Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 11-02-2021, nr. C-407/19, nr. C‑471/19
ECLI:EU:C:2021:107
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-02-2021
- Magistraten
M. Vilaras, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe
- Zaaknummer
C-407/19
C‑471/19
- Conclusie
M. campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:107, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑02‑2021
ECLI:EU:C:2020:707, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 10‑09‑2020
Uitspraak 11‑02‑2021
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Artikel 45 VWEU — Vrij verkeer van werknemers — Artikel 49 VWEU — Vrijheid van vestiging — Artikel 56 VWEU — Vrij verrichten van diensten — Uitoefening van havendiensten — Havenarbeiders — Toegang tot het beroep en aanwerving — Vereisten voor de erkenning van havenarbeiders — Havenarbeiders die niet zijn opgenomen in de bij de nationale wettelijke regeling ingestelde pool van werknemers — Beperking van de duur van de arbeidsovereenkomst — Mobiliteit van havenarbeiders tussen havengebieden — Logistieke werknemers — Veiligheidscertificaat — Dwingende redenen van algemeen belang — Veiligheid in de havengebieden — Bescherming van de werknemers — Evenredigheid’
M. Vilaras, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-407/19 en C-471/19*,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) (C-407/19) en het Grondwettelijk Hof (België) (C-471/19) bij beslissingen van 16 mei en 6 juni 2019, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 24 mei en 20 juni 2019, in de procedures
Katoen Natie Bulk Terminals NV,
General Services Antwerp NV
tegen
Belgische Staat (C-407/19),
en
Middlegate Europe NV
tegen
Ministerraad (C-471/19),
in tegenwoordigheid van:
Katoen Natie Bulk Terminals NV,
General Services Antwerp NV,
Koninklijk Verbond der Beheerders van Goederenstromen (KVBG) CVBA,
MVH Logistics en Stuwadoring BV,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
General Services Antwerp NV, Katoen Natie Bulk Terminals NV en Middlegate Europe NV, vertegenwoordigd door M. Lebbe en E. Simons, advocaten,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden, bijgestaan door P. Wytinck, D. D'Hooghe en T. Ruys, advocaten,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Nijenhuis, S. L. Kalėda en B.-R. Killmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 september 2020,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging, in zaak C-407/19, van de artikelen 34, 35, 45, 49, 56, 101 en 102 en artikel 106, lid 1, VWEU en, in zaak C-471/19, van de artikelen 49 en 56 VWEU, de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en het gelijkheidsbeginsel.
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen die spelen tussen Katoen Natie Bulk Terminals NV en General Services Antwerp NV enerzijds en de Belgische Staat anderzijds (zaak C-407/19) en Middlegate Europe NV en de Ministerraad (België) (zaak C-471/19) en betrekking hebben op de geldigheid van een aantal bepalingen van Belgisch recht betreffende de organisatie van de havenarbeid en met name de verenigbaarheid van die bepalingen met het Unierecht.
Belgisch recht
Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten
3
In het Belgische recht is de gemeenschappelijke regeling voor arbeidsovereenkomsten, met name van arbeiders, neergelegd in de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (Belgisch Staatsblad, 22 augustus 1978, blz. 9277; hierna: ‘wet betreffende de arbeidsovereenkomsten’).
Wet betreffende de havenarbeid
4
Artikel 1 van de wet betreffende de havenarbeid van 8 juni 1972 (Belgisch Staatsblad, 10 augustus 1972, blz. 8826), in de op de feiten van de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘wet betreffende de havenarbeid’), bepaalt:
‘Niemand mag in de havengebieden, havenarbeid laten verrichten door andere werknemers dan erkende havenarbeiders.’
5
Artikel 2 van die wet bepaalt:
‘De omschrijving van de havengebieden en de havenarbeid zoals bepaald door de Koning […], geldt voor de toepassing van deze wet.’
6
Artikel 3 van deze wet luidt:
‘De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van de erkenning van de havenarbeiders op advies van het voor het betrokken havengebied bevoegd paritair comité.
[…]’
7
Artikel 3 bis van die wet bepaalt:
‘Op advies van het voor het betrokken havengebied bevoegd paritair comité, kan de Koning de werkgevers, die in dit gebied havenarbeiders tewerkstellen, verplichten zich aan te sluiten bij een door hem erkende organisatie van werkgevers, die in de hoedanigheid van lasthebber alle verplichtingen vervult die voor de betrokken werkgevers krachtens de individuele en collectieve arbeidswetgeving en de socialezekerheidswetgeving voortvloeien uit de tewerkstelling van havenarbeiders.
Om te kunnen erkend worden moet de in het eerste lid bedoelde organisatie van werkgevers reeds de meerderheid van de betrokken werkgevers als aangeslotene kennen.’
Koninklijk besluit van 1973
8
Artikel 1 van het koninklijk besluit tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité van het havenbedrijf van 12 januari 1973 (Belgisch Staatsblad, 23 januari 1973, blz. 877), in de op de feiten van de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘koninklijk besluit van 1973’), bepaalt:
‘Er wordt een paritair comité opgericht, genaamd ‘Paritair Comité voor het havenbedrijf’, dat bevoegd is voor de werknemers in het algemeen en hun werkgevers, te weten:
alle werknemers en hun werkgevers die, in de havengebieden:
- A.
als hoofdzakelijke of bijkomstige activiteit havenarbeid verrichten, d.w.z. alle behandelingen van goederen welke per zee- of binnenschepen, spoorwagens of vrachtwagens aan- of afgevoerd worden, en de met deze goederen in verband staande bijkomende diensten, ongeacht deze activiteiten geschieden in de dokken, op bevaarbare waterwegen, op de kaden of in de instellingen welke gericht zijn op invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, alsook alle behandelingen van goederen, welke per zee- of binnenschepen aan- of afgevoerd worden op de kaden van nijverheidsinstellingen.
Er wordt verstaan onder:
- 1.
Alle behandelingen van goederen:
- a)
goederen: alle goederen, met inbegrip van containers en vervoermiddelen, slechts uitzondering gemaakt voor:
- —
de aanvoer alsmede de afvoer in bulk van aardolie, vloeibare aardolieproducten en vloeibare grondstoffen voor de raffinaderijen, de chemische nijverheid en de opslag- en transformatiebedrijvigheden in petroleuminstallaties;
- —
vis aangevoerd met vissersvaartuigen;
- —
vloeibare gassen onder druk en in bulk.
- b)
behandelingen: laden, lossen, stuwen, ontstuwen, omstuwen, storten, trimmen, klasseren, sorteren, calibreren, stapelen, ontstapelen, alsmede samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen.
- 2.
De met deze goederen in verband staande bijkomende diensten: markage, wegen, meten, cuberen, controle, ontvangen, bewaken, met uitzondering van de bewakingsdiensten verricht door ondernemingen vallend onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten voor rekening van ondernemingen vallend onder het Paritair Comité voor het havenbedrijf, afleveren, nemen van stalen en verzegelen, schoren en ontschoren.
[…]’
Koninklijk besluit van 2004
9
Artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid (Belgisch Staatsblad, 4 augustus 2004, blz. 58908) luidde, voordat het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid (Belgisch Staatsblad, 13 juli 2016, blz. 43879; hierna: ‘koninklijk besluit van 2016’), als volgt:
‘De havenarbeiders worden na hun erkenning ingedeeld, hetzij in het ‘algemeen contingent’, hetzij in het ‘logistiek contingent’.
De havenarbeiders van het algemeen contingent zijn erkend voor het verrichten van alle havenarbeid in de zin van artikel 1 van het [koninklijk besluit van 1973].
De havenarbeiders van het logistiek contingent zijn erkend voor het verrichten van havenarbeid in de zin van artikel 1 van het in het vorige lid vermelde [koninklijk besluit van 1973] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending een transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde.’
10
In het koninklijk besluit betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2016 (hierna: ‘koninklijk besluit van 2004’), is onder meer het begrip ‘contingent’ vervangen door ‘pool’. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 2004 bepaalt:
- ‘§ 1.
Binnen ieder havengebied worden de havenarbeiders erkend door een paritair samengestelde administratieve commissie, hierna genoemd ‘de administratieve commissie’, opgericht binnen het voor het betrokken havengebied bevoegde paritair subcomité.
