat het erkende feit in de procedure, waaronder ook een vervolgprocedure in appel is te begrijpen, voor juist is te houden, zodat bewijs ervan in die procedure niet meer kan worden verlangd.(7.) Ingevolge lid 2 van artikel 154 Rv. kan op de erkenning in de betrokken procedure slechts worden teruggekomen op de grond dat de erkenning door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Er zijn, zo volgt uit het voorgaande, nogal verstrekkende gevolgen aan een gerechtelijke erkentenis verbonden. Daarin is aanleiding te vinden om niet te spoedig tot aanwezigheid van een gerechtelijke erkentenis te concluderen.
2.10
In haar inleidend verzoekschrift in eerste aanleg heeft de moeder haar wens/belang om naar [plaats B] te verhuizen met een beroep op meer omstandigheden onderbouwd: het hebben leren kennen van een – te [plaats B] wonende – partner, van wie zij in verwachting is geraakt en met wie zij met het te verwachten kind een nieuw gezin wil vormen (sub 6); het ondanks veelvuldig solliciteren in [plaats A] al geruime tijd werkeloos zijn, terwijl er in Duitsland een grotere kans op het vinden van een baan bestaat en het daarmee verzekeren van financiële onafhankelijkheid (sub 12); het hebben van de partner van een baan in Duitsland met veel werk en goede perspectieven, waardoor het voorzien in het levensonderhoud van moeder [de zoon] en de te verwachten baby is verzekerd (sub 13). De wens zelf van de moeder betwist de vader in zijn verweerschrift niet, maar sub 14 van zijn verweerschrift bestrijdt hij wel de laatste twee gronden. Op blz. 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juli 2016 bij de rechtbank staat als uitlating van de advocaat van de vader onder meer opgetekend: “Volgens vaste rechtspraak moeten alle belangen worden afgewogen. De noodzaak: de vrouw wil een gezin vormen en is op dit moment zwanger. Dus de noodzaak voor verhuizen is wel duidelijk.” Op blz. 3 van haar beschikking van 31 juli 2015 geeft de rechtbank als haar oordeel dat de noodzaak van de verhuizing van de vrouw voldoende is aangetoond en voegt daaraan toe dat de noodzaak tot verhuizen door de man ook niet wordt betwist. Tot de aanwezigheid van de noodzaak tot verhuizen concludeert de rechtbank wel vanuit meer invalshoeken. Behalve het van haar partner zwanger geraakt zijn van de moeder en haar wens om met haar partner een gezin te vormen, neemt de rechtbank ook in aanmerking dat er sprake is van een bestendige relatie tussen de moeder en haar nieuwe partner, dat de partner omgang heeft met twee minderjarige kinderen uit een eerdere relatie, dat hij een vaste dienstbetrekking in [plaats B] heeft en derhalve een verhuizing naar [plaats A] of omgeving niet in de lijn der verwachting ligt, en dat met een verhuizing de financiële positie van de vrouw en [de zoon] zal verbeteren. Hiermee beoordeelt de rechtbank het belang van de noodzaak van verhuizen op een bredere voet. Met zijn eerste grief bestrijdt de vader het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak tot verhuizen voldoende is aangetoond. In dat kader bestrijdt hij de door de rechtbank voor haar oordeel aangehouden invalshoeken, voor zover zij niet de zwangerschap van de moeder en haar wens om met de nieuwe partner een gezin te vormen betreffen.
