Vgl. HR 8 juni 2004, LJN AO8390, NJ 2004/404.
HR, 10-04-2012, nr. S 11/03924 W
ECLI:NL:HR:2012:BV8290
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 11/03924 W
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BV8290
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV8290, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8290
ECLI:NL:PHR:2012:BV8290, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑01‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8290
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑12‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
Inhoudsindicatie
WOTS-zaak. 1. HR: art. 81 RO. 2. De Hoge Raad doet wat de Rechtbank had behoren te doen en beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf de tijd die veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht.
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 11/03924 W
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda van 11 augustus 2011, nummer 02/810005-11, omtrent een verzoek van het Koninkrijk Noorwegen tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:
[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Torentijd" te Middelburg.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat de door de veroordeelde in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht, tot toepassing van die vermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat bij de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf de tijd die hij in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.
3.2. Het middel is gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat de Rechtbank had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat de door de veroordeelde als gevolg van het Noorse uitleveringsverzoek in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf - naast de reeds in mindering gebrachte tijd die de veroordeelde in Noorwegen van zijn vrijheid beroofd is geweest ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen - in mindering zal worden gebracht de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht ingevolge het verzoek van Noorwegen om uitlevering;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.
Conclusie 31‑01‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Veroordeelde]
1.
De Rechtbank te Breda heeft op 11 augustus 2011 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de tegen veroordeelde in Noorwegen gewezen rechterlijke beslissing van het Borgarting Lagmannsrett (hof van beroep), waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. De Rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van de beslissing toelaatbaar verklaard , verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissing in Nederland en de veroordeelde ter zake van het in die beslissing vermelde feit een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar opgelegd, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde in Noorwegen, ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest.
2.
Namens veroordeelde heeft S. den Ridder- Gommeren, medewerkster van de Rechtbank Breda, namens veroordeelde cassatie ingesteld, daartoe blijkens de aan de akte rechtsmiddel gehechte volmacht gemachtigd door mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam. Mr. T.E. Korff heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie die zich uitsluiten richten tegen de strafoplegging.
3.
Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van de strafmotivering, omdat niet blijkt dat de Rechtbank ‘acht heeft geslagen op het verweer van de verdediging dat de bruto hoeveelheid verdovende middelen dusdanig afwijkt van de hoeveelheid pure verdovende middelen dat dit in strafverminderende zin dient mee te wegen in de strafoplegging, althans is niet toereikend gemotiveerd waarom met deze omstandigheid geen rekening is gehouden. Naast de geconstateerde onjuiste vaststelling van de feiten moet in deze zaak derhalve ook geconcludeerd worden dat de motivering onbegrijpelijk is, althans blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Bij gebreke aan transparantie is het voor verzoeker onduidelijk waarom een hogere straf is opgelegd dan in soortgelijke Nederlandse zaken gebruikelijk is.’
4.
Voor de strafoplegging is art. 31, eerste lid, van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) van belang. Dit artikellid luidt als volgt:
‘De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.’
5.
In HR 21 december 1993, LJN AD2009, NJ 1995/199, m.nt. A.H.J. Swart oordeelde de Hoge Raad omtrent art. 31, eerste lid, WOTS dat:
‘(…) de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden.’1.
6.
De bestreden uitspraak van de Rechtbank bevat in het kader van de strafmotivering onder meer de volgende overweging: ‘Anders dan waarvoor de raadsvrouw heeft gepleit, zal de rechtbank uitgaan van de bewezen verklaarde hoeveelheid van 112 kilogram amfetamine. Er wordt derhalve niet gekeken naar de hoeveelheid pure amfetamine. Bij de toepassing van de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van bruto hoeveelheden.’
7.
