HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.5.
HR, 05-11-2024, nr. 22/02368
ECLI:NL:HR:2024:1513
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
22/02368
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1513, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2079
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:798
ECLI:NL:PHR:2024:798, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1513
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0268
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Poging tot medeplegen diefstal d.m.v. braak (art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Verwerping alternatief scenario inhoudende dat verdachte niet wist dat zijn medeverdachte wilde inbreken en verdachte heeft geprobeerd hem tegen te houden. 2. Is ’s hofs beslissing in het openbaar uitgesproken, nu uitspraak p-v ontbreekt? Art. 362.1 Sv. Ad 1. Gelet op wat hof heeft vastgesteld en overwogen over gedragingen van verdachte (i.h.b. over aanwezigheid van verdachte toen zijn mededader met breekijzer deur van woning probeerde te openen en vervolgens glas van die deur insloeg, slaan en trappen van verdachte zelf tegen die deur en het, nadat zijn mededader in woning was geweest, samen wegrennen) is zijn verwerping van het door verdediging geschetste alternatief scenario toereikend gemotiveerd. Ad 2. Uit stukken blijkt niet dat beslissing van hof overeenkomstig art. 362.1 1 jo. art. 415.1 Sv in openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. HR zal doen wat hof had moeten doen en zelf beslissing van hof op openbare terechtzitting uitspreken. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02368
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 juni 2022, nummer 20-001880-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de manier waarop het hof een door de verdediging geschetst alternatief scenario heeft verworpen.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 14 augustus 2020 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan de [a-straat 1] een of meer goederen en/of geld van hun gading, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer], weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader naar de woning is gegaan en zijn mededader- met een breekijzer de voordeur heeft beschadigd en- vervolgens met een breekijzer een ruit heeft ingeslagen en- (via dat verbroken raam) de woning is binnengegaan,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 augustus 2020, dossierpagina's 82-85, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer]:
Ik doe bij deze aangifte van inbraak, dan wel poging tot inbraak in mijn woning.
Ik ben de eigenaar en enige bewoner van de woning [a-straat 1] te [plaats].
Vrijdag 14 augustus 2020 omstreeks 07:45 uur verliet ik mijn woning. Te 17:39 uur werd ik gebeld door de overbuurman. Hij deelde mij mede dat er nu door twee personen werd ingebroken in mijn woning. Ik kreeg ook direct drie foto's toegestuurd. Op deze foto's zag ik twee personen die kennelijk voor mijn woning aan het rennen waren. Een van de personen had een getinte huidskleur en droeg een zwart T-shirt en zwarte broek en droeg een zwart petje op zijn hoofd. De andere persoon had ook een blanke huidskleur, droeg een korte donkere broek en had een rood T-shirt aan. Deze persoon had een rood petje op zijn hoofd. Ik zag dat beiden wegrenden in de richting van de [b-straat]. De buurman vertelde mij dat ze het glas rechts naast de voordeur kapot hadden geslagen en dat een van deze personen in mijn woning was geweest.
Ik ben toen direct naar mijn woning gegaan. Ik kwam daar ongeveer 5 minuten later aan. Ik zag dat er veel glas voor de woning voor de voordeur op de grond lag. Ik zag dat het glas in lood rechts naast de voordeur geheel kapot was. Er zat een groot gat in. Ik zag dat de voordeur dicht was. Ik opende met mijn sleutel de voordeur. Ik merkte en zag dat de voordeur aan de binnenkant aan de deurstijl kapot was.
Ik betrad de woning en zag dat er heel veel glas en stukken lood van het kapotte raam in de gang lagen. Ik zag dat de deur van de gang naar de open keuken en woonkamer gedeeltelijk open stond. Deze doe ik altijd dicht. Ik wist toen dat er iemand binnen was geweest.
Ik mis op dit moment niets.