2.11
Uit het hiervoor samengevatte verloop van de discussie over en de beoordeling van het belang van de noodzaak van de moeder om te verhuizen blijkt dat dit belang als één van de in aanmerking te nemen belangen vanuit meer invalshoeken aan de orde is gekomen. De uitlating van de advocaat over dit belang tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank had slechts betrekking op één ter zake van de noodzaak van de moeder om te verhuizen opgeworpen invalshoek. Die invalshoek kan niet als de beslissende invalshoek worden beschouwd. Dat alles staat er aan in de weg om die uitlating, voor zover die al als een gerechtelijke erkentenis is op te vatten, te beschouwen als een erkentenis van de noodzaak in alle opzichten. Door een erkentenis van de noodzaak vanuit slechts één van de invalshoeken bleef er ruimte om over de aanwezigheid van die noodzaak vanuit de andere in verband daarmee aangevoerde invalshoeken te discussiëren en te oordelen. Dit wordt in onderdeel 4 onvoldoende in aanmerking genomen. De in dat onderdeel vervatte klacht strandt hierop.
Onderdeel 5
2.12
In onderdeel 5 worden de beslissingen van het hof bestreden, waarbij wordt voortgebouwd op de beslissing tot afwijzing van het verzoek van de moeder om haar toestemming te verlenen om met [de zoon] naar [plaats B] te verhuizen. Houdt deze laatste geen stand dan geldt dat, zo wordt betoogd, ook voor de daarop voortbouwende beslissingen.
2.13
Hierboven is uiteengezet dat de afwijzing van het verzoek om toestemming voor verhuizen om de vooral in onderdeel 2 opgevoerde reden geen stand kan houden. Dat brengt mee dat ook onderdeel 5 doel treft.
3. Conclusie
Geconcludeerd wordt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het hof.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑01‑2017
. Inleidend verzoekschrift nr. 6, verweerschrift in hoger beroep nrs. 11-13, 19, 28 en 62.
. Inleidend verzoekschrift nr. 6, verweerschrift in hoger beroep nr. 24 en 62.
. Inleidend verzoekschrift nr. 13, verweerschrift in hoger beroep nrs. 27-28 en 62.
. Inleidend verzoekschrift, verweerschrift in hoger beroep nr. 26, 31 en 62.
. Verweerschrift in hoger beroep nr. 24.
. Zie over de gerechtelijke erkentenis onder meer: Asser Procesrecht/Asser 3, 2013, nrs. 113, 114 en 115; Groene serie Burgerlijke Rechtsvorming (G.R. Rutgers), art. 154, aant. 2 t/m 6.
Beroepschrift 20‑05‑2016
Aan: de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
Verzoekster is:
[de vrouw], hierna te noemen [de vrouw], wonende te [postcode woonplaats], aan de [adres], Bondsrepubliek Duitsland, die woonplaats kiest aan de Boddenkampsingel 76, te 7514 AR Enschede, op het kantoor van mr. E.H. Hoeksma, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die als zodanig [de vrouw] in deze procedure in cassatie vertegenwoordigt en dit verzoekschrift voor haar ondertekent en indient.
De verweerder in deze procedure is:
[de man], hierna te noemen [de man], wonende te [postcode] [woonplaats], aan de [adres], in de feitelijke instanties laatstelijk vertegenwoordigd door zijn advocaat, mevrouw mr. R.N. Sahebdien, die kantoor houdt aan de Laaressingel 61, te 7514 EL Enschede.
Proloog:
1.
[de vrouw] stelt cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen en uitgesproken op 25 februari 2016 onder zaaknummer 200.175.132, waarin het Hof de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, vernietigde en waarin o.a. het verzoek van [de vrouw] om haar ex artikel 1:253a BW vervangende toestemming te verlenen alsnog werd afgewezen.
2.
[de vrouw] heeft op 22 maart 2016 een toevoeging aangevraagd, waarop nog niet is beslist door de Raad voor Rechtsbijstand.
Het procesdossier:
3.
Aan dit verzoekschrift zullen de navolgende stukken, de processtukken uit de feitelijke instanties, worden gehecht, die hierna worden aangeduid als de producties a t/m p.
- a.
Het inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2015 zijdens [de vrouw] met 6 bijlagen;
- b.
Het verweerschrift d.d. 17 juni 2015 van de zijde van [de man];
- c.
Brief rechtbank d.d. 30 juni 2015;
- d.
Pleitaantekeningen d.d. 20 juli 2015 zijdens [de vrouw];
- e.
