Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/261:261 Onvoldoende processueel belang: niet bestaande of kansloze vordering en het stadium waarin de hoofdzaak verkeert
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/261
261 Onvoldoende processueel belang: niet bestaande of kansloze vordering en het stadium waarin de hoofdzaak verkeert
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451060:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder valt ook een verzoek in de hoofdzaak.
Zie ook Lindijer 2006, nr. 546: voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW staat op zich niet in de weg aan het aannemen van misbruik van bevoegdheid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient te worden afgewezen als de verzoeker onvoldoende belang – namelijk geen of geen redelijk processueel belang – bij dat verzoek heeft. Het criterium aan de hand waarvan de rechter moet beoordelen of de verzoeker al dan niet voldoende belang heeft, is: kunnen de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen (hoogstwaarschijnlijk) gebruikt worden ten nutte van de beslissing van de vordering in de hoofdzaak? In het ontkennende geval bestaat geen (voldoende) verschil tussen de situatie bij een toegewezen verzoek en de situatie bij een afgewezen verzoek. Het ‘beginsel van gezond verstand’ moet dan beletten dat een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen.
In twee categorieën gevallen – die hierna worden geconcretiseerd en uitgewerkt – kan getuigenbewijs niet worden gebruikt ten behoeve van de hoofdzaak. Ten eerste als de vordering1 in de hoofdzaak niet (meer) bestaat of kansloos is (par. 7.5.2) en ten tweede als het voorlopig getuigenverhoor te laat wordt verzocht (par. 7.5.3).
In gevallen waarin het verzoek de drempel van onvoldoende belang overleeft, is het nog niet gered. Zo kan de vordering van de verzoeker bijvoorbeeld net sterk genoeg zijn om voldoende belang bij het verzoek aan te nemen, maar kan een zwakke materiële vordering een zo belangrijke factor zijn dat het verzoek strandt bij een belangenafweging op grond van het evenredigheidscriterium (misbruik).2