HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758
Hof Arnhem-Leeuwarden, 09-09-2025, nr. 200.330.285
ECLI:NL:GHARL:2025:5529
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
09-09-2025
- Zaaknummer
200.330.285
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2025:5529, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 09‑09‑2025; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2024:3741, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 04‑06‑2024; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
ECLI:NL:GHARL:2024:2460, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 11‑04‑2024; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2023:7325
- Vindplaatsen
Notamail 2025/217
JERF Actueel 2025/417
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/557
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0522
JERF 2025/149
JERF Actueel 2024/274
ERF-Updates.nl 2024-0298
VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0298
JERF 2024/129
Notamail 2024/91
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/247
JERF Actueel 2024/176
VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0247
ERF-Updates.nl 2024-0247
JERF 2024/104
Uitspraak 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Vervolg op HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:758. Beschikking na beantwoording prejudiciële vragen over de bewindvoerder en artikel 4:193 BW. Moet in dit geval de termijn van 3 maanden van artikel 4:193 BW buiten toepassing blijven (onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid)?
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.330.285
zaaknummer rechtbank Gelderland (team bewind en erfrecht), zittingsplaats Zutphen, 10564351
beschikking van 9 september 2025
in de zaak van
[verzoekster] ( [verzoekster] )
die woont in [woonplaats]
verzoekster in hoger beroep
advocaat: mr. E.J. Moll
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Op 4 juni 2024 heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad die zijn beantwoord op 16 mei 2025.1.Op 23 mei 2025 heeft mr. Moll zich uitgelaten over de antwoorden van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen. Hij heeft toen gemeld dat het bewind dat was ingesteld over de goederen van [verzoekster] , is geëindigd op 25 maart 2024. Dat betekent dat [verzoekster] vanaf dat moment zelf procesbevoegd is en in dit geding niet langer wordt vertegenwoordigd door haar bewindvoerder.
1.2.
Op 19 augustus 2025 heeft op uitdrukkelijk verzoek van [verzoekster] een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).
2. De verdere beoordeling
2.1.
Uit de antwoorden van de Hoge Raad volgt:
- A.
De bewindvoerder in een meerderjarigenbewind is een wettelijke vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 4:193 BW, behalve als de geërfde goederen niet onder het bewind zouden vallen.
- B.
De bewindvoerder moet binnen een termijn van drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap of een aandeel daarin de erfgenaam toekomt, een verklaring van verwerping, van beneficiaire aanvaarding of van zuivere aanvaarding afleggen. Voor verwerping heeft de bewindvoerder de machtiging van de kantonrechter nodig. De termijn van drie maanden kan op verzoek van de bewindvoerder overeenkomstig artikel 4:192 BW worden verlengd. Dit vloeit voort uit artikel 4:193 lid 1 BW, gelezen in samenhang met artikel 1:441 lid 5, eerste zin, BW.
- C.
De nalatenschap geldt als door de rechthebbende beneficiair aanvaard, indien de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding niet binnen drie maanden of bij een verlenging van die termijn binnen de verlengde termijn aflegt.
2.2.
Het kan gebeuren dat een bewindvoerder binnen de termijn van artikel 4:193 lid 1 BW of binnen een verlengde termijn een machtiging tot verwerping heeft verzocht maar deze machtiging niet binnen de termijn is verleend, omdat de kantonrechter niet binnen die termijn beslist of omdat tegen een tijdige afwijzing van de machtiging hoger beroep wordt ingesteld. In dat geval is voor de vraag of de termijn is verlopen beslissend de datum waarop het verzoek om een machtiging voor verwerping te verlenen, is ingediend en niet de datum waarop de machtiging is verleend.2.Aldus luidt ook de aanbeveling in de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter, die ook aanbeveelt te bepalen dat in zo’n geval in de machtigingsbeschikking een termijn van twee maanden op te nemen waarbinnen de wettelijk vertegenwoordiger de verklaring van verwerping dient af te leggen bij de rechtbank.3.
2.3.
Erflaatster is de zus van [verzoekster] en is overleden op 1 januari 2023. Aan [verzoekster] komt vanaf 9 januari 2023 een aandeel in de nalatenschap van erflaatster toe. Op die dag heeft de (enige) erfgenaam die erflaatster had benoemd (haar broer [naam1] ) haar nalatenschap verworpen. Op dat moment zijn de ouders van erflaatster en haar andere broers en zussen uit eigen hoofde – voor zover zij op het ogenblik dat de nalatenschap is opengevallen bestonden (artikel 4:9 BW) – als erfgenamen bij versterf tot de nalatenschap van erflaatster geroepen (artikel 4:10 lid 1 letter b BW).
A. Is verwerpen van de nalatenschap ‘beschikken’
2.4.
Het hof heeft in de tussenbeschikking van 11 april 2024 geoordeeld dat verwerping een eenzijdige ongerichte rechtshandeling is die is aan te merken als het beschikken over goederen (rov. 3.6.2.). De Hoge Raad heeft in het kader van de beantwoording van de prejudiciële vragen geoordeeld dat het verwerpen van een nalatenschap niet valt onder ‘beschikken over een onder bewind staand goed’ als bedoeld in artikel 1:441 lid aanhef en letter a BW, omdat het bij de verwerpen van een nalatenschap niet zozeer gaat om het beschikken over een onder bewind staand goed, maar veeleer om het afwenden van aansprakelijkheid voor de schulden van de erflater (rov. 3.7.6.)). Dit brengt het hof tot een dienovereenkomstige heroverweging van zijn eerdere oordeel.
B. Geldt de nalatenschap als beneficiair aanvaard?
2.5.
Het hof oordeelt, gelet op de antwoorden van de Hoge Raad, op de prejudiciële vragen als volgt. De bewindvoerder heeft niet binnen de termijn van drie maanden nadat een aandeel in de nalatenschap van erflaatster aan [verzoekster] toekwam (uiterlijk op 9 april 2023) namens haar een verklaring van verwerping afgelegd of een verzoek om een machtiging de nalatenschap te verwerpen ingediend (rov. 2.2.). Dat betekent dat de nalatenschap door [verzoekster] als beneficiair aanvaard geldt.
C. Blijft de termijn van drie maanden buiten toepassing (beperkende werking redelijkheid en billijkheid)?
2.6.
[verzoekster] stelt dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij door de toepasselijkheid van artikel 4:193 BW gedwongen is de nalatenschap van erflaatster te vereffenen. Het hof begrijpt dat zij het onaanvaardbaar vindt strikt de hand te houden aan wat zij de fatale termijn van drie maanden noemt. Dit beroep op de onaanvaardbaarheidsexceptie is gegrond op de overeenkomstige toepassing van artikel 6:2 lid 2 BW buiten het verbintenissenrecht.4.
de gegeven omstandigheden
2.7.
In dit geding zijn de volgende omstandigheden ‘gegeven’.
