Zie r.o. 4.15 van de uitspraak van Hof 's‑Hertogenbosch.
HR, 18-12-2020, nr. 20/01566
20/01566
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-2020
- Zaaknummer
20/01566
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:2040, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:2878
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑07‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑05‑2020
- Vindplaatsen
V-N 2020/65.24 met annotatie van Redactie
FED 2021/33 met annotatie van I.L.S. IJzerman
NLF 2021/0013 met annotatie van Sara Verkaik
NTFR 2021/248 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
FutD 2020-3769
Viditax (FutD) 2020121804
Uitspraak 18‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Art. 16, lid 2, aanhef en onderdeel c, AWR; kenbaarheidsvereiste; pleitbaar standpunt.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01566
Datum 18 december 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2020, nrs. 18/00676 en 18/00677, betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2018, nr. 17/05454, ECLI:NL:HR:2018:1203 (hierna: het verwijzingsarrest) is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch (nrs. 15/00429, 15/00462 en 15/00463), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
3. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1
In het verwijzingsarrest is geoordeeld dat het verzuim het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, en dat de omstandigheid dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag met de bevindingen van dat boekenonderzoek geen rekening is gehouden daarvan het gevolg is.
3.2
Na verwijzing was onder meer, en voor zover voor beoordeling van het middel van belang, in geschil of voor belanghebbende redelijkerwijs kenbaar was dat de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.
3.3
Het middel bestrijdt het oordeel dat dit voor belanghebbende niet redelijkerwijs kenbaar was. Het middel faalt. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Het voorwaardelijke incidentele beroep
Aangezien het principale beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt daarom het incidentele beroep .
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.
Beroepschrift 18‑12‑2020
Den Haag, 13 mei 2020
Kenmerk: 2020-0000087103
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 7 april 2020, nr. 18/00676, inzake [X] te [Z] betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007. Van deze uitspraak is op 7 april 2020 een afschrift aan de Belastingdienst, kantoor Den Haag/Centraal Serviceteam Beroep toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, doordat het Hof heeft geoordeeld dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag wel sprake is van een fout als bedoeld in deze bepaling, doch dat deze fout voor belanghebbende niet kenbaar was, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
het Hof bij deze beoordeling ten onrechte de kenbaarheid toetst ten tijde van het ontvangen van de primitieve aanslag, terwijl dit getoetst had moeten worden ten tijde van het ontvangen van de eerste navorderingsaanslag;
- b.
het oordeel van het Hof over de kenbaarheid onbegrijpelijk dan wel onjuist is, doordat het Hof pleitbaarheid van een standpunt en kenbaarheid van een fout met elkaar vereenzelvigd en er ten onrechte van uitgaat dat de pleitbaarheid niet meer in geschil is, terwijl slechts is berust in het oordeel dat geen sprake was van kwade trouw.
Feitelijk kader
1.
Vanaf 30 juni 2009 vindt een boekenonderzoek plaats bij belanghebbende, waarbij de controlerende ambtenaar heeft verzuimd de automatische afdoening van de aangifte te blokkeren.
2.
Op 11 december 2009 is belanghebbende ingekeerd voor een niet eerder aangegeven buitenlandse bankrekening.
3.
Op 5 februari 2010 is de primitieve aanslag IB/PH 2007 opgelegd door middel van automatische afdoening.
4.
Op 14 juni 2010 is het conceptcontrolerapport aan belanghebbende toegezonden, waarin voor het jaar 2007 correcties met betrekking resultaat uit overige werkzaamheden (exploitatie/handel onroerende zaken) ad € 2.335.291 en een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (privé uitgaven ten laste van de B.V.) ad € 5.526 werden aangekondigd.
5.
Over het conceptrapport hebben twee besprekingen plaatsgevonden op 29 september 2010 en 2 november 2010.
6.
Tussen deze twee besprekingen in is door de medewerker van de Belastingdienst belast met de afwikkeling van het inkeerverzoek een navorderingsaanslag (hierna: de eerste navorderingsaanslag) opgelegd d.d. 23 oktober 2010, waarin alleen de correcties met betrekking tot de buitenlandse bankrekening zijn aangebracht.
7.
Tijdens de bespreking van 2 november 2010 heeft belanghebbende of zijn gemachtigde geen melding gemaakt van de eerste navorderingsaanslag.
8.
De eerste navorderingsaanslag, waarin de correcties uit het conceptcontrolerapport niet zijn verwerkt is opgelegd op 23 oktober 2010. Tijdens de tweede bespreking d.d. 2 november 2010 heeft de inspecteur deze voorgestelde correcties nog steeds verdedigd. Het was belanghebbende derhalve duidelijk dat de inspecteur in de periode van 29 september 2010 tot en met 2 november 2010 (en ook daarna) vasthield aan de correcties.