P.-v. van de zitting d.d. 20 juli 2015;
- f.
Eindbeschikking van de kinderrechter rechtbank Overijssel d.d. 31 juli 2015;
- g.
De appelschriftuur met daarin opgenomen een incidenteel verzoek d.d. 18 augustus 2015 met 3 producties van de zijde van [de man];
- h.
De brief d.d. 18 september 2015 met 3 bijlagen zijdens [de man] ten behoeve van de mondelinge behandeling van het schorsingsverzoek;
- i.
Pleitaantekeningen voor de mondelinge behandeling op schorsingsverzoek d.d. 24 september 2015;
- j.
De beschikking d.d. 15 oktober 2015 op het schorsingsverzoek van het Hof;
- k.
Het verweerschrift in appel d.d. 28 september 2015 van de hand van [de vrouw];
- l.
7 producties voor de mondelinge behandeling van de zijde van [de vrouw];
- m.
Pleitaantekeningen d.d. 7 januari 2015 (lees: 2016) van de zijde van [de vrouw];
- n.
Pleitaantekeningen d.d. 7 januari 2016 van de hand van [de man];
- o.
P.-v. van de zitting d.d. 7 januari 2016;
- p.
De eindbeschikking d.d. 25 februari 2016 van het Hof.
Inleiding:
4.
In cassatie dient de vraag beantwoord te worden of het Hof bij toepassing van artikel 1:253a BW een juiste maatstaf heeft gehanteerd en of de beslissing van het Hof, om het verzoek van [de vrouw] om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met [minderjarige 1] naar Duitsland af te wijzen, deugdelijk en toereikend is gemotiveerd.
5.
Daarbij moet worden uitgegaan van de in cassatie vaststaande feiten en omstandigheden. Het huwelijk tussen [de man] en [de vrouw] is op 12 december 2012 bij beschikking van de rechtbank Overijssel door echtscheiding ontbonden, uit welk huwelijk op [geboortedatum] 2010 [minderjarige 1] is geboren, die thans dus 5 jaar oud is1.. [de vrouw] is in de periode, voorafgaande aan haar verhuizing naar Duitsland in Nederland werkloos geweest2.. [de vrouw] heeft de heer [betrokkene 1] ontmoet, welke ontmoeting uitmondde in een vaste en bestendige relatie met hem3.. Uit deze relatie is de thans 6-maanden oude dochter, [minderjarige 2], geboren4.. [betrokkene 1] en [de vrouw] wonen samen in Duitsland (aan de [a-straat te a-plaats]) met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]5.. [betrokkene 1] heeft (in Duitsland) een vaste baan6. als sportleraar in een sportschool en [betrokkene 1] onderhoudt [de vrouw], [minderjarige 1] en [minderjarige 2]7.. Ook de heer [betrokkene 1] heeft een omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen8., [minderjarige 3] en [minderjarige 4], uit een vorige relatie, die om de 14 dagen en elke woensdag bij het gezin van de heer [betrokkene 1] toeven9.. Uit hoofde van het dictum van de beschikking a quo is [de vrouw] gehouden om uiterlijk op 1 augustus 2016 haar gezin in Duitsland te verlaten en terug te verhuizen naar Nederland, [b-plaats]10..
Cassatiemiddel:
6.
Schending van het recht en tot nietigheid leidend verzuim van wezenlijke vormen, doordat het Hof heeft overwogen en beslist als in het hier ingelast en herhaald te beschouwen arrest is vermeld en op die gronden heeft rechtgedaan als in het dictum van dit arrest is omschreven, welk dictum als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, ten onrechte zulks om een of meer van de navolgende in hun onderlinge verband en samenhang te lezen redenen.
7.