A. Op 9 april 2023, het tijdstip dat de termijn van drie maanden van artikel 4:193 lid 1 BW verstreek, wist [verzoekster] nog niet dat erflaatster was overleden en dat zij erfgenaam was. De bewindvoerder is pas na het verstrijken van die termijn op 21 april 2023 op de hoogte geraakt van het overlijden van erflaatster door een bericht van de Belastingdienst. In die brief staat:
“U krijgt deze brief omdat u contactpersoon bent, executeur of iets krijgt uit de erfenis van [naam2] , (…) die is overleden op 1 januari 2023. U moet misschien aangifte erfbelasting doen.”
De bewindvoerder heeft [verzoekster] daarvan op 17 mei 2023 in kennis gesteld.
De ouders van erflaatster waren op 1 januari 2023 niet meer in leven. Op de mondelinge behandeling van 31 augustus 2023 heeft [verzoekster] verteld dat ze thuis met zes kinderen waren: erflaatster, haar broer [naam1] , [verzoekster] zelf, haar oudste broer [naam3] , haar zus [naam4] en haar broer [naam5] . [naam3] en [naam5] zijn beiden voor erflaatster overleden. [naam3] heeft twee zoons. [naam5] had geen kinderen of afstammelingen. [naam1] en zijn twee dochters [naam6] en [naam7] hebben de nalatenschap van erflaatster verworpen. Op dit moment zijn volgens de opgave van [verzoekster] de andere erfgenamen van erflaatster:
- -
de zoons van haar broer [naam3] , te weten [naam8] en [naam9] ;
- -
alle kleinkinderen van haar broer [naam1] ;
- -
haar zus [naam4] .
De kleinkinderen van [naam1] zijn nog minderjarig.
[verzoekster] heeft al heel lang geen contact meer met haar familie.
Volgens opgave van [verzoekster] is de nalatenschap negatief. Goederen zijn er niet (meer). Haar broer [naam1] heeft de bankpas en de bankpapieren van erflaatster meegenomen en in mei 2023 versnipperd. Een vriendin van erflaatster die het geld van erflaatster beheerde en boodschappen voor haar deed, heeft [verzoekster] verteld dat er nog zo’n € 1.500 tot € 2.000 op de bankrekening stond. De uitvaart van erflaatster is geregeld door haar beste vriendin en dier man; erflaatster was goed verzekerd. Er is nog wel een schuld aan Woonzorg van ruim € 10.000. Woonzorg heeft op 20 juni 2023 aan de bewindvoerder opgave gedaan van de volgende kosten:
- -
woningontruiming € 3.086,15
- -
achterstallige huur € 1.304,14
- -
herstel nicotine woning € 6.068,57 (offerte)
Van andere schulden van de nalatenschap is niet gebleken.
2.8.
Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen, en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW). Deze gezichtspunten zijn benoemd op de mondelinge behandeling van 19 augustus 2025.
2.9.
Voor een antwoord op de vraag of, en zo ja welke, algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen en welke maatschappelijke belangen hier een rol kunnen spelen is van belang wat in de tussenbeschikking van 11 april 2024 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis is overwogen over de strekking van artikel 4:193 BW (rov. 3.7.).
De strekking van artikel 4:193 BW is drieledig:
- 1.
De rechtspositie van een erfgenaam over wiens of wier goederen een bewind is ingesteld mag niet te lang onzeker zijn.
- 2.
Het risico dat die erfgenaam een negatieve nalatenschap krijgt moet worden vermeden.
- 3.
De afwikkeling van de nalatenschap kan plaatsvinden volgens de regels voor de wettelijke vereffening zonder kosten te maken voor het afleggen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en de inschrijving daarvan in het boedelregister.
Het gaat dan om rechtszekerheid en om de bescherming van een kwetsbare persoon. Het gaat ook om duidelijkheid voor de schuldeisers van een nalatenschap over de erfgenamen en de wijze van afwikkeling van die nalatenschap. Bij die strekking past de keuze van de wetgever voor een termijn van drie maanden vanaf het tijdstip waarop (een aandeel in) de nalatenschap toekomt aan de erfgenaam die een wettelijke vertegenwoordiger en de mogelijkheid verlenging daarvan te vragen voor afloop van die termijn. Daarbij past niet een termijn die pas gaat lopen vanaf het moment dat de wettelijke vertegenwoordiger ermee bekend is geraakt dat de rechthebbende (een aandeel in) een nalatenschap toekomt. Dat dient niet de rechtszekerheid, de rechtsbescherming en de duidelijkheid voor schuldeisers die met artikel 4:193 BW zijn beoogd.
2.10.
[verzoekster] heeft verteld dat zij een persoonlijk belang heeft bij verwerping van de nalatenschap. Zij kan er niets aan doen dat zij niet binnen de termijn van drie maanden heeft verworpen of een machtiging daarvoor heeft verzocht. Er is lang een bewind op haar goederen geweest vanwege schulden. Dat bewind is vorig jaar opgeheven. Zij is bang dat zij als erfgename van erflaatster opnieuw met schulden wordt geconfronteerd. Zij heeft al heel lang (meer dan 20 jaar) geen contact meer met haar familie. Zij wil hoe dan ook verwerpen, ook als de nalatenschap positief is. Dat is, zo zegt zij, om emotionele en principiële redenen. Op de mondelinge behandeling heeft ze gezegd dat ze haar familie haat.
2.11.
Het hof is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is vast te houden aan de termijn van drie maanden en aan de automatische beneficiaire aanvaarding na het verstrijken van de termijn van drie maanden. In dit geval heeft artikel 4:193 BW precies het effect gehad dat daarmee is beoogd. Het heeft rechtszekerheid geboden in die zin dat de rechtspositie van [verzoekster] niet te lang onzeker is gebleven. Het heeft rechtsbescherming geboden, omdat de risico’s die gepaard gaan met het erfgenaamschap van een negatieve nalatenschap zijn vermeden en zij niet bang hoeft te zijn dat zij opnieuw met schulden wordt geconfronteerd. Het heeft ten slotte ook duidelijkheid geboden voor schuldeisers over de vraag wie tot de erfgenamen behoren en wat de wijze van afwikkeling is. Daar staat tegenover dat [verzoekster] niet de gelegenheid heeft gehad de nalatenschap te verwerpen en dat zij nu met een aantal neven, achterneven en -nichten en haar zus [naam4] de nalatenschap van erflaatster moet afwikkelen, terwijl dat het laatste is dat ze wil. Dat is onvoldoende om te oordelen dat het dit geval onaanvaardbaar is om aan de termijn van drie maanden vast te houden. De gevolgen van de beneficiaire aanvaarding zijn beperkt. In de eerste plaats omdat, zolang de kantonrechter niet anders bepaalt, in dit geval sprake is van een zogeheten ‘lichte’ vereffening (artikel 4:221 lid 1 BW). De erfgenamen moeten in dat geval een boedelbeschrijving maken (artikel 4:211 lid 3 BW)., Als het juist is dat er in dit geval op de sterfdatum geen goederen waren en dat er slechts één schuldeiser is, is de boedelbeschrijving al bijna gereed. Zij kunnen verder volstaan met de oproeping van en verdere correspondentie met de bekende schuldeiser(s) per brief (artikel 4:214 leden 2, 3 en 4 BW). Zij moet de kantonrechter wel meedelen dat de nalatenschap een tekort vertoont (artikel 4:199 lid 2 BW). De wet biedt [verzoekster] bovendien mogelijkheden de gevolgen van een beneficiaire aanvaarding voor zichzelf te verzachten, al zal zij daarvoor wel verzoeken moeten doen aan de rechtbank of de kantonrechter. Zo kan zij vragen een professionele vereffenaar te benoemen (artikel 4:203 lid 1 BW) of om opheffing van de vereffening te bevelen (artikel 4:209 lid 1 BW). Zij kan de kantonrechter ook vragen te bepalen dat zij de bevoegdheden van alle vereffenaars samen alleen mag uitoefenen (artikel 4:198 BW).
