HR 30 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2480, NJ 1996/526 m.nt. Schalken; HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1656, rov. 3; HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9397 en HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2588.
HR, 20-11-2018, nr. 17/01742 B
ECLI:NL:HR:2018:2151
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-11-2018
- Zaaknummer
17/01742 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:2151, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑11‑2018; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1044
ECLI:NL:PHR:2018:1044, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑10‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2151
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑06‑2017
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0033
NbSr 2019/7
Uitspraak 20‑11‑2018
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Art. 552a en art. 116.2.a Sv. Teruggave aan derde-belanghebbende (Franse bestolene) van onder klaagster inbeslaggenomen personenauto, die door klaagster in België is gekocht maar blijkt te zijn gestolen in Frankrijk. Heeft Rb miskend dat o.g.v. toepasselijk Belgisch recht klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. teruggave van inbeslaggenomen zaak aan ander dan beslagene en beoordeling of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt waarbij de rechter niet zal behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar wel civielrechtelijke aspecten zal mogen betrekken. HR voegt daaraan toe dat dat uitgangspunt van terughoudendheid te meer geldt indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De door het middel verdedigde opvatting dat naar Belgisch recht had moeten worden vastgesteld of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht. Volgt verwerping.
Partij(en)
20 november 2018
Strafkamer
nr. S 17/01742 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 februari 2017, nummer RK 16/3220, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch recht de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.
2.2.
Het klaagschrift behelst een beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om de onder de klaagster inbeslaggenomen personenauto op de voet van art. 116, tweede lid onder a, Sv aan een derde-belanghebbende terug te geven en houdt tevens een verzoek in tot teruggave aan de klaagster van de personenauto.
2.3.
De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank (...) heeft (...) kennisgenomen van de van toepassing zijnde artikelen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek en artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Kort gezegd dient de rechtbank na te gaan of klaagster kan worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw. Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken is gebleken dat het betreffende voertuig op 17 april 2016 in Frankrijk is gestolen en dat [betrokkene 1] daarvan aangifte heeft gedaan. De broer van klaagster heeft de auto via een Duitse internetsite gezien en heeft een afspraak gemaakt met de verkoper om de auto dezelfde dag nog in België te kopen en over te dragen. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt.
Klaagster stelt dat de prijs van de auto marktconform was en dat alvorens de auto werd gekocht op de website "Stopheling" is gecontroleerd of de auto niet als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens is de auto aangeboden bij de RDW op 10 mei 2016. Uit onderzoek door de RDW op 11 mei 2016 is gebleken dat de auto in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat de meegeleverde autopapieren vals waren.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster onder de geschetste omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Duitsland aangeboden auto en daarmee niet kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw.
De rechtbank is van oordeel dat teruggave aan klaagster om die reden niet gerechtvaardigd, te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar."
2.4.
In een geval als het onderhavige - waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de Officier van Justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene - zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov 2.12 en 2.13). Dat uitgangspunt van terughoudendheid geldt te meer indien voor de beoordeling van die kwesties het recht van een ander land van belang kan zijn. De door het middel verdedigde opvatting dat naar Belgisch recht had moeten worden vastgesteld of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van de inbeslaggenomen personenauto kan worden aangemerkt, vindt derhalve geen steun in het recht.
2.5.
De klacht faalt. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2018.
Conclusie 02‑10‑2018
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag, beslag auto. Art. 552a Sv en 116 Sv. Teruggave aan een ander dan klager/beslagene. AG herhaalt relevante overwegingen van de HR uit ECLI:NL:HR:2003:AF3826. De opvatting dat op grond van (in dit geval) Belgisch (civiel) recht moet worden vastgesteld of de beslagene bezitter te goeder trouw is, vindt geen steun in het recht. AG merkt ambtshalve op dat een onderzoek naar de goede trouw niet aan de orde is in het geval art. 3:86 lid 3 BW van toepassing is en de in voornoemd artikellid onder a en b bedoelde uitzonderingen zich niet voordoen. Het advies van de AG is de zaak met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering af te doen.