9.
Op 2 december 2011 is de tweede navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de in het controlerapport opgenomen correcties inzake resultaat overige werkzaamheden en reguliere voordeel uit aanmerkelijk belang zijn aangebracht.
10.
In de vorige cassatieronde heeft de Hoge Raad met betrekking tot de eerste navorderingsaanslag geoordeeld dat sprake is van een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR. Deze fout betreft volgens de Hoge Raad het niet vermelden van het boekenonderzoek in de computers van de Belastingdienst, waardoor bij de eerste navorderingsaanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met de bevindingen uit dat boekenonderzoek.
Beschouwing
In r.o. 4.18 toetst het Hof of ten tijde van het opleggen van de eerste navorderingsaanslag met betrekking tot de bij de tweede navorderingsaanslag aangebrachte correcties sprake is van een kenbare fout. Omdat het Hof de door belanghebbende in de aangifte ingenomen standpunten pleitbaar acht, is volgens het Hof ten aanzien van deze correcties geen sprake van een kenbare fout. Het Hof meent dat een dergelijke fout niet gecorrigeerd kan worden bij een tweede navorderingsaanslag.
Hier speelt de beoordeling van de kenbaarheid, daarbij doet het er niet toe of belanghebbende te goeder trouw is of een pleitbaar standpunt heeft (anders dan bij navordering wegens kwade trouw) maar is relevant of het voor belanghebbende kenbaar was dat de wil van de inspecteur (over de hoogte van de op te leggen belastingaanslag) niet overeenkomt met de opgelegde navorderingsaanslag. In casu was hem dat kenbaar, gelet op de uitingen van de inspecteur in het controleproces Uit het controlerapport en na de eerste bespreking was het belanghebbende immers kenbaar dat de inspecteur de correcties wilde doorvoeren. De tweede (geplande) bespreking heeft ook niet een andere indruk kunnen wekken.
Het Hof miskent eveneens dat bij de eerste navorderingsaanslag sprake was van een andere kenbare fout, te weten het bij de primitieve aanslag van 5 februari 2010 niet meenemen van de op 11 december 2009 door belanghebbende gemelde buitenlandse bankrekening.
Daarmee ontstaat een situatie dat de inspecteur een (eerste) navorderingsaanslag op mag leggen. Ten tijde van het opleggen van die aanslag (23 oktober 2010) was de inspecteur en ook belanghebbende bekend met de in het conceptrapport van het boekenonderzoek aangekondigde correcties. Vanwege de door de Hoge Raad erkende fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR zijn deze correcties toen achterwege gebleven en zijn alleen de met de inkeer samenhangende correcties meegenomen.
Ook was het belanghebbende bekend dat de inspecteur deze correcties niet wenste prijs te geven, gelet op het eerste gesprek d.d. 29 september 2010 en de vervolgafspraak voor een tweede gesprek d.d. 2 november 2010. Nu dit tweede gesprek niet werd afgezegd of anderszins is gecommuniceerd dat van de voorgenomen correcties werd afgezien, moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat vanwege een fout of vergissing de correcties uit het controlerapport niet waren meegenomen.
In dit kader is opmerkelijk dat belanghebbende en/of zijn gemachtigde tijdens het tweede gesprek d.d. 2 november 2010 niet hebben gemeld dat de eerste navorderingsaanslag, zonder de correcties van het boekenonderzoek was opgelegd. Gelet op het later door belanghebbende ingenomen standpunt (dat de inspecteur van zijn standpunt overtuigd was geraakt) had het voor de hand gelegen dat belanghebbende de vervolgafspraak had afgezegd, omdat er naar zijn opvatting geen geschil meer was.
Het Hof had derhalve dienen te onderzoeken in hoeverre bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag sprake is van een voor belanghebbende kenbare fout. Dat de toets op dat niveau moet worden aangelegd, blijkt ook duidelijk uit het verwijzingsarrest van de Hoge Raad. In r.o. 2.3.4. omschrijft de Hoge Raad de fout namelijk als volgt:
‘Dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen rekening is gehouden met de bevindingen van het boekenonderzoek, is het gevolg van het achterwege blijven van deze vermelding. Aldus is de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout is de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, die navordering rechtvaardigt.’
Het gaat er dus om of deze fout voor belanghebbende kenbaar was toen hij de eerste navorderingsaanslag ontving. Niet relevant is of een en ander bij het ontvangen van de primitieve aanslag kenbaar was. Het Hof heeft derhalve een onjuiste toets aangelegd. Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR spreekt namelijk over:
‘… of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, …’
Het gebruik van de term belastingaanslag impliceert dat niet alleen de primitieve aanslag beoordeeld mag worden, maar of de voorgaande belastingaanslag (aldus de eerste navorderingsaanslag) ten gevolge van een fout tot een te laag bedrag is vastgesteld.