Slotsom
2.12.
De slotsom is dat de grieven van [verzoekster] en ook het beroep dat zij heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, falen. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter van 28 juni 2023 bekrachtigen.
3. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 28 juni 2023;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑09‑2025
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5920. In gelijke zin Hof Den Haag8 augustus 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2050.
Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter. Algemene aanwijzingen voor verzoekers, versie 10.0 (september 2024), zoals vastgesteld door het LOVCK, te raadplegen op Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter (rechtspraak.nl).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 837.
Uitspraak 04‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Is de beschermingsbewindvoerder een ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in de zin van artikel 4:193 BW en in hoeverre is sprake van samenloop met de bepalingen in Boek 1 BW over het meerderjarigenbewind? Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.330.285
zaaknummer rechtbank Gelderland (team bewind en erfrecht), zittingsplaats Zutphen, 10564351
beschikking van 4 juni 2024
in de zaak van
[verzoekster1]
die optreedt als bewindvoerder in het bewind dat is ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan
[verzoekster2]
die woont in [woonplaats1]
verzoekster in hoger beroep
hierna: [verzoekster1] en [verzoekster2]
advocaat: mr. E.J. Moll
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Op 11 april 2024 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven en [verzoekster1] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. [verzoekster1] heeft dat gedaan op 2 mei 2024.
2. De verdere beoordeling
2.1.
[verzoekster1] verzoekt het hof de prejudiciële vragen A-D uit te breiden met twee aanvullende vragen aan de Hoge Raad. Dat zijn:
[Vraag E]
Dient het gedeelte van de tekst van artikel 4:193 lid 1 BW, inhoudende: ‘binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt’ te worden gelezen als: ‘binnen drie maanden nadat de erfgenaam ermee bekend is geraakt dat de nalatenschap, of een aandeel daarin, hem toekomt’?
[Vraag F]
De laatste zin van artikel 4:193 lid 1 BW luidt als volgt:
‘Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede zin worden verlengd’.
Dient de rechter op grond van de redelijkheid en billijkheid, verlenging van de drie maanden termijn toe te staan zelfs als deze al is verstreken, indien het de verzoeker (hij die machtiging vraagt om te mogen verwerpen) niet valt te verwijten, dat hij niet binnen de termijn van drie maanden het verzoek heeft gedaan om te mogen verwerpen of voor het verstrijken van deze termijn gevraagd heeft om verlenging van deze termijn, of indien de verzoeker niet in staat is geweest binnen drie maanden het verzoek te doen om te mogen verwerpen c.q. niet in staat is geweest binnen die termijn een verzoek te doen tot verlenging van die termijn?
2.2.
De twee vragen die [verzoekster1] wil toevoegen gaan over andere onderwerpen dan de prejudiciële vragen die het hof voorstelt (A-D). Die vragen A-D zijn:
- -
is de bewindvoerder een wettelijk vertegenwoordiger al bedoeld in artikel 4:193 BW en – als dat zo is –;
- -
2.3.
Beantwoording van vraag F is in deze procedure niet aan de orde, omdat [verzoekster1] geen verzoek heeft gedaan tot verlenging van de termijn van artikel 4:193 lid 1 tweede zin BW.
2.4.
Een antwoord op vraag E kan in deze procedure nodig zijn al naar gelang het antwoord van de Hoge Raad op de vragen A-D. Beantwoording van die vraag is dan aan het hof. Deze vraag valt niet onder het bereik van artikel 392 lid 1 letters a en b Rv en is dan ook geen rechtsvraag die aan de Hoge Raad kan worden gesteld ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.
2.5.
Het hof somt in 3 (onderdeel ‘De beslissing’) nogmaals de prejudiciële vragen op. Na beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad dan wel na een beslissing dat de Hoge Raad afziet van beantwoording krijgt [verzoekster1] de gelegenheid daarop te reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
Het hof:
3.1
stelt de volgende rechtsvragen aan de Hoge Raad:
[vraag A]
Behoort de bewindvoerder die is benoemd op grond van artikel 1:431 BW tot de kring van wettelijke vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 4:193 BW?
en, indien het antwoord op vraag A bevestigend luidt:
[Vraag B]
Dient ook de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind de verklaring van verwerping, van beneficiaire aanvaarding of van zuivere aanvaarding binnen de door artikel 4:193 lid 1 BW voorgeschreven termijn van drie maanden (eventueel te verlengen door de kantonrechter) af te leggen?
[Vraag C]
Geldt indien de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding niet binnen drie maanden aflegt, de nalatenschap als door de rechthebbende beneficiair aanvaard?
[Vraag D]
Geldt ook in geval van verwerping door de rechthebbende in een meerderjarigenbewind dat die verklaring binnen drie maanden moet worden afgelegd en dat bij het ongebruikt verstrijken van die termijn de nalatenschap als beneficiair aanvaard geldt?
3.2.
draagt de griffier op het procesdossier en een afschrift van de beschikking van 11 april 2024 en van deze beschikking aan de Hoge Raad toe te zenden;
3.3
houdt ieder verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2024.
Uitspraak 11‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Is de beschermingsbewindvoerder een ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in de zin van artikel 4:193 BW en in hoeverre is sprake van samenloop met de bepalingen in Boek 1 BW over het meerderjarigenbewind? Het hof is voornemens prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad..
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.330.285
zaaknummer rechtbank Gelderland (team bewind en erfrecht), zittingsplaats Zutphen, 10564351
beschikking van 11 april 2024
in de zaak van
[verzoekster]
die optreedt als bewindvoerder in het bewind dat is ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan
[naam1]
die woont in [woonplaats1]
verzoekster in hoger beroep
hierna: [verzoekster] en [naam1]
advocaat: mr. E.J. Moll
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 28 juni 2023 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het beroepschrift en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 augustus 2023 is gehouden.
2. De kern van de zaak
2.1.