Het middel miskent dat ook in de WOTS- procedure de keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in beginsel geen motivering behoeft.2. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of bij de strafoplegging is rekening gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende factoren.3. Op het verweer dat moet worden uitgegaan van het gewicht van onversneden drugs heeft de Rechtbank, zoals blijkt onder 6 hierboven, gereageerd en die reactie is niet onbegrijpelijk nu geen rechtsregel voorschrijft dat in Nederland het gewicht van de onversneden drugs4. uitgangspunt moeten zijn bij de straftoemeting.5. Mij ontgaat wat de steller van het middel bedoelt met ‘de geconstateerde onjuiste vaststelling van de feiten’.
De stelling dat ‘het voor verzoeker onduidelijk waarom een hogere straf is opgelegd dan in soortgelijke Nederlandse zaken gebruikelijk is’ hangt enigszins in de lucht. Die onduidelijkheid voor verzoeker is te betreuren, maar kan natuurlijk op zich zelf genomen niet tot cassatie leiden. Dat kan pas aan de orde zijn als de opgelegde straf (ernstig) verbazing wekt in het licht van gebruikelijk opgelegde straffen. Mogelijk beoogt de steller van het middel dat te betogen nu zij in de schriftuur herhaalt dat in feitelijke aanleg is gesteld dat bij een totale hoeveelheid pure amfetamine van 18,6 kilo gelet op de LOVS- richtlijnen in dergelijke gevallen een straf tussen 48 en 60 maanden passend is. Zelfs als er met de steller van het middel wordt aangenomen dat de rechter van die 18,6 kilo pure amfetamine dient uit te gaan, kan het middel echter niet slagen. Uit de overwegingen van de Rechtbank ten aanzien van de straf(maat) blijkt niet dat de Rechtbank zich bij het bepalen van de straf(maat) heeft gebaseerd op de oriëntatiepunten van het LOVS. Wanneer de Rechtbank (zie hierboven onder 6) overweegt dat bij de toepassing van de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van bruto hoeveelheden is dat een feitelijke constatering en ligt daarin niet, althans niet zonder meer besloten dat die oriëntatiepunten bij de strafbepaling worden toegepast.
Deze oriëntatiepunten vormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, zodat een beroep daarop ook om die reden geen doel kan treffen.6. Bovendien wordt miskend dat de oriëntatiepunten geen betrekking hebben op de in het kader van de toepassing van de WOTS op te leggen straffen. Daarbij spelen immers andere factoren een rol dan bij de reguliere straftoemeting. De straf moet niet zodanig worden verlaagd dat de vreemde staat in de toekomst van de exequaturprocedure afziet. 7. Dat is een internationale gevoeligheid, zoals bedoeld in de hierboven onder 5 geciteerde overweging van de Hoge Raad. Zelfs als vier of vijf jaar gevangenisstraf hier te lande, zoals de steller van het middel mogelijk meent, gebruikelijk zou zijn, wekt acht jaar in de internationale context nog niet zonder meer verbazing, nu daarbij immers in aanmerking moet worden genomen dat in Noorwegen twaalf jaar is opgelegd. Het eerste middel faalt.
9.
Het tweede middel behelst de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat bij de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf de tijd die hij in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. Dit middel treft doel.
10.
Onder verwijzing naar HR 21 september 2010, LJN BN4768, RvdW 2010, 1118 moet worden aangenomen dat ook de door de veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de straf in mindering moet worden gebracht, hoewel zulks net met zoveel woorden in art. 31, tweede lid, WOTS tot uitdrukking komt.
11.
De stukken van het geding houden in dat de veroordeelde in de onderhavige zaak in Nederland enige tijd in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht. De Rechtbank heeft evenwel verzuimd te bevelen dat die in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde straf. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad kan, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat de Rechtbank had behoren te doen.
12.
Nu geen grond aanwezig is waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, geef ik u in overweging het eerste middel te verwerpen en af te doen met de aan art. 81 RO ontleende overweging en voorts de bestreden uitspraak gelet op het tweede middel te vernietigen, maar uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat de door de veroordeelde als gevolg van het Noorse uitleveringsverzoek in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde staf in mindering zal worden gebracht en die aftrek alsnog te bevelen naast de al in mindering gebrachte tijd die de veroordeelde in Noorwegen van zijn vrijheid beroofd is geweest ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑01‑2012
Vgl. o.a. HR 21 november 2006, LJN AY7805 en HR 14 maart 2006, LJN AU9353.
Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 263.
De steller van het middel onderscheidt tussen het gewicht van de onversneden drugs en de sterktegraad van de drugs. Dat onderscheid kan ik niet goed volgen omdat de sterktegraad een rechtstreeks gevolg is van de mate waarin andere stoffen als cafeïne en dergelijke aan de amfetamine zijn toegevoegd en daarmee dus van de mate waarin de amfetamine is versneden.
Zie ook HR 14 juni 2011, LJN BP9448.
Vgl. o.m. HR 3 december 2002, LJN AE8838, NJ 2003/570.
Zie ook HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, 190, 191 en 192 m.nt AHJS.
Beroepschrift 14‑12‑2011
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
van mr. T.E. Korff die verklaart door nagenoemde [verzoeker] ter bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
[verzoeker]
Geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]
verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door de rechtbank te Breda in de zaak onder parketnummer 02/810005-11 gedane uitspraak van 11 augustus 2011 alsmede de ter terechtzitting genomen beslissingen.
1. Inleiding
1.1.
Verzoeker is op 5 mei 2010 door het Noorse Gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren terzake van het medeplegen van de invoer van 112 kg amfetamine. Het vonnis is onherroepelijk geworden op 9 november 2010.
1.2.
Op 11 november 2010 heeft verzoeker verzocht om overbrenging naar Nederland op basis van het Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 21 maart 1983 (hierna te noemen ‘VOGP’). Verzoeker is op 18 april 2011 overgebracht naar Nederland middels de exequaturprocedure ex artikel 11 VOGP.
1.3.
De officier van justitie van het Arrondissementsparket te Breda heeft op 28 april 2011 een vordering tot verlening van verlof voor de tenuitvoerlegging van het strafvonnis van het Noorse Gerechtshof ingediend bij de rechtbank te Breda (hierna te noemen de ‘exequaturrechter’). De vordering ex artikel 18 Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna te noemen ‘Wots’) is op 28 juli 2011 inhoudelijk behandeld.
1.4.
Bij beslissing van 11 augustus 2011 heeft de exequaturrechter de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Noorse Gerechtshof toelaatbaar verklaard en hiertoe verlof verleend. Aan verzoeker is een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren opgelegd terzake van het door de Noorse rechter bewezenverklaarde feitencomplex.
1.5.
Op 22 augustus 2011 is door verzoeker cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de exequaturrechter ingevolge artikel 32 Wots. Het rechtsmiddel richt zich uitsluitend tegen de strafoplegging en niet tegen de beslissing tot het verlenen van verlof.
Middel I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder schending van artikel 28 lid 3 en artikel 31 lid 1 Wots, doordat de exequaturrechter bij de vaststelling van de hoogte van de straf geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de vaststelling van de feiten die de Noorse rechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd in samenhang met de Nederlandse maatstaven voor straftoemeting voor soortgelijke feiten, althans heeft de exequaturrechter de hoogte van de straf ontoereikend gemotiveerd.
2. Toelichting:
2.1.
De exequaturrechter is bij de behandeling van de vordering ingevolge artikel 28 lid 3 Wots gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd alsmede de wijze waarop de buitenlandse veroordeling tot stand is gekomen. Op basis van deze feiten dient de exequaturrechter na te gaan of en zo ja welk strafbaar feit deze feiten naar Nederlands recht opleveren en welke straf of maatregel naar Nederlandse maatstaven passend is voor een overeenkomstige feit naar Nederlands recht. Dit middel komt op tegen het oordeel van de exequaturrechter dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar naar Nederlandse maatstaven recht doet aan de ernst van het feit waarvoor verzoeker in Noorwegen is veroordeeld.