De administratieve commissie is samengesteld uit:
- 1o.
een voorzitter en een ondervoorzitter;
- 2o.
vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité;
- 3o.
vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité;
- 4o.
één of meer secretarissen.
De bepalingen van het koninklijk besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene werkwijze van de paritaire comités en subcomités, alsmede de bijzondere regels, zoals bepaald in artikel 10 van dit besluit, zijn van toepassing op de werking van de administratieve commissie.
- § 2.
De aanvraag tot erkenning wordt schriftelijk ingediend bij het bevoegde paritair subcomité via een model dat daartoe ter beschikking wordt gesteld.
Bij de aanvraag wordt aangegeven of deze wordt ingediend met het oog op tewerkstelling binnen of buiten de pool.
- § 3.
In afwijking van § 1, eerste lid, geldt voor werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van [het koninklijk besluit van 1973] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending een transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde en die hiertoe beschikken over een veiligheidscertificaat, ‘logistieke werknemers’ genaamd, dit veiligheidscertificaat als een erkenning in de zin van de [wet betreffende de havenarbeid].
Het veiligheidscertificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten te verrichten zoals bedoeld in het vorige lid en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de identiteitskaart en de arbeidsovereenkomst. De modaliteiten van deze procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.’
11
Artikel 2 van dit koninklijk besluit luidt:
- ‘§ 1.
De havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 1e lid, worden bij hun erkenning ofwel opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet.
Bij de erkenning tot opname in de pool wordt rekening gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten.
- § 2.
Havenarbeiders opgenomen in de pool worden erkend voor bepaalde of onbepaalde duur.
De nadere regels betreffende de duur van de erkenning worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.
- § 3.
Havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de [wet betreffende de arbeidsovereenkomsten].
De duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst.’
12
Artikel 4 van dit koninklijk besluit luidt als volgt:
- ‘§ 1.
Voor een erkenning als havenarbeider zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 1e lid, gelden de volgende erkenningsvoorwaarden:
[…]
- 2o.
door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet betreffende de havenarbeid] aangeduid werd als lasthebber, aangesloten is, medisch geschikt verklaard zijn voor havenarbeid;
- 3o.
geslaagd zijn in de psychotechnische proeven, afgenomen door het orgaan dat hiertoe werd aangewezen door de erkende organisatie van werkgevers, die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet betreffende de havenarbeid] aangeduid werd als lasthebber; het doel van deze proeven is na te gaan of de kandidaat-havenarbeider voldoende intelligentie en de juiste persoonlijkheid en motivatie bezit, om na een opleiding de functie van havenarbeider te kunnen vervullen;
[…]
- 6o.
gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd, en geslaagd zijn voor de eindproef. De daartoe bevoegde overheid kan kwaliteitscriteria vastleggen waaraan de opleiding, die vrij aangeboden kan worden, moet voldoen;
- 7o.
de laatste vijf jaar niet het voorwerp zijn geweest van een maatregel van intrekking van de erkenning van havenarbeider op grond van artikel 7, eerste lid, 1o of 3o, van dit besluit;
- 8o.
indien het de erkenning van een havenarbeider zoals bedoeld in artikel 2, § 3, betreft, bovendien beschikken over een arbeidsovereenkomst.
- § 2.
De erkenning van een havenarbeider is geldig in elk havengebied zoals bepaald door de Koning in uitvoering van de artikelen 35 en 37 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
De voorwaarden en modaliteiten waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend, worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.
De organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet betreffende de havenarbeid] aangeduid werd als lasthebber in het havengebied waar de havenarbeider werd erkend, blijft ook lasthebber indien de havenarbeider wordt tewerkgesteld buiten het havengebied waar hij erkend werd.
- § 3.
Havenarbeiders die kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat van de Europese Unie aan vergelijkbare voorwaarden inzake havenarbeid voldoen, worden voor de toepassing van dit besluit niet meer aan die voorwaarden onderworpen.
- § 4.
De aanvragen tot erkenning en tot hernieuwing worden ingediend bij en behandeld door de administratieve commissie.’
13
Artikel 13/1 van dit koninklijk besluit luidt:
- ‘1e.
[Voor de periode tot en met 30 juni 2017 moet] de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, […] worden gesloten voor onbepaalde duur;
- 2e.
[voor de periode van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018 moet] de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, […] worden gesloten voor minstens 2 jaar;
- 3e.
[voor de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 moet] de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, […] worden gesloten voor minstens 1 jaar;
- 4e.
[voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 moet] de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, […] worden gesloten voor minstens 6 maanden.’
14
Artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 2004 luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van dit besluit:
- 1o.
worden de havenarbeiders, erkend op basis van het vroegere artikel 2, 2e lid, van rechtswege erkend als havenarbeider opgenomen in de pool conform het gewijzigde artikel 2, § 1, onverminderd de toepassing van de artikelen 5 tot 9 van dit besluit;
- 2o.
worden de havenarbeiders, erkend op basis van het vroegere artikel 2, 3e lid, van rechtswege gelijkgesteld met de logistieke werknemers zoals bedoeld in artikel 1, § 3, onverminderd de toepassing van de artikelen 5 tot 9 van dit besluit.’
Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het hof
Zaak C-407/19
15
Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp zijn twee in België gevestigde vennootschappen die in België en andere landen havendiensten verrichten.
16
Op 5 september 2016 hebben deze twee vennootschappen bij de verwijzende rechter in zaak C-407/19 — de Raad van State (België) — een vordering tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 2016 ingesteld.
17
Dat koninklijk besluit is vastgesteld naar aanleiding van de aanmaningsbrief van de Europese Commissie aan het Koninkrijk België van 28 maart 2014, volgens welke de Belgische regeling betreffende havenarbeid in strijd was met artikel 49 VWEU. In essentie stelde de Commissie dat de Belgische regeling betreffende de tewerkstelling van havenarbeiders buitenlandse ondernemingen ontmoedigde om in België vestigingen op te zetten, doordat zij niet vrij personeelsleden konden kiezen maar verplicht waren om, zelfs voor logistieke taken, een beroep te doen op erkende havenarbeiders, die bovendien geografisch slechts beperkt inzetbaar waren. Na de vaststelling van het koninklijk besluit van 2016 besloot de Commissie op 17 mei 2017 om de niet-nakomingsprocedure te beëindigen.
18
De Raad van State wijst er om te beginnen op dat het koninklijk besluit van 2016 — een materiële wet waarvan om nietigverklaring erga omnes wordt verzocht in het kader van het bij hem aanhangige bestuursrechtelijke geding — zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing is op ondernemingen, werkgevers en werknemers die havenarbeid verrichten of doen verrichten in Belgische havengebieden, of die in de havengebieden zijn gevestigd of zich daar willen vestigen.
19
De verwijzende rechter vestigt er tevens de aandacht op dat het koninklijk besluit van 2004 de havenarbeid regelt in de in België gelegen (zee)havengebieden, waaronder ook de havens van Antwerpen (België) en Zeebrugge (België) — die zeehavens voor internationaal vervoer in een uitermate concurrentiële omgeving zijn. Er kan dan ook niet worden voorbijgegaan aan het duidelijk grensoverschrijdende belang van zeehavengebieden, in het bijzonder gelet op de aldaar ontwikkelde import- en exportactiviteiten waarbij veel internationale spelers die onder meer uit andere lidstaten komen, betrokken zijn, de handelsactiviteiten die er worden ontplooid in de context van het internationale handelsverkeer, en de aantrekkingskracht van een locatie die ook interessant kan zijn voor buitenlandse marktdeelnemers, én voor buitenlandse werknemers — in voorkomend geval uit nabijgelegen lidstaten — op wie die marktdeelnemers mogelijk een beroep willen doen voor de realisatie van hun ondernemingsactiviteiten. Gelet op een en ander is de verwijzende rechter van oordeel dat het bij hem aanhangige geding geen zuiver interne situatie in de zin van de rechtspraak van het Hof betreft.