Op 1 januari 2023 is de zus van [naam1] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster heeft geen echtgenoot, geregistreerd partner, kinderen of ouders achtergelaten. Erflaatster heeft in haar laatste testament van 1985 haar broer [de broer] tot enige erfgenaam benoemd. [de broer] heeft de nalatenschap op 9 januari 2023 verworpen. Dat betekent dat de wet de ouders van erflaatster en haar broers en zussen, onder wie [naam1] als erfgenamen tot de nalatenschap van erflaatster roept (artikel 4:10 lid 1 letter b BW). De ouders van erflaatster zijn voor erflaatster overleden. Of naast [naam1] nog andere broers of zussen of hun afstammelingen als erfgenaam optreden is niet duidelijk.
2.2.
Over alle goederen van [naam1] is op voet van artikel 1:431 BW een bewind ingesteld met benoeming van [verzoekster] tot bewindvoerder (beschikking rechtbank Zutphen van 26 maart 2012). [verzoekster] heeft op 19 juni 2023 de kantonrechter verzocht haar machtiging te verlenen de nalatenschap van erflaatster te verwerpen.
2.3.
De kantonrechter heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek, omdat vanaf het tijdstip dat de nalatenschap of een aandeel daarin aan [naam1] toekomt (9 januari 2023) tot aan het doen van het verzoek (19 juni 2023) de termijn van drie maanden van artikel 4:193 lid 2 BW al is verstreken. Daardoor geldt de nalatenschap als door [naam1] beneficiair aanvaard en kan zij deze niet meer verwerpen. De bedoeling van het hoger beroep is dat het verzoek alsnog worden toegewezen.
2.4.
Het hof zal oordelen dat de beschermingsbewindvoerder lijkt te vallen onder de term ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in artikel 4:193 BW, maar dat dit niet geheel duidelijk is. Ook is niet geheel duidelijk wat de mogelijke samenloop tussen deze bepaling en de bepalingen in Boek 1 BW over het beschermingsbewind betekent. Omdat de beantwoording van deze vragen van groot belang is voor de rechtspraktijk zal het hof prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad.
3. Het oordeel van het hof
3.1.
De inhoud van deze beschikking is als volgt.
Eerst komt aan de orde of de beschermingsbewindvoerder een ‘wettelijke vertegenwoordiger’ is in de zin van artikel 4:193 BW (3.2.-3.8.).
Daarna wordt vermeld wat in de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter en de Aanbevelingen meerderjarigenbewind over artikel 4:193 BW is bepaald (3.9.-3.10.).
Dan volgen enkele overwegingen voor het geval artikel 4:193 BW niet van toepassing is op de beschermingsbewindvoerder (3.11.).
Ten slotte formuleert het hof prejudiciële vragen over de reikwijdte van de term ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in artikel 4:193 BW en de mogelijke samenloop van deze bepaling met bepalingen in Boek 1 BW over het beschermingsbewind en licht deze prejudiciële vragen toe (3.12.-3.16.).
et
Is de beschermingsbewindvoerder een ‘wettelijke vertegenwoordiger’ als bedoeld in artikel 4:193 BW?
3.2.
De belangrijkste grief van [verzoekster] is dat de kantonrechter artikel 4:193 BW hier ten onrechte heeft toegepast. Volgens [verzoekster] is deze bepaling niet van toepassing op de bewindvoerder in een bewind van artikel 1:431 BW (hierna: beschermingsbewind). Volgens [verzoekster] wordt de verwerping van een nalatenschap door de beschermingsbewindvoerder geregeld in artikel 1:441 lid 2 onder a BW, zodat de bewindvoerder met toestemming van de rechthebbende zelf tot verwerping bevoegd is en pas machtiging van de kantonrechter nodig heeft, indien de rechthebbende weigerachtig of niet in staat is om toestemming te verlenen.
3.3.
Artikel 4:193 BW bepaalt dat een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze niet zuiver kan aanvaarden en voor verwerping een machtiging van de kantonrechter nodig heeft. De wettelijke vertegenwoordiger is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap of het aandeel daarin aan de erfgenaam toekomt. Heeft de wettelijke vertegenwoordiger de termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.
3.4.
De vraag is of de bewindvoerder in een beschermingsbewind een wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van artikel 4:193 BW. Bij de vraag of dit het geval is moet worden gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van deze bepaling, op de wets- en rechtsgeschiedenis, op de strekking van de bepaling en op verwante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek.
Gangbare betekenis van de woorden ‘wettelijke vertegenwoordiger’.
3.5.
Het begrip wettelijke vertegenwoordiger wordt vooral gebruikt voor de vertegenwoordiging van handelingsonbekwamen (minderjarigen en curandi). Gelet op de gangbare betekenis van de woorden ‘wettelijke vertegenwoordiger’ kan ook een bewindvoerder in een beschermingsbewind heel goed onder het begrip ‘wettelijke vertegenwoordiger’ vallen. Die gangbare betekenis is dat de wet voor een bepaald geval, hier een beschermingsbewind, een vertegenwoordiger aanwijst. Daarbij is van belang of de handeling die de vertegenwoordiger verricht tot zijn wettelijke taak behoort. Wie in een bepaling als bijvoorbeeld artikel 4:193 BW met wettelijke vertegenwoordiger is bedoeld hangt af van de context waarin die bepaling staat. Het gaat daarin om aanvaarding en verwerping van een nalatenschap. Dat zijn eenzijdige ongerichte rechtshandelingen die bij een beschermingsbewind dat is ingesteld over alle goederen die zullen toebehoren aan een rechthebbende tot de taak van de bewindvoerder horen en dus ook onder diens wettelijke vertegenwoordiging vallen.
De ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in de wets- en rechtsgeschiedenis
3.6.
In verschillende passages in de wetsgeschiedenis wordt aandacht besteed aan de ‘wettelijke vertegenwoordiger’.
Parlementaire geschiedenis van de Vaststellingswet Boek 4 BW (Wet van 11 september 1969 tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Staatsblad 1969/392).
3.6.1.
In de Toelichting Meijers bij de voorloper van artikel 4:193 BW staat over de wettelijke vertegenwoordiger (Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 941):
“Ten slotte zij er op gewezen, dat vertegenwoordigers krachtens volmacht en de organen van een rechtspersoon niet onder wettelijke vertegenwoordigers kunnen worden gerekend. Wettelijke vertegenwoordiging wordt door de wet voorgeschreven en geregeld. Zo b.v. bij de voogdij, de curatele van een geestelijk gestoorde, van een afwezige of van een gefailleerde.”
De Toelichting Meijers dateert van 1954. Op dat moment was nog geen sprake van een wettelijke regeling van het beschermingsbewind of een voorstel daartoe. Hier zijn niet alleen de wettelijke vertegenwoordigers voor handelingsonbekwamen genoemd, maar ook anderen, zoals de bewindvoerder in een afwezigenbewind en de curator als wettelijke vertegenwoordiger van een failliet.