Gelet op de aangekondigde correcties en de opstelling van de inspecteur in de besprekingen over het boekenonderzoek, moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de uit dat boekenonderzoek naar voren komende correcties ten onrechte achterwege waren gebleven.
Daarbij merk ik nog op dat naast de correcties inzake het resultaat overige werkzaamheden ook een correctie van € 5.526 aan uitdelingen in verband met door de BV betaalde privé uitgaven speelde, waarover het Hof zich op geen enkele wijze heeft uitgelaten wat betreft de pleitbaarheid van het door belanghebbende inzake deze correctie ingenomen standpunt.
Ten slotte merk ik nog op dat het Hof oordeelt dat door mij in de vorige ronde het oordeel inzake de pleitbaarheid niet zou zijn bestreden. Hof 's‑Hertogenbosch heeft in r.o. 4.17 (opgenomen in onderdeel 4.1. van de uitspraak) inderdaad geoordeeld over de pleitbaarheid, doch enkel in het kader van de beoordeling van kwade trouw. Het oordeel dat geen sprake was van kwade trouw heb ik inderdaad niet aangevochten, doch daarmee heb ik mij niet zonder meer neergelegd bij de in dat kader door het Hof bijkomstig genomen beslissing inzake de pleitbaarheid. Dat aanvechten had geen zin nu het oordeel inzake de kwade trouw door mij juist werd geacht.
Overigens valt op dat Hof 's‑Hertogenbosch ten aanzien van de uitdelingen niet heeft geoordeeld dat sprake was van een pleitbaar standpunt. Op dat punt oordeelt het Hof slechts dat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende de uitdelingen bewust niet had opgenomen in de aangifte. In zoverre gaat Hof Arnhem-Leeuwarden in ieder geval ten onrechte uit van een vaststaande pleitbaarheid.
Ten slotte merk ik nog op dat partijen in de verwijzingszaak er vanuit zijn gegaan dat de kenbaarheid van de fout nog getoetst diende te worden. Ik acht evenwel ook mogelijk dat deze horde reeds gepasseerd was. In het verwijzingsarrest overwoog u namelijk dat sprake was van een fout die navordering rechtvaardigt. Daaruit kan afgeleid worden dat de navordering op zich reeds mogelijk was, doch dat in verwijzing nog geoordeeld diende te worden over de hoogte van de correcties.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
3.0. Voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 16, lid 2., onderdeel c, AWR en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.3. heeft geoordeeld dat na verwijzing niet meer de mogelijkheid bestaat aan te voeren dat het causaal verband tussen de blokkadefout en het bij de eerste navorderingsaanslag geen rekening houden met de bevindingen uit het boekenonderzoek ontbrak en het Hof daardoor niet heeft onderzocht of door het behandelen van de aangifte en de inkeer op twee eenheden een beoordelingsfout is gemaakt. Het Hof heeft miskend dat Hof 's‑Hertogenbosch niet is toegekomen aan de beoordeling van zijn stelling dat door […] bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag een beoordelingsfout is gemaakt omdat hij op andere wijze had kunnen zien dat een onderzoek liep. De mogelijkheid tot het voeren van dit verweer ontstond hierdoor pas na verwijzing door de Hoge Raad waardoor het Hof deze stelling ten onrechte na verwijzing niet heeft beoordeeld. Het oordeel van het Hof dat vaststaat dat geen beoordelingsfout is gemaakt, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting op het middel
3.1.
Belanghebbende heeft bij het Hof gesteld dat het Hof na verwijzing nog dient te beoordelen of een beoordelingsfout de oorzaak is van het niet betrekken van de resultaten van het boekenonderzoek in de eerste navorderingsaanslag. De Hoge Raad heeft namelijk maar over één van de twee genoemde fouten geoordeeld.
3.2.
De Hoge Raad heeft in r.o. 2.2.2 van het verwijzingsarrest het oordeel van het Hof weergegeven waar het cassatiemiddel van de Staatssecretaris op zag:
‘2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de Inspecteur in de eerste navorderingsaanslag slechts het inkomen in verband met de vrijwillige verbetering heeft begrepen, het gevolg is van de keuze van de Belastingdienst de behandeling van de (navorderings)aanslagen IB/PVV van belanghebbende bij twee verschillende eenheden van de Belastingdienst te beleggen. Het daarmee verband houdende verzuim van de controlerend ambtenaar om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een boekenonderzoek liep, dient daarom voor rekening en risico te blijven van de Inspecteur, aldus het Hof. Het Hof heeft de betreffende onjuistheden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht, zodat geen sprake is van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR die navordering rechtvaardigt.’