Ik heb camerabeelden van de persoon die in mijn woning is geweest. Ik heb deze beelden bekeken. Ik zag dat een mij onbekende persoon met een getint uiterlijk via de deur van de gang naar de keuken de keuken betreed. Deze persoon was gekleed in een zwart T-shirt, een zwarte broek, zwarte schoenen en een zwart petje. Ik zag dat hij in zijn handen een breekijzer had met een geel voet-/handvat. Ik zag dat hij de keukenkastjes opende en kennelijk opzoek was naar iets. Dit was heel kort. Hij keek even om zich heen en verliet via dezelfde deur de keuken.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2020, dossierpagina’s 101-102, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
Ik ben getuige geweest van het incident op de [a-straat 1] te [plaats]. Ik reed met mijn voertuig omstreeks 17:35 uur over de [a-straat]. Ik zag bij [a-straat 1] twee personen voor de voordeur staan. Ik kan die personen als volgt omschrijven:
persoon 1: man, licht getinte huidskleur, blauw of groen trainingspak, zwart haar, ongeveer 25 jaar, ongeveer 1.85 meter lang en volgens mij een petje.
persoon 2: man, blank, ongeveer 25 jaar, ongeveer 1.85 meter lang, rood shirt, stevig postuur, rood petje. Ik zag dat deze twee personen bezig waren de ruit van de voordeur van genoemd adres in te slaan.
Ik zag dat persoon 1 dat aan het doen was. Ik zag dat persoon 2 op de uitkijk stond.
Toen ik aan kwam rijden zag ik dat de eerder genoemde personen wegrenden van de woning. Ik zag dat persoon 2 het breekijzer had overgenomen van persoon 1.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2020 met foto's, dossierpagina’s 103-106, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Ik hoorde omstreeks 17:35 uur glasgerinkel. Ik keek vanuit mijn woning naar buiten toe. Ik zag toen dat een man die in het zwart was gekleed met een breekijzer op het raam sloeg dat naast de voordeur zit bij [a-straat 1] te [plaats]. Ik zag dat een man die in het rood was gekleed naast de man die in het zwart was gekleed stond en op de voordeur van [a-straat 1] sloeg.
(...)
Ik zag dat de man die in het zwart was gekleed, vervolgens de woning van [a-straat 1] uit kwam via het ingeslagen raam. Ik zag dat de man die in het rood was gekleed in de richting van Heilusstraat rende. Ik hoorde dat de man die in het zwart was gekleed naar de man in het rood riep: "De andere kant op, de andere kant op." Ik zag dat de twee mannen daarna de [b-straat] in renden. Hier heb ik ook foto's van gemaakt.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2020, dossierpagina’s 107-108, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3]:
Ik liep samen met mijn nichtje over de [a-straat]. Ik hoorde dat mijn nichtje zei: “Volgens mij wordt daar ingebroken”. Mijn nichtje en ik draaiden ons toen om en zagen dat er een man die in het zwart was gekleed met een breekijzer tegen het raam aansloeg bij [a-straat 1]. Ook zag ik dat bij de man die in het zwart was gekleed een andere man stond die in het rood was gekleed. Ik zag dat deze man meehielp bij het inbreken bij [a-straat 1]. Ik zag dat hij namelijk met zijn rechtervoet met kracht tegen de deur trapte. Ik zag vervolgens dat de man die in het rood was gekleed de straat over stak en naar een auto rende. Hier stond hij erg kort en sprak met de bestuurder van deze auto. Ik zag dat hij daarna weer terug rende naar de voordeur van [a-straat 1]. Ik zag toen dat de man die in het zwart was gekleed naar binnen ging bij [a-straat 1]. Ik zag dat de man die in het rood was gekleed buiten de woning van [a-straat 1] bleef staan. Ik zag dat de man die in het zwart was gekleed een aantal tellen later weer naar buiten kwam. Ik zag vervolgens dat beide mannen de [b-straat] in renden.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2020, dossierpagina’s 109-110, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:
Ik liep samen met mijn tante over de [a-straat]. Ik zei toen op een gegeven moment tegen mijn tante: “Volgens mij wordt daar ingebroken”.
(...)