Ook later in de wetsgeschiedenis wordt de term wettelijk vertegenwoordiger niet beperkt tot de vertegenwoordiger van handelingsonbekwamen, maar wordt die ook gebruikt voor de bewindvoerder van een afwezige. Zie Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 945 Memorie van Antwoord, Kamerstukken I 1968/69, 3771, nr. 133, ingezonden 3 juni 1969):
“Zowel het geldende recht als het ontwerp bepaalt dat een ieder de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving kan aanvaarden, alsmede dat een wettelijk vertegenwoordiger niet zuiver, alleen beneficiair kan aanvaarden. Zie in het geldende recht de artikelen 440 en 520 B.W. (voogd, curator en bewindvoerder voor een afwezige) en 41 B.W. (faillissementscurator). Bij het nieuwe Boek 1 is deze regel, wat voogd en curator betreft, opnieuw vastgesteld in artikel 353.”
Van 1 januari 1970 tot 1 januari 2003 bepaalde artikel 1:353 lid 2 BW voor de voogd:
1. De voogd kan een de minderjarige opgekomen erfenis niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
2. Hij kan niet zonder machtiging van de kantonrechter een de minderjarige opgekomen erfenis verwerpen, noch van een deze toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.
Deze bepaling is in de periode 1970-2003 van toepassing op het bewind van wettelijk vertegenwoordigers bij handelingsonbekwamen (voogd, ouder(s) met gezag en curator bij curatele). Ze is ook van toepassing op het afwezigenbewind van artikel 1:410 BW. Lid 2 is met de invoering van het nieuwe erfrecht en artikel 4:193 BW, in januari 2003, vervallen.Het afwezigenbewind is, al sinds januari 1970,geregeld in artikel 1:409-411 BW. Op dat bewind is, als de kantonrechter niet anders bepaalt, een groot deel van de bepalingen over het voogdijbewind van toepassing, inclusief artikel 1:353 BW (artikel 1:410 lid 1 BW). Tot 1 januari 2003 gold ook voor het afwezigenbewind als gezegd artikel 1:353 lid 2 BW.
Parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet Boek 4 BW
3.6.2.
Op 1 september 1982 is de regeling voor het beschermingsbewind in werking getreden (titel 19 van Boek 1 BW). In artikel 1:441 lid 5 BW is bepaald dat een bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. De bewindvoerder moet de nalatenschap beneficiair aanvaarden, tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr. 3, p. 23) is daarover te lezen:
“In lid 5 is een - niet in artikel 3.6.1.5 voorkomende - bepaling opgenomen inzake het aanvaarden van een aan de rechthebbende opgekomen erfenis, waarvan de tweede zin behoudens een voor de hand liggende uitzondering, overeenstemt met artikel 353 lid 1 van Boek 1. De bepaling is uiteraard slechts van belang indien de tot de nalatenschap behorende goederen onder het bewind zouden vallen, zodat de aanvaarding tot de taak van de bewindvoerder behoort. Hiertoe opent artikel 431 de mogelijkheid (…)”
In artikel 1:441 lid 2 onder b BW is nog bepaald dat de bewindvoerder een making (erfstelling of legaat) waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden alleen kan aannemen met toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter. In titel 19 van Boek 1 BW is geen expliciete bepaling opgenomen over de verwerping van een nalatenschap.
Bij de parlementaire behandeling van artikel 4:193 BW in de fase van de Invoeringswet was de regel van artikel 1:441 lid 5 BW al ingevoerd. Regelmatig wordt verwezen naar het beschermingsbewind. Zie bijvoorbeeld Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 1229, waarin het gaat over de boedelbeschrijving:
“Slechts als een der partijen het vrije beheer over zijn goederen mist, is een notariële akte verplicht. Tegenover het bestaande recht is dat echter geen verzwaring: de aanvaarding van een nalatenschap voor minderjarigen, curandi en faillieten moet immers toch steeds onder het voorrecht van boedelbeschrijving geschieden (zie de artikelen 1:353 en 1:386 BW en artikel 41 Faillissementswet). Slechts voor het beschermingsbewind kan hiervan worden afgeweken – artikel 1:441 BW – maar dan is toestemming van de rechthebbende vereist. Gewoonlijk zal de bewindvoerder echter wel niet kunnen vertrouwen op de geldigheid van de toestemming van iemand van wie ook de toekomstige goederen reeds onder bewind zijn gesteld.”
In de parlementaire geschiedenis is geen aandacht besteed aan de verhouding tussen artikel 4:193 BW en artikel 1:441 lid 5 BW. Er zijn twee in het oog springende verschillen tussen beide bepalingen:
- 1.
Volgens artikel 4:193 BW kan de wettelijke vertegenwoordiger niet zuiver aanvaarden; in artikel 1:441 lid 5 BW is bepaald dat de bewindvoerder wel zuiver kan aanvaarden, maar dat alleen kan met toestemming van de rechthebbende.
- 2.
In artikel 4:193 BW is geregeld dat de wettelijke vertegenwoordiger voor verwerping de machtiging van de kantonrechter nodig heeft en binnen drie maanden vanaf het tijdstip dat de nalatenschap of een aandeel daarin toekomt aan degene die hij vertegenwoordigt de verklaring van verwerping moet afleggen. In artikel 1:441 BW of elders in titel 19 van Boek 1 BW is geen expliciete bepaling over verwerping namens de rechthebbende opgenomen. Wel bepaalt artikel 1:441 lid 2 letter a BW dat de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of vervangende toestemming van de kantonrechter nodig heeft voor het beschikken over een onder bewind staand goed. Verwerping is een eenzijdige ongerichte rechtshandeling die is aan te merken als het beschikken over goederen (de nalatenschap of het aandeel daarin) die van rechtswege zijn overgegaan op de rechthebbende/erfgenaam (artikel 4:182 lid 1 BW); de verwerping werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (artikel 4:190 lid 4 BW) en heeft als effect dat de goederen van de nalatenschap of het aandeel daarin niet tot het vermogen van de rechthebbende zijn gaan behoren. Voor het afwezigenbewind dat blijkens de wetsgeschiedenis onder de reikwijdte van artikel 4:193 BW valt geldt vanaf 2003 vanwege de overeenkomstige toepassing van artikel 1:345 lid 1 letter a BW dat voor verwerping altijd de machtiging van de kantonrechter nodig is; toestemming van de rechthebbende die afwezig is kan daar geen rol spelen.
Aanvankelijk was artikel 4:193 BW ook van toepassing op de faillissementscurator. Pas laat in het wetgevingsproces is het huidige lid 3 ingevoerd dat bepaalt dat de leden 1 en 2 toepassing missen in faillissement. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 021, 3, p. 21 Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte (nadere wijziging van Boek 4):
“Ingevolge lid 3 mist artikel 4.5.2.4 toepassing in geval van faillissement, nu daar-
voor in artikel 41 Fw een eigen regeling is gegeven (van overeenkomstige toepassing bij
de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, artikel 313 Fw). Bij faillissement, en
ook in geval van schuldsanering, is er geen reden af te wijken van de in artikel 41 Fw ge-
stelde eis van toestemming van de rechter-commissaris voor beneficiaire aanvaarding.
Voorts bestaat er onvoldoende aanleiding om ook bij faillissement uit te gaan van het
systeem dat de nalatenschap na drie maanden in beginsel als beneficiair aanvaard geldt.