Naar het standpunt van verzoeker heeft de exequaturrechter onvoldoende rekening gehouden met de feiten, zoals deze door de Noorse rechter zijn vastgesteld. In het bijzonder heeft de verdediging aangevoerd dat het feit weliswaar gekwalificeerd kan worden als de invoer van 112 kg amfetamine, maar dat door de Noorse rechter is vastgesteld dat de sterktegraad van de verdovende middelen zeer laag was. De verdediging heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat in onderhavige zaak recht gedaan wordt aan de ernst van het feit indien uitgegaan dient te worden van de hoeveelheid pure amfetamine in plaats van de totale hoeveelheid amfetamine. Door de verdediging is ter terechtzitting, conform de overlegde pleitnota, hieromtrent het volgende aangevoerd:
‘Het feit is naar Nederland recht te kwalificeren als het medeplegen van de invoer van verdovende middelen, strafbaar gesteld in art. 47 sr. Jo. art. 2A van de Opiumwet.
Het Noorse Hof houdt overigens rekening met de strafverminderende factor dat de sterktegraad van de verdovende middelen zeer laag was. Omgerekend komt het neer op ongeveer 18,6 kg pure amfetamine van het 112 kg aangetroffen materiaal.
42 % van 4,9 kg: | 2.1 (afgerond) |
17 % van 18,58 kg: | 3.2 |
15 % van de rest (112 — 4,9 — 18,58): | 13,3 |
Totale hoeveelheid pure amfetamine | 18,6 |
Ik verzoek uw rechtbank in onderhavige zaak uit te gaan van de hoeveelheid pure amfetamine.
Gelet op de LOVS-richtlijnen is in dergelijke gevallen een straf tussen de 48 en 60 maanden passend.’
2.2.
De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘Anders dan waarvoor de raadsvrouwe heeft gepleit, zal de rechtbank uitgaan van de bewezenverklaarde hoeveelheid van 112 kg. Er wordt derhalve niet gekeken naar de hoeveelheid pure amfetamine. Bij toepassing van de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van bruto hoeveelheden.
Gelet op de rol van veroordeelde en de zeer grote hoeveelheid amfetamine waar het in deze zaak om gaat, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde geen reden om tot een lagere gevangenisstraf te komen.
Gelet op het voorgaande en op de internationale opvattingen over een delict als het onderhavige, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden’.
2.3.
Door de exequaturrechter is overwogen dat uitgegaan wordt van de bruto hoeveelheden, in plaats van, zoals betoogd door de verdediging, de hoeveelheid pure amfetamine. In een eerdere uitspraak van de Hoge Raad is reeds overwogen dat er voor de exequaturrechter geen verplichting bestaat om voor wat betreft de kwalificatie van het feit en voor wat betreft de strafoplegging uit te gaan van het gewicht aan pure drugs (zie Hoge Raad, 14 juni 2011, LJN-nr. BP9448). Door verzoeker in cassatie wordt dan ook niet gesteld dat de rechtbank bij het bepalen van de in Nederland op te leggen straf is uitgegaan van een ander feit dan waarop de veroordeling van de Noorse rechter betrekking heeft.
Echter, de exequaturrechter, heeft naar het oordeel van verzoeker, wél onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de Noorse rechter de zeer lage sterktegraad van de verdovende middelen als de strafverminderende factor heeft aangemerkt. De exequaturrechter is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Ook de vaststelling van een strafverminderende factor maakt onderdeel uit van deze vaststelling van de feiten door de buitenlandse rechter, immers de exequaturrechter is ook gebonden aan de wijze waarop de buitenlandse veroordeling tot stand is gekomen. Door de verdediging is uitdrukkelijk en onderbouwd aan de exequaturrechter verzocht bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij straffen die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen recht doen aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, waaronder de omstandigheid dat de verdovende middelen een zeer lage sterktegraad hadden. De forse strafoplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren geeft er blijk van dat de exequaturrechter met deze omstandigheid onvoldoende rekening heeft gehouden.
2.4.
Naar het oordeel van verzoeker in cassatie wijkt de opgelegde straf hierdoor te sterk af van de Nederlandse maatstaven voor straftoemeting voor soortgelijke feiten naar Nederlands recht.