Nr. 17/01742 B Zitting: 2 oktober 2018 | Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klaagster] |
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 8 februari 2017 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot teruggave aan de klaagster van een personenauto van het merk Volkswagen Polo, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Over de status van het beslag en de ontvankelijkheid van het beklag merk ik ambtshalve het volgende op.
i) Op 7 november 2016 heeft [klaagster] bij de rechtbank een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan haar van de onder haar op 10 juni 2016 inbeslaggenomen Volkswagen Polo.
ii) Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij de Dienst Domeinen is gebleken dat op 3 januari 2017 door het openbaar ministerie is besloten de inbeslaggenomen Volkswagen Polo terug te geven aan de belanghebbende [betrokkene 1] in Frankrijk.
iii) In het dossier bevindt zich geen schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv aan [klaagster] van het voornemen van de officier van justitie om de auto aan de rechthebbende [betrokkene 1] terug te geven.
iv) De rechtbank heeft op 8 februari 2017 haar beschikking op het klaagschrift van [klaagster] gewezen.
v) De auto is op 24 mei 2017 opgehaald door (een chauffeur van) [A] B.V. die door [betrokkene 1] daartoe was gemachtigd.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat tijdens de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank, de auto feitelijk nog niet was teruggegeven aan [betrokkene 1], zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 11 januari 2017 waarin is opgenomen dat de rechter heeft medegedeeld: ‘’De betreffende auto staat nog steeds in Hoogeveen en is nog niet terug naar Frankrijk.’’In het geval dat het in beslag genomen voorwerp is teruggegeven aan een ander dan de beslagene, zonder dat blijkt dat art. 116 lid 3 Sv is toegepast, moet het volgens de Hoge Raad ervoor worden gehouden dat het beklag van de beslagene het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof die teruggave nog niet heeft plaatsgevonden.1.
Ik meen dat in het onderhavige geval, waarin de officier van justitie al wel tot teruggave heeft besloten maar daar vóór de uitspraak van de rechtbank nog geen (feitelijke) uitvoering aan heeft gegeven, hieraan gelijk moet worden gesteld. De klaagster was en is dus ontvankelijk in haar beklag, zowel ten tijde van de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank als in cassatie.
4. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch recht de bezitter van een roerende zaak vermoed wordt eigenaar te goeder trouw te zijn, zodat het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet als redelijkerwijs rechthebbende moet worden aangemerkt onbegrijpelijk is.
4.1. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en daarbij, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
‘’(…)
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. onder klaagster is op 10 juni 2016 in beslag genomen:
- een personenauto, Volkswagen Polo
2. klaagster heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen.
Overwegingen
De raadsman van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat de broer van klaagster voor de aankoop van de auto de site “Stop Heling” heeft geraadpleegd. Die site beperkt zich niet alleen tot Nederland, maar maakt melding van alle gestolen goederen. Er is een reële prijs betaald voor de auto en er is een koopovereenkomst, autopapieren en een autosleutel van de betreffende auto. Pas later bleek dat de autopapieren vals waren. Klaagster heeft volledig te goeder trouw gehandeld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering niet is gebaat bij het voortduren van het beslag, en dat hetgeen in beslag is genomen niet moet worden teruggegeven aan klager, maar aan [betrokkene 1], wonende te Frankrijk die redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt.
De rechtbank zal de officier van justitie hierin volgen en heeft hiertoe kennisgenomen van de van toepassing zijnde artikelen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek en de artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Kort gezegd dient de rechtbank na te gaan of klaagster kan worden aangemerkt als verkrijger te goeder trouw. Hierbij zijn alle omstandigheden van belang.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken is gebleken dat het betreffende voertuig op 17 april 2016 in Frankrijk is gestolen en dat [betrokkene 1] daarvan aangifte heeft gedaan.
De broer van klaagster heeft de auto via een Duitse internetsite gezien en heeft een afspraak gemaakt met de verkoper om de auto dezelfde dag nog in België te kopen en over te dragen. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt.
Klaagster stelt dat de prijs van de auto marktconform was en dat alvorens de auto werd gekocht op de website “Stopheling” is gecontroleerd of de auto niet als gestolen stond gesignaleerd. Vervolgens is de auto aangeboden bij de RDW op 10 mei 2016. Uit onderzoek door de RDW op 11 mei 2016 is gebleken dat de auto in Frankrijk als gestolen stond gesignaleerd en dat de meegeleverde autopapieren vals waren.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster onder de geschetste omstandigheden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de herkomst van de in Duitsland aangeboden auto en daarmee niet kan worden aangemerkt als een verkrijger te goeder trouw.