3.3.
Het Hoge Raad geeft twee door het Hof benoemde onjuistheden weer:
- 1)
De keuze van de Belastingdienst om de behandeling van de aanslagen bij twee verschillende eenheden te beleggen;
- 2)
Het verzuim van de controlerend ambtenaar om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een onderzoek liep (blokkadefout).
3.4.
Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris was gericht tegen het oordeel van het Hof dat de blokkadefout een beoordelingsfout is (onjuist inzicht in de feiten).
3.5.
In r.o. 2.3.4 oordeelt de Hoge Raad:
‘2.3.4. Dat de controlerend ambtenaar in het onderhavige geval heeft nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (vgl. HR 27 juni 2014, nr. 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529, BNB 2014/202 en HR 27 juni 2014, nr. 14/00350, ECU:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203). Dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen rekening is gehouden met de bevindingen uit het boekenonderzoek, is het gevolg van het achterwege blijven van deze vermelding. Aldus is de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, die navordering rechtvaardigt. Daaraan doet niet af dat de eerste navorderingsaanslag, anders dan de aanslag, niet geautomatiseerd is afgedaan. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.’
3.6.
Het oordeel van de Hoge Raad houdt in dat de blokkadefout een fout is in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR.
3.7.
De Hoge Raad heeft derhalve geoordeeld over de blokkadefout. Dit neemt niet weg dat er andere fouten kunnen zijn gemaakt als gevolg waarvan het boekenonderzoek niet bij de eerste navorderingsaanslag is betrokken. Als het boekenonderzoek niet bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag is betrokken als gevolg van een beoordelingsfout dan is geen grondslag aanwezig voor het toepassen van artikel 16, lid 2, onderdeel, c, AWR. Navordering op grond van een kenbare fout is niet bedoeld voor situaties waarin de inspecteur een onjuiste of onvolledige beoordeling heeft gemaakt.
3.8.
Het Hof was na verwijzing dan ook nog bevoegd om te onderzoeken of andere fouten ten grondslag hebben gelegen aan het niet in de navorderingsaanslag betrekken van het boekenonderzoek en was gehouden dit te onderzoeken nu het onderzoek daaromtrent bij Hof 's‑Hertogenbosch niet was afgerond. De verwijzing van het Hof in r.o. 4.3 naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 gaat dan ook niet op. In het onderhavige geval doet zich namelijk juist wel het geval voor dat pas na verwijzing de mogelijkheid bestond op het verweer van belanghebbende in te gaan nu Hof 's‑Hertogenbosch niet is toegekomen aan de beoordeling van de stelling dat de inspecteur anderszins had kunnen zien dat een boekenonderzoek liep en een beoordelingsfout is gemaakt.
3.9.
Het oordeel van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest dat ‘aldus de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR’ is beperkt tot de blokkadefout. Dit blijkt uit het gebruik van het woord aldus en uit de beperking van het geschil in cassatie dat in r.o. 2.2.2 is aangebracht.
3.10.
Belanghebbende stelt dan ook dat na verwijzing zijn standpunt dat een beoordelingsfout is gemaakt nader had moeten worden onderzocht. Daarbij staat gelet op het arrest van de Hoge Raad vast dat de blokkadefout geen beoordelingsfout is.
3.11.
Dat de blokkadefout aan het niet meenemen van het boekenonderzoek bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag ten grondslag ligt, is overigens onbegrijpelijk omdat het blokkeren ziet op het blokkeren van het automatisch vaststellen van de primitieve aanslag. In het onderhavige geval is handmatig een navorderingsaanslag opgelegd waarbij geen rekening is gehouden met het boekenonderzoek. Het gaat er dan ook om of de inspecteur bij het beoordelen van de bij de vrijwillige verbetering verstrekte gegevens en het aan de hand daarvan vaststellen van de eerste navorderingsaanslag een beoordelingsfout heeft gemaakt.
3.12.
Bij Hof 's‑Hertogenbosch is tijdens de zitting door de inspecteur opgemerkt dat het feit dat een boekenonderzoek liep wellicht ergens in een systeem kon worden gezien. Belanghebbende heeft ter zitting bij Hof 's‑Hertogenbosch gesteld dat het standpunt van de inspecteur dat pas na afronden van het definitieve rapport iets in het systeem wordt gezet ongeloofwaardig is.4.
3.13.
Hof 's‑Hertogenbosch is niet toegekomen aan de beoordeling of de inspecteur, die de eerste navorderingsaanslagen heeft opgelegd, heeft kunnen zien dan wel heeft gezien dat een boekenonderzoek liep.