De exequaturrechter heeft voorts nagelaten de bijzondere redenen die daartoe hebben geleid te vermelden. De overweging van de rechtbank dat, anders dan waarvoor de raadsvrouw heeft gepleit, uitgegaan zal worden van de hoeveelheid van 112 kilogram amfetamine voldoet dan ook niet aan het in artikel 31 Wots voorgeschrevene:
‘(…) De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. (…).’
2.5.
Ten aanzien van de in artikel 31 lid Wots gestelde eisen aan de motivering heeft de Hoge Raad in eerdere jurisprudentie het volgende bepaald:
‘Ingevolge art. 31 lid 1 Wots dient de exequaturrechter zijn uitspraak met redenen te omkleden en dient de uitspraak de bijzondere redenen op te geven die de opgelegde straf hebben bepaald of tot de opgelegde maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet.
Gelet op de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in HR 28 juni 1990, NJ 1991, 190 moet deze bepaling aldus worden verstaan
- (a)
dat de exequaturrechter bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden, en
- (b)
dat hij in voorkomend geval onder de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald, dient te vermelden waarom hij tot een lagere strafoplegging is gekomen.1.’
2.6.
Uit de motivering volgt niet dat de rechtbank acht heeft geslagen op het verweer van de verdediging dat het feit dat de bruto hoeveelheid verdovende middelen dusdanig afwijkt van de hoeveelheid pure verdovende middelen dat dit in strafverminderde zin dient mee te wegen in de strafoplegging althans is niet toereikend gemotiveerd waarom met deze omstandigheid geen rekening is gehouden. Naast de geconstateerde onjuiste vaststelling van de feiten moet in deze zaak derhalve ook geconcludeerd worden dat de motivering onbegrijpelijk is, althans blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Bij gebreke aan transparantie is het voor verzoeker onduidelijk waarom aan hem een hogere straf is opgelegd dan in soortgelijke Nederlandse zaken gebruikelijk is. Het verzuim brengt nietigheid van het vonnis van de exequaturrechter met zich mee.
Middel II.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder schending van artikel 31 lid 2 Wots, doordat de exequaturrechter heeft verzuimd te bevelen dat bij de tenuitvoerlegging van de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf ook de tijd die hij in Nederland in het kader van de uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.
3. Toelichting:
3.1.
Uit de stukken in het geding volgt dat verzoeker op 16 december 2008 in Nederland is aangehouden ter fine van uitlevering aan Noorwegen in verband met de Noorse strafzaak waarvoor verzoeker uiteindelijk is veroordeeld door het Noorse Gerechtshof op 5 mei 2010.
De Wots-procedure heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van deze Noorse straf in Nederland. Zowel door de verdediging als door het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de tijd die verzoeker in Nederland én Noorwegen heeft doorgebracht in mindering dient te worden gebracht op de op te leggen gevangenisstraf. De tijd die verzoeker in Nederland van zijn vrijheid is beroofd, valt onder te verdelen in twee periodes, de eerste periode van 2008 tot 2010 in het kader van de uitleveringsdetentie en de tweede periode in 2011 in het kader van de Wots-bewaring.
3.2.
In de conclusie van het Openbaar Ministerie ex, artikel 28 lid 8 WOTS is hieromtrent het volgende opgenomen:
‘Van oordeel,
- —
dat verzoeker van 16 december 2008 tm 20 januari 2010 in Nederland in uitleveringsdetentie heeft gezeten
- —
dat verzoeker van 20 januari 2010 tot en met 18 april 2011 in Noorwegen gedetineerd heeft gezeten ihkv de WOTS (art. 8 tm 10)
- —
dat verzoeker van 18 april 2011 tot en met 28 juli 2011 in Nederland gedetineerd heeft gezeten ihkv de WOTS (art. 8 tm 10) (…)’
‘Concludeert tot bewilliging in de tenuitvoerlegging van de straf van verzoeker in Nederland, met oplegging van een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van de periode die door verzoeker al in detentie in Nederland en Noorwegen is doorgebracht.’