In HR (ECLI:NL:HR:2008:BC5901) overwoog uw raad:
‘3.3
Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Het hof heeft door in zijn beslissing niet uitdrukkelijk het nieuwe huwelijk van de moeder met haar in Zwitserland wonende echtgenoot, haar zwangerschap en de gevolgen van die beide omstandigheden voor de bestaande gezinssituatie in zijn afweging te betrekken, deze maatstaf miskend, dan wel zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd, zodat de hierop gerichte klachten van het middel doel treffen.’
8.
Uw raad oordeelde in (ECLI:NL:HR:2010:BM5825) dat:
Het hof — dat terecht is uitgegaan van de onmiddellijke werking van de wet van 27 november 2008, Stb. 2008, 500, en kennelijk, in cassatie onbestreden, de daarin opgenomen maatstaf heeft toegepast — heeft alle door de ouders over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en heeft de argumenten van beide kanten gewogen, en is op grond daarvan, gelet op de belangen van de kinderen, tot zijn bestreden oordeel gekomen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.
9.
[de vrouw] heeft — voor zover van belang in cassatie — de volgende stellingen in de 1ste aanleg en in appel gelanceerd en betreden (woordelijk weergegeven):
- a)
Moeder heeft inmiddels een nieuwe relatie met [betrokkene 1] , woonachtig te [a-plaats] (Duitsland). Zij is zwanger van deze man en verwacht het kindje in november 2015. Het spreekt voor zich dat moeder de wens heeft om met deze man een gezin te vormen. Inclusief [minderjarige 1], nu zij de hoofdzorg voor [minderjarige 1] heeft. Deze man heeft zelf ook twee kinderen van 1 en 4 jaar oud. [minderjarige 1] is dol op de twee kinderen van de huidige partner van de vrouw (zie: punt 6 inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2015).
- b)
De huidige partner van moeder heeft wel werk en hij kan — indien nodig — zowel in het levensonderhoud van moeder, de ongeboren baby en [minderjarige 1] voorzien. De goede vooruitzichten binnen het bedrijf waar de parner van moeder thans werkzaam is, is een andere reden waarom het logisch is dat moeder naar Duitsland verhuist en niet andersom (zie: punt 13 inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2015).
- c)
De vrouw en haar partner verwachten samen in november een kindje en zullen dus een gezin gaan vormen met elkaar (pleitnota d.d. 20 juli 2015, pagina 2 boven het midden/2de liggende streepje).
- d)
De vrouw zal in Duitsland een gezinssituatie krijgen en bovendien samenwonen met een partner die haar en [minderjarige 1] zal onderhouden. De man betaalt voor de kosten van [minderjarige 1] nauwelijks iets mee, behoudens een bijdrage van € 25,00 per maand. De vrouw en haar nieuwe partner betalen verder alle kosten voor [minderjarige 1] (pleitnota d.d. 20 juli 2015, pagina 4 boven het midden/1ste liggende streepje).
- e)
De vrouw en [minderjarige 1] zullen een gezin vormen met de partner van de man en alle kinderen, hetgeen voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] zeer waardevol is (pleitnota d.d. 20 juli 2015, pagina 4 onder).
- f)
De noodzaak: de vrouw wil een gezin vormen en is op dit moment zwanger. Dus de noodzaak voor het verhuizen is wel duidelijk (zie: p.-v. van de zitting d.d. 20 juli 2015 zoals erkend door de advocaat van [de man]/blad 2, direct onder mr. Belshof).