Aan te nemen valt dat de faillissementscurator vrijwel altijd een tijdige keuze voor beneficiaire aanvaarding of verwerping zal maken, zeker wanneer hem om een keuze wordt verzocht. Niet uit te sluiten valt voorts dat de faillissementscurator in verband met de aan beneficiaire aanvaarding verbonden verplichting tot vereffening van de nalaten-
schap, daarvan in meer gevallen zal willen afzien dan de ouder of voogd. Vergelijk voor
het begrip wettelijk vertegenwoordiger overigens de Toelichting van Meijers op artikel
4.5.2.4, blz. 355.”
De betreffende passage in de Toelichting Meijers is hiervoor al geciteerd (“Wettelijke vertegenwoordiging wordt door de wet voorgeschreven en geregeld. Zo b.v. bij de voogdij, de curatele van een geestelijk gestoorde, van een afwezige of van een gefailleerde.”)
Voor het beschermingsbewind is een dergelijke bepaling over het buiten toepassing blijven van artikel 4:193 lid 1-2 BW niet ingevoerd.
De strekking van artikel 4:193 BW
3.7.
Als ratio van artikel 4:193 lid 2 BW (na het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt de nalatenschap geacht als door de erfgenaam beneficiair te zijn aanvaard) wordt genoemd (Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 942):
“Het voordeel is dat de rechtstoestand van de nalatenschap en de rechtspositie van de erfgenaam niet langdurig in het onzekere kunnen blijven.”
Zie ook Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 946-947:
“Evenmin ziet de ondergetekende voldoende grond om alsnog af te stappen van de kortelings bij de vaststelling van het nieuwe Boek 1 en de Invoeringswet uitdrukkelijk gehandhaafde regel dat een nalatenschap door de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige of curandus slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan worden aanvaard. Een wettelijke vertegenwoordiger behoort niet op kosten van de vertegenwoordigde het risico te aanvaarden dat de verhouding tussen de goederen en de schulden der nalatenschap tegenvalt en de vertegenwoordigde met een passief saldo wordt belast.”
Naast bevordering van de rechtszekerheid en beperking van het risico van een negatieve nalatenschap beoogt artikel 4:193 BW de rechthebbende ook te beschermen tegen de kosten die zijn gemoeid met het (laten) opstellen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en de inschrijving daarvan in het boedelregister:
“Ter bevordering van een geordend rechtsverkeer en ter vermijding van de noodzaak en kosten, ook in kleine boedels, van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en inschrijving daarvan, is in de tweede zin van lid 1 bepaald dat de termijn (…) van rechtswege aanvangt, zodat ingevolge lid 2 de nalatenschap na ongebruikt verloop van de termijn als beneficiair aanvaard geldt” (Parl. Gesch. Boek 4 (Inv.), p. 2196).
De strekking van artikel 4:193 BW is dat de rechtspositie van een erfgenaam die een wettelijk vertegenwoordiger heeft niet te lang onzeker mag zijn, dat het risico dat die erfgenaam een negatieve nalatenschap krijgt moet worden vermeden en dat de afwikkeling van de nalatenschap volgens de regels van beneficiaire aanvaarding ook zonder het maken van (al te veel) kosten binnen bereik van die erfgenaam komt. Die strekking is goed te begrijpen bij een curandus of een minderjarige die niet zelf kan aanvaarden of verwerpen, maar ook bij een rechthebbende over wiens goederen een bewind is ingesteld omdat hij niet in staat is zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen. In dat opzicht lijkt een verschil tussen een curatele en een beschermingsbewind niet gerechtvaardigd.
Andere bepalingen in Boek 4 BW waarin de term ‘wettelijke vertegenwoordiger’ voorkomt:
3.8.
De term ‘wettelijke vertegenwoordiger’ komt ook in andere bepalingen in Boek 4 BW voor.
3.8.1.
Artikel 4:16 lid 2 BW verplicht de wettelijke vertegenwoordiger van de echtgenoot of het kind die/dat ‘niet het vrije beheer over zijn vermogen’ heeft een boedelbeschrijving in te leveren. De term wettelijke vertegenwoordiger omvat hier ook de bewindvoerder in een beschermingsbewind, als dat is ingesteld over alle (toekomstige) goederen van de rechthebbende.
3.8.2.
In artikel 4:202 lid 2 BW gaat het over ‘de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair heeft aanvaard’ en het artikel biedt deze vertegenwoordiger de mogelijkheid bij een positief saldo van de nalatenschap een verzoek om opheffing van de verplichting tot vereffening te doen. Deze bepaling was aanvankelijk voorgesteld als lid 3 bij artikel 4:193 BW met de volgende toelichting (Parl. Gesch. Boek 4 BW p. 2195):
“MvA II. Artikel 4.5.2.4. (….) Deze voorziening is nodig omdat in de meeste gevallen bij boedels met minderjarigen en curandi de verplichting om te vereffenen volgens de regels die de wet bij beneficiaire aanvaarding stelt, een te zwaar middel is.”
Uiteindelijk is de bepaling verplaatst naar lid 2 van artikel 4:202 BW. Zie Parl. Gesch. Boek 4 BW p. 2195:
“NW 6. Artikel 4.5.2.4. Het derde lid van artikel 4.5.2.4 is overgebracht naar artikel
4.5.3.1 lid 2, waardoor in laatstgenoemd artikel volledig is geregeld wanneer een vereffening overeenkomstig afdeling 4.5.3 moet plaats hebben.”
3.8.3.
In artikel 4:212 BW gaat het over de schade die de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam aan de schuldeisers van de nalatenschap heeft toegebracht. Het draait om de wettelijke vertegenwoordigers die namens een erfgenaam vereffenen. Tot de taak van een bewindvoerder in een beschermingsbewind dat is ingesteld over alle goederen van een erfgenaam behoort de vereffening. In deze bepaling omvat de wettelijke vertegenwoordiger dus ook de bewindvoerder.
De Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter
3.9.
De Expertgroep Erfrecht van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton
(LOVCK) van de rechtspraak is belast met advisering op het gebied van het erfrecht aan het LOVCK, mede met het oog op gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de
verschillende rechtbanken. Om te komen tot die gewenste uniformering heeft die expertgroep de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter (hierna: de Handleiding) opgesteld. De Handleiding strekt landelijk, dus in alle rechtbanken, tot uitgangspunt. In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken. De Handleiding is niet alleen bedoeld voor de kantonrechters, maar ook voor de erfgenamen en (juridisch) professionals die bij de afwikkeling van nalatenschappen betrokken zijn. De Handleiding bevat enerzijds uitleg over en toelichting op een groot aantal wetsartikelen en bevat anderzijds aanbevelingen.
Bij de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter tot het verlenen van de machtiging tot verwerping vermeldt de Handleiding (versie 9.0, p. 13):
“Er bestaat twijfel over de vraag of onder “wettelijk vertegenwoordiger” ook moet worden verstaan: de bewindvoerder. Om duidelijkheid te bieden voor verzoekers adviseert de Commissie Erfrecht vooralsnog om het begrip ruim te interpreteren.”