Ik zag dat de man die in het zwart was gekleed, de man die in het rood was gekleed wat gaf. Ik zag dat de man die in het rood was gekleed dit in zijn broekzak stopte. Ik zag vervolgens dat beide mannen de [b-straat] in renden.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 juli 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
“Mijn [medeverdachte] heeft mij die dag gebeld en zei dat hij mij nodig had. Hij zei dat hij spullen op moest halen. Wij zijn vervolgens met zijn auto naar de woning gegaan. Ik had die dag rode kleren aan. (...) Ik was erbij toen [medeverdachte] het raam van de woning insloeg en de woning in ging. (...) [medeverdachte] had een breekijzer bij zich. Ik heb dat breekijzer gezien toen we voor de deur van de woning stonden.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte was samen met zijn [medeverdachte] naar de woning in de [a-straat] gereden, maar de verdachte wist niet dat zijn medeverdachte daar wilde inbreken. Pas aangekomen bij de woning zag de verdachte dat zijn medeverdachte een breekijzer bij zich had. De verdachte heeft hem geprobeerd tegen te houden. Zijn DNA is op de voordeur van de woning terecht gekomen, omdat hij zich had verwond aan de glasscherven van de ingeslagen ruit. Uit frustratie dat hij zich had verwond en dat hij zijn medeverdachte niet kon tegen houden, heeft hij tegen de deur van de woning getrapt. Dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm voor de getuigen daardoor lijkt dat hij de medeverdachte hielp met inbreken, is een onjuiste conclusie die is getrokken door de getuigen. Daarbij verklaren de getuigen op onderdelen anders van elkaar. Voorts heeft de medeverdachte op de terechtzitting in eerste aanleg een verklaring gegeven die de verklaring van de verdachte ondersteunt. De verdachte heeft aldus de verdediging een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning. Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat de rol van de verdachte veel meer als medeplichtigheid moet worden gezien in plaats van medeplegen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk in een auto naar de directe omgeving van de plaats delict zijn gereden, dat de verdachte in het bijzijn van de medeverdachte stond en bleef staan terwijl deze (meermalen) met een breekijzer de deur probeerde te openen en (vervolgens) het glas van de voordeur in sloeg, dat de verdachte op de voordeur van de woning sloeg, met zijn voet met kracht tegen de deur trapte en vervolgens, nadat zijn medeverdachte in de woning was geweest, samen met zijn medeverdachte wegrende. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de verdachte tezamen met zijn medeverdachte heeft gepoogd in te breken in de woning. De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals die volgens de getuigen zijn verricht, zijn te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, omdat de gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van dat misdrijf.
Ook volgt uit de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte zoals die door de getuigen zijn waargenomen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden, gericht op de inbraak. De bijdrage van de verdachte was daarbij van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
De verklaring van de verdachte dat hij zijn medeverdachte enkel wilde tegenhouden, acht het hof mede gelet op bovenstaande onaannemelijk geworden. Geen van de getuigen heeft immers gezien dat de verdachte zijn medeverdachte probeerde tegen te houden of dat er een duw of worsteling tussen beiden heeft plaatsgevonden. De verklaring van [medeverdachte], zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, acht het hof ongeloofwaardig, nu zijn verklaring onvoldoende gedetailleerd is, op punten afwijkt van de verklaring van de verdachte en niet wordt ondersteund door de diverse getuigenverklaringen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende bewijsverweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.”