20
Wat het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers betreft, merkt de Raad van State op dat Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp Belgische logistieke ondernemingen zijn die actief zijn in Belgische havengebieden en die, om hun doel te verwezenlijken, andere havenarbeiders dan erkende havenarbeiders in dienst willen kunnen nemen, ongeacht hun nationaliteit. Als werkgevers die in hun lidstaat van vestiging werknemers in dienst willen nemen die onderdaan zijn van een andere lidstaat, kunnen deze ondernemingen zich dus beroepen op het in artikel 45 VWEU neergelegde vrije verkeer van werknemers. Als blijkt dat de voorwaarden van het koninklijk besluit van 2004 de uitoefening van havenarbeid op het Belgische grondgebied voor onderdanen van andere lidstaten zouden bemoeilijken en het vrije verkeer van werknemers zouden belemmeren, moeten ook werkgevers zoals deze ondernemingen zich tegen een dergelijke regeling kunnen verzetten, aldus de Raad van State. Uit het voorgaande volgt dat het bij deze rechterlijke instantie aanhangige geding niet tot een zuiver interne situatie kan worden herleid.
21
Wat de grond van de zaak betreft, merkt de Raad van State op dat Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp in wezen opkomen tegen zeven in het koninklijk besluit van 2004 opgenomen maatregelen die zijn vastgesteld of gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2016.
22
Deze rechterlijke instantie gaat uit van de premisse dat al deze maatregelen een belemmering vormen voor de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden, aangezien zij voor werknemers, onder wie werknemers uit een andere lidstaat, het verrichten van havenarbeid in een Belgisch havengebied en hun indienstneming door werkgevers kunnen bemoeilijken of minder aantrekkelijk kunnen maken.
23
Wat de eventuele rechtvaardiging van deze belemmeringen in het licht van dwingende redenen van algemeen belang betreft, merkt de verwijzende rechter op dat Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp betwisten dat die maatregelen in hun algemeenheid ‘geschikt’ zijn om het nagestreefde doel te bereiken, namelijk het waarborgen van de veiligheid in de havengebieden en daarmee van de veiligheid en arbeidsrechtelijke bescherming van havenarbeiders. Zij betwisten eveneens dat die maatregelen evenredig zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken, ook al zijn zij niet discriminerend.
24
Met betrekking tot in de eerste plaats de omstandigheid dat alle niet met het verrichten van logistieke taken belaste havenarbeiders moeten worden erkend door de administratieve commissie die wordt genoemd in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2004 en bestaat uit werkgevers- en werknemersorganisaties (hierna: ‘administratieve commissie’), het ontbreken van voldoende procedurele waarborgen in dit verband en het feit dat rekening moet worden gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten met het oog op opname in de pool, stelt de Raad van State vast dat, naar Belgisch recht, een door de administratieve commissie genomen positief of negatief besluit betreffende het verlenen van de erkenning als havenarbeider rechtstreeks kan worden aangevochten via een beroep bij de rechter.
25
Wat in de tweede plaats de controle van de erkenningsvoorwaarden inzake de medische geschiktheid en het slagen voor de psychotechnische tests betreft, vraagt de Raad van State zich in het bijzonder af of de extra voorwaarde die in artikel 4, § 1, 8o, van het koninklijk besluit van 2004 wordt gesteld en volgens welke de werknemer bovendien over een arbeidsovereenkomst moet beschikken, geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken, namelijk het waarborgen van de veiligheid in de havengebieden.
26
Wat in de derde plaats de duur van de erkenning van niet in de pool opgenomen werknemers en de bij het koninklijk besluit van 2004 ingevoerde overgangsregeling betreft, merkt de Raad van State op dat de werknemer de erkenningsprocedure moet volgen telkens wanneer hij een arbeidsovereenkomst krijgt, ongeacht de reden waarom zijn vorige arbeidsovereenkomst is beëindigd.
27
In de vierde plaats merkt de Raad van State op dat ingevolge de overgangsregeling van het koninklijk besluit van 2004 een vóór of op 30 juni 2017 gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moest worden gesloten. Vervolgens moest vanaf 1 juli 2017 een overeenkomst worden gesloten voor een duur van ten minste twee jaar, vanaf 1 juli 2018 ging het om een duur van ten minste één jaar, en vanaf 1 juli 2019 was er sprake van een periode van ten minste zes maanden. Pas sinds 1 juli 2020 kan de duur van de arbeidsovereenkomst vrij worden bepaald. De rechtspositie van de havenarbeider die overeenkomstig artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 2004 onder de algemene regeling van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten valt, is dus duidelijk minder aantrekkelijk dan die van de havenarbeider die in de pool wordt opgenomen, hetgeen een ongerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer kan vormen.
28
Wat in de vijfde plaats de erkenning van rechtswege betreft van alle havenarbeiders die werkzaam zijn als ‘in de pool opgenomen’ havenarbeiders, merkt de Raad van State op dat deze maatregel volgens Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp werkgevers het recht ontneemt om goede arbeidskrachten aan zich te binden door rechtstreeks met dergelijke havenarbeiders een vaste arbeidsovereenkomst te sluiten die hun volgens de regels van het gemene arbeidsrecht werkzekerheid garandeert, aangezien deze havenarbeiders ‘van rechtswege’ in de pool opgenomen blijven. De vraag rijst of een dergelijke maatregel geschikt en evenredig is in het licht van het nagestreefde doel en derhalve strookt met de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van werknemers.
29
Wat in de zesde plaats de verplichting betreft om bij collectieve arbeidsovereenkomst (cao) de voorwaarden en nadere regels vast te stellen voor de tewerkstelling van werknemers in een ander havengebied dan waar zij zijn erkend, vraagt de Raad van State zich af of een dergelijke maatregel redelijk en evenredig is dan wel of Katoen Natie Bulk Terminals en General Services Antwerp moeten worden gevolgd in hun betoog en er niet redelijkerwijs kan worden gesteld dat de mobiliteit van werknemers tussen verschillende havengebieden moet worden beperkt of onderworpen aan aanvullende voorwaarden ter wille van de veiligheid in de havengebieden.
30
Wat ten slotte in de zevende plaats de verplichting om over een ‘veiligheidscertificaat’ te beschikken betreft, welke verplichting geldt voor werknemers die logistieke arbeid verrichten als bedoeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 2004 (hierna: ‘logistieke werknemers’), is de Raad van State van oordeel dat een dergelijke maatregel ertoe strekt de veiligheid in het algemeen en dus ook die van de betrokken werknemers te verzekeren. Niettemin is de vraag aan de orde of een dergelijke maatregel, die op zodanige wijze wordt uitgelegd dat dit veiligheidscertificaat moet worden aangevraagd telkens wanneer een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, geen aanzienlijke en onevenredige administratieve last vormt in het licht van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van werknemers.
31
In die omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 1 van het [koninklijk besluit van 2004], samen gelezen met artikel 2, van voormeld [koninklijk besluit van 2004], namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld [koninklijk besluit van 2004], bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep?
- 2)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2o, 3o, 6o en 8o van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer a) medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet betreffende de havenarbeid] aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en b) geslaagd is in de psychotechnische tests afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers [werd] aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3 bis van de [wet betreffende de havenarbeid], c) gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid [heeft] gevolgd en geslaagd [is] voor de eindproef en d) reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het [koninklijk besluit van 2004], dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen?
- 3)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de [wet betreffende de arbeidsovereenkomsten] […] de duurtijd van hun erkenning […] beperkt [zien] tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat?
- 4)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1 juli 2017 voor minstens twee jaar; vanaf 1 juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1 juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1 juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd?
- 5)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers [worden verhinderd] om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht?
- 6)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn?
- 7)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het [koninklijk besluit van 2004], namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het [koninklijk besluit van 1973] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de [wet betreffende de havenarbeid], ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?’
Zaak C-471/19
32
Middlegate Europe is een in Zeebrugge gevestigde vervoersonderneming die actief is in heel Europa. In het kader van het internationaal vervoer over de weg zetten haar werknemers met een ‘tugmaster’ op de kade van de haven van Zeebrugge onder meer trailers klaar voor verscheping naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland.
33
Op 12 januari 2011 kreeg een werknemer die dergelijke ladingen voorbereidde voor internationaal transport vanuit Virton (België) naar Bury (Verenigd Koninkrijk), een politiecontrole. De politie stelde naar aanleiding van die controle een proces-verbaal tegen Middlegate Europe op wegens inbreuk op artikel 1 van de wet betreffende de havenarbeid, namelijk het verrichten van havenarbeid door een niet-erkende havenarbeider.
34
Bij besluit van 17 januari 2013 werd aan Middlegate Europe een geldboete van 100 EUR opgelegd. Deze onderneming heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge (België). Bij vonnis van 17 december 2014 heeft deze rechterlijke instantie dit beroep ongegrond verklaard. Bij arrest van 3 november 2016 heeft het arbeidshof Gent (België) het hoger beroep tegen de uitspraak in eerste aanleg afgewezen.
35
Daarop heeft Middlegate Europe tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij het Hof van Cassatie (België). In die procedure voert zij aan dat de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 23 van de Belgische Grondwet omdat zij zich niet verdragen met de vrijheid van handel en nijverheid van ondernemingen. Het Hof van Cassatie heeft op verzoek van Middlegate Europe twee prejudiciële vragen voorgelegd aan de verwijzende rechterlijke instantie in zaak C-471/19, namelijk het Grondwettelijk Hof (België).
36
Deze rechterlijke instantie merkt op dat de in de Belgische Grondwet neergelegde vrijheid van handel en nijverheid nauw verwant is met de vrijheid van beroep, het recht om te werken en de vrijheid van ondernemerschap, die zijn verankerd in de artikelen 15 en 16 van het Handvest, alsook met een aantal fundamentele vrijheden die gewaarborgd worden door het VWEU, waaronder het vrij verrichten van diensten (artikel 56 VWEU) en de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU).
37
In de eerste plaats is het Grondwettelijk Hof van oordeel dat de verplichting die de wet betreffende de havenarbeid oplegt aan ondernemingen die in een havengebied havenarbeid willen verrichten, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen, en die erin bestaat om uitsluitend erkende havenarbeiders in te zetten en zich daartoe aan te sluiten bij een erkende werkgeversorganisatie, voor die ondernemingen een beperking lijkt in te houden van de vrije keuze van personeel en van de vrijheid om te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden.
38
Deze rechterlijke instantie is derhalve van oordeel dat de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU met zich meebrengen. In het licht van de rechtspraak van het Hof, en in het bijzonder het arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje (C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430), vraagt het Grondwettelijk Hof zich af of deze beperking al dan niet gerechtvaardigd is, gelet op de specifieke kenmerken en omstandigheden van de nationale regeling betreffende de havenarbeid.
39
Het merkt in dit verband op dat de Belgische wetgever bij de vaststelling van de wet betreffende de havenarbeid tot doel had het beroep van havenarbeider te beschermen door niet-erkende werknemers te verbieden havenarbeid te verrichten. Met de wettelijke verankering van het statuut van de ‘erkende havenarbeider’ — dat nauw verband houdt met het specifieke, moeilijke en gevaarlijke karakter van havenarbeid — werd beoogd om de technisch snel veranderende activiteiten van de goederenbehandeling in de havens exclusief voor te behouden aan arbeiders die een gedegen beroepsopleiding hebben gevolgd, waarbij zowel de beroepsbekwaamheid als de lichamelijke en de intellectuele geschiktheid worden beoordeeld. De wetgever wilde met dat statuut en het daarmee verbonden arbeidsmonopolie ook tegemoetkomen aan, enerzijds, het streven naar veiligheid in de havengebieden en het vermijden van arbeidsongevallen en, anderzijds, de noodzaak van de dagelijkse beschikbaarheid van gespecialiseerde arbeiders ten behoeve van een productieve, dienstverlenende en concurrentiële haven. Door de aansluiting van de werkgever bij één enkele erkende werkgeversorganisatie per havengebied — die optreedt als ondersteunend sociaal secretariaat — verplicht te stellen, heeft de Belgische wetgever bovendien de gelijke behandeling van alle havenarbeiders op het gebied van sociale rechten willen waarborgen met betrekking tot alle sociaalrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit het statuut van erkend havenarbeider.
40
In de tweede plaats wijst het Grondwettelijk Hof op het feit dat de vaststelling zonder meer van de ongrondwettigheid van de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid er, in afwachting van het optreden van de Belgische wetgever, toe kan leiden dat duizenden havenarbeiders onverwacht gedurende een bepaalde periode kunnen worden geconfronteerd met grote onzekerheid over hun rechtspositie op de arbeidsmarkt, hetgeen ongunstige sociale en financiële gevolgen voor de havenarbeiders met zich zou kunnen meebrengen. Ook de overheid kan in die omstandigheden worden geconfronteerd met ernstige gevolgen.
41
Teneinde eventuele rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen en de Belgische wetgever in staat te stellen de organisatie van de havenarbeid in de havengebieden in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die voortvloeien uit de Belgische Grondwet, gelezen in samenhang met de door de artikelen 15 en 16 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van handel en nijverheid en met artikel 49 VWEU, zou het Grondwettelijk Hof naar Belgisch recht de gevolgen van de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid voorlopig kunnen handhaven, aldus deze rechterlijke instantie.
42
In die omstandigheden heeft het Grondwettelijk Hof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 49 [VWEU], al dan niet in samenhang gelezen met artikel 56 van hetzelfde Verdrag, met de artikelen 15 en 16 van het [Handvest] en met het gelijkheidsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een Belgisch havengebied activiteiten van havenarbeid in de zin van de [wet betreffende de havenarbeid] — waaronder activiteiten die vreemd zouden zijn aan het laden en lossen van schepen in strikte zin — wensen te verrichten, verplicht om enkel een beroep te doen op erkende havenarbeiders?
- 2)
Kan het Grondwettelijk Hof, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de gevolgen van de in het geding zijnde artikelen 1 en 2 van de [wet betreffende de havenarbeid] voorlopig handhaven teneinde rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen en de wetgever in staat te stellen [die bepalingen] in overeenstemming te brengen met de uit het recht van de […] Unie voortvloeiende verplichtingen?’
43
Bij beslissing van de president van het Hof van 19 juli 2020 zijn de zaken C-407/19 en C-471/19 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
44
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 oktober 2020, hebben Katoen Natie Bulk Terminals, General Services Antwerp en Middlegate Europe krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om de heropening van de mondelinge behandeling.
45
Ter onderbouwing van hun verzoek hebben zij in wezen aangevoerd dat uit bepaalde documenten die na lezing van de conclusie van de advocaat-generaal toegankelijk zijn geworden, blijkt dat de Belgische regering en de werkgevers- en werknemersorganisaties in de havensector overleg hebben gepleegd en hebben besloten om de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling te blijven toepassen, ook al volgt het Hof de overwegingen van de advocaat-generaal. Voorts wensen zij de aandacht van het Hof te vestigen op recente, op havenarbeid betrekking hebbende beslissingen van rechterlijke instanties in bepaalde lidstaten.
46
Volgens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
47
In casu is dit echter niet het geval. Het standpunt dat de Belgische regering en de werkgevers- en werknemersorganisaties in de havensector beweerdelijk zouden innemen als het Hof de door de advocaat-generaal in zijn conclusie geformuleerde overwegingen zou volgen, is niet relevant voor het antwoord op de vragen van de verwijzende rechters in de onderhavige zaken. Ook de recente rechterlijke beslissingen die Katoen Natie Bulk Terminals, General Services Antwerp en Middlegate Europe in hun verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling vermelden, zijn niet relevant. Het gaat om een beslissing van de Spaanse mededingingsautoriteit die volgt op het arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje (C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430), en voorts om een arrest van een Nederlandse rechterlijke instantie, die geen verband houden met de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde regeling.
48
Voor zover Katoen Natie Bulk Terminals, General Services Antwerp en Middlegate Europe in hun verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling bovendien aangeven het niet eens te zijn met bepaalde beoordelingen in de conclusie van de advocaat-generaal, zij er om te beginnen aan herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor belanghebbenden om opmerkingen te maken naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Voorts zij opgemerkt dat de advocaat-generaal volgens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak heeft in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden. Bijgevolg kan het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling vormen, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt (arrest van 4 september 2014, Vnuk, C-162/13, EU:C:2014:2146, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Gelet op een en ander ziet het Hof geen aanleiding voor heropening van de mondelinge behandeling.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Bevoegdheid van het hof
51
Vastgesteld moet worden dat zowel in zaak C-407/19 als in zaak C-471/19 de feiten van het geding zich in één enkele lidstaat afspelen.
52
In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om aan het Hof duidelijk te maken in welk opzicht er in het bij hem aanhangige geding, ondanks het zuiver nationale karakter ervan, sprake is van aanknoping met de bepalingen van het Unierecht ter zake van de fundamentele vrijheden, zodat het prejudiciële verzoek om uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding (arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 55). Zoals blijkt uit de punten 18 tot en met 20 van het onderhavige arrest, heeft de Raad van State in zaak C-407/19 zorgvuldig uitgelegd in welk opzicht op basis van de internationale projectie van de in België gelegen havengebieden kan worden aangenomen dat de situaties waarop de toepasselijke nationale regeling betrekking heeft, een dergelijk aanknopingspunt met het Unierecht hebben. Deze overwegingen gelden ook onverkort voor het geding dat aanhangig is bij het Grondwettelijk Hof in zaak C-471/19.
53
Voorts is het zo dat, wanneer de verwijzende rechter zich tot het Hof wendt in het kader van een procedure tot vernietiging van bepalingen die niet alleen van toepassing zijn op nationale burgers maar ook op burgers van andere lidstaten, de beslissing die deze rechter naar aanleiding van het prejudiciële arrest van het Hof neemt, ook ten aanzien van burgers van andere lidstaten gevolgen zal sorteren, hetgeen rechtvaardigt dat het Hof een antwoord geeft op de vragen die aan het Hof zijn voorgelegd met betrekking tot de Verdragsbepalingen die zien op de fundamentele vrijheden, ook al spelen alle aspecten van het hoofdgeding zich in één lidstaat af (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze overweging geldt ook in het geval dat het Hof wordt aangezocht in het kader van een procedure betreffende de verenigbaarheid van dergelijke nationale bepalingen met het Unierecht. In casu zijn de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepalingen zonder onderscheid van toepassing op zowel Belgische onderdanen als onderdanen van andere lidstaten.
54
Het Hof is dus bevoegd om uitspraak te doen over alle prejudiciële vragen.
Prejudiciële vragen in zaak C-471/19
Eerste vraag
55
Met zijn eerste vraag in zaak C-471/19 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 49 en 56 VWEU, de artikelen 15 en 16 van het Handvest en het gelijkheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld.
56
Om te beginnen moet erop worden gewezen dat — wat de vraag betreft of een nationale regeling op grond waarvan ondernemingen die havendiensten willen verrichten, een beroep moeten doen op erkende havenarbeiders, verenigbaar is met de artikelen 15 en 16 van het Handvest — een toetsing aan de artikelen 49 en 56 VWEU van de beperking die een nationale regeling inhoudt ook geldt voor de mogelijke beperkingen van de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest, zodat een afzonderlijke toetsing aan het beginsel van de vrijheid van ondernemerschap niet nodig is (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Global Starnet, C-322/16, EU:C:2017:985, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Aangezien de verwijzende rechter in zaak C-471/19 in zijn eerste vraag het gelijkheidsbeginsel heeft genoemd, moet worden opgemerkt dat een nationale regeling als die welke in deze vraag aan de orde is, gelijkelijk van toepassing is op zowel ingezeten als niet-ingezeten marktdeelnemers, die dus op gelijke voet worden behandeld.
58
Uit vaste rechtspraak van het Hof vloeit evenwel voort dat de artikelen 49 en 56 VWEU in de weg staan aan elke nationale maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de door die Verdragsbepalingen gewaarborgde vrijheid van vestiging en van dienstverrichting door burgers van de Europese Unie onmogelijk kan maken, kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken (arrest van 10 juli 2014, Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici, C-358/12, EU:C:2014:2063, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Zoals de verwijzende rechter in zaak C-471/19 en de advocaat-generaal in de punten 52 en 53 van zijn conclusie hebben opgemerkt, moet worden vastgesteld dat een regeling van een lidstaat op grond waarvan ondernemingen uit andere lidstaten die zich in die lidstaat willen vestigen om aldaar havenactiviteiten uit te voeren of die, zonder zich daar te vestigen, aldaar havendiensten willen verrichten, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend, eraan in de weg staat dat dergelijke ondernemingen gebruikmaken van hun eigen personeel of andere, niet-erkende havenarbeiders in dienst nemen, en dus tot gevolg kan hebben dat vestiging in de betrokken lidstaat of het aldaar verrichten van diensten door die ondernemingen wordt belemmerd of minder aantrekkelijk wordt.
60
Die regeling vormt derhalve een beperking van de door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden (zie naar analogie arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 37 en 38).
61
Dergelijke beperkingen kunnen hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang indien zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken, wat inhoudt dat er geen minder beperkende maatregelen zijn die even doeltreffend zouden zijn om dat doel te bereiken (zie in die zin arresten van 11 december 2007, International Transport Workers' Federation en Finnish Seamen's Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punt 75; 10 juli 2014, Consorzio Stabile Libor Lavori Pubblici, C-358/12, EU:C:2014:2063, punt 31, en 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 47 en 53).
62
Uit de in punt 39 van het onderhavige arrest samengevatte aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-471/19, die overeenkomen met de toelichting van de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen, blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van de wet betreffende de havenarbeid in wezen ertoe strekken om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, arbeidsongevallen te voorkomen, ervoor te zorgen dat er, gelet op de fluctuerende arbeidsvraag in deze gebieden, voldoende gespecialiseerde arbeidskrachten zijn, en de gelijke behandeling van alle havenarbeiders inzake sociale rechten te garanderen.
63
Wat ten eerste het doel betreft dat alle havenarbeiders gelijk worden behandeld op het gebied van sociale rechten, dient eraan te worden herinnerd dat de bescherming van werknemers een dwingende reden van algemeen belang vormt die een beperking van de vrijheden van verkeer kan rechtvaardigen (zie met name arresten van 11 december 2007, International Transport Workers' Federation en Finnish Seamen's Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punt 77, en 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punt 50).
64
Een dergelijk doel kan echter niet worden bereikt met een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitoefenen, verplicht om uitsluitend erkende havenarbeiders in te zetten, aangezien het enkele feit dat een havenarbeider als zodanig is erkend, niet impliceert dat hij noodzakelijkerwijs dezelfde sociale rechten zal hebben als alle andere erkende havenarbeiders. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat dit doel kan worden bereikt middels de verplichting voor de werkgevers van havenarbeiders om zich bij één organisatie aan te sluiten. Die verplichting kan worden opgelegd krachtens artikel 3 bis van de wet betreffende de havenarbeid, dat in de onderhavige vraag niet aan de orde is.
65
Wat ten tweede het doel betreft om ervoor te zorgen dat er voldoende gespecialiseerde arbeidskrachten zijn — ervan uitgaande dat dit kan worden beschouwd als een dwingende reden van algemeen belang in de zin van de in punt 61 van dit arrest aangehaalde rechtspraak —, is het zo dat, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, een rigide systeem dat voorziet in een beperkte pool van erkende havenarbeiders waar elke onderneming die havenactiviteiten wil uitoefenen, een beroep op moet doen, verder gaat dan nodig is om dat doel te verwezenlijken.
66
Wat ten derde het meer specifieke doel betreft om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, is de bescherming van werknemers, zoals blijkt uit punt 63 van het onderhavige arrest, een van de dwingende redenen van algemeen belang die een beperking van de vrijheden van verkeer kan rechtvaardigen.
67
Hetzelfde geldt voor het meer specifieke doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen (zie in die zin arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje, C-576/13, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2430, punten 49–52).
68
Aangezien met de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid slechts wordt voorzien in de invoering van een stelsel voor de erkenning van havenarbeiders, maar de voorwaarden en concrete uitvoeringsbepalingen daarvan moeten worden vastgesteld bij krachtens artikel 3 van die wet genomen besluiten, kan — zoals de advocaat-generaal in de punten 70 en 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt — in dit verband niet worden aangenomen dat deze bepalingen op zich ongeschikt of onevenredig zijn om de veiligheid in de havengebieden en het voorkomen van arbeidsongevallen te waarborgen.
69
Of een dergelijke regeling noodzakelijk en evenredig is en daarmee de vraag of zij verenigbaar is met de artikelen 49 en 56 VWEU, moet immers op een alomvattende wijze worden beoordeeld, rekening houdende met alle voorwaarden voor de erkenning van havenarbeiders en de wijze waarop die regeling ten uitvoer wordt gelegd.
70
Een nationale regeling volgens welke ondernemingen die havendiensten willen verrichten, een beroep moeten doen op erkende havenarbeiders, is slechts evenredig aan het nagestreefde doel indien de erkenning van de havenarbeiders is gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria die grenzen stellen aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de instantie die verantwoordelijk is voor de erkenning van die arbeiders, zodat deze bevoegdheid niet op willekeurige wijze wordt gebruikt (zie naar analogie arrest van 17 juli 2008, Commissie/Frankrijk, C-389/05, EU:C:2008:411, punt 94 en aangehaalde rechtspraak).
71
Aangezien een dergelijke regeling bovendien tot doel heeft de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, mogen de erkenningsvoorwaarden voor havenarbeiders logischerwijs uitsluitend betrekking hebben op de vraag of deze arbeiders beschikken over de eigenschappen en vaardigheden die nodig zijn om de hun opgedragen taken veilig uit te voeren.
72
Daartoe kan, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in voorkomend geval worden bepaald dat havenarbeiders, om te worden erkend, over een toereikende beroepsopleiding moeten beschikken.
73
Eisen dat een dergelijke opleiding door één bepaalde instantie in de betrokken lidstaat wordt verstrekt of gecertificeerd, zonder rekening te houden met de eventuele erkenning van de betrokkenen als havenarbeider in een andere lidstaat van de Unie of met de opleiding die zij in een andere lidstaat van de Unie zouden hebben gevolgd en met de beroepsvaardigheden die zij aldaar zouden hebben verworven, zou echter onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 5 februari 2015, Commissie/België, C-317/14, EU:C:2015:63, punten 27–29).
74
Bovendien is, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, de beperking van het aantal voor erkenning in aanmerking komende havenarbeiders en daarmee de vorming van een beperkte pool van dergelijke arbeiders waar elke onderneming die havenactiviteiten wil uitvoeren een beroep op moet doen — in de veronderstelling dat dit de veiligheid in de havengebieden kan waarborgen — beslist onevenredig aan de verwezenlijking van dat doel.
75
Dit doel kan immers ook worden bereikt door te bepalen dat elke arbeider die kan aantonen dat hij over de vereiste beroepsvaardigheden beschikt en eventueel ook een passende opleiding heeft gevolgd, als havenarbeider kan worden erkend.
76
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag in zaak C-471/19 worden geantwoord dat de artikelen 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen.
Tweede vraag
77
De tweede vraag in zaak C-471/19 betreft de situatie waarin uit het antwoord op de eerste vraag zou voortvloeien dat de artikelen 49 en 56 VWEU zich verzetten tegen een nationale regeling zoals de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid. De verwijzende rechter in deze zaak wenst in wezen te vernemen of hij in dat geval de gevolgen van deze artikelen voorlopig in stand kan laten teneinde rechtsonzekerheid en sociale onrust binnen de betrokken lidstaat te voorkomen.
78
Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt dat nationale bepalingen als de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid als zodanig niet onverenigbaar zijn met de in de artikelen 49 en 56 VWEU neergelegde vrijheden, maar dat voor de beoordeling van de vraag of een krachtens dergelijke bepalingen ingevoerde regeling zich verdraagt met deze vrijheden, een alomvattende aanpak vereist is waarbij alle voorwaarden en bepalingen ter uitvoering van die regeling in aanmerking worden genomen.
79
In deze omstandigheden hoeft de tweede prejudiciële vraag in zaak C-471/19 niet te worden beantwoord.
Prejudiciële vragen in zaak C-407/19
Opmerkingen vooraf
80
De prejudiciële vragen in zaak C-407/19 zijn bedoeld om de verwijzende rechter in deze zaak in staat te stellen om te beoordelen of een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 2004, waarin de regels voor de uitvoering van de bepalingen van de wet betreffende de havenarbeid worden vastgesteld, verenigbaar zijn met het Unierecht. Deze rechter verwijst in dit verband naar verschillende door het Verdrag gewaarborgde vrijheden van verkeer.
81
Dienaangaande volgt in de eerste plaats uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag in zaak C-471/19 dat een dergelijke regeling onder de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting valt, die respectievelijk door de artikelen 49 en 56 VWEU worden gewaarborgd.
82
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat die regeling ook onder de werkingssfeer van artikel 45 VWEU valt. Op deze bepaling kan immers niet alleen een beroep worden gedaan door de werknemers zelf, maar ook door hun werkgevers. Het recht van werknemers om zonder discriminatie te worden tewerkgesteld en een beroep uit te oefenen, kan slechts doeltreffend en zinvol zijn indien daartegenover staat dat de werkgevers het recht hebben om werknemers met inachtneming van de regels betreffende het vrije verkeer in dienst te nemen (arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punt 18). De bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen beogen het de onderdanen van de lidstaten in het algemeen gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie een beroep uit te oefenen, en staan in de weg aan maatregelen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten. Die bepalingen en in het bijzonder artikel 45 VWEU staan bijgevolg in de weg aan elke maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door burgers van de Unie kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken (arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punten 19 en 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
In de derde plaats heeft de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in zijn vragen weliswaar ook naar de artikelen 34 en 35 VWEU verwezen, die betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen, maar vastgesteld moet worden dat hij geen enkele aanwijzing heeft verstrekt over welk concreet effect een nationale regeling als bedoeld in deze vragen op die vrijheid heeft.
84
In ieder geval zij eraan herinnerd dat, wanneer een nationale maatregel zowel de vrijheid van dienstverrichting als het vrije verkeer van goederen beperkt, het Hof de maatregel in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee fundamentele vrijheden onderzoekt indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arrest van 14 oktober 2004, Omega, C-36/02, EU:C:2004:614, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
85
Dit geldt ook voor een maatregel die zowel de vrijheid van vestiging (of het vrije verkeer van werknemers) als het vrije verkeer van goederen aantast.
86
Gesteld al dat een nationale regeling als bedoeld in punt 80 van het onderhavige arrest ook het vrije verkeer van goederen kan beperken, aangezien havenarbeiders ook diensten verrichten die verband houden met het vervoer van goederen via de havens, dan nog is het duidelijk dat een dergelijke beperking volkomen ondergeschikt zou zijn aan de beperkingen van het vrije verkeer van werknemers en diensten en van de vrijheid van vestiging.
87
In de vierde plaats vermeldt de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in de door hem aan het Hof gestelde vragen weliswaar de artikelen 101, 102 en 106 VWEU, maar heeft hij ook in dit geval onvoldoende uitleg verstrekt om het Hof in staat te stellen te beoordelen of deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding aan de orde is.
88
Bovendien heeft het Hof, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, reeds geoordeeld dat een regeling als die in het hoofdgeding aan de orde is, die particulieren verplicht om voor de uitvoering van havenactiviteiten uitsluitend een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet onder de artikelen 101 en 102 of artikel 106, lid 1, VWEU valt, aangezien havenarbeiders, ook al worden zij gezamenlijk beschouwd, niet als ‘ondernemingen’ in de zin van deze bepalingen kunnen worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 16 september 1999, Becu e.a., C-22/98, EU:C:1999:419, punten 27, 30 en 31).
89
Gelet op het voorgaande hoeven de prejudiciële vragen in zaak C-407/19 slechts te worden onderzocht in het licht van de artikelen 45, 49 en 56 VWEU.