De rechtbank is van oordeel dat teruggave aan klaagster om die reden niet gerechtvaardigd, te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar.
Dit brengt met zich dat het beklag ongegrond zal worden verklaard. (…)’’
4.2. Voor de beoordeling van het middel is het volgende relevant. In een geval als het onderhavige — waarin het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene — zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken.2.
4.3. Volgens de steller van het middel wordt op grond van art. 2279 lid 1 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (BBW) de bezitter van een roerende zaak vermoed eigenaar te zijn. Daarnaast wordt overeenkomstig art. 2230 BBW en 2268 BBW tevens de aanwezigheid van goede trouw vermoed. Uit HR 3 september 1999, NJ 2001/405 (Boon/RG Lease) blijkt dat voor de vraag welk nationaal recht van toepassing is op een koopovereenkomst, leidend is waar het voorwerp zich bevond ten tijde van de constituerende handeling van de overeenkomst zodat in dit geval het Belgisch recht van toepassing is op de koopovereenkomst van de klaagster. Volgens de steller van het middel getuigt het oordeel van de rechtbank dat niet de klaagster maar de bestolene [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet (zonder meer) begrijpelijk.
4.4. Deze zaak vertoont gelijkenis met een zaak waarin de Hoge Raad op 6 mei 2003 uitspraak heeft gedaan.3.Daar ging het om een in Rome gestolen auto, waarvan de klager stelde dat de auto hem in Italië was geleverd en daar door hem was betaald. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond door te overwegen dat de eigenaar (of zijn rechtsopvolger) op grond van art. 3:86 lid 3 BW het inbeslaggenomen goed gedurende 3 jaren, te rekenen vanaf de dag van de diefstal af, als zijn eigendom kan opeisen en de klager de auto niet bij een reguliere autohandel had gekocht zodat zich niet één van de in voornoemd artikellid onder a en b bedoelde uitzonderingen voordeden. In cassatie werd door de klager aangevoerd dat de rechtbank de aanspraak van de klager op de auto had beoordeeld aan de hand van art. 3:86 lid 3 BW, terwijl naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht tegenover de klager kon uitoefenen. De Hoge Raad verwierp het beroep met de overweging dat de opvatting dat naar Italiaans recht had moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht tegenover de klager kon uitoefenen geen steun vindt in het recht.4.
4.5. Het middel in onderhavige zaak is gebaseerd op de opvatting dat de rechtbank naar buitenlands recht, in dit geval het Belgisch recht, had moeten vaststellen of de oorspronkelijke eigenaar haar eigendomsrecht tegenover de klaagster kon uitoefenen, althans dat de goede trouw van de klaagster naar Belgisch recht dient te worden vastgesteld. Die opvatting vindt echter, zoals uit de hiervoor genoemde beschikking blijkt, geen steun in het recht zodat het middel reeds hierom faalt.
5. Overigens meen ik dat de overwegingen van de rechtbank over de afwezigheid van de goede trouw van klaagster ten overvloede zijn gegeven. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de auto op 17 april 2016 is gestolen in Frankrijk en daarvan door [betrokkene 1] aangifte is gedaan. Ook heeft zij vastgesteld dat de broer van klaagster de auto via een Duitse internetsite heeft gezien en een afspraak met de verkoper heeft gemaakt om de auto in België te kopen. De overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden in Luik, op een parkeerplaats naast een supermarkt. De rechtbank is er dus klaarblijkelijk van uitgegaan dat de klaagster de auto niet heeft verkregen van een vervreemder die in de uitoefening van zijn bedrijf handelde maar van een particulier. Op grond van art. 3:86 lid 3 aanhef BW5.komt in een dergelijk geval aan de benadeelde, in dit geval [betrokkene 1], het recht toe de auto als haar eigendom op te eisen.6.Anders dan het middel en de rechtbank lijken te veronderstellen, is in een dergelijk geval niet relevant of de klager de auto te goeder trouw heeft verkregen zodat de rechtbank dit in het midden had kunnen laten.7.De overweging van de rechtbank dat teruggave aan de klaagster niet is gerechtvaardigd ‘’(…) te meer nu duidelijk is geworden dat de betreffende auto in Frankrijk is gestolen van [betrokkene 1], die daarmee een groter recht lijkt hebben op teruggave aan haar’’, draagt het oordeel van de rechtbank dan ook zelfstandig, wat er ook zij van het oordeel van de rechtbank omtrent de goede trouw van de klaagster.