2.3
Gelet op wat het hof heeft vastgesteld en overwogen over de gedragingen van de verdachte – in het bijzonder over de aanwezigheid van de verdachte toen zijn mededader met een breekijzer de deur van een woning probeerde te openen en vervolgens het glas van die deur insloeg, het slaan en trappen van de verdachte zelf tegen die deur en het, nadat zijn mededader in de woning was geweest, samen wegrennen – is zijn verwerping van het door de verdediging geschetste alternatief scenario toereikend gemotiveerd.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
3.2
Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van het hof overeenkomstig artikel 362 lid 1 in samenhang met artikel 415 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3.3
De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen en zelf de beslissing van het hof op de openbare terechtzitting uitspreken.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen poging tot gekwalificeerde diefstal (art. 311 Sr). 1. Klacht over verwerping alternatieve lezing van verdachte. 2. Nu p-v uitspraak ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of arrest in het openbaar is uitgesproken. Volgens AG kan HR doen wat hof had behoren te doen en zelf arrest ter openbare terechtzitting uitspreken. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en verwerping voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02368
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 juni 2022 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met een aantal bijzondere voorwaarden. Verder heeft het hof beslist op twee vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof het verweer van de verdediging over een alternatieve toedracht omtrent de feiten op ontoereikende gronden heeft verworpen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 14 augustus 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om in een woning gelegen aan de [a-straat 1] een of meer goederen en/of geld van hun gading, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak met zijn mededader naar de woning is gegaan en zijn mededader
- met een breekijzer de voordeur heeft beschadigd en
- vervolgens met een breekijzer een ruit heeft ingeslagen en
- (via dat verbroken raam) de woning is binnengegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. In hoger beroep is door de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zijn medeverdachte een inbraak wilde plegen en dat de verdachte hem heeft proberen tegen te houden. Het hof heeft dit verweer strekkende tot vrijspraak in zijn bewijsoverweging als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte was samen met zijn [medeverdachte] naar de woning in de [a-straat] gereden, maar de verdachte wist niet dat zijn medeverdachte daar wilde inbreken. Pas aangekomen bij de woning zag de verdachte dat zijn medeverdachte een breekijzer bij zich had. De verdachte heeft hem geprobeerd tegen te houden. Zijn DNA is op de voordeur van de woning terecht gekomen, omdat hij zich had verwond aan de glasscherven van de ingeslagen ruit. Uit frustratie dat hij zich had verwond en dat hij zijn medeverdachte niet kon tegen houden, heeft hij tegen de deur van de woning getrapt. Dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm voor de getuigen daardoor lijkt dat hij de medeverdachte hielp met inbreken, is een onjuiste conclusie die is getrokken door de getuigen. Daarbij verklaren de getuigen op onderdelen anders van elkaar. Voorts heeft de medeverdachte op de terechtzitting in eerste aanleg een verklaring gegeven die de verklaring van de verdachte ondersteunt. De verdachte heeft aldus de verdediging een aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij de woning. […]
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk in een auto naar de directe omgeving van de plaats delict zijn gereden, dat de verdachte in het bijzijn van de medeverdachte stond en bleef staan terwijl deze (meermalen) met een breekijzer de deur probeerde te openen en (vervolgens) het glas van de voordeur in sloeg, dat de verdachte op de voordeur van de woning sloeg, met zijn voet met kracht tegen de deur trapte en vervolgens, nadat zijn medeverdachte in de woning was geweest, samen met zijn medeverdachte wegrende. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de verdachte tezamen met zijn medeverdachte heeft gepoogd in te breken in de woning. De handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte, zoals die volgens de getuigen zijn verricht, zijn te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, omdat de gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van dat misdrijf.
[…]
De verklaring van de verdachte dat hij zijn medeverdachte enkel wilde tegenhouden, acht het hof mede gelet op bovenstaande onaannemelijk geworden. Geen van de getuigen heeft immers gezien dat de verdachte zijn medeverdachte probeerde tegen te houden of dat er een duw of worsteling tussen beiden heeft plaatsgevonden. De verklaring van [medeverdachte] , zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, acht het hof ongeloofwaardig, nu zijn verklaring onvoldoende gedetailleerd is, op punten afwijkt van de verklaring van de verdachte en niet wordt ondersteund door de diverse getuigenverklaringen.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende bewijsverweren van de verdediging in al hun onderdelen.”
6. Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat als door of namens de verdachte een alternatieve lezing van de gebeurtenissen wordt aangedragen, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.1.Dat kan de rechter bijvoorbeeld doen door opneming van wettige bewijsmiddelen, maar ook door te overwegen dat en waarom de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht (anderszins) niet aannemelijk is geworden.2.