En, bij de toelichting op artikel 4:193 BW (Handleiding versie 9.0, p. 93):
“Wanneer de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard of - met machtiging van de kantonrechter - wordt verworpen, dient de wettelijk vertegenwoordiger (de curator, ouder of voogd) deze verklaring in beginsel binnen drie maanden af te leggen. Aanbevolen wordt deze regeling ook toe te passen bij beschermingsbewind.”
In de Handleiding wordt daarom de kantonrechters aanbevolen de afwezigheidsbewindvoerder (titel 1.18 Boek 1 BW) en de beschermingsbewindvoerder (titel 1.19 Boek 1 BW) onder de wettelijke vertegenwoordigers van artikel 4:193 BW te scharen.
3.10.
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) van de rechtspraak heeft, op voorstel van de Expertgroep Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap, aanbevelingen gedaan aan de kantonrechters belast met de behandeling van bewindszaken. Deze Aanbevelingen meerderjarigenbewind (versie 31 januari 2023) luiden onder E.3 tot en met E.5 voor zover hier van belang als volgt:
“E.3 Wanneer vaststaat de nalatenschap negatief is, dient de bewindvoerder zo spoedig mogelijk aan de kantonrechter machtiging tot verwerping te verzoeken. (…)Voor de beoordeling van verzoeken tot verwerping en termijnverlenging, wordt verwezen naar de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter, te vinden op rechtspraak.nl.
E.4. Wanneer onvoldoende duidelijk is dat het saldo van de nalatenschap negatief is, dient de bewindvoerder beneficiair te aanvaarden.
E.5. Wanneer de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard of - met machtiging van de kantonrechter - wordt verworpen, dient de bewindvoerder deze verklaring ingevolge artikel 4:193 lid 1 BW in beginsel binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt, af te leggen. (…) Laat de bewindvoerder deze termijn verlopen, dan geldt de erfenis als beneficiair aanvaard (art 4:193 lid 2 BW).”
Ook de Aanbevelingen gaan ervan uit dat de beschermingsbewindvoerder behoort tot de kring van wettelijke vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 4:193 BW.
Indien artikel 4:193 BW niet van toepassing is op de beschermingsbewindvoerder
3.11.
Zou de beschermingsbewindvoerder geen wettelijke vertegenwoordiger zijn als bedoeld in artikel 4:193 BW dan geldt voor de aanvaarding en verwerping van een nalatenschap in het geval van een beschermingsbewind een geheel eigen regeling.
3.11.1.
Voor de aanvaarding geldt dan immers het bepaalde in artikel 1:441 lid 5 BW. Alleen de beschermingsbewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de nalatenschap voor laatstgenoemde te aanvaarden. Die aanvaarding kan met toestemming van de rechthebbende zuiver plaatsvinden. Verleent de rechthebbende geen toestemming dan kan geen zuivere aanvaarding plaatsvinden. Vervangende toestemming van de kantonrechter is niet mogelijk. De bewindvoerder kan dan alleen aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
3.11.2.
De bewindvoerder heeft in dat geval niet de mogelijkheid om met een beroep op artikel 4:202 lid 2 BW de kantonrechter te verzoeken om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet en zo de vereffeningskosten te vermijden. Die mogelijkheid hebben slechts de wettelijke vertegenwoordigers bedoeld in artikel 4:193 BW nu uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan 4:193 en 4:202 lid 2 BW hetzelfde begrip “wettelijke vertegenwoordiger” ten grondslag ligt (zie hiervoor 3.8.2.). Er zal bij beschermingsbewind dus altijd – ten minste lichte – vereffening plaatsvinden bij een nalatenschap met een waarde die niet zo gering is dat zij aanleiding geeft tot een bevel (op verzoek) tot opheffing van de vereffening op grond van artikel 4:209 lid 1 BW.
3.11.3.
Artikel 1:441 lid 5 BW lijkt alleen voor de aanvaarding te zijn geschreven en zoals gezegd kent Titel 19 van Boek 1 BW geen bijzondere bepaling over verwerping. Als de bewindvoerder de nalatenschap voor de rechthebbende wenst te verwerpen kan hij dat dan ook, aangezien verwerpen beschikken is (zie hiervoor onder 3.6.2.), op grond van artikel 1:441 lid 2 aanhef en sub a BW alleen met toestemming van de rechthebbende of vervangende machtiging van de kantonrechter.
3.11.4.
Dat betekent tevens dat niet alleen de bewindvoerder, maar ook de rechthebbende de nalatenschap kan verwerpen. Tijdens het bewind kan de rechthebbende immers, zij het met medewerking van de bewindvoerder of vervangende machtiging van de kantonrechter, over de onder het bewind staande goederen beschikken (artikel 1:438 lid 2 BW).
3.11.5.
Als de bewindvoerder geen wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van artikel 4:193 lid 1 BW, is het bepaalde in artikel 4:193 lid 2 BW ook niet van toepassing. Dat betekent dat indien geen keuze wordt gemaakt door de bewindvoerder (zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping) en/of de rechthebbende (verwerping), de kantonrechter hen daartoe op verzoek van een belanghebbende een termijn kan stellen op grond van artikel 4:192 lid 2 BW. Laat de bewindvoerder en/of de rechthebbende die termijn zonder een keuze te maken verstrijken dan wordt de rechthebbende geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden, zo bepaalt artikel 4:192 lid 3 BW. Dat lijkt zich niet te verhouden tot de bescherming die het bewind de rechthebbende zou moeten bieden, maar is wel de consequentie wanneer artikel 4:193 BW niet van toepassing is bij beschermingsbewind.
Maken de bewindvoerder en de rechthebbende geen keuze, maar verklaren een of meer van de andere erfgenamen dat zij beneficiair aanvaarden, dan wordt de rechthebbende wel geacht beneficiair te hebben aanvaard op grond van artikel 4:192 lid 4 BW, tenzij alsnog binnen de aldaar bedoelde termijnen door de bewindvoerder voor de rechthebbende wordt verworpen of zuiver wordt aanvaard dan wel door de rechthebbende wordt verworpen.
Of de beschermingsbewindvoerder een wettelijke vertegenwoordiger in de zin van artikel 4:193 BW is, is nog niet duidelijk: prejudiciële vragen.
3.12.
Gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van artikel 4:193 BW, op de wets- en rechtsgeschiedenis, op de strekking van de bepaling en op verwante bepalingen in Boek 4 BW lijkt ook de beschermingsbewindvoerder onder de omschrijving van ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in artikel 4:193 BW te vallen. Ook de Handleiding en de Aanbevelingen volgen die lijn.
3.13.
Gelet op het grote aantal beschermingsbewinden dat is en wordt uitgesproken, is de eenduidige beantwoording van deze rechtsvraag voor de praktijk van – met name – de bewindvoerders en de kantonrechters van groot belang. Als de bewindvoerder geen wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van artikel 4:193 BW heeft dat, zoals hiervoor overwogen, verregaande gevolgen.