3.14.
Belanghebbende heeft bij het verwijzingshof gesteld dat deze vraag na verwijzing nog moet worden beantwoord. Bij de beoordeling van een vrijwillige verbetering dient de inspecteur uiteraard de aangeleverde gegevens te vergelijken met het dossier van de belastingplichtige. Alle gegevens moeten worden beoordeeld om tot de vaststelling van de eerste navorderingsaanslag te komen. Indien de inspecteur bij het beoordelen van het fysieke en digitale dossier van belanghebbende had kunnen zien dat een boekenonderzoek liep dan heeft hij een beoordelingsfout gemaakt door daar niets mee te doen. Het niet betrekken van het boekenonderzoek bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag betreft dan een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten hetgeen een beoordelingsfout is. Navordering op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR is dan niet mogelijk.
3.15.
Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat deze stelling na verwijzing niet meer kan worden onderzocht. Belanghebbende concludeert dan ook voor het geval de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond zou verklaren tot verwijzing voor nader onderzoek naar deze stelling.
3.16.
Tot slot benadrukt belanghebbende dat hij hoopt dat het niet zover hoeft te komen dat de Hoge Raad zijn incidentele beroep in cassatie beoordeelt. Twee gerechtshoven hebben geoordeeld dat de inspecteur niet mag navorderen. Belanghebbende hoopt dat de procedure met het oordeel van het Hof is afgerond.
4.0. Conclusie
Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de Staatssecretaris. Voor het geval de Hoge Raad zou oordelen dat dit cassatieberoep gegrond is concludeert belanghebbende tot gegrondverklaring van het incidenteel beroep in cassatie.
Tevens verzoekt belanghebbende uw Raad de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en indien het geval zich voordoet dat de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie wordt verondersteld de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot een vergoeding voor immateriële schade.
[…], 24 juli 2020
Beroepschrift 24‑07‑2020
Uit het verweerschrift van belanghebbende, waarin opgenomen een voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie:
3.0. Voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR en in het algemeen van beginselen van een behoorlijke procesorde, althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.3 heeft geoordeeld dat na verwijzing niet meer de mogelijkheid bestaat aan te voeren dat het causaal verband tussen de blokkadefout en het bij de eerste navorderingsaanslag geen rekening houden met de bevindingen uit het boekenonderzoek ontbrak en het Hof daardoor niet heeft onderzocht of door het behandelen van de aangifte en de inkeer op twee eenheden een beoordelingsfout is gemaakt. Het Hof heeft miskend dat Hof 's‑Hertogenbosch niet is toegekomen aan de beoordeling van zijn stelling dat door […] bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag een beoordelingsfout is gemaakt omdat hij op andere wijze had kunnen zien dat een onderzoek liep. De mogelijkheid tot het voeren van dit verweer ontstond hierdoor pas na verwijzing door de Hoge Raad waardoor het Hof deze stelling ten onrechte na verwijzing niet heeft beoordeeld. Het oordeel van het Hof dat vaststaat dat geen beoordelingsfout is gemaakt, getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting op het middel
3.1.
Belanghebbende heeft bij het Hof gesteld dat het Hof na verwijzing nog dient te beoordelen of een beoordelingsfout de oorzaak is van het niet betrekken van de resultaten van het boekenonderzoek in de eerste navorderingsaanslag. De Hoge Raad heeft namelijk maar over één van de twee genoemde fouten geoordeeld.
2 Zie r.o. 4.15 van de uitspraak van Hof 's‑Hertogenbosch.
3 Zie blz. 3 van het proces-verbaal van de zitting van 22 januari 2020.
3.2.
De Hoge Raad heeft in r.o. 2.2.2 van het verwijzingsarrest het oordeel van het Hof weergegeven waar het cassatiemiddel van de Staatssecretaris op zag:
‘2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de Inspecteur in de eerste navorderingsaanslag slechts het inkomen in verband met de vrijwillige verbetering heeft begrepen, het gevolg is van de keuze van de Belastingdienst de behandeling van de (navorderings)aanslagen IB/PVV van belanghebbende bij twee verschillende eenheden van de Belastingdienst te beleggen. Het daarmee verband houdende verzuim van de controlerend ambtenaar om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een boekenonderzoek liep, dient daarom voor rekening en risico te blijven van de Inspecteur, aldus het Hof. Het Hof heeft de betreffende onjuistheden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht, zodat geen sprake is van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR die navordering rechtvaardigt.’
3.3.