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑10‑2018
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.10 en 2.12-2.13.
HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459.
HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003/459, rov. 3.4.
De relevante leden van art. 3:86 BW luiden:“1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.2. [….]3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; ofb. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.”
Vgl. HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0634, NJ 1997/390.
Vgl. HR 24 september 1996, NJ 1997/87 m.nt. ‘t Hart; HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9074.
Beroepschrift 05‑06‑2017
HOGE RAAD DFR NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
mevrouw [verzoekster], verzoekster van cassatie van de te haren laste door de rechtbank Midden-Nederland, zp. Utrecht, op 8 februari 2017, onder RK-nummer 16/3220, gegeven beschikking.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van artikel 552a en/of 116 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), doordat de ongegrondverklaring van het beklag getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is, nu de rechtbank heeft miskend dat op grond van het toepasselijke Belgisch (civiel) recht de bezitter van een roerende zaak vermoed wordt eigenaar te goeder trouw te zijn, zodat verzoekster — die ten tijde van de inbeslagname bezitter was van de auto — redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt. Vanwege het andersluidende oordeel van de rechtbank kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Verzoekster heeft een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van een auto die zij op 3 maart 2016 van een particulier verkoper in België heeft gekocht. Deze auto blijkt eerder in Frankrijk te zijn gestolen. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard, omdat verzoekster niet te goeder trouw zou zijn geweest en haar mitsdien geen derdenbescherming (a.b.i. artikel 3:86 BW) toekomt. De bestolene wordt daarom, zo begrijp ik de rechtbank, als redelijkerwijs rechthebbende aangemerkt.
2.
In het licht van dat oordeel stel ik voorop dat uit de beschikking van de rechtbank niet duidelijk volgt welk recht het toepasselijk heeft geacht op de koopovereenkomst. De rechtbank geeft immers slechts aan dat het kennis heeft genomen van de van toepassing zijnde artikelen uit het Belgisch Burgerlijk Wetboek (BBW) en artikel 3:86 sub a BW. Daarmee lijkt de rechtbank te impliceren dat hier de Nederlandse bepalingen (mede) van toepassing zijn. Uit HR 3 september 1999, NJ 2001, 405 (Boon/RG Lease) moet echter worden afgeleid dat voor de vraag welk nationaal recht van toepassing is op een koopovereenkomst, leidend is waar het voorwerp zich bevond ten tijde van de constituerende handeling van de overeenkomst. In dit geval is aldus het Belgisch recht van toepassing op de koopovereenkomst.
3.
Op grond van artikel 2279 lid 1 BBW wordt de bezitter van een roerende zaak vermoed eigenaar te zijn. Overeenkomstig de artikelen 2230 BBW en 2268 BBW wordt daarbij tevens de aanwezigheid van goede trouw vermoed. Het toepasselijke Belgisch recht creëert aldus ten gunste van de bezitter een vermoeden van het bestaan van een geldige eigendomstitel.1. Zolang de bestolene c.q. de revindicant de afwezigheid van goede trouw bij de bezitter niet heeft bewezen, duurt die eigendomstitel voort.2.
4.
Gezien het voorgaande getuigt het in de beschikking besloten liggende oordeel van de rechtbank dat niet verzoekster, maar de bestolene [betrokkene 1] redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk. Naar het toepasselijke Belgisch recht moet immers ten gunste van verzoekster het bestaan van eigendom en goede trouw worden vermoed aanwezig te zijn. De rechtbank heeft dat miskend.
5.
Daarbij merk ik nog op dat het in de beslagprocedure gaat om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp3., terwijl het naar Belgisch recht — zoals gezegd — op de weg van de bestolene c.q. de revindicant ligt om de afwezigheid van goede trouw bij de bezitter te bewijzen. De bestolene heeft zich, hoewel daartoe opgeroepen, echter niet gemengd in de onderhavige procedure. Onder die omstandigheden stond het de rechtbank niet vrij om zich een oordeel te vormen over de vraag of verzoekster al dan niet te goeder trouw was (anders dan goede trouw op grond van bezit aan te nemen).
6.
De bestreden beschikking kan gelet op het voorgaande niet in stand kan blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 5 juni 2017
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑06‑2017
Vgl. Cass. 24 september 2007, RW 2008-09, 825.
HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ8590.