3.3.
De verdediging heeft deze omstandigheid, conform hetgeen vermeld staat op pagina's 2 en 6 van de pleitaantekeningen, op de volgende wijze verwoord:
‘(…) Cliënt is dan ook sinds het moment van de aanhouding op 16 december 2008 gedetineerd in verband met deze zaak. Op dit moment is mijn cliënt al 2 jaar, 7 maanden en 12 dagen gedetineerd in verband met de Noorse strafzaak ’
‘Conclusie:
Gelet op alle omstandigheden die ik u zojuist heb genoemd wil ik u verzoeken de straf om te zetten naar een straf voor de duur van 4 jaar.
Volgens mijn berekening komt cliënt dan na 32 maanden in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten vanaf 15 augustus 2011. (…)’
3.4.
De exequaturrechter heeft evenwel, althans volgens de bestreden beslissing, verzuimd de vrijheidsbeneming die verzoeker in Nederland heeft ondergaan in het kader van de uitleveringsdetentie in mindering te brengen op de opgelegde gevangenisstraf. De exequaturrechter heeft hieromtrent het volgende overwogen:
‘Zij beveelt dat de tijd gedurende welke de veroordeelde in de vreemde staat, in casu Noorwegen, ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. ’
3.5.
Naar het oordeel van verzoeker in cassatie geeft het bevel van de exequaturrechter ten aanzien van de verplichte aftrek van de reeds ondergane detentie blijk van een te restrictieve uitleg van het bepaalde in artikel 31 lid 2 Wots. In dit artikel is bepaald dat de rechtbank de tijd gedurende welke de veroordeelde in de vreemde Staat van zijn vrijheid beroofd is geweest ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie geheel in mindering zal brengen.
Naar het standpunt van verzoeker maakt de tijd die verzoeker in Nederland in het kader van de uitleveringsdetentie heeft doorgebracht onderdeel uit van de vrijheidsberoving in het kader van de buitenlandse veroordeling. Dit standpunt vindt steun in het Noorse vonnis d.d. 5 mei 2010 waarin aan verzoeker een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren is opgelegd met aftrek van 533 dagen ondergaan in voorarrest. Deze periode is ongeveer gelijk aan de periode welke verzoeker in Nederland in uitleveringsdetentie heeft ondergaan en de periode in Noorwegen in voorlopige hechtenis tot aan het moment van het wijzen van het vonnis (5 mei 2010).
De Noorse rechter heeft de periode welke verzoeker in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht dan ook meegeteld bij de tijd gedurende welke verzoeker in het kader van de Noorse strafzaak van zijn vrijheid beroofd is geweest. Een dergelijke berekening, waarbij de tijd die een veroordeelde in detentie in het buitenland heeft doorgebracht ingevolge een verzoek om uitlevering, vindt men ook terug in het Nederlandse artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
3.6.
Uit de beslissing van de exequaturrechter volgt evenwel niet dat zij heeft bevolen dat de tijd gedurende welke verzoeker, in het kader van de Noorse strafzaak, in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht bij de uitvoering van de omgezette straf in mindering zal worden gebracht. De exequaturrechter heeft dan ook verzuimd artikel 31, tweede lid, WOTS op de juiste wijze toe te passen ten aanzien van de door verzoeker in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd zodat nietigheid dient te volgen.
Conclusie.
Gelet op de aard van de niet in acht genomen vormen en / of schending van het recht dient nietigheid te volgen. Reden waarom de uitspraak van de exequaturrechter niet in stand kan blijven.
Amsterdam, 14 december 2011
Mr. T.E. Korff Bepaaldelijk gevolmachtigde,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑12‑2011
Hoge Raad, 18 mei 2004, NBSTRAF 2004/243. Zie ook: In dit verband wordt ook gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2006 (NBSTRAF 2004/225) met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 december 1993 (NJ 1995, 199).