Het Hoge Raad geeft twee door het Hof benoemde onjuistheden weer:
- 1)
De keuze van de Belastingdienst om de behandeling van de aanslagen bij twee verschillende eenheden te beleggen;
- 2)
Het verzuim van de controlerend ambtenaar om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een onderzoek liep (blokkadefout).
3.4.
Het cassatiemiddel van de Staatssecretaris was gericht tegen het oordeel van het Hof dat de blokkadefout een beoordelingsfout is (onjuist inzicht in de feiten).
3.5.
In r.o. 2.3.4 oordeelt de Hoge Raad:
‘2.3.4.
Dat de controlerend ambtenaar in het onderhavige geval heeft nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (vgl. HR 27 juni 2014, nr. 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529, BNB 2014/202 en HR 27 juni 2014, nr. 14/00350, ECU:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203). Dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen rekening is gehouden met de bevindingen uit het boekenonderzoek, is het gevolg van het achterwege blijven van deze vermelding. Aldus is de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, die navordering rechtvaardigt. Daaraan doet niet af dat de eerste navorderingsaanslag, anders dan de aanslag, niet geautomatiseerd is afgedaan. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.’
3.6.
Het oordeel van de Hoge Raad houdt in dat de blokkadefout een fout is in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR.
3.7.
De Hoge Raad heeft derhalve geoordeeld over de blokkadefout. Dit neemt niet weg dat er andere fouten kunnen zijn gemaakt als gevolg waarvan het boekenonderzoek niet bij de eerste navorderingsaanslag is betrokken. Als het boekenonderzoek niet bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag is betrokken als gevolg van een beoordelingsfout dan is geen grondslag aanwezig voor het toepassen van artikel 16, lid 2, onderdeel, c, AWR. Navordering op grond van een kenbare fout is niet bedoeld voor situaties waarin de inspecteur een onjuiste of onvolledige beoordeling heeft gemaakt.
3.8.
Het Hof was na verwijzing dan ook nog bevoegd om te onderzoeken of andere fouten ten grondslag hebben gelegen aan het niet in de navorderingsaanslag betrekken van het boekenonderzoek en was gehouden dit te onderzoeken nu het onderzoek daaromtrent bij Hof 's‑Hertogenbosch niet was afgerond. De verwijzing van het Hof in r.o. 4.3 naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 gaat dan ook niet op. In het onderhavige geval doet zich namelijk juist wel het geval voor dat pas na verwijzing de mogelijkheid bestond op het verweer van belanghebbende in te gaan nu Hof 's‑Hertogenbosch niet is toegekomen aan de beoordeling van de stelling dat de inspecteur anderszins had kunnen zien dat een boekenonderzoek liep en een beoordelingsfout is gemaakt.
3.9.
Het oordeel van de Hoge Raad in het verwijzingsarrest dat ‘aldus de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR’ is beperkt tot de blokkadefout. Dit blijkt uit het gebruik van het woord aldus en uit de beperking van het geschil in cassatie dat in r.o. 2.2.2 is aangebracht.
3.10.
Belanghebbende stelt dan ook dat na verwijzing zijn standpunt dat een beoordelingsfout is gemaakt nader had moeten worden onderzocht. Daarbij staat gelet op het arrest van de Hoge Raad vast dat de blokkadefout geen beoordelingsfout is.
3.11.
Dat de blokkadefout aan het niet meenemen van het boekenonderzoek bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag ten grondslag ligt, is overigens onbegrijpelijk omdat het blokkeren ziet op het blokkeren van het automatisch vaststellen van de primitieve aanslag. In het onderhavige geval is handmatig een navorderingsaanslag opgelegd waarbij geen rekening is gehouden met het boekenonderzoek. Het gaat er dan ook om of de inspecteur bij het beoordelen van de bij de vrijwillige verbetering verstrekte gegevens en het aan de hand daarvan vaststellen van de eerste navorderingsaanslag een beoordelingsfout heeft gemaakt.
3.12.
Bij Hof 's‑Hertogenbosch is tijdens de zitting door de inspecteur opgemerkt dat het feit dat een boekenonderzoek liep wellicht ergens in een systeem kon worden gezien. Belanghebbende heeft ter zitting bij Hof 's‑Hertogenbosch gesteld dat het standpunt van de inspecteur dat pas na afronden van het definitieve rapport iets in het systeem wordt gezet ongeloofwaardig is.4.
3.13.
Hof 's‑Hertogenbosch is niet toegekomen aan de beoordeling of de inspecteur, die de eerste navorderingsaanslagen heeft opgelegd, heeft kunnen zien dan wel heeft gezien dat een boekenonderzoek liep.
3.14.
Belanghebbende heeft bij het verwijzingshof gesteld dat deze vraag na verwijzing nog moet worden beantwoord. Bij de beoordeling van een vrijwillige verbetering dient de inspecteur uiteraard de aangeleverde gegevens te vergelijken met het dossier van de belastingplichtige. Alle gegevens moeten worden beoordeeld om tot de vaststelling van de eerste navorderingsaanslag te komen. Indien de inspecteur bij het beoordelen van het fysieke en digitale dossier van belanghebbende had kunnen zien dat een boekenonderzoek liep dan heeft hij een beoordelingsfout gemaakt door daar niets mee te doen. Het niet betrekken van het boekenonderzoek bij het vaststellen van de eerste navorderingsaanslag betreft dan een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten hetgeen een beoordelingsfout is. Navordering op grond van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR is dan niet mogelijk.
3.15.
Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat deze stelling na verwijzing niet meer kan worden onderzocht. Belanghebbende concludeert dan ook voor het geval de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond zou verklaren tot verwijzing voor nader onderzoek naar deze stelling.
3.16.
Tot slot benadrukt belanghebbende dat hij hoopt dat het niet zover hoeft te komen dat de Hoge Raad zijn incidentele beroep in cassatie beoordeelt. Twee gerechtshoven hebben geoordeeld dat de inspecteur niet mag navorderen. Belanghebbende hoopt dat de procedure met het oordeel van het Hof is afgerond.
4.0. Conclusie
Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de Staatssecretaris. Voor het geval de Hoge Raad zou oordelen dat dit cassatieberoep gegrond is concludeert belanghebbende tot gegrondverklaring van het incidenteel beroep in cassatie.
Tevens verzoekt belanghebbende uw Raad de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en indien het geval zich voordoet dat de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie wordt verondersteld de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot een vergoeding voor immateriële schade.
[…], 24 juli 2020
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑07‑2020
Proces-verbaal van de zitting van 1 december 2016, blz. 6.
Beroepschrift 13‑05‑2020
Uit het beroepschrift in cassatie van de staatssecretaris:
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, doordat het Hof heeft geoordeeld dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag wel sprake is van een fout als bedoeld in deze bepaling, doch dat deze fout voor belanghebbende niet kenbaar was, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
het Hof bij deze beoordeling ten onrechte de kenbaarheid toetst ten tijde van het ontvangen van de primitieve aanslag, terwijl dit getoetst had moeten worden ten tijde van het ontvangen van de eerste navorderingsaanslag;
- b.
het oordeel van het Hof over de kenbaarheid onbegrijpelijk dan wel onjuist is, doordat het Hof pleitbaarheid van een standpunt en kenbaarheid van een fout met elkaar vereenzelvigd en er ten onrechte van uitgaat dat de pleitbaarheid niet meer in geschil is, terwijl slechts is berust in het oordeel dat geen sprake was van kwade trouw.
Beschouwing
In r.o. 4.18 toetst het Hof of ten tijde van het opleggen van de eerste navorderingsaanslag met betrekking tot de bij de tweede navorderingsaanslag aangebrachte correcties sprake is van een kenbare fout. Omdat het Hof de door belanghebbende in de aangifte ingenomen standpunten pleitbaar acht, is volgens het Hof ten aanzien van deze correcties geen sprake van een kenbare fout. Het Hof meent dat een dergelijke fout niet gecorrigeerd kan worden bij een tweede navorderingsaanslag.
Hier speelt de beoordeling van de kenbaarheid, daarbij doet het er niet toe of belanghebbende te goeder trouw is of een pleitbaar standpunt heeft (anders dan bij navordering wegens kwade trouw) maar is relevant of het voor belanghebbende kenbaar was dat de wil van de inspecteur (over de hoogte van de op te leggen belastingaanslag) niet overeenkomt met de opgelegde navorderingsaanslag. In casu was hem dat kenbaar, gelet op de uitingen van de inspecteur in het controleproces Uit het controlerapport en na de eerste bespreking was het belanghebbende immers kenbaar dat de inspecteur de correcties wilde doorvoeren. De tweede (geplande) bespreking heeft ook niet een andere indruk kunnen wekken.
Het Hof miskent eveneens dat bij de eerste navorderingsaanslag sprake was van een andere kenbare fout, te weten het bij de primitieve aanslag van 5 februari 2010 niet meenemen van de op 11 december 2009 door belanghebbende gemelde buitenlandse bankrekening.
Daarmee ontstaat een situatie dat de inspecteur een (eerste) navorderingsaanslag op mag leggen. Ten tijde van het opleggen van die aanslag (23 oktober 2010) was de inspecteur en ook belanghebbende bekend met de in het conceptrapport van het boekenonderzoek aangekondigde correcties. Vanwege de door de Hoge Raad erkende fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR zijn deze correcties toen achterwege gebleven en zijn alleen de met de inkeer samenhangende correcties meegenomen.
Ook was het belanghebbende bekend dat de inspecteur deze correcties niet wenste prijs te geven, gelet op het eerste gesprek d.d. 29 september 2010 en de vervolgafspraak voor een tweede gesprek d.d. 2 november 2010. Nu dit tweede gesprek niet werd afgezegd of anderszins is gecommuniceerd dat van de voorgenomen correcties werd afgezien, moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat vanwege een fout of vergissing de correcties uit het controlerapport niet waren meegenomen.
In dit kader is opmerkelijk dat belanghebbende en/of zijn gemachtigde tijdens het tweede gesprek d.d. 2 november 2010 niet hebben gemeld dat de eerste navorderingsaanslag, zonder de correcties van het boekenonderzoek was opgelegd. Gelet op het later door belanghebbende ingenomen standpunt (dat de inspecteur van zijn standpunt overtuigd was geraakt) had het voor de hand gelegen dat belanghebbende de vervolgafspraak had afgezegd, omdat er naar zijn opvatting geen geschil meer was.
Het Hof had derhalve dienen te onderzoeken in hoeverre bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag sprake is van een voor belanghebbende kenbare fout. Dat de toets op dat niveau moet worden aangelegd, blijkt ook duidelijk uit het verwijzingsarrest van de Hoge Raad. In r.o. 2.3.4. omschrijft de Hoge Raad de fout namelijk als volgt:
‘Dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen rekening is gehouden met de bevindingen van het boekenonderzoek, is het gevolg van het achterwege blijven van deze vermelding. Aldus is de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout is de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, die navordering rechtvaardigt.’
Het gaat er dus om of deze fout voor belanghebbende kenbaar was toen hij de eerste navorderingsaanslag ontving. Niet relevant is of een en ander bij het ontvangen van de primitieve aanslag kenbaar was. Het Hof heeft derhalve een
onjuiste toets aangelegd. Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR spreekt namelijk over:
‘… of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, …’
Het gebruik van de term belastingaanslag impliceert dat niet alleen de primitieve aanslag beoordeeld mag worden, maar of de voorgaande belastingaanslag (aldus de eerste navorderingsaanslag) ten gevolge van een fout tot een te laag bedrag is vastgesteld.
Gelet op de aangekondigde correcties en de opstelling van de inspecteur in de besprekingen over het boekenonderzoek, moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de uit dat boekenonderzoek naar voren komende correcties ten onrechte achterwege waren gebleven.
Daarbij merk ik nog op dat naast de correcties inzake het resultaat overige werkzaamheden ook een correctie van € 5.526 aan uitdelingen in verband met door de BV betaalde privé uitgaven speelde, waarover het Hof zich op geen enkele wijze heeft uitgelaten wat betreft de pleitbaarheid van het door belanghebbende inzake deze correctie ingenomen standpunt.
Ten slotte merk ik nog op dat het Hof oordeelt dat door mij in de vorige ronde het oordeel inzake de pleitbaarheid niet zou zijn bestreden. Hof 's‑Hertogenbosch heeft in r.o. 4.17 (opgenomen in onderdeel 4.1. van de uitspraak) inderdaad geoordeeld over de pleitbaarheid, doch enkel in het kader van de beoordeling van kwade trouw. Het oordeel dat geen sprake was van kwade trouw heb ik inderdaad niet aangevochten, doch daarmee heb ik mij niet zonder meer neergelegd bij de in dat kader door het Hof bijkomstig genomen beslissing inzake de pleitbaarheid. Dat aanvechten had geen zin nu het oordeel inzake de kwade trouw door mij juist werd geacht.
Overigens valt op dat Hof 's‑Hertogenbosch ten aanzien van de uitdelingen niet heeft geoordeeld dat sprake was van een pleitbaar standpunt. Op dat punt oordeelt het Hof slechts dat niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende de uitdelingen bewust niet had opgenomen in de aangifte. In zoverre gaat Hof Arnhem-Leeuwarden in ieder geval ten onrechte uit van een vaststaande pleitbaarheid.
Ten slotte merk ik nog op dat partijen in de verwijzingszaak er vanuit zijn gegaan dat de kenbaarheid van de fout nog getoetst diende te worden. Ik acht evenwel ook mogelijk dat deze horde reeds gepasseerd was. In het verwijzingsarrest overwoog u namelijk dat sprake was van een fout die navordering rechtvaardigt. Daaruit kan afgeleid worden dat de navordering op zich reeds mogelijk was, doch dat in verwijzing nog geoordeeld diende te worden over de hoogte van de correcties.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.