Deze zaak hangt samen met nr. 14/05145 tegen dezelfde verdachte, waarin ik ook vandaag concludeer.
HR, 05-07-2016, nr. 14/05144
ECLI:NL:HR:2016:1390
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
05-07-2016
- Zaaknummer
14/05144
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:1390, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑07‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:581, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:581, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑04‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1390, Gevolgd
Uitspraak 05‑07‑2016
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 14/05145.
Partij(en)
5 juli 2016
Strafkamer
nr. S 14/05144 P
LBS/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 29 september 2014, nummer 23/003756-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.
Conclusie 19‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 14/05145.
Nr. 14/05144
Mr. Machielse
Zitting 19 april 2016
Conclusie inzake:
[betrokkene] 1.
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 29 september 2014 het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank Haarlem van 11 juli 2008, waarbij de rechtbank aan verdachte de verplichting heeft opgelegd om aan de Staat een bedrag van € 200.000 te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bevestigd.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen, maar tot op heden is niet gebleken van indiening door een advocaat van een schriftuur van cassatie terwijl volgens de ter beschikking staande gegevens de aanzegging van artikel 435 Sv al in juni 2015 is aangezegd.
Ingevolge het tweede lid van artikel 437 Sv kan daarom het beroep in cassatie niet worden ontvangen.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑04‑2016