7. In de onderhavige zaak heeft het hof op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte:
(i) en zijn medeverdachte gezamenlijk in een auto naar de directe omgeving van de plaats delict zijn gereden;
(ii) in het bijzijn van de medeverdachte stond en bleef staan terwijl deze (meermalen) met een breekijzer de deur probeerde te openen;
(iii) het glas van de voordeur in sloeg;
(iv) op de voordeur van de woning sloeg en met zijn voet met kracht tegen de deur trapte;
(v) vervolgens, nadat zijn medeverdachte in de woning was geweest, samen met zijn medeverdachte wegrende.
8. Dat het hof op grond van deze gedragingen van de verdachte heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zijn medeverdachte enkel wilde tegenhouden, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte naar mijn oordeel niet goed in lijn te brengen zijn met het door de verdediging aangedragen scenario. Dat de verdachte zijn medeverdachte heeft proberen tegen te houden, verhoudt zich immers slecht met (bijvoorbeeld) de vaststelling dat de verdachte naast zijn medeverdachte is blijven staan terwijl deze de deur probeerde open te breken en de vaststelling dat de verdachte het glas van de voordeur insloeg en met kracht tegen de deur trapte. Daarbij wijs ik er bovendien nog op dat het hof heeft overwogen dat geen van de getuigen heeft gezien dat de verdachte zijn medeverdachte probeerde tegen te houden of dat er een duw of worsteling tussen hen heeft plaatsgevonden.
9. Voor zover de steller van het middel meent dat de overweging van het hof “onverlet [laat] dat uit de verklaring van medeverdachte/getuige [medeverdachte] blijkt dat requirant zich wel verbaal heeft gekant tegen de door [medeverdachte] voorgenomen inbraak”, merk ik op dat het hof die verklaring als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, omdat zijn verklaring onvoldoende gedetailleerd is, op punten afwijkt van de verklaring van de verdachte en niet wordt ondersteund door de diverse getuigenverklaringen. Ook in zoverre is het oordeel van het hof en de verwerping van het verweer over een alternatieve toedracht omtrent de feiten niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
10. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
11. Het tweede middel bevat de klacht dat niet blijkt dat het hof zijn arrest op een openbare terechtzitting heeft uitgesproken, omdat – zo blijkt uit de toelichting op het middel – het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022 waarop het bestreden arrest is uitgesproken zich niet bij de stukken bevindt.
11. De steller van het middel heeft conform art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden op 26 april 2023 tijdig het proces-verbaal van de terechtzitting bij de rolraadsheer opgevraagd. Op 16 mei 2023 heeft het hof medegedeeld dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022 kennelijk in het ongerede is geraakt.
11. Zonder dat proces-verbaal kan niet worden vastgesteld dat de uitspraak van het hof daadwerkelijk in het openbaar is geschied, terwijl dat volgens art. 362 lid 1 Sv (jo. art. 415 lid 1 Sv) wel is vereist. De in het arrest opgenomen zinsnede “op 27 juni 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken” volstaat daartoe niet, nu het proces-verbaal in beginsel geldt als de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen3.en het arrest bovendien volgens de gebruikelijke gang van zaken wordt opgemaakt voordat het wordt uitgesproken.
14. Het middel is dus terecht voorgesteld. Zoals de steller van het middel in de toelichting terecht opmerkt, kan de Hoge Raad dit verzuim volgens zijn vaste rechtspraak herstellen door te doen wat het hof had behoren te doen en de bestreden beslissing alsnog ter openbare terechtzitting uitspreken.4.Daarom hoeft het middel niet tot cassatie te leiden.
Slotsom
15. Het eerste middel faalt. Het tweede middel leidt niet tot cassatie. Nu het eerste middel een klacht bevat over de bewijsvoering en de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt toepassing van art. 81 lid 1 RO minder in de rede.5.
16. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat op 28 juni 2022 cassatieberoep is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
Zie HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, r.o. 3.2.2.
HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.3.
HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7799, NJ 2010/610, m.nt. Y. Buruma, r.o. 2.3. Zie nadien HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1341, r.o. 2.3 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1422, r.o. 2.3.
HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer.