Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3258.
HR, 16-05-2025, nr. 24/00335
ECLI:NL:HR:2025:762
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2025
- Zaaknummer
24/00335
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Vermogensrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:762, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:3610
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1153
ECLI:NL:PHR:2024:1153, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:762
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑02‑2024
- Vindplaatsen
Notamail 2025/110
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/295
PFR-Updates.nl 2025-0122
JPF 2025/91
PFR-Updates.nl 2024-0252
JPF 2025/91
Uitspraak 16‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. Vernietiging van gewijzigde huwelijkse voorwaarden op grond van misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW)? Oordeel dat vrouw door bijzondere omstandigheden (afhankelijkheid dan wel onervarenheid) is bewogen tot wijziging van huwelijkse voorwaarden toereikend gemotiveerd?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00335
Datum 16 mei 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: M.S. van der Keur.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/01/354545 / FA RK 20-90 van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2021 en 13 juli 2022;
b. de beschikkingen in de zaken 200.317.874/01 en 200.317.561/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2023 en 2 november 2023.
De man heeft tegen de beschikking van het hof van 5 oktober 2023 beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in 1970 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden (hierna: de eerste huwelijkse voorwaarden). In de eerste huwelijkse voorwaarden zijn zij overeengekomen dat tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen zal bestaan. Daarnaast zijn zij een periodiek verrekenbeding overeengekomen.
(ii) De vrouw was eigenaar van de echtelijke woning. Samen met de man was zij, ieder voor een gelijk deel, eigenaar van het naast de echtelijke woning gelegen stuk tuingrond (hierna: het stuk tuingrond).
(iii) De vrouw heeft bij mondelinge overeenkomst de echtelijke woning en haar aandeel in het stuk tuingrond aan de man verkocht. Door inschrijving van een notariële akte van 24 december 2013 zijn de echtelijke woning en het aandeel van de vrouw in het stuk tuingrond aan de man geleverd. In deze notariële akte staat dat de tegenprestatie hiervoor € 374.612,50 bedraagt. De akte vermeldt verder dat betaling van dit bedrag is voldaan door storting van € 274.612,50 op de kwaliteitsrekening van de notaris en dat voor wat betreft het resterende bedrag van € 100.000,-- de vrouw afstand doet van haar recht op betaling daarvan. Daartegenover erkent de man schuldig aan de vrouw een bedrag van € 100.000,--. De vrouw verleent de man kwijting voor de voldoening/verrekening van de tegenprestatie als bedoeld in de akte.
(iv) In een document van 24 december 2013 genaamd ‘KWIJTSCHELDING’ verklaren
partijen onder meer dat de vrouw ten bate van de man uit vrijgevigheid afstand doet van haar rechten uit haar vordering op de man van € 100.000,--.
(v) Partijen hebben bij notariële akte van 15 april 2014 de eerste huwelijkse voorwaarden
gewijzigd (hierna: de gewijzigde huwelijkse voorwaarden). In deze akte zijn partijen het volgende overeengekomen:
“1. Partijen hebben overleg gepleegd omtrent de inhoud van hun huwelijkse voorwaarden.
2. Zij wensen dat hun huwelijksvermogensregime van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onverkort zal blijven bestaan.
3. Zij ervaren het in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding als met name administratief zeer belastend en wensen dat dit artikel voor de toekomst zal komen te vervallen, temeer daar zij wensen dat door het niet naleven van dit verrekenbeding hun sub 2 geuite wens wellicht feitelijk in gevaar zou komen in geval van een onverhoopte echtscheiding tussen partijen.
Zij verklaren alvorens echter over te gaan tot wijziging van hun huwelijksvoorwaarden in voege als juist beschreven en hierna nader uitgewerkt vast te stellen en overeen te komen, zulks bij wijze van vaststellingsovereenkomst, dat zij, voor wat hun onderlinge verhouding betreft, het hiervoor gemelde periodieke verrekeningsbeding beschouwen als zijnde tot en met heden door hen te volle en naar beider volkomen genoegen te zijn nagekomen en nageleefd.
(…)
5. Zij hebben terzake niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar ten deze over en weer volledige kwijting en décharge.
(...)
7. In verband met de hiervoor beschreven wensen en oogmerken van partijen, gaan zij thans over tot […] wijziging van hun huwelijkse voorwaarden in dier voege dat zij het gemelde artikel 6 aangaande de periodieke verrekening met ingang van de dag na heden schrappen, zodat met ingang van de dag na heden dit periodiek verrekenbeding geen deel meer uit zal maken van hun huwelijkse voorwaarden.
(…)”
2.2
In deze procedure heeft de man verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft onder meer verzocht de gewijzigde huwelijkse voorwaarden te vernietigen en de huwelijksgemeenschap af te wikkelen overeenkomstig de eerste huwelijkse voorwaarden. Zij heeft daartoe onder meer een beroep gedaan op misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden.
2.3
De rechtbank heeft het verzoek tot vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden afgewezen.
2.4
Het hof1.heeft bij tussenbeschikking geoordeeld dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt en dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
“5.8.1. (…)
Ingevolge art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals de – niet limitatief – in de wet genoemde noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De omstandigheden zijn bijzonder omdat degene die erin verkeert onvrij is en zich als gevolg daarvan in een zwakke positie bevindt waarvan misbruik wordt gemaakt. De Hoge Raad overweegt in zijn uitspraak van 23 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:963) als volgt:
“Misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 lid 4 BW is aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien (onderstreping hof).”
5.8.2.
Het hof zal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden aan de zijde van de man, rekening houden met alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden. Het hof, is op grond van die omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden en acht daartoe met name de volgende punten van belang:
1. Allereerst staat vast dat de eerste huwelijkse voorwaarden een uitsluiting van iedere gemeenschap inhielden met een periodiek verrekenbeding. Het privévermogen van de vrouw bestond uit de echtelijke woning en een aandeel in het stuk tuingrond.
2. De echtelijke woning (en het aandeel van de vrouw in het stuk tuingrond) heeft zij op 24 december 2013 aan de man overgedragen. Volgens de vrouw had de man gezegd dat de verkoop en levering van de echtelijke woning aan hem nodig was ‘om de belastingdienst te slim af te zijn’. Dit is door de man betwist. Volgens de man heeft de vrouw de echtelijke woning aan hem verkocht omdat zij niet graag in een boerderij woonde. De vrouw heeft deze stelling vervolgens ook betwist; zij wilde juist in de boerderij blijven wonen omdat de zoon van partijen met zijn gezin in de woning naast de boerderij woonde. Het hof stelt vast dat de vrouw, in weerwil van de stelling van de man en overeenkomstig haar stellingen, ook na de overdracht van de woning aan de man, in de echtelijke woning is blijven wonen tot haar vertrek uit deze woning in 2016. Verder heeft de man zijn stelling dat aan de verkoop van de echtelijke woning aan hem, fiscale redenen ten grondslag lagen niet onderbouwd en het is het hof ook overigens onduidelijk om welke fiscale redenen het zou kunnen gaan.
3. Voorts heeft de vrouw, direct bij de overdracht van de woning (en haar aandeel in het stuk tuingrond), uit vrijgevigheid, voor een bedrag van € 100.000,-- afstand gedaan van haar recht op betaling van de verkoopprijs van de woning van € 374.472,03 ten gunste van de man. Desgevraagd heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij niet wist dat zij op 24 december 2013 afstand had gedaan van haar recht op betaling van € 100.000,--. Ter grootte van dit bedrag heeft de vrouw dus geen voordeel genoten van de overdracht van de woning aan de man. Een verklaring van partijen waarom de vrouw uit vrijgevigheid bij de overdracht van de woning € 100.000,-- aan de man heeft kwijtgescholden ontbreekt.
4. Niet is betwist dat de man de koopsom voor een bedrag van € 274.472,03 (€ 374.472,03 minus € 100.000,--) heeft overgemaakt naar de rekening-courant bij de bank op naam van de vrouw (…). Met de verkoopopbrengst is het debetsaldo van € 87.002,74 op die rekening aangezuiverd. Op deze rekening-courant van de vrouw komt het hof hierna terug onder punt 7 en volgende.
5. Vervolgens zijn op 15 april 2014 de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Uit de gedingstukken blijkt dat de notaris op 11 februari 2014 bij brief aan partijen (“ter beoordeling en ter bespreking met uw accountant”) een ontwerp van akte wijziging huwelijkse voorwaarden zond. Op 9 april 2014 heeft de notaris een e-mail naar het e-mailadres van de man verzonden waarin hij verwijst naar nieuwe concepten (“naar aanleiding van het laatste gesprek met mijnheer (onderstreping hof) is het concept van de akte van huwelijkse voorwaarden op ondergeschikte punten aangepast. Graag verneem ik zo spoedig mogelijk van u of u wenst dat ik de concepten nog ter beoordeling voorleg aan aan uw adviseur de heer Huberts (onderstreping hof)”). Hieruit leidt het hof af dat de bespreking die aanleiding was voor de gewijzigde concepten buiten aanwezigheid van de vrouw heeft plaatsgevonden, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd. Dat nadien nog een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vrouw, de man en de notaris alvorens de akte gewijzigde huwelijkse voorwaarden is gepasseerd (op 11 april 2014 verzond de notaris de brief met bevestiging van de passeerdatum van 15 april 2014, andere stukken afkomstig van de notaris bevat het dossier niet), kan niet worden vastgesteld.
6. Het hof stelt vast dat door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden iedere aanspraak (in de vorm van verrekening) die de vrouw kon maken op het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (waaronder dus ook de waarde van de echtelijke woning waarvan de vrouw haar eigendom aan de man had overgedragen op 24 december 2013 en de kwijtschelding van een gedeelte van de koopsom, € 100.000,--) is komen te vervallen.
Door de overdracht van de echtelijke woning aan de man en de kwijtschelding van een gedeelte van de koopprijs (€ 100.000,--) in 2013 aan de man, ontstond vermogensvorming aan de zijde van de man die door het schrappen van het periodiek verrekenbeding in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden niet meer voor enige verrekening in aanmerking kwam. De man stelt weliswaar dat de vrouw door deze overdracht voordeel heeft genoten zij kreeg immers de koopsom ter beschikking maar daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest. Het hof zal dat hieronder toelichten.
7. De rekening-courant, een bankrekening bij de Rabobank op naam van de vrouw, kan niet los worden gezien van de vermogensvorming van de man door de aankoop en verhuur van de panden.
Het hof stelt hierbij voorop dat de tenaamstelling van de rekening niet beslissend is voor de beantwoording van de vraag wie gerechtigd is tot het saldo van die rekening. De tenaamstelling zegt alleen iets over de verhouding van de rekeninghouder(s) ten opzichte van de bank. Of de man dan wel de vrouw gerechtigd is tot enig deel van het saldo hangt af van de bedoeling van partijen (HR 9 februari 2007, ECL1:NL:HR:2007:AZ6525).
8. Op de peildatum (10 januari 2020) behoorden 15 onroerende goederen (…) tot het vermogen van de man. Niet in geschil is dat huurinkomsten worden gegenereerd door de man. Hij was degene die de aankoop, het onderhoud en de verhuur van de panden voor zijn rekening nam. De rekening-courantrekening is op 10 april 1991 geopend op naam van de vrouw. De vrouw heeft de man gevolmachtigd tot deze rekening. De man erkent dat hij gelden van de rekening-courant heeft gebruikt voor eigen doeleinden, waaronder ook met betrekking tot het beheer van zijn huurpanden. Dit blijkt ook uit de gedingstukken. Het hof wijst onder meer op het volgende.
a) In de overgelegde rekeningafschriften is te zien dat vanuit de rekening-courant een deel van de kosten van de huishouding werden voldaan, zoals een telefoonabonnement, de zorgverzekeringspremie, voorschot energielasten, OV-chipkaart, de krant, telefoon en/of internetabonnement Ziggo, vakanties en wegenbelasting (…). Deze kosten komen ingevolge de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man (art. 5 van de eerste huwelijkse voorwaarden, die ingevolge de tweede huwelijkse voorwaarden ongewijzigd van volle kracht en waarde zijn).
b) Daarnaast heeft de man het krediet gebruikt voor de instandhouding van zijn panden. Hij maakte regelmatig vanuit de rekening-courant zeer grote geldbedragen naar zijn eigen bankrekeningen over. Er kwamen onder meer huurbetalingen van huurders rechtstreeks op deze rekening-courant binnen. Ook lasten van de panden kwamen ten laste van de rekening-courant (bijvoorbeeld voorschot Brabant Water, Essent).
c) De huurinkomsten werden direct na ontvangst op de rekening-courant naar een rekening van de man overgeboekt. De rentekosten van het krediet heeft de man in zijn jaarlijkse overzichten van de huuropbrengst opgenomen. Als zekerheid voor de rekening-courant is aan de Rabobank een recht van hypotheek op de verschillende panden van de man verleend.
Het hof is daarom van oordeel dat de rekening-courant derhalve voornamelijk door de man werd gevoed en gebruikt.
Uit het voorgaande en op basis van de overgelegde bankafschriften is het hof van oordeel dat voornamelijk de man ten behoeve van zijn privévermogen gerechtigd was tot het saldo / de kredietfaciliteit van de rekening-courant. Hierdoor is de koopsom van de woning niet aan de vrouw ten goede gekomen.
9. Op het moment van tekenen van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden op 15 april 2014 bedroeg het creditsaldo op de rekening-courant € 56.283,77 (…). Nadien heeft de man, onder meer op 9 januari 2017, in totaal € 170.000,- naar zijn eigen rekening overgemaakt waarna het debetsaldo op de peildatum uiteindelijk € 311.501,66,-- bedroeg (…). Voor deze overboekingen heeft de man geen afdoende uitleg gegeven. De man wijst in dit verband op een geldlening van € 263.000,-- die de vrouw in 2014 aan de zoon van partijen heeft verstrekt (…), maar deze geldlening is door de zoon geheel, inclusief rente, terugbetaald. Overigens betwist de vrouw dat zij de lening heeft verstrekt (het zou de man zijn geweest die het geld naar de zoon heeft overgemaakt). Verder geeft de man aan dat hij in de periode van mei 2016 tot en met mei 2020 € 147.104,20 naar de rekening-courant heeft overgemaakt. De man verwijst naar prod. 64 bij zijn aanvullend verweerschrift d.d. 16 juni 2021. Dat betreft echter een door de man zelf opgesteld overzicht, waarbij de onderliggende verifïcatoire stukken ontbreken. Bovendien betreft een deel van de betalingen, te weten € 88.141,94, betaalde rente voor het gebruik van de rekening-courant. De man heeft (…) de financiële jaaroverzichten van de rekening-courant over de jaren 2016 tot en met 2019 en de bankafschriften van januari 2020 tot en met december 2021 overgelegd. Over de jaren 2016 tot en met 2019 kan het hof niet vaststellen of de man de rente heeft voldaan, nu over die jaren geen bankafschriften zijn overgelegd, althans de man niet heeft verwezen naar bankafschriften die zich in het dossier bevinden. De overige rentebetalingen dateren van na de datum van ontvangst van het verzoekschrift tot echtscheiding op 10 januari 2020.
Uit het voorgaande volgt dat de rekening-courant voornamelijk door de man werd gebruikt en dat het restant van de koopsom van de echtelijke woning derhalve niet in het vermogen van de vrouw is gevloeid.
5.8.3.
De overdracht van de woning, de betaling en kwijtschelding van de koopsom, het gebruik door de man van de rekening-courant en de totstandkoming van wijziging van de huwelijkse voorwaarden (slechts drieënhalve maand na de overdracht van de echtelijke woning) waarbij een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw – hetgeen de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt – kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er is sprake van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid. De vrouw heeft haar recht op verrekening ingevolge art. 6 van de eerste huwelijkse voorwaarden door de gewijzigde huwelijkse voorwaarden prijsgegeven, de koopsom voor de echtelijke woning van € 274.472,03 is niet in haar vermogen gevloeid omdat dit bedrag is uitgegeven onder het beheer van de rekening-courant door de man en de rekening-courant op haar naam heeft een debetsaldo van ruim € 317.000,-- en daarmee heeft de bank een vordering op haar (omdat de rekening op haar naam staat) ter grootte van dat bedrag. Die debetstand is grotendeels door toedoen van de man ontstaan en de opgenomen gelden zijn nagenoeg geheel te zijner bate (namelijk de verwerving, het onderhoud en de exploitatie van zijn onroerende goederen alsmede de kosten van de huishouding die ingevolge de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man moeten komen) besteed.
Het hof is van oordeel dat uit de hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handeling en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. De man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door haar afhankelijkheid en onervarenheid bewogen werd tot het geven van instemming en hij heeft (desalniettemin) de instemming van de vrouw bevorderd terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij de vrouw daarvan had behoren te weerhouden.
5.8.4.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt en dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd. Het bewijsaanbod van de man wordt gepasseerd als niet ter zake dienend. Dat de vrouw meerdere keren zou hebben gezegd dat zij de wijziging wilde en begreep, wat hier overigens ook van zij, is niet meer relevant. Ook als de vrouw dit zou hebben gezegd, is gelet op de bijzondere omstandigheden en de gedragingen van de man, zoals hiervoor overwogen, het hof nog altijd van oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Het gaat immers om alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de huwelijkse [voorwaarden] (zie HR 23 juni 2023 ECLI:NL:HR:2023:963)).
5.8.5.
Dat betekent dat de eerste huwelijkse voorwaarden herleven. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door partijen verklaard dat in dat geval uitvoering moet worden gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Partijen hebben in hoger beroep geen inzicht gegeven in wat verrekend dient te worden. Het hof zal partijen daarom in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.”
2.5
Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld tegen de tussenbeschikking.2.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat (zoals het hof in rov. 5.8.3 heeft overwogen) sprake is van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid, onvoldoende is voor het aannemen van misbruik van omstandigheden. De door het hof in rov. 5.8.2-5.8.3 genoemde omstandigheden kunnen het oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden niet dragen, noch ieder afzonderlijk, noch in onderling verband bezien, aldus de klacht.
Onderdeel I klaagt voorts dat het hof niets feitelijks heeft vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw als gevolg van afhankelijkheid of onervarenheid door de man werd bewogen tot het verlenen van medewerking aan het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden, en dat de man dit ook uitdrukkelijk heeft betwist.
3.2
Misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 lid 4 BW is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bij de beoordeling of dat zich voordoet, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien.3.Tot die omstandigheden kan behoren dat de ander door de desbetreffende rechtshandeling (ernstig) is benadeeld.4.
3.3
Het hof heeft in rov. 5.8.2 onder meer het volgende ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt.
De vrouw heeft de echtelijke woning en haar aandeel in een stuk tuingrond – die tot haar privévermogen behoorden – op 24 december 2013 aan de man overgedragen. De man heeft zijn stelling dat aan de verkoop van de woning aan hem fiscale redenen ten grondslag lagen niet onderbouwd en het is ook overigens onduidelijk om welke fiscale redenen het zou kunnen gaan (rov. 5.8.2 onder 2). Bij de overdracht van de woning (en haar aandeel in het stuk tuingrond) heeft de vrouw voor een bedrag van € 100.000,-- afstand gedaan van haar recht op betaling van de verkoopprijs van de woning. Een verklaring hiervoor ontbreekt (rov. 5.8.2 onder 3).
Voorafgaand aan de wijziging van de huwelijkse voorwaarden heeft de notaris een e-mail met nieuwe conceptstukken naar het e-mailadres van de man gezonden. Het hof leidt hieruit af dat de bespreking die aanleiding was voor de gewijzigde concepten buiten aanwezigheid van de vrouw heeft plaatsgevonden, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd. Niet kan worden vastgesteld dat nadien nog een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vrouw, de man en de notaris voordat de akte gewijzigde huwelijkse voorwaarden is gepasseerd (rov. 5.8.2 onder 5).
Door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden is iedere aanspraak (in de vorm van verrekening) die de vrouw kon maken op het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (waaronder ook de waarde van de echtelijke woning, waarvan de vrouw haar eigendom op 24 december 2013 aan de man had overgedragen en het kwijtgescholden gedeelte van de koopsom) vervallen (rov. 5.8.2 onder 6).
De man heeft de koopsom voor de woning (€ 374.472,03 minus het door de vrouw kwijtgescholden bedrag van € 100.000,--) overgemaakt naar een rekening-courant op naam van de vrouw (rov. 5.8.2 onder 4). Deze rekening-courant kan niet los worden gezien van de vermogensvorming van de man door de aankoop en verhuur van panden (rov. 5.8.2 onder 7).
Op de peildatum (10 januari 2020) behoorden 15 onroerende goederen tot het vermogen van de man. Niet in geschil is dat huurinkomsten worden gegenereerd door de man. Hij was degene die de aankoop, het onderhoud en de verhuur van de panden voor zijn rekening nam. De rekening-courant is in 1991 geopend op naam van de vrouw. De vrouw heeft de man gevolmachtigd tot deze rekening. De man erkent dat hij gelden van de rekening-courant heeft gebruikt voor eigen doeleinden, waaronder ook met betrekking tot het beheer van zijn huurpanden. Hij maakte regelmatig vanuit de rekening-courant zeer grote geldbedragen naar zijn eigen bankrekeningen over. Er kwamen onder meer huurbetalingen van huurders rechtstreeks op deze rekening-courant binnen. Ook lasten van de panden kwamen ten laste van de rekening-courant. Het hof is daarom van oordeel dat de rekening-courant voornamelijk door de man werd gevoed en gebruikt, dat voornamelijk de man ten behoeve van zijn privévermogen gerechtigd was tot het saldo van de rekening-courant, en dat hierdoor de koopsom van de woning niet aan de vrouw ten goede is gekomen (rov. 5.8.2 onder 8 en 9).
3.4
Op grond van zijn hiervoor in 3.3 weergegeven overwegingen heeft het hof in rov. 5.8.3 geoordeeld dat de overdracht van de woning, de betaling en kwijtschelding van de koopsom, het gebruik door de man van de rekening-courant en de totstandkoming van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden waarbij een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw – hetgeen de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt – niet los kunnen worden gezien van elkaar. Er is sprake van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot een onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid. De vrouw heeft haar recht op verrekening ingevolge de eerste huwelijkse voorwaarden door de gewijzigde huwelijkse voorwaarden prijsgegeven, de koopsom voor de echtelijke woning is niet in haar vermogen gevloeid omdat dit bedrag is uitgegeven onder het beheer van de rekening-courant door de man, de debetstand op de rekening-courant van ruim € 317.000,-- is grotendeels door toedoen van de man ontstaan maar komt voor rekening van de vrouw omdat de rekening op haar naam staat. Uit deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat de vrouw door haar afhankelijkheid dan wel onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden.
3.5
Voor zover onderdeel I klaagt dat het hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat de vrouw onevenredig is benadeeld door de reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen onvoldoende is voor het aannemen van misbruik van omstandigheden, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel niet uitsluitend op deze benadeling gebaseerd. Uit de (hiervoor in 3.3 weergegeven) overwegingen van het hof volgt dat het hof bij zijn oordeel ook in aanmerking heeft genomen dat de man geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de verkoop van de woning en de kwijtschelding van een gedeelte van de koopsom door de vrouw, dat voorafgaand aan de wijziging van de huwelijkse voorwaarden de notaris conceptstukken aan uitsluitend de man heeft toegestuurd en een bespreking van de man met de notaris buiten aanwezigheid van de vrouw heeft plaatsgevonden, en dat het voornamelijk de man was die de financiële zaken regelde – ook vanuit de rekening-courant, die op naam van de vrouw was gesteld maar waartoe de vrouw de man had gevolmachtigd – en daarin ervaren was.
Op grond van zijn – aan het hof als feitenrechter voorbehouden – waardering van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kon het hof tot het oordeel komen dat de vrouw door haar afhankelijkheid dan wel onervarenheid door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van hetgeen de man heeft aangevoerd ter betwisting van de gestelde afhankelijkheid van de vrouw. Die betwisting laat immers onverlet dat het oordeel van het hof mede erop berust dat de vrouw door onervarenheid door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Hierop stuiten de overige klachten van onderdeel I die hiervoor in 3.1 zijn weergegeven, af.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.B. ter Heide, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 mei 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑05‑2025
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3610.
HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:963, rov. 3.1.2.
Vgl. HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF9656, rov. 3.5-3.6; HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:95, rov. 4.1.
Conclusie 01‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Vernietiging van gewijzigde huwelijkse voorwaarden op grond van misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW)?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00335
Zitting 1 november 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de vernietiging van gewijzigde huwelijkse voorwaarden van partijen vanwege een wilsgebrek. Anders dan de rechtbank heeft het hof het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW) door de man gehonoreerd. De man klaagt in cassatie, naar mijn mening terecht, dat de omstandigheden die hof heeft genoemd niet het oordeel kunnen dragen dat sprake is van misbruik van omstandigheden.
1.2
Tussen partijen is tevens een cassatieprocedure aanhangig over de partneralimentatie, waarin ik heden ook concludeer (zaaknummer 24/00083).
2.Feiten1.
2.1
Partijen zijn op 28 december 1970 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. In deze (hierna aan te duiden als) eerste huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat tussen hen geen gemeenschap van goederen zal bestaan. Daarnaast zijn partijen een periodiek verrekenbeding overeengekomen.
2.2
De vrouw was eigenaar van [de echtelijke woning] (hierna: de echtelijke woning). Samen met de man was zij, voor een gelijk deel, eigenaar van het naast de echtelijke woning gelegen stuk tuingrond dat feitelijk deel uitmaakt van de echtelijke woning (hierna: het stuk tuingrond).
2.3
De vrouw heeft bij mondelinge overeenkomst de echtelijke woning en haar aandeel in het stuk tuingrond aan de man verkocht. Bij notariële akte van 24 december 2013 is de echtelijke woning en het aandeel van de vrouw in het stuk tuingrond aan de man geleverd. De notariële akte vermeldt dat de tegenprestatie hiervoor € 374.612,50 bedraagt. De notariële akte vermeldt verder dat betaling van dit bedrag is voldaan door storting van € 274.612,50 op de kwaliteitsrekening van de notaris en dat voor wat betreft het resterende bedrag partijen zijn overeengekomen, hetgeen zij uitvoeren, dat de vrouw afstand van recht doet op betaling van € 100.000,-. Daartegenover erkent de man schuldig aan de vrouw van € 100.000,-. De vrouw verleent de man kwijting voor de voldoening/verrekening van de tegenprestatie als bedoeld in de notariële akte.
2.4
In een document van 24 december 2013 genaamd 'KWIJTSCHELDING’ verklaren partijen dat de in 2.3 genoemde notariële akte is gepasseerd met de daarin vermelde inhoud en dat de vrouw ten bate van de man uit vrijgevigheid afstand doet van haar rechten uit haar vordering op de man van € 100.000,-, welke afstanddoening de man aanneemt.
2.5
Partijen hebben bij akte van 15 april 2014 de eerste huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In deze (hierna aan te duiden als) gewijzigde huwelijkse voorwaarden zijn partijen het volgende overeengekomen:
‘1. Partijen hebben overleg gepleegd omtrent de inhoud van hun huwelijkse voorwaarden.
2. Zij wensen dat hun huwelijksvermogensregime van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen onverkort zal blijven bestaan.
3. Zij ervaren het in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding als met name administratief zeer belastend en wensen dat dit artikel voor de toekomst zal komen te vervallen, temeer daar zij wensen dat door het niet naleven van dit verrekenbeding hun sub 2 geuite wens wellicht feitelijk in gevaar zon komen in geval van een onverhoopte echtscheiding tussen partijen. Zij verklaren alvorens echter over te gaan tot wijziging van hun huwelijksvoorwaarden in voege als juist beschreven en hierna nader uitgewerkt vast te stellen en overeen te komen , zulks bij wijze van vaststellingsovereenkomst, dat zij, voor wat hun onderlinge verhouding betreft, het hiervoor gemelde periodieke verrekeningsbeding, beschouwen als zijnde tot en met heden door hen te volle en naar beider volkomen genoegen te zijn nagekomen en nageleefd.
(…)
5. Zij hebben terzake niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar ten deze over en weer volledige kwijting en décharge.
(...)
7. In verband met de hiervoor beschreven wensen en oogmerken van partijen, gaan zij thans over tot het wijziging van hun huwelijkse voorwaarden in dier voege dat zij het gemelde artikel 6 aangaande de periodieke verrekening met ingang van de dag na heden schrappen, zodat met ingang van de dag na heden dit periodiek verrekenbeding geen deel meer uit zal maken van hun huwelijkse voorwaarden.
(…).’
2.6
Partijen zijn op 31 maart 2022 van elkaar gescheiden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 november 2021 in de registers van de burgerlijke stand.
3.Procesverloop2.
3.1
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 10 januari 2020 bij de griffie van de rechtbank, heeft de man verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.2
De vrouw heeft een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend.
3.3
De man heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw.
3.4
De vrouw heeft bij aanvullend verzoekschrift haar verzoek aangevuld, inhoudende:
- de veroordeling van de man tot betaling van € 100.000,- aan de vrouw uit hoofde van de akte van overdracht echtelijke woning;
- dat de rechtbank, bij vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden, tevens bepaalt dat partijen de eerste huwelijkse voorwaarden moeten afwikkelen door betaling van de man van € 2.198.468,- aan de vrouw;
- een nadere concretisering van het bedrag waartoe de man wegens onrechtmatige daad moet worden veroordeeld, te weten € 2.198.468,-;
- de veroordeling van de man tot aanzuivering van de debetstand op de bankrekening bij de Rabobank, eindigend op nummer 992, althans tot betaling door de man van € 317.000,- aan de vrouw;
- een beslissing te nemen over de verdeling van de inboedel;
- een beslissing te nemen over de auto die op naam staat van de vrouw.
3.5
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw.
3.6
Op 8 oktober 2021 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden.
3.7
Bij tussenbeschikking van 5 november 2021 heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de man € 8.857,- per maand partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de vrouw in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over het voorlopige oordeel van de rechtbank dat het beroep op dwaling, voor zover dit ziet op de leden 3 en 5 van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden, is vervallen;
- de man in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over het beroep op dwaling ter zake de notariële akte van 24 december 2013 tot levering van de echtelijke woning;
- iedere verdere beslissing aangehouden ten aanzien van:
- het beroep op dwaling ter zake de in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden in lid 3 en 5 opgenomen (vaststelling)overeenkomst en de verdere afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
- het beroep op dwaling ter zake de notariële akte van 24 december 2013 tot levering van de echtelijke woning, alsmede het beroep op onrechtmatige daad met betrekking tot de gang van zaken rondom de wijziging van de huwelijkse voorwaarden;
- de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek met betrekking tot de auto;
- bepaald dat elke partij de tot op heden gemaakte eigen kosten van deze procedure draagt;
- de beslissing betreffende de partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- met uitzondering van de aangehouden beslissingen, het meer of anders verzochte afgewezen.
3.8
Partijen hebben over en weer aktes genomen ten aanzien van de door de rechtbank aangehouden beslissingen.
3.9
Bij tussenbeschikking van 13 juli 2022 heeft de rechtbank:
- het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en het daarmee verband houdende verzoek van de vrouw te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot afwikkeling van de eerste huwelijkse voorwaarden afgewezen;
- het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen conform de akte van overdracht van de echtelijke woning van 24 december 2003 aan de vrouw € 100.000,- te betalen afgewezen;
- de vrouw toegelaten tot bewijs van haar stellingen3.dat:
- partijen een traditioneel rollenpatroon hadden waarbij de man tijdens het huwelijk de financiële administratie van partijen deed en voor het geld zorgde en de vrouw zich niet met de financiële administratie bezighield;
- het initiatief tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden bij de man lag;
- de man aan de vrouw heeft medegedeeld dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden een (fiscale) formaliteit was;
- iedere verdere beslissing ter zake het beroep van de vrouw op onrechtmatige daad en het daarmee verband houdende verzoek om de man te veroordelen de daardoor geleden schade aan haar te vergoeden aangehouden;
- bepaald dat elke partij de tot op heden gemaakte eigen kosten van deze procedure draagt.
3.10
De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021.4.
3.11
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en op haar beurt incidenteel hoger beroep ingesteld.
3.12
De man heeft een verweerschrift in het incidentele hoger beroep ingediend.
3.13
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2022.5.
3.14
De man heeft een verweerschrift ingediend.
3.15
Het hof heeft het hoger beroep tegen de beschikkingen van 5 november 2021 en van 13 juli 2022 gezamenlijk behandeld.
3.16
De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 26 april 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten die ter zitting pleitnotities hebben overgelegd.
3.17
Bij tussenbeschikking van 5 oktober 2023 heeft het hof, in de gezamenlijk behandelde zaken, beslist, kort gezegd, dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt en de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd, hetgeen betekent dat de eerste huwelijkse voorwaarden herleven en uitvoering moet worden gegeven aan het periodiek verrekenbeding. Nu partijen geen inzicht hebben gegeven in wat verrekend dient te worden, zijn zij door het hof in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de afwikkeling van de eerste huwelijkse voorwaarden (rov. 5.8.4 en 5.8.5).
3.18
Bij brief van 17 oktober 2023 heeft de man het hof verzocht om tussentijds cassatieberoep open te stellen van de beschikking van 5 oktober 2023. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.19
Bij beschikking van 2 november 20236.heeft het hof beslist dat tegen de beschikking van 5 oktober 2023 tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld en verder iedere beslissing aangehouden.
3.20
De man is tijdig7.in cassatie gekomen van de beschikking van 5 oktober 2023 (verder: de bestreden beschikking). De vrouw heeft in cassatie verweer gevoerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I voert een reeks klachten aan tegen ’s hofs oordeel dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt, de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd en de eerste huwelijkse voorwaarden herleven. Onderdeel II klaagt over het passeren van het bewijsaanbod van de man. Alvorens de klachten te behandelen geef ik weer hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen.
4.2
In rov. 5.8.1 neemt het hof tot uitgangspunt dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden rechtsgeldig tot stand zijn gekomen en de rechtsverhouding van partijen wordt beheerst door de inhoud van die huwelijkse voorwaarden. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, bijvoorbeeld als sprake is van een wilsgebrek.De vrouw beroept zich op het wilsgebrek misbruik van omstandigheden op grond waarvan de gewijzigde huwelijkse voorwaarden moeten worden vernietigd. De man betwist dat hiervan sprake is.Op grond art. 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals de – niet limitatief – in de wet genoemde noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.De omstandigheden zijn bijzonder omdat degene die erin verkeert onvrij is en zich als gevolg daarvan in een zwakke positie bevindt waarvan misbruik wordt gemaakt.Bij de beoordeling of sprake is van misbruik van omstandigheden komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien (HR 23 juni 20238.).
4.3
Rekening houdend met alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof in rov. 5.8.2 van oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Het hof acht daartoe met name de volgende – verkort weergegeven – punten van belang:(1) De eerste huwelijkse voorwaarden hielden een uitsluiting van iedere gemeenschap in met een periodiek verrekenbeding. Het privévermogen van de vrouw bestond uit de echtelijke woning en een aandeel in het stuk tuingrond.(2) De vrouw heeft de echtelijke woning en haar aandeel in het stuk tuingrond op 24 december 2013 aan de man overgedragen. Partijen verschillen van mening over de aanleiding voor deze overdracht.(3) De vrouw heeft, direct bij deze overdracht, uit vrijgevigheid voor € 100.000,- afstand gedaan van haar recht op betaling van de verkoopprijs van de echtelijke woning van € 374.472,03 ten gunste van de man. De vrouw heeft verklaard dat zij niet wist dat zij afstand had gedaan van haar recht op betaling van € 100.000,-. Een verklaring van partijen waarom de vrouw uit vrijgevigheid € 100.000,- aan de man heeft kwijtgescholden ontbreekt.(4) Niet is betwist dat de man de koopsom voor een bedrag van € 274.472,03 (€ 374.472,03 minus € 100.000,-) heeft overgemaakt naar de rekening-courant bij de Rabobank op naam van de vrouw. Met de verkoopopbrengst is het debetsaldo van € 187.002,74 op die rekening aangezuiverd.(5) Op 15 april 2014 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Uit de gedingstukken blijkt dat de notaris een ontwerp van akte wijziging huwelijkse voorwaarden aan partijen heeft gezonden. Uit de gedingstukken leidt het hof af dat de bespreking die aanleiding was voor nieuwe concepten van de akte wijziging huwelijkse voorwaarden, buiten aanwezigheid van de vrouw heeft plaatsgevonden.(6) Door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden is iedere aanspraak (in de vorm van verrekening) die de vrouw kon maken op het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen (waaronder de waarde van de echtelijke woning waarvan de vrouw haar eigendom aan de man had overgedragen en de kwijtschelding van een gedeelte van de koopsom) komen te vervallen.(7) De rekening-courant bij de Rabobank op naam van de vrouw kan niet los worden gezien van de vermogensvorming van de man door de aankoop en verhuur van panden.(8) De vrouw heeft de man gevolmachtigd tot de rekening-courant. De man erkent dat hij gelden van de rekening-courant heeft gebruikt voor eigen doeleinden, waaronder ook met betrekking tot het beheer van zijn huurpanden. Als zekerheid voor de rekening-courant is aan de Rabobank een recht van hypotheek op panden van de man verleend. De rekening-courant werd voornamelijk door de man gevoed en gebruikt. Het was voornamelijk de man die ten behoeve van zijn privévermogen gerechtigd was tot het saldo/de kredietfaciliteit van de rekening-courant. Hierdoor is de koopsom van de echtelijke woning niet aan de vrouw ten goede gekomen.(9) De rekening-courant werd voornamelijk door de man gebruikt. Het restant van de koopsom van de echtelijke woning is niet in het vermogen van de vrouw gevloeid.
4.4
In rov. 5.8.3, eerste alinea, maakt het hof de balans op. De overdracht van de echtelijke woning, de betaling en kwijtschelding van de koopsom, het gebruik door de man van de rekening-courant en de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden (slechts drieënhalve maand na de overdracht van de echtelijke woning) waarbij een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw – hetgeen de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt – kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er is sprake van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid. De vrouw heeft haar recht op verrekening ingevolge art. 6 van de eerste huwelijkse voorwaarden door de gewijzigde huwelijkse voorwaarden prijsgegeven, de koopsom voor de echtelijke woning van € 274.472,03 is niet in haar vermogen gevloeid omdat dit bedrag is uitgegeven onder het beheer van de rekening-courant door de man en de rekening-courant op haar naam heeft een debetsaldo van ruim € 317.000,- waarmee de bank een vordering op haar heeft (omdat de rekening op haar naam staat) ter grootte van dat bedrag. Die debetstand is grotendeels door toedoen van de man ontstaan en de opgenomen gelden zijn nagenoeg geheel te zijner bate (namelijk de verwerving, het onderhoud en de exploitatie van zijn panden alsmede de kosten van de huishouding die ingevolge de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man moeten komen ) besteed.
4.5
In rov. 5.8.3, tweede alinea, komt het hof tot de conclusie dat uit de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. De man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door haar afhankelijkheid en onervarenheid bewogen werd tot het geven van instemming en hij heeft (desalniettemin) de instemming van de vrouw bevorderd terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij de vrouw daarvan had behoren te weerhouden.
4.6
Uit het voorgaande volgt, zo is de slotsom in rov. 5.8.4, dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt en dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd. Het bewijsaanbod van de man wordt gepasseerd als niet ter zake dienend. Dat de vrouw meerdere keren zou hebben gezegd dat zij de wijziging wilde en begreep, wat hier overigens ook van zij, is niet meer relevant. Ook als de vrouw dit zou hebben gezegd, is gelet op de bijzondere omstandigheden en de gedragingen van de man, het hof nog altijd van oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Het gaat immers om alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden.
4.7
Tot zover de opbouw van de beslissing van het hof. Ik keer terug naar het cassatiemiddel.
4.8
Onderdeel I van het middel bestrijdt vanuit diverse invalshoeken het oordeel van het hof in rov. 5.8.1 e.v. dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt, de gewijzigde huwelijkse voorwaarden worden vernietigd en de eerste huwelijkse voorwaarden herleven. Onderdeel I is onderverdeeld in nrs. 1 t/m 26, waarvan nrs. 1 t/m 5 geen klacht bevatten.
4.9
In nrs. 6 t/m 8 van het middel meen ik de volgende klachten te kunnen lezen. Het hof zou hebben miskend dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht, omdat zij in grief 3 in incidenteel appel onvoldoende heeft gesteld om misbruik van omstandigheden te kunnen aannemen. Het hof zou buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden door misbruik van omstandigheden te baseren op argumenten die de vrouw niet heeft aangevoerd. Bovendien zou het hof hebben miskend dat de vrouw niet heeft gegriefd tegen rov. 3.4.13 van de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021, waarin is overwogen dat zelfs indien van de juistheid van de stellingen van de vrouw wordt uitgegaan hiermee nog geen sprake is van een dusdanig geestelijk overwicht van de man op de vrouw dat sprake is van afhankelijkheid als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW. Deze klachten falen. Ik leg dat als volgt uit.
4.10
In eerste aanleg heeft de vrouw, voor zover van belang, betoogd dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden vernietigd moeten worden op grond van bedrog en misbruik van omstandigheden. Zij heeft daarvoor, min of meer, hetzelfde feitencomplex aangevoerd.9.In incidenteel appel heeft de vrouw haar beroep op bedrog en misbruik van omstandigheden herhaald in grief 2 respectievelijk grief 3. In de toelichting (nr. 93) op grief 2 verwijst de vrouw naar ‘(...) het relaas van haar verzoekschrift van 7 mei 2020 en haar aanvullende verzoekschrift van 20 april 2021 (…)’ waarin zij ‘(…) duidelijk heeft gesteld en gemotiveerd dat de man de vrouw bewust heeft aangezet tot het aangaan van de gewijzigde huwelijksvoorwaarden.’ Een redelijke uitleg van de met grief 2 samenhangende grief 3, waarin – anders dan het middel stelt – een duidelijke klacht ligt besloten tegen rov. 3.4.13 van de beschikking van de rechtbank van 5 november 2021, brengt mee dat de vrouw haar beroep op misbruik van omstandigheden heeft willen stoelen op de stellingen uit de eerste aanleg waar zij in het kader van grief 2 naar heeft verwezen. Dit wordt bevestigd in de pleitnota van de vrouw voor de zitting in hoger beroep, waarin zij ter onderbouwing van de door haar gestelde afhankelijkheid van de man, zoals bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW, verwijst naar ter zake relevante stellingen die zij in eerste aanleg heeft ingenomen.10.Bovendien blijkt uit het verweer van de man tegen grief 3 dat hij het standpunt van de vrouw over misbruik van omstandigheden en de stellingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd, heeft begrepen zoals hiervoor bedoeld. De man heeft daartegen als zodanig inhoudelijk verweer gevoerd.11.
4.11
Kortom, voor de man was duidelijk welke stellingen de vrouw ten grondslag heeft gelegd aan haar beroep op misbruik van omstandigheden en de man heeft daartegen als zodanig inhoudelijk verweer gevoerd. De klachten in nrs. 6 t/m 8 falen.
4.12
In het vervolg van mijn conclusie zie ik aanleiding om allereerst de klachten van onderdeel I te bespreken die m.i. terecht zijn voorgesteld.
4.13
Een van de klachten, die m.i. slaagt, is dat het hof heeft miskend dat de man de stelling van de vrouw dat hij geestelijk overwicht op haar had en dat zij van hem afhankelijk was geworden, uitdrukkelijk heeft betwist (nrs. 6 en 23 van het middel). Het middel12.verwijst hiervoor naar nrs. 19 t/m 27 van het verweerschrift van de man in incidenteel appel. Op die plek voert de man verweer tegen grief 3 van de vrouw waarin zij betoogt dat de rechtbank haar beroep op misbruik van omstandigheden ten onrechte heeft afgewezen. Het verweer van de man houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘20 De vrouw stelt dat de man een geestelijk overwicht op de vrouw had dat zij daardoor afhankelijk was geworden. Tijdens het huwelijk moest zij doen wat de man goed achtte en de man duldde geen tegenspraak. De vrouw diende dat te aanvaarden omdat partijen een huwelijk met traditioneel rollenpatroon hadden. (…) De man betwist die stellingen. (…)
21 In het huwelijk gaf de vrouw de man wel degelijk tegenspraak en de man duldde dat de vrouw dat deed en de wijze waarop zij dat deed. (…) De vrouw was en is een intelligente vrouw met een goede opleiding en was en is een zelfstandige vrouw (…). Zij zou nooit geaccepteerd hebben dat zij moest doen wat de man goed achtte en de man niet mocht tegenspreken. Daarvan is ook geen sprake geweest.
22 De man had geen bijzonder agressieve en dominante houding, niet binnen het huwelijk en niet buiten het huwelijk. De man betwist de andersluidende stelling van de vrouw. (…) Als het werkelijk zo geweest zou zij en dat een rol gespeeld zou hebben bij de totstandkoming van de akte van wijziging huwelijkse voorwaarden, zou het onbegrijpelijk zijn dat de vrouw in de procedure in eerste aanleg, waarin ruimschoots stukken zijn ingediend en welke procedure geruime tijd heeft geduurd, dat nimmer heeft gesteld.
23 De vrouw gaat steeds verder met haar onterecht beschuldigingen van de man. Ook haar stellingen over de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden berusten op leugens. Het doel heiligt kennelijk de middelen bij de vrouw. De man vindt het telkens grievend en het raakt hem dat de vrouw hem ten onrechte neer zet als iemand die haar bedrogen heeft en of iemand die misbruik heeft gemaakt van omstandigheden. De man is steeds te goeder trouw geweest. De vrouw was niet een gedwee iemand die niets snapte en alles deed wat de man zei, zoals zij wil doen voorkomen. Nu voegt zij daar aan toe dat de man agressief en dominant is.
24 De man verwijst voor het verweer tegen deze grief eveneens naar hetgeen hij in zijn verweerschrift in eerste aanleg d.d. 29 juni 2020 heeft gesteld over de gang van zaken betreffende de wijziging van huwelijkse voorwaarden, meer speciaal de paragrafen 11 en 13 t/m 16 en paragraaf 20 alsmede in zijn verweerschrift d.d. 27 april 2021 waarvan meer speciaal de paragrafen 1.5 t/m 1.9 en paragraaf 7 van dat verweerschrift d.d. 27 april 2021.
25 De man had geen geestelijk overwicht op de vrouw en de vrouw was niet afhankelijk van de man. Partijen hadden niet een traditioneel rollenpatroon, nog daargelaten dat een traditioneel rollenpatroon niet geestelijke overwicht en afhankelijkheid betekent. De man verwijst naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld (zie met name par 8 van verweerschrift d.d. 29 juni 2020) ter toelichting van zijn betwisting van het door de vrouw gestelde traditioneel rollenpatroon. De vrouw was en is niet dom, heeft een goede opleiding genoten en was en is een zelfstandige vrouw. De man verwijst naar hetgeen hij daarover in eerste aanleg heeft gesteld (zie met name par. 13 van zijn verweerschrift d.d. 29 juni 2020).
26 De vrouw wist heel goed wat de akte van de wijziging van huwelijkse voorwaarden inhield en wat de inhoud van die akte voor de vrouw en de onderlinge financiële verhouding van partijen betekende en de inhoud van die akte en de betekenis daarvan voor de vrouw en bedoelde financiële verhouding van partijen was wat de vrouw wilde.(…).’
4.14
Met het middel meen ik dat het hof, anders dan de enkele weergave van deze stellingen van de man in rov. 5.7, geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting van de man dat hij geestelijk overwicht op de vrouw zou hebben en dat zij van de man afhankelijk was geworden, zoals de vrouw in grief 3 heeft gesteld. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof misbruik van omstandigheden heeft aangenomen op grond van de bijzondere omstandigheden ‘afhankelijkheid c.q. onervarenheid’ van de vrouw, zoals bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW, zonder (voldoende) inzichtelijk te maken hoe het hof tot deze ‘afhankelijkheid c.q. onervarenheid’ is gekomen. In het licht van de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting van de man, zoals hiervoor weergegeven, had dit wel van het hof verwacht mogen worden. Dit geldt temeer omdat het aannemen van misbruik van omstandigheden op grond van art. 3:44 lid 4 BW in dit geval het verstrekkende gevolg heeft dat een notariële akte inhoudende gewijzigde huwelijkse voorwaarden vernietigd wordt.
4.15
Het hof wijdt maar weinig woorden aan de bijzondere omstandigheden die vereist zijn voor het slagen van een beroep op art. 3:44 lid 4 BW. In rov. 5.8.3 overweegt het hof hierover: ‘(…) de totstandkoming van wijziging van de huwelijkse voorwaarden (slechts drieënhalve maand na de overdracht van de echtelijke woning) waarbij een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw – hetgeen de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt – kunnen (…)’. Nog daargelaten dat ik niet direct inzie hoe een bespreking bij de notaris zonder aanwezigheid van de vrouw, haar afhankelijkheid van de man bevestigt, maakt het hof in rov. 5.8.3 noch elders in de bestreden beschikking inzichtelijk op welke gronden het van de afhankelijkheid van de vrouw is uitgegaan. Die duidelijkheid verschaft het hof evenmin in het vervolg van rov. 5.8.3: ‘(…) Het hof is van oordeel dat uit de hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. (…)’. Uit de ‘hierboven weergegeven omstandigheden’, waarmee het hof kennelijk doelt op de omstandigheden (1) t/m (9) in rov. 5.8.2, volgt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet dat sprake is van ‘afhankelijkheid c.q. onervarenheid’ van de vrouw. Ik meen dat het middel hierover terecht klaagt.
4.16
Een andere klacht, die m.i. slaagt, is dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel in rov. 5.8.3 dat een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid misbruik van omstandigheden opleveren (nrs. 8, voetnoot 8, en 24 van het middel). Hiervoor is het volgende van belang. Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden vereist art. 3:44 lid 4 BW niet dat de rechtshandeling tot nadeel voor (in casu) de vrouw heeft geleid. Ik wijs op HR 27 januari 2017, rov. 3.3: ‘(…) Niet is vereist dat degene die zich op vernietiging beroept door het aangaan van de overeenkomst is benadeeld; wel is vereist dat hij zonder het misbruik van omstandigheden de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. (…)’.13.Hoewel benadeling van (in casu) de vrouw geen afzonderlijk vereiste is, kan dit wel een rol spelen in het kader van de vraag of (in casu) de man zich van het bevorderen van de rechtshandeling had behoren te onthouden.14.
4.17
De beslissing van het hof dat sprake is van misbruik van omstandigheden is voornamelijk, zo niet uitsluitend, gebaseerd op de door het hof vastgestelde benadeling van de vrouw als gevolg van een samenspel tussen het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden en de feitelijke handelingen en rechtshandelingen voorafgaand aan en na het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Dat volgt uit rov. 5.8.3, waarin het hof na een samenvatting van de relevante omstandigheden (1) t/m (9) in rov. 5.8.2, overweegt: ‘Er is sprake van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid.’ Wat het hof hiermee bedoelt, volgt uit de daarop volgende overweging: ‘De vrouw heeft haar recht op verrekening ingevolge art. 6 van de eerste huwelijkse voorwaarden door de gewijzigde huwelijkse voorwaarden prijsgegeven, de koopsom voor de echtelijke woning van € 274.472,03 is niet in haar vermogen gevloeid omdat dit bedrag is uitgegeven onder het beheer van de rekening-courant door de man en de rekening-courant op haar naam heeft een debetsaldo van ruim € 317.000,-- en daarmee heeft de bank een vordering op haar (omdat de rekening op haar naam staat) ter grootte van dat bedrag. Die debetstand is grotendeels door toedoen van de man ontstaan en de opgenomen gelden zijn nagenoeg geheel te zijner bate (namelijk de verwerving, het onderhoud en de exploitatie van zijn onroerende goederen alsmede de kosten van de huishouding die ingevolge de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man moeten komen ) besteed.’
4.18
Naar mijn mening heeft het hof hiermee te veel gewicht toegekend aan de benadeling van de vrouw, of deze benadeling zelfs beslissend geacht voor het aannemen van misbruik van omstandigheden, terwijl deze benadeling geen (sluitend) antwoord geeft op de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden.15.In zoverre klaagt het middel (nr. 9) terecht dat de omstandigheden (1) t/m (9) in rov. 5.8.2 waarop het hof zijn oordeel in rov. 5.8.3 heeft gegrond dat de vrouw onevenredig is benadeeld, ook wanneer deze omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien, niet de beslissing kunnen dragen dat sprake is van misbruik van omstandigheden.16.
4.19
In aansluiting op het voorgaande klaagt het middel (nr. 25) verder dat het hof niets feitelijks heeft vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw als gevolg van haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid door de man bewogen werd tot het verlenen van haar medewerking aan het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Ook deze klacht slaagt. In rov. 5.8.3 overweegt het hof hierover dat ‘(…) een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw – hetgeen de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt – (…)’ en voorts dat ‘(…) de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden.’ Hieruit volgt echter nog niet waarom een causaal verband bestaat tussen de door het hof aangenomen afhankelijkheid c.q. onervarenheid van de vrouw en het verlenen van haar medewerking aan het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Immers, de door het hof genoemde omstandigheden (1) t/m (9) in rov. 5.8.2, in onderling verband en samenhang bezien, geven nog geen antwoord op de vraag of de vrouw haar medewerking aan het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben verleend indien geen sprake was van afhankelijkheid c.q. onervarenheid.
4.20
Het komt mij voor dat de bestreden beschikking op voormelde gronden niet in stand kan blijven.
4.21
Bij deze stand van zaken behoeven de resterende klachten van onderdeel I geen bespreking, omdat deze klachten in de kern opkomen tegen de omstandigheden (1) t/m (9) in rov. 5.8.2 die, ook als zij wel zouden vaststaan, niet het oordeel van het hof kunnen dragen dat sprake is van misbruik van omstandigheden bij het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden.
4.22
De klacht in onderdeel II dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod dat de man heeft gedaan in het kader van zijn stelling dat de vrouw meerdere keren heeft gezegd dat zij de wijziging van de huwelijkse voorwaarden wilde en begreep, slaagt niet. In de redenering van het hof dat de vrouw onder misbruik van omstandigheden heeft ingestemd met de gewijzigde huwelijkse voorwaarden, is het bewijsaanbod niet terzake dienend. Indien ervan wordt uitgegaan, zoals het hof heeft gedaan, dat de gewijzigde huwelijkse voorwaarden onder misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen, kan immers geen sprake zijn van een vrije wilsvorming van de vrouw.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑11‑2024
De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1 t/m 3.9 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3258.
Zie rov. 2.1 e.v. van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3258 en rov. 9-10 van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3610.
Deze stellingen hebben betrekking op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man op grond van onrechtmatige daad de door de vrouw geleden schade dient te vergoeden. Zie rov. 2.2.6 en 2.2.7 van de tussenbeschikking van 13 juli 2022.
Deze procedure wordt door het hof aangeduid als de zaak met zaaknummer 200.317.874/01.
Deze procedure wordt door het hof aangeduid als de zaak met zaaknummer 200.317.561/01.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3610.
De procesinleiding is op 1 februari 2024 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad en daarmee dus binnen drie maanden te rekenen van de dag van de beschikking waarbij tussentijds cassatieberoep is opengesteld (zie HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.4 en 3.2.6).
HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:963, NJ 2023/222, rov. 3.1.2.
Zie verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, nrs. 20 en 21; aanvullend verzoekschrift tevens houdende overlegging nadere producties, nr. 22.
Zie de pleitnota voor de mondelinge behandeling van 26 april 2023, p. 1.
Zie verweerschrift in incidenteel appel, p. 3 t/m 8. In nr. 20 stelt de man weliswaar dat de vrouw deze stellingen in eerste aanleg niet naar voren heeft gebracht en nu in hoger beroep voor het eerst naar voren brengt, maar hij verbindt hieraan slechts de consequentie: ‘Dat (niet in eerste aanleg gesteld) reeds maakt de stellingen van de vrouw naar de mening van de man ongeloofwaardig’, om vervolgens uitgebreid inhoudelijk te reageren op deze stellingen van de vrouw.
Zie p. 3, voetnoten 5 en 6.
HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:95, RvdW 2017/167, rov. 3.3. Zie ook HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559, NJ 2001/159, rov. 3.4; HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854, NJ 2009/398, rov. 3.4.2.
J. Hijma, T&C BW, art. 3:44, aant. 6, onder h; T. Jonkers, GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW, aant. 4.2.3.2.
Vgl. HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:95, RvdW 2017/167, rov. 4.1.
Terzijde merk ik op dat in de onderhavige zaak zich niet voordoet de situatie in HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF9656, NJ 2004/141, waarin misbruik van omstandigheden ‘zozeer voor de hand’ lag, dat het andersluidende oordeel van het hof aan hoge motiveringseisen dient te voldoen om begrijpelijk te zijn (rov. 3.6).
Beroepschrift 01‑02‑2024
PROCESINLEIDING (verzoekzaak) IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Verzoeker tot cassatie is: [de man], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te Rijswijk ZH aan de Haagweg nr. 108 (2282 AE), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. K. Aantjes, die ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om hem in cassatie te vertegenwoordigen en als zodanig wordt gesteld (art. 426a Rv);
Verweerster in cassatie is: [de vrouw], wonende te ([postcode]) [woonplaats], aan de [adres], in de vorige instantie van deze zaak uitdrukkelijk domicilie gekozen hebbende te Hengelo, aan de Demmersweg 41 — 14 (7556 BN), ten kantore van haar advocaat mr. M. van Vliet;
Verzoeker stelt hierdoor beroep in cassatie in tegen de beschikking van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 5 oktober 2023 onder zaaknummers 200.317.874/01 en 200.317.561/01 tussen partijen gewezen.
Bij opvolgende beschikking van 2 november 2023 heeft het hof in beide zaaknummers bepaald, dat er tegen voornoemde beschikking tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Tegen de beschikking van 5 oktober 2023 richt verzoeker zich tot uw Raad met het navolgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de navolgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen.
I
Dit middelonderdeel richt zich tegen de rov. 5.8.1 t/m 5.8.5 en de uitwerking daarvan in rov. 6 en 7 (het dictum), waarin het hof, zakelijk weergegeven, tot het oordeel is gekomen dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden slaagt, de gewijzigde huwelijksvoorwaarden worden vernietigd en dat de eerste huwelijksvoorwaarden herleven. Deze overweging en beslissing zijn rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, met voorbijgaan aan ter zake essentiële stellingen van de man en waarbij het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
Nadere uitwerking en toelichting
1.
Bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken van 6 mei 2020,1. heeft de vrouw zich onder meer op misbruik van omstandigheden beroepen. Sub 21 heeft zij gesteld, dat de man de vrouw bewust heeft aangezet tot het aangaan van de gewijzigde huwelijksvoorwaarden door het doen van onjuiste mededelingen over de inhoud van de aktes en de reden voor het tekenen van de aktes (bedrog). Daarnaast wist de man, of in ieder geval diende hij te begrijpen, dat de vrouw door onervarenheid en onkunde van de materie niet wist wat de inhoud van de gewijzigde huwelijksvoorwaarden en de overdracht van de woning voor haar zou betekenen en had hij haar behoren te weerhouden van het uitvoeren van deze handelingen (misbruik van omstandigheden), aldus de vrouw.
2.
In het aanvullend verzoekschrift van 20 april 2021 bouwt zij daarop voort in de alinea's 1 t/m 16.2.
3.
In rov. 3.4.12 van de beschikking van 5 november 2021 verwerpt de rechtbank het beroep op bedrog. De rechtbank overweegt:
‘De vrouw heeft aan haar beroep op bedrog ten grondslag gelegd dat de man haar steeds heeft voorgehouden dat de wijziging van de huwelijksvoorwaarden fiscale motieven had. Zelfs indien dit juist zou zijn — de man betwist dit — is die stelling onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat hij haar met deze onjuiste mededeling(en) heeft bewogen tot het aangaan van het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden. Zij stelt immers ook dat zij hier aanvankelijk niet in mee wilde gaan en zij stelt niet gemotiveerd dat juist die onjuiste mededelingen aanleiding waren voor haar om toch tot wijziging van de huwelijksvoorwaarden over te gaan. Het beroep op bedrog faalt.’
4.
Ook het beroep op misbruik van omstandigheden wordt door de rechtbank in dezelfde beschikking verworpen. In rov. 3.4.13 overweegt de rechtbank:
‘Ook het beroep op misbruik van omstandigheden faalt. De vrouw heeft aan haar beroep ten grondslag gelegd dat partijen een traditioneel rollenpatroon hadden, waarbij zij parttime werkte, de zorg voor het huishouden en hun drie kinderen had en de man de administratie deed en zich bezighield met de financiën. Met die financiën hield zij zich niet bezig. Zij vertrouwde hem volledig met de financiën, hetgeen ook gerechtvaardigd was gelet op de lange duur van het huwelijk en het succes van de man op het financieel terrein. Zelfs indien veronderstellenderwijze van de juistheid van deze stellingen wordt uitgegaan, nu de man deze betwist, is hiermee nog geen sprake van een dusdanig geestelijk overwicht van de man op de vrouw dat sprake is van afhankelijkheid als bedoeld in dit lid van het artikel.’
5.
In dezelfde beschikking heeft de rechtbank het beroep op dwaling afgewezen (rov. 3.4.9). In de beschikking van 13 juli 2022 heeft de rechtbank ook het beroep op dwaling t.a.v. de tenaamstelling van de woning verworpen.
6.
Uitsluitend in het door de man ingestelde appel heeft de vrouw (in incidenteel appel) een grief gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het beroep op misbruik van omstandigheden.3.,4. De door haar geformuleerde grief en de toelichting daarop zijn zeer summier. De grief houdt niet meer in, dan dat de rechtbank ten onrechte in rov. 3.4.13 heeft bepaald dat het beroep van de vrouw op misbruik van omstandigheden faalt en de toelichting daarop (paragraaf 94) houdt slechts het volgende in:
‘Anders dan de rechtbank heeft gesteld, had de man wel degelijk een geestelijk overwicht op de vrouw dat zij daardoor afhankelijk was geworden. De man heeft met het laten wijzigen van de huwelijksvoorwaarden duidelijk misbruik van deze omstandigheden gemaakt. Tijdens het huwelijk van partijen diende de vrouw te doen wat de man goed achtte. Hij duldde op geen enkel punt of wijze tegenspraak. Doordat partijen een traditioneel rollenpatroon hadden, kon de vrouw niet anders dan dit aanvaarden. Inmiddels heeft de vrouw van derde begrepen dat hij deze bijzonder agressieve en dominante houding ook buiten het huwelijk aan derden die het niet met hem ‘meegaan’ liet en laat. De vrouw heeft bij diverse personen verklaringen opgevraagd en zal deze zo spoedig mogelijk nog nader in het geding brengen.’
Deze stellingen (voor zover al begrijpelijk) zijn onvoldoende om misbruik van omstandigheden (in de zin van art. 3:44 lid 4 BW) aan te kunnen nemen, hetgeen het hof heeft miskend, zodat zijn beslissing hetzij berust op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij deze onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Overigens heeft de man gemotiveerd betwist dat hij geestelijk overwicht op de vrouw had en dat zij (daardoor) van hem afhankelijk was geworden.5. Het hof vermeldt dat ten onrechte niet in de samenvatting van de stellingen van de man in rov. 5.7 en betrekt dat ten onrechte niet in zijn oordeel, terwijl, als het dat wel had gedaan, zulks tot een ander oordeel had moeten nopen.
7.
Net als in eerste aanleg (zie hiervóór het citaat uit de beschikking van 13 juli 2022) zijn deze stellingen door de vrouw in het geheel niet uitgewerkt of onderbouwd, hetgeen geen andere conclusie toelaat dan dat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk is dan ook al hetgeen het hof in rov. 5.8.2 t/m 5.8.5 van de beschikking van 5 oktober jl. heeft overwogen — géén van de door het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegde argumenten zijn door de vrouw aangevoerd, zodat het hof aldus buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, dan wel het grievenstelsel heeft miskend. Het hof gaat er daarbij ten onrechte aan voorbij, dat een en ander door de man uitdrukkelijk is betwist.6. De rechtbank heeft in de beschikking van 5 november 2021 in r.o. 3.4.13. overwogen dat het feit van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw parttime werkte, de zorg voor het huishouden en hun drie kinderen had en de man de administratie deed en zich bezig hield met de financiën en dat de vrouw zich niet bezig hield met de financiën en dat de zij de man volledig vertrouwde met de financiën — dit allemaal indien juist want door man betwist — onvoldoende is om te concluderen tot afhankelijkheid van de man. Tegen die overwegingen heeft de vrouw niet gegriefd. Zij heeft in hoger beroep slechts geponeerd dat zij moest doen wat de man goed achtte en dat hij geen tegenspraak duldde. Maar zij heeft niet gesteld dat de feiten en/of omstandigheden, die de rechtbank in rov. 3.4.13 heeft genoemd, wel voldoende zijn om te concluderen tot afhankelijkheid van de man. In genoemde rechtsoverweging ligt besloten het oordeel van de rechtbank dat de door de vrouw gestelde onervarenheid (traditioneel rollenpatroon , part time werk, zorg voor kinderen, niet met administratie bezighouden) onvoldoende is om te concluderen tot misbruik van omstandigheden. Wat de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd over dat zij moest doen wat de man goed achtte en dat hij geen tegenspraak duldde is iets anders dan in rov. 3.4.13. wordt overwogen. Wat in rov. 3.4.13 is overwogen, is door haar in appel niet bestreden. Derhalve had het hof van de juistheid van rov. 3.4.13 van de rechtbank moeten uitgaan en (eveneens) moeten oordelen dat de eventuele onervarenheid en afhankelijkheid (indien juist, want door de man betwist — zie voetnoot 6) in de situatie van deze man en vrouw onvoldoende zijn om te concluderen tot misbruik van omstandigheden. Het hof heeft aldus miskend dat hetgeen de rechtbank in rov. 3.4.13 heeft overwogen als uitgangspunt in de appelprocedure had te gelden.
8.
Zoals het hof zelf heeft overwogen (met verwijzing naar HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR: 2023:963) is misbruik van omstandigheden aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden7. wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling. Dat daarvan sprake is geweest is, niet door de vrouw gesteld en door de man uitdrukkelijk betwist (zie hiervóór); dergelijke omstandigheden zijn niet door de vrouw gesteld en dat daarvan sprake is geweest volgt niet logischerwijs uit hetgeen het hof in rov. 5.8.2 en 5.8.3 heeft overwogen.8. Hetgeen door de vrouw (in de toelichting op grief 3 in incidenteel appel — paragraaf 94) is gesteld, is daartoe onvoldoende.
9.
Geen van de door het hof in r.o. 5.8.2 en 5.8.3 genoemde omstandigheden kunnen de beslissing dragen, dat sprake is van misbruik van omstandigheden, noch elk van die omstandigheden afzonderlijk, noch in onderling verband bezien, zodat 's hofs beslissing hetzij berust op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij deze onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De man werkt dat hieronder (waar nodig) nader uit.
10.
De onder punt 1 genoemde omstandigheid zegt helemaal niets over de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden en kan die beslissing derhalve niet dragen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling onder punt 2 van r.o. 5.8.2 dat de vrouw, ook na overdracht van de woning aan de man, in de echtelijke woning is blijven wonen tot haar vertrek uit deze woning in 2016. Voorts is onbegrijpelijk de overweging ‘verder heeft de man zijn stelling dat aan de verkoop van de echtelijke woning aan hem, fiscale redenen ten grondslag lagen niet onderbouwd en het is het hof ook overigens onduidelijk om welke fiscale redenen het zou kunnen gaan’. Zulks heeft de man helemaal niet gesteld. Het is de vrouw geweest, die gesteld heeft dat de man haar zou hebben voorgespiegeld dat aan de verkoop van de echtelijke woning aan hem fiscale redenen ten grondslag lagen, welke stelling door de man uitdrukkelijk is betwist.9. Onder punt 2 van rov. 5.8.2 overweegt het hof voorts ‘dat de vrouw, in weerwil van de stelling van de man (…) in de echtelijke woning is blijven wonen’. Het10. cursief weergegeven gedeelte impliceert dat de man anders zou hebben gesteld, met andere woorden dat dat man gesteld zou hebben dat de vrouw niet meer in de boerderij zou blijven wonen (en daarmee suggererend dat de stellingen van de man over de aanleiding van de verkoop van de echtelijke woning niet geloofwaardig zijn), maar dat heeft de man helemaal niet gesteld. Zie het verweerschrift van de man tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw d.d. 29 juni 2020 sub 12:
‘De man betwist de stelling van de vrouw dat de verkoop en levering van de woonboerderij door de vrouw aan de man hebben plaatsgevonden op verzoek van de man. Die verkoop en levering van de woonboerderij was een gezamenlijk besluit van partijen. Het is zelfs zo dat de verkoop en levering een initiatief van de vrouw was.
De vrouw was bepaald niet enthousiast over woonboerderij. Het was en is een oud gebouw met het nodige onderhoud daaraan verbonden. De vrouw had meermalen gezegd dat zij eigenlijk wel ergens anders zou willen wonen. Zij had het wel een beetje gehad met de woonboerderij. ‘Niks is eeuwig’ zei zij dan. Dat is ook in gesprekken tussen de man en de vrouw voorafgaand aan overdracht van de woonboerderij aan de orde gekomen. De man zei in die gesprekken dat hij in de woonboerderij wilde blijven wonen. De vrouw reageerde met woorden met een strekking ‘Nou, dan neem jij toch die boerderij’; ‘Het is altijd wel zo'n beetje jouw ding geweest.’ De man ging daarmee akkoord. Daarbij speelde voor de man mede een rol dat niet lang tevoren een verdeling van gronden in de omgeving van de woonboerderij tussen de man en broers van hem tot stand was gekomen en daaruit had de man eigendom verkregen van een perceel dat grenst aan het perceel van de woonboerderij. Op dat perceel heeft hij zijn werkplaats/opslag.’
Onjuist is dus om te overwegen in weerwil van de stelling van de man. De stelling van de man was en is dat de vrouw de boerderij maar niks vond en dat zij daarover met de man heeft gesproken en toen besloot ‘nou, dan neem jij toch die boerderij’ en dat het aldus van de verkoop is gekomen (zie bovenstaande citaat), niet dat hij zou hebben betwist dat de vrouw, tot haar vertrek in 2016, in de echtelijke woning is blijven wonen.
11.
Onbegrijpelijk is dat het hof het overwogene sub 3 van r.o. 5.8.2 ten grondslag legt aan zijn oordeel dat sprake is van misbruik van omstandigheden en het aldaar gestelde kan dat oordeel evenmin dragen. Het moge zo zijn, dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat zij niet wist dat zij op 24 december 2013 afstand had gedaan van haar recht op betaling van € 100.000,00, maar die verklaring is niet geloofwaardig. Zij heeft daar immers zelf voor getekend en door of namens de man is in reactie daarop ter zitting opgemerkt dat het niet anders kan dan dat de vrouw destijds wel degelijk wist dat zij afstand deed en daarbij gewezen op het betreffende stuk, waarin in kapitalen is vermeld: ‘KWIJTSCHELDING’11.. De man heeft gesteld dat de vrouw dat sprake was van een schenking (uit vrijgevigheid), zoals ook in het betreffende stuk betreffende de kwijtschelding staat vermeld.12. Ten onrechte suggereert het hof, dat voor die vrijgevigheid een speciale grond zou moeten bestaan; dat berust dan op een onjuiste rechtsopvatting. Daarenboven valt (zonder nadere overweging, die ontbreekt) überhaupt niet in te zien — anders dan het hof overweegt — dat deze schenking een omstandigheid is die een rol heeft gespeeld of zou kunnen spelen bij het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden.
12.
De onder punt 4 genoemde omstandigheid zegt helemaal niets over de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden en kan die beslissing derhalve niet dragen
13.
Onder punt 5 van r.o. 5.8.2 overweegt het hof: ‘Hieruit leidt het hof af dat de bespreking die aanleiding was voor de gewijzigde concepten buiten aanwezigheid van de vrouw heeft plaatsgevonden, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd.’ Ook dat kan de bestreden beslissing van het hof niet dragen, maar (ook) hier gaat het hof voorbij aan ter zake essentiële stellingen van de man en met name zijn stelling13. dat hij zich niet kan herinneren dat hij nog een gesprek met de notaris heeft gehad over ondergeschikte punten in de akte, zoals de notaris in zijn e-mail heeft geschreven.14. Bovendien gaat het hof er ten onrechte aan voorbij, dat blijkens de inhoud van de (ook door het hof geciteerde) e-mail van de notaris om slechts ondergeschikte punten ging. De man heeft daarvan uitdrukkelijk bewijs aangeboden15., hetwelk het hof ten onrechte heeft gepasseerd (waarover hieronder nader). Daarbij is onbegrijpelijk de verwijzing van het hof naar de e-mail van 9 april 2014. Anders dan het hof (in navolging van de vrouw) overweegt, is deze immers niet naar het e-mail-adres van de man verzonden, maar naar de zoon van partijen, waar de man meermalen op heeft gewezen16. en waar het hof ten onrechte aan voorbij is gegaan, terwijl, als het dat wel in zijn oordeel had betrokken, tot een ander oordeel had moeten nopen.
14.
Ook de overwegingen onder de punten 6 t/m 8 kunnen de bestreden beslissing niet dragen. De man bestrijdt niet het onder punt 7 overwogene, dat het afhankelijk is van de bedoeling van partijen of de man dan wel de vrouw gerechtigd is tot enig deel van het saldo van de kredietrekening bij de Rabobank, maar deze rekening is zowel door de man als de vrouw gebruikt.17. Indien partijen daarover willen afrekenen (c.q. de gerechtigdheid of hun bijdrageplicht willen vaststellen), moet aldus worden nagegaan met welk bedrag de man respectievelijk de vrouw de rekening heeft gevoed c.q. met welk bedrag hij of zij opnames en uitgaven ten laste van die bankrekening hebben gedaan, hetgeen het hof heeft miskend. Als ook de vrouw gerechtigd is tot die bankrekening en zij akkoord gaat met een betaling van de koopsom voor de woning/boerderij op die bankrekening, dan is daarmee de koopsom voldaan. De koopsom is betaald op een bankrekening over het saldo waarvan (ook) de vrouw kon beschikken en tot welk saldo (ook) de vrouw gerechtigd was. Volgens de redenering van het hof kan de vrouw bij de afrekening over de bankrekening tussen partijen aanspraak maken op betaling aan haar van een bedrag van die koopsom, vermeerderd c.q. verminderd met het saldo van de haar toe te rekenen betalingen op die bankrekening en de door haar gedane opnames en uitgaven. De overweging van het hof dat de koopsom voor de boerderij niet aan de vrouw ten goede is gekomen en dat de vrouw door de overdracht van de echtelijke woning geen voordeel heeft genoten, is dus onjuist en onbegrijpelijk. De overweging (voorts) van het hof dat de kredietrekening voornamelijk door de man werd gevoed en gebruikt en de man daarom voornamelijk gerechtigd was tot het saldo van de kredietfaciliteit van de rekening-courant, leidt niet logischerwijs tot de conclusie, althans is onvoldoende om te concluderen, dat de koopsom van de woning niet aan de vrouw ten goede is gekomen. De vrouw was en is immers eveneens gerechtigd (c.q. draagplichtig) ten aanzien van het saldo van die rekening. Het gaat erom hoeveel de vrouw heeft gestort c.q. opgenomen en hoeveel de man heeft gestort c.q. opgenomen en niet om de vraag wie de rekening in overwegende mate gebruikte. Bij dat alles is niet zonder betekenis dat ook de vrouw op meerdere plaatsen heeft gesteld dat zij er altijd vanuit is gegaan dat het om een gezamenlijke rekening van partijen ging18. en voor zover het hof anders heeft geoordeeld, is het aldus buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk. Daarenboven valt (zonder nadere overweging, die ontbreekt) überhaupt niet in te zien — anders dan het hof overweegt — dat de inkomsten en uitgaven via de rekening-courant een rol hebben gespeeld of zouden kunnen spelen bij het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden.
15.
In de laatste volzin van punt 7 overweegt het hof: ‘Of de man dan wel de vrouw gerechtigd is tot enig deel van het saldo hangt af van de bedoeling van partijen’, maar het hof verzuimt vast te stellen wat die bedoeling is geweest. Hoe dan ook kan daaruit evenmin een argument worden geput dat sprake is van misbruik van omstandigheden.
16.
Met het voorgaande kunnen de laatste twee volzinnen van punt 8 evenmin in stand blijven. Daarenboven volgt de vaststelling door het hof in de laatste volzin ‘Hierdoor is de koopsom van de woning niet aan de vrouw ten goede gekomen’ niet logischerwijs uit de vaststelling in de een na laatste volzin ‘dat voornamelijk de man ten behoeve van zijn privévermogen gerechtigd was tot het saldo/de kredietfaciliteit van de rekening-courant’. Hetzelfde geldt voor de laatste volzin van punt 9. Dat het restant van de koopsom van de echtelijke woning niet in het vermogen van de vrouw is gevloeid, volgt niet logischerwijs uit het feit dat de rekening-courant voornamelijk door de man werd gebruikt. Of een of andere som wel of niet in het vermogen van de vrouw is gevloeid, hangt af van de bedoeling van partijen omtrent die bankrekening en over die bedoeling heeft het hof nu juist niets vastgesteld. Bovendien heeft het hof zijn conclusie dat het voornamelijk de man is geweest die de rekening-courant heeft gebruikt, gebaseerd op betalingsverkeer dat heeft plaatsgevonden na de datum van de aankoop van de woning en de wijziging van de huwelijksvoorwaarden. Dat betalingsverkeer na die datum is geen omstandigheid die aanwezig was bij de wijziging van de huwelijksvoorwaarden en kan daarom bij de beoordeling van de bij die wijziging relevante omstandigheden niet worden betrokken.
17.
Onbegrijpelijk is de overweging in punt 8 van rov. 5.8.2, eerste volzin, te weten dat op de peildatum 15 onroerende goederen tot het vermogen van de man behoorden, waarbij het hof verwijst naar twee producties van de vrouw. Op beide producties heeft de man gereageerd met de stelling dat de vrouw in die producties drie resp. twee onroerende goederen noemt, die geen eigendom zijn van de man. Het hof gaat geheel voorbij aan die betwistingen van de man.19.
18.
Ten onrechte heeft het hof niet in zijn oordeel betrokken de stelling van de man dat beide partijen zowel voorafgaand als na hun uiteengaan de kredietrekening hebben gebruikt en zijn blijven gebruiken.20. Partijen zijn medio 2016 uit elkaar gegaan en de man heeft onbetwist gesteld dat de kredietrekening ten tijde van dat uiteengaan van partijen een schuld had van € 101.796,00.21. De man heeft (voorts) uitdrukkelijk gesteld dat hij na het verbreken van die samenwoning in totaal € 235.246,14 (€ 147.104, 20 + € 88.141,94) op die kredietrekening heeft betaald en/of door zijn schuldenaren op die rekening heeft laten betalen.22. Ten onrechte houdt het hof slechts rekening met de uitgaven die de man ten laste van de kredietrekening heeft gedaan, maar niet met het feit dat hij voornoemde som van € 235.246,14 op die kredietrekening heeft betaald en/of heeft laten betalen.
19.
Onbegrijpelijk is de overweging in punt 9 van r.o. 5.8.2 (pag. 12, 8e regel): ‘Dat betreft echter een door de man zelf opgesteld overzicht, waarbij de onderliggende verificatoire stukken ontbreken’. Dat laatste is aantoonbaar onjuist. De man heeft immers in zijn overzicht (productie 64) per jaar en datum de bedragen, die leiden tot de totaalsom van € 147.104,20 vermeld en in de laatste alinea van pag. 8 van zijn aanvullend verweerschrift in eerste aanleg van 16 juni 2021 aangegeven dat die betalingen allemaal zijn terug te vinden in de door de vrouw overgelegde bankafschriften van de kredietrekening en de door de man als productie 5 en productie 65 overgelegde bankafschriften. En tenslotte (maar niet onbelangrijk) heeft de vrouw de betalingen van de man tot een totaal van € 147.102,20 niet betwist, zodat het hof daarvan had moeten uitgaan.
20.
Onbegrijpelijk is de daaropvolgende overweging in punt 9 (pag. 12, 9e regel): ‘Bovendien betreft een deel van de betalingen, te weten € 88. 141,94, betaalde rente voor het gebruik van de rekening-courant’. Zoals uit het voorgaande volgt, vormt laatstgenoemde som geen onderdeel van voornoemde som van € 147.104,20, maar staat deze daar los van en heeft de man van die rentebetalingen de bewijsstukken als productie HB 13 overgelegd.
21.
Onbegrijpelijk is de daaropvolgende overweging in punt 9 (pag. 12, 13e regel): ‘Over de jaren 2016 t/m 2019 kan het hof niet vaststellen of de man de rente heeft voldaan, nu over die jaren geen bankafschriften zijn overgelegd, althans de man niet heeft verwezen naar bankafschriften die zich in het dossier bevinden.’ De man heeft immers als productie HB 13 voor de jaren 2016 t/m 2019 jaaroverzichten van de bank overgelegd, waarop is vermeld dat de rente is betaald, alsmede voor de jaren 2020 en 2021 de bankafschriften, waarop de maandelijkse betalingen van de rente is vermeld, en ten slotte een optelling die uitkomt op het bedrag van € 88.141,94. De man heeft in par. 42 van zijn verweerschrift in incidenteel appel (pag 12, derde alinea) uitdrukkelijk verwezen naar deze stukken.23. Daarenboven: de vrouw heeft niet gesteld dat zij de rente heeft betaald en heeft evenmin betwist dat het de man is geweest die die rente heeft betaald, zodat het hof daarvan had moeten uitgaan.
22.
Ten onrechte heeft het hof niet in zijn oordeel betrokken de stellingen van de man over de betalingen/uitgaven die de vrouw heeft gedaan ten laste van de kredietrekening. De man heeft daarover gedetailleerd gesteld in zijn aanvullend verweerschrift van 16 juni 2021, vanaf de 4e alinea op pagina 5 t/m de 2e alinea van pagina 8, alsmede het verweerschrift in incidenteel appel, p. 14, par. 53, in het kort hierop neerkomende, dat (ook) de vrouw de betreffende rekening veelvuldig heeft gebruikt, onder meer voor uitgaven die niet als huishoudelijke kosten kunnen worden geduid. Het hof had die essentiële stellingen in zijn oordeel moeten betrekken, hetgeen het hof verzuimd heeft te doen en hetgeen, als het hof dat wel had gedaan, tot een ander oordeel had moeten nopen.
23.
In rov. 5.8.3, eerste alinea, oordeelt het hof dat de overdracht van de woning, de betaling en kwijtschelding van de koopsom, het gebruik door de man van de rekening-courant en de totstandkoming van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden (slechts drieënhalve maand na de overdracht van de echtelijke woning) waarbij een bespreking met de notaris heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de vrouw, de afhankelijkheid van de vrouw bevestigt en in de tweede alinea van die rechtsoverweging oordeelt het hof dat uit de door de in rov. 5.8.2 en 5.8.3 weergegeven omstandigheden ‘in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden.’ Maar dat sprake is geweest van afhankelijkheid c.q. onervarenheid is door de man uitdrukkelijk betwist en volgt ook niet logischerwijs uit die door het hof opgesomde reeks van omstandigheden.
24.
Dat er sprake is van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid, zoals het hof in de eerste alinea van rov. 5.8.3 heeft overwogen, is, zoals hiervoor aangegeven, voor het aannemen van misbruik van omstandigheden onvoldoende. Bovendien miskent het hof dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden het enkel aankomt op omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst24., terwijl o.a. het gebruik van de rekening-courant van ná de wijziging van de huwelijksvoorwaarden dateert.
25.
Uit het voorgaande volgt dat onbegrijpelijk is de overweging in r.o. 5.8.3, dat er sprake is van een reeks van rechtshandelingen en feitelijke handelingen die tot onevenredige benadeling van de vrouw hebben geleid, dat de koopsom van het voor de echtelijke woning niet in haar vermogen is gevloeid omdat dit bedrag is uitgegeven onder het beheer van de rekening-courant door de man en zij een rekening-courant op haar naam heeft met een debetsaldo van ruim € 317.000,00, welke grotendeels door toedoen van de man zou zijn ontstaan en de opgenomen gelden nagenoeg geheel te zijnen bate zijn besteed en is (evenzeer) onbegrijpelijk de overweging (in r.o. 5.8.3) dat uit de door het hof weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid in deze reeks van feitelijke handelingen en rechtshandelingen door de man is bewogen tot het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden, alsmede dat de man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door haar afhankelijkheid en onervarenheid bewogen werd tot het geven van instemming en hij (desalniettemin) de instemming van de vrouw heeft bevorderd, terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat hij de vrouw daarvan had behoren te weerhouden. Daarenboven heeft het hof niets feitelijk vastgesteld waaruit zou kunnen volgen dat de vrouw door afhankelijkheid en onervarenheid ergens toe werd bewogen. Dat zulks het geval zou zijn geweest, is ook door de man ook uitdrukkelijk betwist.25. Daarenboven heeft het hof niets feitelijk vastgesteld waaruit zou kunnen volgen:
- —
dat de man de vrouw heeft bewogen tot het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden;
- —
dat de man wist of had moeten begrijpen dat de vrouw door haar afhankelijkheid c.q. onervarenheid bewogen werd tot het geven van instemming;
- —
dat de man de instemming van de vrouw heeft bevorderd;
- —
dat de man wist of had moeten begrijpen dat hij de vrouw van instemming had behoren te weerhouden,26. althans heeft het hof niet of onvoldoende gemotiveerd waaruit een en ander zou kunnen of moeten worden afgeleid.
26.
Daarmee kunnen ook rov. 5.8.4, eerste volzin, en 5.8.5 niet in stand blijven.
II
In rov. 5.8.4, tweede volzin e.v., passeert het hof ten onrechte het bewijsaanbod van de man. Ook in appel geldt de regel van artikel 166 Rv. dat een partij tot (getuigen)bewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van betwiste feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden,27. waarbij nog als bijzonderheid geldt dat van een partij die in hoger beroep bewijs aanbiedt, mag worden verwacht dat zij voldoende concreet duidelijk maakt op welk van haar stellingen dit bewijs betrekking heeft en, voor zoveel mogelijk, wie daarover een verklaring zou(den) kunnen afleggen, c.q. ten aanzien van welke stellingen een deskundigenbericht nog nieuw licht op de zaak zou kunnen werpen, welke deskundige dat zou moeten zijn en over welke kwalificaties die deskundige dan zou moeten beschikken.28. In casu voldoet het bewijsaanbod29. aan die (in hoger beroep te stellen) eisen, waarbij, anders dan het hof heeft overwogen, juist zeer relevant is de stelling dat de vrouw meerdere keren heeft gezegd dat zij de wijziging wilde en begreep, zodat het hof het bewijsaanbod (ook) niet op die grond had mogen passeren.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage te vernietigen de tussen partijen op 5 oktober 2023 onder zaaknummers 200.317.874/01 en 200.317.561/01 door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch gewezen beschikking, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rijswijk, 1 februari 2024
Advocaat [A07813]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑02‑2024
Het verweerschrift vermeldt zaaknummer C/01/34315 en rekestnummer 19/614, wat een kennelijke vergissing is.
Dit vermeldt zaaknummer 16/6343, wat eveneens een kennelijke vergissing is.
Het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, vermeldt zaaknummer 200.306.212/01 ; zo ook is het met pen in het stempel van het hof aangegeven. Het hof noemt dat zaaknummer ook in rov. 5.4, vijfde regel van onderen. Dat betreft de alimentatiezaak, waarin het hof op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan (en in elke zaak eveneens beroep in cassatie bij uw Raad is ingesteld, zaaknr. 24/00083). Later is aan onderhavige zaak de zaaknummers 200.317.874/01 en 200.317.561/01 toegekend.
Het hof vermeldt in rov. 4.3, dat de grieven van de vrouw in incidenteel hoger beroep ‘zien op de afwijzing van het beroep op dwaling (grief 2) … ’, maar die grief 2 ziet op de afwijzing van het beroep op bedrog. Het principaal beroep van de vrouw, grief 4, alsmede het petitum, zien op dwaling. Slordig, maar niet echt van belang. In rov. 4.6 is het wel juist weergegeven.
Verweerschrift incidenteel appel, par. 25.
Zie met name het verweerschrift in incidenteel appel sub 19 t/m 27, met verwijzing naar hetgeen hij in dat verband reeds heeft aangevoerd in het verweerschrift in eerste aanleg van 29 juni 2022 sub 11 en 13 t/m 16 en 20, alsmede zijn verweerschrift van 27 april 2021 sub 1.5 t/m 1.19 en 7. In haar pleitnota in hoger beroep is de vrouw daar weliswaar nader op ingegaan, maar het aldaar gestelde houdt de facto niet veel méér in dan de verwijzing naar het verzoekschrift in eerste aanleg van 7 mei 20206 en het aanvullend verzoekschrift d.d. 20 april 2021, maar dat doet er niet aan af dat het aldaar gestelde door de man uitdrukkelijk is betwist en het hof dus niet voor waar mocht aannemen.
Cursivering door mij, advocaat.
Zie verweerschrift/zelfstandig verzoek vrouw d.d. 7 mei 2020 par. 12, verweerschrift tegen zelfstandig verzoek man d.d. 29 juni 2020 par 12, tweede alinea en laatste alinea (maar ook heel die paragraaf), par. 1.7. van het verweerschrift man d.d. 27 april 2021 en de akte uitlating man d.d. 17 december 2021 par. 3.3. (pag. 6).
door mij, advocaat.
Zie productie 51, behorend bij de brief c.q. het verweerschrift van 27 april 2021, waarnaar in dat verweerschrift (sub 5) uitdrukkelijk is verwezen.
De man heeft hierover ter zitting verklaard: p-v zitting rechtbank 7 mei 2021, blad 14, laatste alinea; Verweer man d.d. 27 april 2021, par. 5 (pag. 5). Zie ook verweer man tegen grief 5 van het principale beroep van vrouw. De rechtbank heeft in rov. 2.4. van de beschikking van 5 november 2021 bij de feiten vastgesteld dat de akte vermeldt dat de vrouw uit vrijgevigheid afstand doet van haar rechten uit de vordering van € 100.000 en de rechtbank heeft in rov. 3.4.32 herhaald dat de vrouw in de akte heeft verklaard uit vrijgevigheid afstand te doen. Daartegen is door de vrouw geen (kenbare) grief gericht.
Aanvullend verweerschrift van 27 april 2021, pag. 3 bovenaan
‘Bij gebrek aan wetenschap betwist de man dat. Als dat zo zou zijn (misschien een telefoongesprek), maakt dat het verhaal niet anders, want de notaris schreef zelf dat het om ondergeschikte punten zou zijn gegaan.‘
Zie het verweerschrift van 27 april 2021, pag. 3, 2e alinea, maar ook in hoger beroep, waarover hierna nader.
Verweerschrift tegen zelfstandig verzoek d.d. 29-06-2020 p. 10, laatste zin; verweerschrift 27-04-2021 p. 2, 3e alinea van onderaf; p-v zitting van 2-04-2023, p. 6 bovenaan, alwaar de man zegt ’Alles liep via onze zoon, die had kantoor aan huis; hij was er eigenlijk altijd. Ik had geen mobiel of e-mail. Onze zoon regelde het als er een email binnenkwam.’
Met name in Verweer incidenteel appel par. 35, 38, 44, 53 en 56, maar ook op andere plaatsen in verweer incidenteel appel: p. 9 laatste alinea, pag. 10 bovenaan, tweede alinea van p. 11, p. 12 bovenaan, par. 54, p. 16 tweede alinea. Op diverse plaatsen is uitdrukkelijk gesteld dat het ook om uitgaven ging die alleen aan de vrouw ten goede zijn gekomen, zoals in de volgende paragrafen van verweer 28 juni 2022 tegen incidenteel beroep:— par. 35: uitgaven die aan de vrouw ten goede zijn gekomen.— par. 38: uitgaven voor zichzelf.— par. 44: ten behoeve van de vrouw.— Par. 53: ten behoeve van de vrouw.— par. 56: die alleen haar ten goede zijn gekomen.Ook in eerste aanleg en met name in aanvullend verweerschrift van man 16 juni 2021, onder meer op p. 3, tweede en derde alinea, par. 6 op p. 4, p. 4 onderaan en p. 5 bovenaan en met name ook p. 6 vanaf tweede alinea van onderen, p. 7 en p. 8 eerste en tweede alinea.
Verweerschrift/zelfstandig verzoek 07-05-2020 par. 16 tweede alinea, naar welke stelling de man heeft verwezen in zijn verweerschrift in incidenteel appel 28-06-2022 p. 9 tweede alinea van onderaf. Mr van Vliet tijdens zitting hof 26 april 2023: ‘De vrouw dacht dat partijen het krediet samen waren aangegaan’, zie p-v p. 9 tweede alinea.
Verweerschrift man 29-06-2020 p. 6 bovenaan en aanvullend verweerschrift man van 27-04-2021, p. 6 bovenaan.
Verweer man tegen zelfstandig verzoek pag. 19; verweer man 27-0-2021 tegen aanvullend verzoekschrift pag. 8 laatste alinea; aanvullend verweer man 16-6-2021, p. 3 en p. 6 paragraaf 6 met verwijzing naar prod. 61; aanvullend verweer man 16-6-2021 p. 4 laatste alinea en p. 5 eerste alinea en volgende alinea's. + p. 6 eerste alinea en laatste alinea met verwijzing naar prod. 65 + pag. 7 tot laatste alinea + p. 8 tweede alinea en vierde alinea + p. 9, paragraaf 10; tevens verweer tegen incidenteel appel par. 35 + p. 11 tweede alinea + par. 38 + par. 53 + par. 56.
Aanvullend verweerschrift d.d. 16 juni 2021 p. 4 laatste alinea en p. 5 eerste alinea; Verweerschrift incidenteel appel par. 53 op p. 14.
Zie de 3e alinea van p. 12 van het verweerschrift in het incidenteel appel
Zij het dat de man daar abusievelijk heeft verwezen naar HB 12 waar de man evident HB 13 bedoelde, een voor iedereen kenbare vergissing.
Zie Hijma, T&C ad art. 3:44 BW aant. 6 sub g, met verwijzing naar HR 5 januari 1996, NJ 1996/320, zoals het hof ook zelf onderkent in rov. 5.8.4, laatste volzin.
In par. 21 van zelfstandig verzoek vrouw van 6 mei 2020 heeft vrouw aan misbruik van omstandigheden ten grondslag gelegd: onervarenheid en onkunde — afhankelijkheid heeft zij daar niet genoemd. Die onervarenheid en onkunde heeft de man in zijn verweer tegen zelfstandig verzoek 29 juni 2020 p. 15 gemotiveerd betwist. Zie verder ook datzelfde verweerschrift p. 7, laatste alinea, p. ,8 4e alinea. De rechtbank heeft in rov. 3.4.13 van de beschikking van 5 november 2021 de stellingen van de vrouw over de gang van zaken in het huwelijk van partijen beoordeeld tegen de achtergrond van de afhankelijkheid in de zin van art 3: 44 lid 4 BW — dat is iets anders dan dat de vrouw afhankelijkheid expliciet ten grondslag heeft gelegd aan misbruik van omstandigheden. De stellingen van de vrouw over de gang van zaken in het huwelijk heeft de man gemotiveerd betwist (zoals de rechtbank in dezelfde rov. 3.4.13 overweegt) in verweerschrift tegen zelfstandig verzoek 29 juni 2020 paragrafen 7 t/m 10; zo ook in par. 1.3. van verweerschrift 27 april 2021. Voor het eerst in hoger beroep (te weten in par. 94 van haar incidenteel beroepschrift) stelt de vrouw geestelijk overwicht en afhankelijkheid, maar die stellingen heeft de man gemotiveerd betwist in de paragrafen 20 t/m 27 van diens verweerschrift tegen incidenteel appel van 28 juni 2022.
Zoals het hof overweegt in de laatste alinea van rov. 5.8.3.
zie met name HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270.
zie hieromtrent o.m. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4 2020/209 e.v…
Beroepschrift p. 25 eerste twee alinea's, verweerschrift in incidenteel appel, p. 4, tweede alinea, p. 8 bovenaan en p. 24 bovenaan.