90
Uit de punten 59 en 60 van het onderhavige arrest volgt dat een regeling van een lidstaat die, zoals de artikelen 1 en 2 van de wet betreffende de havenarbeid, niet-ingezeten ondernemingen die zich in die lidstaat willen vestigen om aldaar havenactiviteiten uit te voeren of die, zonder zich daar te vestigen, aldaar havendiensten willen verrichten, verplicht uitsluitend een beroep te doen op overeenkomstig deze regeling erkende havenarbeiders, een beperking vormt van de door de artikelen 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden.
91
Evenzo kan een dergelijke nationale regeling een afschrikwekkende werking hebben op uit andere lidstaten afkomstige werknemers en werkgevers en vormt zij bijgevolg een beperking van het in artikel 45 VWEU neergelegde vrije verkeer van werknemers (zie naar analogie arrest van 16 april 2013, Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punt 22).
92
Zoals uit respectievelijk de punten 61 en 63 van het onderhavige arrest naar voren komt, kunnen dergelijke beperkingen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang en kan het door de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, een dergelijke reden zijn, die kan dienen ter rechtvaardiging van die beperkingen, mits deze noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan het nagestreefde doel.
93
Bijgevolg moet voor elk van de in de prejudiciële vragen in zaak C-407/19 bedoelde maatregelen worden nagegaan of zij noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan het in het vorige punt genoemde doel.
Eerste vraag, tweede vraag, onder d), en derde en vierde vraag
94
Met zijn eerste vraag, zijn tweede vraag, onder d), en zijn derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan:
- —
de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen;
- —
deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders;
- —
voor havenarbeiders die niet in die pool worden opgenomen, de duur van hun erkenning is beperkt tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, mits deze overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, waarbij de mogelijkheid om te worden erkend krachtens een bepaling van overgangsrecht eerst geleidelijk wordt uitgebreid tot havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst van steeds kortere duur en uiteindelijk tot havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst van welke duur dan ook;
- —
er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen, en
- —
tegen besluiten van die commissie die zien op de erkenning van havenarbeiders alleen een beroep bij de rechter mogelijk is.
95
Wat ten eerste de samenstelling van de administratieve commissie betreft, moet worden opgemerkt dat, aangezien — zoals blijkt uit punt 92 van het onderhavige arrest — het vereiste van erkenning van havenarbeiders tot doel heeft de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, een regeling op grond waarvan deze erkenning wordt verleend door een administratief orgaan dat paritair is samengesteld uit door werkgevers- en werknemersorganisaties aangewezen leden, niet noodzakelijk en geschikt is om dat doel te bereiken.
96
Het is immers niet zeker of de door die organisaties aangewezen leden van dit orgaan over de kennis beschikken die nodig is om te bepalen of een havenarbeider voldoet aan de erkenningscriteria die betrekking hebben op zijn bekwaamheid om de hem opgedragen taken veilig uit te voeren.
97
Bovendien worden de leden van het orgaan dat bevoegd is voor de erkenning van havenarbeiders, zoals de advocaat-generaal in de punten 126 tot en met 128 van zijn conclusie heeft opgemerkt, aangewezen door marktdeelnemers die al op de markt actief zijn, namelijk door een organisatie die havenarbeiders vertegenwoordigt die reeds zijn erkend en voor de beschikbare arbeidsplaatsen dreigen in concurrentie te komen met de arbeiders die hun erkenning hebben aangevraagd, zodat kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van deze leden en de vraag rijst of zij zich op een objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze zullen kunnen uitspreken over de aanvragen tot erkenning (zie naar analogie arresten van 15 januari 2002, Commissie/Italië, C-439/99, EU:C:2002:14, punt 39; 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punt 51, en 26 september 2013, Ottica New Line, C-539/11, EU:C:2013:591, punten 53 en 54).
98
Ten tweede lijkt het ontbreken van een redelijke termijn waarbinnen het met de erkenning van havenarbeiders belaste orgaan zijn besluit moet nemen, evenmin noodzakelijk en geschikt voor de verwezenlijking van het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen.
99
Integendeel, het ontbreken van een dergelijke termijn kan het risico vergroten op een willekeurige weigering om een havenarbeider met de vereiste kwaliteiten te erkennen, met de enkele bedoeling om de concurrentie op de betrokken arbeidsmarkt te beperken.
100
Wat ten derde het feit betreft dat uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-407/19 volgt dat tegen de besluiten van de met de erkenning van havenarbeiders belaste commissie alleen een beroep bij de rechter openstaat, moet worden opgemerkt dat een maatregel die een beperking van een fundamentele vrijheid inhoudt, slechts evenredig aan het nagestreefde doel kan worden geacht indien hij aan de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde doeltreffende rechterlijke toetsing kan worden onderworpen (zie in die zin arrest van 8 mei 2019, PI, C-230/18, EU:C:2019:383, punten 78–81).
101
Het staat aan de verwijzende rechter in zaak C-407/19 om in voorkomend geval na te gaan of het beroep bij de rechter dat tegen de besluiten van de administratieve commissie kan worden ingesteld, voldoet aan de vereisten van een dergelijke toetsing.
102
Daarentegen doet het feit dat er voor besluiten inzake de erkenning van havenarbeiders geen beroep bij een bestuursorgaan mogelijk is, geen twijfel rijzen over de noodzaak en de evenredigheid van een nationale maatregel waarbij een dergelijke erkenning verplicht wordt gesteld.
103
Wat ten vierde de omstandigheid betreft dat erkende havenarbeiders — bij besluit van de administratieve commissie — al dan niet worden opgenomen in een pool van werknemers, moet worden opgemerkt dat uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter in zaak C-407/19 blijkt dat de pool waarin het koninklijk besluit van 2004 voorziet, geen starre pool zoals de in punt 74 van het onderhavige arrest genoemde pool vormt, aangezien, zoals blijkt uit artikel 2, § 3, van dat koninklijk besluit, de niet in die pool opgenomen arbeiders kunnen worden aangesteld als havenarbeiders op basis van een arbeidsovereenkomst.
104
Uit deze laatste bepaling en uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter blijkt echter dat de erkenning van niet in de pool opgenomen arbeiders beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, terwijl volgens artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 2004 de in de pool opgenomen havenarbeiders voor onbepaalde tijd kunnen worden erkend.
105
Bovendien werd krachtens de overgangsbepaling van artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 2004 de mogelijkheid om te worden erkend zonder in de pool te zijn opgenomen, aanvankelijk beperkt tot havenarbeiders met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Deze mogelijkheid werd geleidelijk uitgebreid tot havenarbeiders met tijdelijke overeenkomsten van steeds kortere duur. Pas sinds 1 juli 2020 kunnen alle havenarbeiders met een arbeidsovereenkomst als havenarbeider worden erkend, ongeacht de duur van hun arbeidsovereenkomst.
106
In dit verband moet worden opgemerkt dat het juist is dat een nationale regeling op grond waarvan de erkenning van havenarbeiders met redelijke tussenpozen moet worden verlengd, niet onverenigbaar is met de doelstelling om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, aangezien het vereiste van periodieke verlenging van de erkenning het mogelijk maakt te verzekeren dat de havenarbeiders nog steeds beschikken over de nodige capaciteiten om de hun opgedragen taken veilig uit te voeren.
107
Een regeling op grond waarvan slechts een deel van de havenarbeiders in aanmerking komt voor erkenning voor onbepaalde tijd, terwijl de erkenning van bepaalde andere havenarbeiders automatisch eindigt bij het einde van hun arbeidsovereenkomst — ook al was deze slechts voor zeer korte tijd gesloten — zodat deze laatsten telkens een nieuwe erkenningsprocedure moeten doorlopen wanneer zij een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten, is echter niet geschikt en noodzakelijk om het in het vorige punt genoemde doel te bereiken.
108
Er zijn immers geen redenen die deze verschillende behandeling van twee categorieën havenarbeiders die zich uit het oogpunt van de veiligheid op hun werkplek in volstrekt vergelijkbare situaties bevinden, kunnen rechtvaardigen.
109
Dit geldt temeer daar er, zoals de advocaat-generaal in punt 157 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in havenarbeid vooral sprake is van werkzaamheden van korte duur.