- g)
Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vrouw, bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met het kind en haar nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen (punt 5 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- h)
De advocaat van de man heeft ter zitting verklaard dat de vrouw een gezin wil vormen met haar huidige partner, op dit moment zwanger is van die partner en dat de noodzaak voor de verhuizing daarmee wel duidelijk is. Dit is een expliciete erkenning van de noodzaak (punt 7 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- i)
De vrouw en de partner verwachten in november een kindje en zullen dus een gezin gaan vormen met elkaar. Uiteraard hoort [minderjarige 1] daar ook bij en acht de vrouw het van groot belang dat [minderjarige 1] deel uitmaakt van het gezin dat bestaat uit de vrouw, haar partner, het te verwachten halfzusje en de zoon en dochter van haar nieuwe partner uit een eerdere relatie, die regelmatig bij hem verblijven (ongeveer een derde deel van de maand) (punt 13 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- j)
Ook voor de vrouw is het een enorme stap om naar Duitsland te verhuizen, weg van de plaats waar zij 30 jaar heeft gewoond. U zult begrijpen dat de vrouw dit weloverwogen heeft gedaan en dat zij oprecht van mening is dat dit voor haar en [minderjarige 1], en haar gezin de beste oplossing is. Indien de vrouw niet zeker was geweest van haar relatie met de heer [betrokkene 1], dan zou zij zeker niet aan dit avontuur zijn begonnen (punt 19 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- k)
De kinderen van de heer [betrokkene 1] verblijven minimaal 10 dagen in de maand bij hem. Een ruimere omgangsregeling dan de regeling die de man het [minderjarige 1] heeft. Verhuizing van de heer [betrokkene 1] naar [b-plaats], daargelaten andere praktische bezwaren, zal een grotere inbreuk op de omgang tussen de heer [betrokkene 1] en zijn kinderen inhouden dan die van [minderjarige 1] met zijn vader bij een verhuizing. Deze kinderen zullen dan eveneens minder contact hebben met hun halfzusje. Daargelaten het feit dat [minderjarige 1] dit als zeer jammer zal ervaren, nu [minderjarige 1] en de kinderen een heel leuke band samen hebben ontwikkeld. Zij zien elkaar reeds als familie (punt 24 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- l)
De heer [betrokkene 1] heeft bij zijn huidige werkgever zicht op promotie. Vanaf volgend jaar wordt hij werkzaam in een andere functie, namelijk als begeleider van leerlingen, welke het vak zullen gaan leren. Dit betekent eveneens dat er bij de heer [betrokkene 1] meer financiële ruimte ontstaat voor het onderhoud van hemzelf, de vrouw, [minderjarige 1] en het thans nog ongeboren kind (punt 27 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- m)
Voor de vrouw staat niet ter discussie dat zij en haar partner een bestendige relatie hebben, dat haar partner met zijn werk gebonden is aan [a-plaats], hij haar financiële zekerheid kan bieden, dat de kinderen van haar nieuwe partner een hechte band met [minderjarige 1] hebben en dat [minderjarige 1] zijn verblijf in [a-plaats] als plezierig ervaart (punt 62 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- n)
De vrouw stelt zich op het standpunt dat uit de beschikking van de rechtbank voldoende is gebleken dat de belangen van de vrouw, de belangen van [minderjarige 1] en het ongeboren kind en halfzusje van [minderjarige 1] een dergelijke ingrijpende wijziging voor [minderjarige 1] rechtvaardigen (punt 65 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- o)
[minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. Een wijziging van zijn hoofdverblijfplaats (terug naar [b-plaats]) op dit moment komt daarom niet tegemoet aan zijn belang (een verhuizing zal voor hem niet alleen wederom een ingrijpende verandering van woonomgeving betekenen, maar ook wederom een school/KDV wisseling in korte tijd), noch die van de vrouw, haar ongeboren kind en de relatie van haar nieuwe partner met het nog ongeboren kind (punt 66 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015).
- p)
De vrouw is inmiddels bevallen van een dochter (pleitnotities hoger beroep zijdens [de vrouw] pagina 2, boven het midden).
- q)
De heer [betrokkene 1] zal dan beperkt worden in de omgang met zijn kinderen, in ieder geval meer beperkt dan vader nu wordt door de verhuizing van moeder (3 uurtjes per week) (pleitnotities hoger beroep zijdens [de vrouw] pagina 2, onder).
- r)
Ik had een relatie en was zwanger geworden. We zijn toen om de tafel gaan zitten om te bespreken wat we het beste konden doen. Ik was al anderhalf jaar werkloos. Ik kreeg in Nederland geen werk. Het ging niet. Ik vind het leuk in Duitsland. Voor mijn partner is het moeilijk hierheen te verhuizen omdat hij daar een vaste baan heeft. We hebben het er uitgebreid over gehad wat het beste is en hebben voor deze oplossing gekozen (pagina 2, 2de blok, p.-v. van de zitting d.d. 7 januari 2016 bij het Hof).
- s)
Ik begrijp dat de moeder met haar partner en kind een gezin wil vormen in Duitsland. Dat kan ik goed begrijpen (de heer [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming, pagina 4 in het midden, p.-v. van de zitting d.d. 7 januari 2016 bij het Hof).
10.
Het Hof heeft in zijn dragende overweging 5.5 van de aangevallen beschikking puntsgewijs tot uitdrukking gebracht (geparafraseerd weergegeven):
- I.
De noodzaak om te verhuizen naar [a-plaats] is niet aangetoond.
- II.
Niet gebleken is dat de moeder haar financiële positie kan verbeteren.
- III.
Niet gebleken is dat de moeder de verhuizing goed doordacht en voorbereid heeft.
- IV.
Gebleken is dat de ouders onvoldoende in staat zijn tot overleg en communicatie.
- V.
De verhuizing van [minderjarige 1] en de moeder brengt extra kosten in het kader van de omgang met zich.
- VI.
Het reizen is door de afstand vermoeiend voor [minderjarige 1].
- VII.
[minderjarige 1] heeft achterstand in taal, spraak en de kleine motoriek en heeft daardoor logopedie nodig, die hij in Duitsland (nog) niet krijgt (en in Nederland wel kan krijgen).
- VIII.
[minderjarige 1] zit nog op de Kindergarten, zit nog niet op de basisschool, waardoor hij nu achterstand oploopt.
- IX.
Beide ouders zijn hechtingsfiguren, maar door de verhuizing vermindert die van vader.
- X.
Indien sprake was van goed contact tussen de ouders, was skypecontact mogelijk geweest, wat nu niet het geval is.
11.
Aldus staat vast dat het Hof de navolgende door [de vrouw] in de feitelijke instanties betrokken stellingen niet kenbaar in zijn beslissing heeft betrokken.
- —
[de vrouw] heeft een bestendige relatie met de heer [betrokkene 1] en [de vrouw] heeft met de heer [betrokkene 1] een gezin gevormd, met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (de eind 2015 geboren dochter van [de vrouw] en de heer [betrokkene 1]).
- —
[minderjarige 1] heeft een goede band ontwikkeld met de 2 kinderen van de heer [betrokkene 1] uit een vorige relatie.
- —
De heer [betrokkene 1] heeft een vaste dienstbetrekking, waardoor hij in staat is [de vrouw], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (de eind 2015 geboren dochter van [de vrouw] en de heer [betrokkene 1]) te onderhouden.
- —
De moeilijkheid (zo niet onmogelijkheid) voor de heer [betrokkene 1], gezien zijn vaste dienstverband in Duitsland, om naar [b-plaats] te verhuizen.
- —
De omstandigheid dat de heer [betrokkene 1] in zijn omgang met zijn eigen kinderen wordt beperkt bij een verhuizing naar [b-plaats].
ONDERDEEL 1 van het middel:
12.
Door dus niet alle gestelde (in cassatie vaststaande) omstandigheden in zijn beoordeling te hebben betrokken, heeft het Hof de hierboven in de punten 6 en 7 weergegeven maatstaf niet aangelegd en dus miskend. De beslissing van het Hof om de aan [de vrouw] gegeven toestemming om te verhuizen alsnog af te wijzen kan om die reden niet in stand blijven en behoort te worden vernietigd.
ONDERDEEL 2 van het middel:
13.
