Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.3.3.3
3.3.3.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584825:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Ook zonder art. 3:94 lid 3 BW zou de stille cedent derhalve gebonden zijn aan de bedingen die hij voor de stille cessie met de schuldenaar zou zijn overeengekomen. De bedingen gaan eerst als nevenrechten met de vordering op de stille cessionaris over; de stille cedent is hieraan vervolgens gebonden, omdat hij andermans vordering uitoefent.
Vgl. ten aanzien van art. 6:114 BW, Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 11.
In verband met de verplichting tot vermogensafscheiding bij voorkeur in naam van de schuldeiser. Zie hierna nr. 706.
Hetzelfde geldt voor het uitsluiten van de betaling op een rekening.
Zie hiervóór nr. 99.
Zie Asser/Kortmann 5-III 1994, nr. 168. Zie hierna o.a. nr. 470.
Dat de schuldenaar dat kan, volgt reeds uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW.
101. Uit het voorgaande blijkt dat voor de schuldenaar tot het moment van mededeling op grand van art. 3:94 lid 3 BW geen verandering optreedt in de plaats van betaling. Het is de vraag of de uitkomst dezelfde zou zijn geweest zonder deze bepaling, in het geval dat de oude schuldeiser na de overgang van de vordering een privatieve last tot inning heeft gekregen. Het antwoord luidt ontkennend.
Als een inningsbevoegde derde betalingen in ontvangst neemt van andermans vordering, verandert daardoor niet de plaats van aflevering of betaling. De inningsbevoegde derde is óók gebonden aan eventuele afwijkende bedingen tussen de schuldenaar en de schuldeiser omtrent de plaats van aflevering of betaling. Is op grand van art. 6:116 lid 1 BW of op grand van een afwijkend beding de plaats van 'de schuldeiser' bepalend, dan dient de inningsbevoegde derde de betaling in ontvangst te nemen aan de plaats van de schuldeiser.1 Niet de plaats van de privatief inningsbevoegde lasthebber (de oude schuldeiser), maar de plaats van de inningsonbevoegde lastgever (de nieuwe schuldeiser) zou derhalve bepalend zijn.2
102. Het is voorts de vraag of de stille cedent na de stille cessie als lasthebber in eigen naam een andere plaats van aflevering of een andere plaats van betaling met de schuldenaar kan overeenkomen, een andere plaats van betaling kan aanwijzen op grand van art. 6:116 lid 2 BW of betaling op een bepaalde rekening kan uitsluiten op grond van art. 6:114 lid 1 BW. Het antwoord dient naar mijn mening bevestigend te luiden als de stille cedent beheersbevoegd is en de desbetreffende rechtshandeling dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering.3 Bijvoorbeeld, de bewindvoerder (vgl. art. 1:436 lid 4 BW) en de curator kunnen in het kader van de aan hen opgedragen taken een rekening openen en de schuldenaar instrueren daarop te betalen.4 Hetzelfde dient voor de beheersbevoegde stille cedent te gelden.
De uitkomst is voor de schuldenaar billijk. Komt hij met de stille cedent een andere plaats van aflevering of een andere plaats van betaling overeen, dan heeft hij hiermee ingestemd. Wijst de stille cedent een andere plaats van betaling aan op grond van art. 6:116 lid 2 BW, dan komt de schuldenaar hierdoor niet in een slechtere positie te verkeren dan wanneer de vordering zou zijn overgegaan of dan wanneer de schuldeiser een andere plaats van betaling had aangewezen.5 Is de plaats van betaling aanmerkelijk bezwaarlijker geworden, dan is art. 6:117 BW van toepassing, op grond waarvan de schuldenaar betaling kan opschorten totdat een andere plaats voor betaling is aangewezen.6 Als de stille cessionaris in het buitenland woont, is de stille cedent op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW echter niet bevoegd om als plaats van betaling de plaats van de stille cessionaris in het buitenland aan te wijzen.
Bij het verrichten van deze rechtshandelingen oefent de stille cedent als lasthebber het recht van de stille cessionaris als lastgever en schuldeiser uit. Door het verrichten van deze rechtshandelingen bewerkstelligt de stille cedent daardoor rechtstreeks rechtsgevolgen voor de stille cessionaris. Dat geldt derhalve óók als hij deze bevoegdheden in eigen naam uitoefent, hetgeen het geval zal zijn, en derhalve geen sprake is van onmiddellijke vertegenwoordiging op grond waarvan de rechtshandelingen kunnen worden toegerekend aan de stille cessionaris.7 De bevoegde stille cedent kan in eigen naam ten behoeve van de stille cessionaris met de schuldenaar een andere plaats van aflevering of een andere plaats van betaling overeenkomen, een andere plaats van betaling aanwijzen op grond van art. 6:116 lid 2 BW of betaling op een bepaalde rekening uitsluiten op grond van art. 6:114 lid 1 BW. De rechtspositie van de stille cessionaris wordt daardoor rechtstreeks gewijzigd. Na mededeling kan de cessionaris op deze door de cedent verrichte rechtshandelingen jegens de schuldenaar een beroep doen. De schuldenaar kan deze rechtshandelingen om dezelfde reden ook aan hem tegenwerpen.8
Is sprake van een privatieve last, dan is de stille cessionaris tot het verrichten van deze rechtshandelingen onbevoegd. Komt de stille cessionaris zelf een andere plaats van aflevering of betaling met de schuldenaar overeen, wijst hij rechtstreeks jegens de schuldenaar een andere plaats van betaling aan op grand van art. 6:116 lid 2 BW of sluit hij betaling op een bepaalde rekening uit op grand van art. 6:114 lid 1 BW, dan dient dit als mededeling in de zin van art. 3:94 lid 3 BW te worden begrepen.