3.14.
Het hof is dan ook voornemens alvorens een eindbeslissing in deze zaak te nemen de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen:
[vraag A]
Behoort de bewindvoerder die is benoemd op grond van artikel 1:431 BW tot de kring van wettelijke vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 4:193 BW?
3.15.
Indien artikel 4:193 BW van toepassing is bij beschermingsbewind: samenloop met bepalingen over het beschermingsbewind
3.15.1.
De regel van artikel 4:193 lid 1 BW dat een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam niet zuiver voor deze kan aanvaarden, maar alleen beneficiair kan aanvaarden, geldt niet bij een meerderjarigenbewind, aangezien op grond van het bepaalde in artikel 1:441 lid 5 BW de bewindvoerder, zij het met toestemming van de rechthebbende, wel zuiver kan aanvaarden. Die laatstbedoelde regel is speciaal geschreven voor het meerderjarigenbewind en gaat voor het bepaalde in artikel 4:193 lid 1 BW. Aanvaardt de bewindvoerder zuiver, dan is het bepaalde in artikel 4:193 BW niet van toepassing aangezien dat zich beperkt tot het geval beneficiair wordt aanvaard (of wordt verworpen).
3.15.2.
Wat betreft de beneficiaire aanvaarding door de wettelijke vertegenwoordiger verschillen de artikelen dan weer niet: de strekking van artikel 4:193 lid 1 BW dat een wettelijke vertegenwoordiger slechts beneficiair kan aanvaarden, wijkt niet af van de in artikel 1:441 lid 5 BW gegeven regel dat een bewindvoerder (als hij geen toestemming heeft van de rechthebbende) alleen onder het voorrecht van boedelbeschrijving kan aanvaarden.
3.15.3.
Voor verwerping behoeft de wettelijke vertegenwoordiger op grond van artikel 4:193 lid 1 BW een machtiging van de kantonrechter.
3.15.4.
Zoals hiervoor besproken biedt het meerderjarigenbewind de bewindvoerder in artikel 1:441 lid 2 aanhef en sub a BW in beginsel een extra mogelijkheid: hij mag ook verwerpen met toestemming van de rechthebbende, machtiging van de kantonrechter is dan niet nodig. In zoverre lijkt het bepaalde in artikel 1:441 lid 2 aanhef en sub a BW het bepaalde in artikel 4:193 lid 1 BW aan te vullen.
3.15.5.
Aangezien artikel 1:441 leden 2 en lid 5 BW geen bijzondere termijn geven voor de verwerping respectievelijk beneficiaire aanvaarding door de bewindvoerder zal ook de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind de verklaring van verwerping of van beneficiaire aanvaarding binnen de door artikel 4:193 lid 1 BW voorgeschreven termijn van drie maanden (eventueel te verlengen door de kantonrechter) moeten afleggen.
3.15.6.
Samenloop vindt evenmin plaats tussen het bepaalde in de artikelen 4:193 lid 2 en 1:441 lid 2 en 5 BW bij gebreke van een bijzondere termijnbepaling in laatstbedoelde artikelen (of elders in Titel 19 van Boek 1 BW). Dat betekent dat indien de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind de verklaring van verwerping of beneficiaire aanvaarding niet binnen drie maanden aflegt, de nalatenschap geldt als door de rechthebbende beneficiair aanvaard. Omdat die bewindvoerder ook zuiver kan aanvaarden, heeft het niet binnen de driemaandstermijn afleggen van de verklaring van zuivere aanvaarding eveneens het gevolg dat de nalatenschap als beneficiair aanvaard geldt.
3.15.7.
Hiervoor werd al overwogen dat bij meerderjarigenbewind ook de rechthebbende zelf de nalatenschap kan verwerpen, zij het met medewerking van de bewindvoerder of vervangende machtiging van de kantonrechter op grond van artikel 1:438 lid 2 BW. Voor dat geval lijkt artikel 4:193 BW niet geschreven, nu dat artikel slechts rept over de wettelijke vertegenwoordiger. Daar staat tegenover dat de situatie dat de bewindvoerder verwerpt met toestemming van de rechthebbende of met machtiging van de kantonrechter niet erg afwijkt van die waarin de rechthebbende verwerpt met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantontrechter. Het hof neigt naar de conclusie dat ook in geval van verwerping door de rechthebbende die verklaring binnen drie maanden moet worden afgelegd en dat bij het ongebruikt verstrijken van die termijn de nalatenschap als beneficiair aanvaard geldt.
3.16.
Ook de eenduidige beantwoording van de hiervoor in 3.15.1-3.15.7 door het hof aan de orde gestelde rechtsvragen is voor de rechtspraktijk van groot belang. Het hof is dan ook voornemens de Hoge Raad naast vraag A ook de volgende prejudiciële vragen te stellen:
[Vraag B]
Dient ook de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind de verklaring van verwerping, van beneficiaire aanvaarding of van zuivere aanvaarding binnen de door artikel 4:193 lid 1 BW voorgeschreven termijn van drie maanden (eventueel te verlengen door de kantonrechter) af te leggen?
[Vraag C]
Geldt indien de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding niet binnen drie maanden aflegt, de nalatenschap als door de rechthebbende beneficiair aanvaard?
[Vraag D]
Geldt ook in geval van verwerping door de rechthebbende in een meerderjarigenbewind dat die verklaring binnen drie maanden moet worden afgelegd en dat bij het ongebruikt verstrijken van die termijn de nalatenschap als beneficiair aanvaard geldt?
3.17.
De bewindvoerder zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het voornemen van het hof om de hiervoor gemelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.
4. De beslissing
Het hof:
4.1
stelt de bewindvoerder in de gelegenheid om zich uiterlijk 9 mei 2024 uit te laten over het voornemen van het hof om de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen:
[vraag A]
Behoort de bewindvoerder die is benoemd op grond van artikel 1:431 BW tot de kring van wettelijke vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 4:193 BW?
en, indien het antwoord op vraag A bevestigend luidt:
[Vraag B]
Dient ook de bewindvoerder van een meerderjarigenbewind de verklaring van verwerping, van beneficiaire aanvaarding of van zuivere aanvaarding binnen de door artikel 4:193 lid 1 BW voorgeschreven termijn van drie maanden (eventueel te verlengen door de kantonrechter) af te leggen?
[Vraag C]
Geldt indien de bewindvoerder de verklaring van verwerping, beneficiaire aanvaarding of zuivere aanvaarding niet binnen drie maanden aflegt, de nalatenschap als door de rechthebbende beneficiair aanvaard?
[Vraag D]
Geldt ook in geval van verwerping door de rechthebbende in een meerderjarigenbewind dat die verklaring binnen drie maanden moet worden afgelegd en dat bij het ongebruikt verstrijken van die termijn de nalatenschap als beneficiair aanvaard geldt?
4.2
houdt ieder verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. van Vugt en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024.