Door dus niet alle gestelde (in cassatie vaststaande) omstandigheden in zijn beoordeling te hebben betrokken, heeft het Hof zijn beslissing niet deugdelijk en niet toereikend gemotiveerd. De beslissing van het Hof om de aan [de vrouw] gegeven toestemming om te verhuizen alsnog af te wijzen kan om die reden niet in stand blijven en behoort te worden vernietigd. Na verwijzing dienen deze omstandigheden alsnog te worden onderzocht en te worden betrokken in een te nemen beslissing van het verwijzingshof.
ONDERDEEL 3 van het middel:
14.
Ofschoon het Hof met recht in r.o.v. 5.2 van de aangevallen beschikking heeft vooropgesteld dat als uitgangspunt geldt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarigen en eventuele nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, heeft het Hof dit gezichtspunt niet betrokken in zijn dragende motivering (5.5. van de beschikking), zodat ook hier geldt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, althans zijn beslissing niet begrijpelijk en niet toereikend heeft gemotiveerd.
ONDERDEEL 4 van het middel:
15.
De vrouw heeft de noodzaak om te verhuizen gesteld en gemotiveerd (zie onder andere: punt 9 h hiervoor). De advocaat van [de man] heeft de noodzaak van de verhuizing erkend (zie: 9 f hiervoor). Om die reden is het oordeel van het Hof in r.o.v. 5.5, 2de zinsnede, waarin tot uitdrukking is gebracht dat naar het oordeel van het Hof de moeder de noodzaak om te verhuizen naar [a-plaats] niet heeft aangetoond, onjuist althans onbegrijpelijk. Deze erkenning van de zijde van [de man], die door devolutieve werking van het appel doorwerkte in de appelinstantie, had het Hof in het licht van hetgeen [de vrouw] in dat kader naar voren heeft gebracht niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, kunnen negeren. De Parlementaire Geschiedenis Bewijsrecht, pag. 114 (zie: aantekening 2 op artikel 154 RV T&C) doceert: men is aan een gerechtelijke erkentenis eens en voor al, ook in sen verdere instantie, gebonden. Daarmee heeft het Hof de werking van artikel 154 RV miskend en aldus getuigt dit onderdeel van de beslissing van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van artikel 154 RV. Ook dat onderdeel van de beschikking kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
ONDERDEEL 5 van het middel:
16.
Omdat de beslissing van het Hof, om de aan [de vrouw] de gegeven toestemming om te verhuizen alsnog af te wijzen, onjuist is, althans getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is, zijn de daarop gebaseerde voortbouwende beslissingen van het Hof, waarin is bepaald dat het verzoek van de moeder om het ouderschapsplan en om de omgangsregeling te wijzigen wordt afgewezen en waarin is bepaald dat [de vrouw] tot uiterlijk 1 augustus 2016 in de gelegenheid wordt gesteld met [minderjarige 1] terug te verhuizen naar [b-plaats], evenzeer onjuist, althans getuigen deze oordelen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn deze onbegrijpelijk. In het voetspoor hiervan deelt de beslissing van het Hof om zijn oordeel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren eenzelfde lot.
De conclusie en mitsdien:
17.
Het uw Raad behage de aangevallen beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen en die beslissing te nemen die uw Raad vermeent te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 20 mei 2016.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑05‑2016
Zie: de punten 3 en 4 inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2015.
Zie: punt 12 inleidend verzoekschrift d.d. 15 juni 2015 en beschikking d.d. 31 juli 2015, pagina 3, beoordeling 4de blok.
Zie: beschikking d.d. 31 juli 2015, pagina 3, beoordeling 4de blok.
Zie: pleitnota hoger beroep zijdens [de vrouw] pagina 2, boven het midden.
Zie: punt 62 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015.
Zie: beschikking d.d. 31 juli 2015, pagina 3, beoordeling 4de blok.
Zie: punt 62 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015.
Zie: beschikking d.d. 31 juli 2015, pagina 3, beoordeling 4de blok.
Zie: punt 24 verweerschrift hoger beroep d.d. 28 september 2015.
Zie: 4de onderdeel dictum van de beschikking a quo.