110
Tijdens de in punt 105 van het onderhavige arrest genoemde overgangsperiode hebben immers alleen de in de pool opgenomen havenarbeiders de mogelijkheid om arbeidsovereenkomsten van korte duur te sluiten, hetgeen in de praktijk leidt tot een situatie waarin deze pool bestaat uit een beperkt aantal havenarbeiders waarop een beroep dient te worden gedaan. Zoals in punt 74 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, is de vorming van een dergelijke pool een maatregel die onevenredig is aan het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen. Deze maatregel kan niet worden gerechtvaardigd uit het oogpunt van die doelstelling.
111
Bovendien vormt het feit dat de niet in de pool opgenomen havenarbeiders opnieuw moeten worden erkend telkens wanneer zij een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten, ook al zouden zij recentelijk — naar aanleiding van het sluiten van een eerdere arbeidsovereenkomst van korte duur — reeds zijn erkend, ook na het einde van de overgangsperiode een beperking van de in de artikelen 45, 49 en 56 VWEU neergelegde vrijheden die niet kan worden gerechtvaardigd door het in het vorige punt genoemde doel.
112
Er kan immers niet redelijkerwijs worden aangenomen dat die arbeiders, kort na hun erkenning als havenarbeider, de vaardigheden en kwaliteiten hebben verloren die niet lang daarvoor hun erkenning hadden gerechtvaardigd.
113
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, de tweede vraag, onder d), en de derde en de vierde vraag in zaak C-407/19 worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan:
- —
de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen;
- —
deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart;
- —
er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen.
Tweede vraag, onder a) tot en met c)
114
Met zijn tweede vraag, onder a) tot en met c), wenst de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke een werknemer, tenzij hij kan aantonen dat hij in een andere lidstaat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet, slechts kan worden erkend als havenarbeider indien hij:
- —
medisch geschikt voor havenarbeid is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de organisatie is aangesloten die onder haar leden verplicht alle werkgevers telt die actief zijn in het betrokken havengebied;
- —
geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door die werkgeversorganisatie is aangewezen;
- —
een voorbereidende cursus van drie weken over veilig werken heeft gevolgd met het oog op het verwerven van vakbekwaamheid, en
- —
geslaagd is voor de eindproef van deze opleiding.
115
Zoals de advocaat-generaal in punt 140 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn de eisen inzake medische geschiktheid, slagen voor een psychologisch onderzoek en een voorafgaande beroepsopleiding volgen in beginsel geschikt om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en zijn deze eisen evenredig aan dat doel.
116
Zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, bieden dergelijke eisen immers redelijke garanties dat havenarbeid op een zo veilig mogelijke manier wordt uitgevoerd door arbeiders met voldoende kennis van zaken en met een adequate opleiding en motivatie, waardoor het aantal arbeidsongevallen en andere risico's voor de openbare veiligheid in verband met de behandeling van goederen worden verminderd.
117
Het feit dat de medische geschiktheid van de kandidaten voor erkenning als havenarbeider wordt gecontroleerd door de dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de werkgeversorganisatie van het betrokken havengebied is aangesloten, en dat diezelfde organisatie het orgaan aanwijst dat belast is met het organiseren van de psychotechnische tests die deze kandidaten moeten afleggen om te worden erkend, doet op zich geen twijfel rijzen over de geschiktheid en de evenredigheid van die eisen.
118
Zoals de advocaat-generaal in punt 141 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten dergelijke medische onderzoeken, tests of proeven, om noodzakelijk te zijn ter bereiking van het nagestreefde doel en in verhouding te staan tot dat doel, echter op transparante, objectieve en onpartijdige wijze worden uitgevoerd.
119
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter in zaak C-407/19 om na te gaan of de rol die de werkgeversorganisatie en eventueel ook de vakbonden van erkende havenarbeiders hebben bij de aanwijzing van de organen die belast zijn met het verrichten van dergelijke onderzoeken, tests of proeven, in de specifieke omstandigheden van het hoofdgeding van dien aard is dat daardoor het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van die onderzoeken, tests of proeven in twijfel wordt getrokken.
120
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag, onder a) tot en met c), worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke een werknemer, tenzij hij kan aantonen dat hij in een andere lidstaat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet, slechts kan worden erkend als havenarbeider indien hij:
- —
medisch geschikt voor havenarbeid is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de organisatie is aangesloten die onder haar leden verplicht alle werkgevers telt die actief zijn in het betrokken havengebied;
- —
geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door die werkgeversorganisatie is aangewezen;
- —
een voorbereidende cursus van drie weken over veilig werken heeft gevolgd met het oog op het verwerven van vakbekwaamheid, en
- —
geslaagd is voor de eindproef,
mits de taak die aan de werkgeversorganisatie en, in voorkomend geval, aan de vakbonden van erkende havenarbeiders is opgedragen bij de aanwijzing van de organen die met het verrichten van dergelijke onderzoeken, tests of proeven zijn belast, niet van dien aard is dat daardoor het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van die onderzoeken, tests of proeven in twijfel wordt getrokken.
Vijfde vraag
121
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet.
122
Aangezien, zoals blijkt uit punt 62 van het onderhavige arrest, het doel van een regeling voor de erkenning van havenarbeiders — zoals dit door de verwijzende rechter in zaak C-407/19 is beschreven — erin bestaat om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen, is een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die overeenkomstig een oudere vergelijkbare regeling als zodanig waren erkend, volgens de nieuwe regeling hun erkenning behouden, niet ongeschikt om het nagestreefde doel te bereiken en ook niet onevenredig aan dat doel.
123
Er kan immers redelijkerwijs van worden uitgegaan dat havenarbeiders die al onder de oudere regeling waren erkend, reeds over de vaardigheden en kwaliteiten beschikken die noodzakelijk zijn om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen.
124
Uit de door de verwijzende rechter in zaak C-407/19 verstrekte gegevens blijkt dat zijn vijfde vraag is ingegeven door het betoog van verzoeksters in het hoofdgeding in deze zaak, namelijk dat een maatregel als bedoeld in punt 121 van het onderhavige arrest een werkgever de mogelijkheid ontneemt om reeds erkende havenarbeiders rechtstreeks — dat wil zeggen buiten de pool — aan te werven, aangezien die havenarbeiders terughoudend zijn om de pool te verlaten en een dergelijke arbeidsovereenkomst te sluiten, omdat zij daardoor hun erkenning verliezen.
125
Met dat betoog wordt niet opgekomen tegen de omstandigheid dat de erkenning die een havenarbeider heeft verkregen uit hoofde van de oude wettelijke regeling, behouden blijft volgens de nieuwe wettelijke regeling, maar tegen het feit dat de betrokken arbeider de erkenning niet behoudt wanneer hij de pool verlaat om rechtstreeks met een werkgever een arbeidsovereenkomst te sluiten.
126
Uit punt 113 van het onderhavige arrest volgt dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een erkende havenarbeider die niet is opgenomen in de pool van werknemers waarin die regeling voorziet, voor elke nieuwe door hem gesloten arbeidsovereenkomst een nieuwe erkenningsprocedure moet doorlopen.
127
Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag in zaak C-407/19 worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet.
Zesde vraag
128
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke voor de overgang van een havenarbeider naar de pool van werknemers van een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, de bij cao vastgestelde voorwaarden en bepalingen gelden.
129
Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat het feit dat dergelijke voorwaarden en bepalingen worden vastgelegd bij cao, niet betekent dat zij niet vallen onder de werkingssfeer van die Verdragsartikelen (zie in die zin arrest van 11 december 2007, International Transport Workers' Federation en Finnish Seamen's Union, C-438/05, EU:C:2007:772, punten 33 en 34).
130
Dienaangaande zij opgemerkt dat een nationale regeling die voorwaarden stelt aan de mogelijkheid voor een erkende havenarbeider om te werken in een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, ongeacht of deze voorwaarden bij wet dan wel bij cao worden vastgesteld, een beperking vormt van zowel het vrije verkeer van werknemers als de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
131
Een dergelijke regeling beperkt immers zowel de vrijheid van een havenarbeider om in verschillende havengebieden werkzaam te zijn, als de mogelijkheid voor een onderneming die zich in een bepaald havengebied vestigt of daar diensten wil verrichten, om gebruik te maken van de diensten van een havenarbeider van haar keuze die zijn erkenning in een ander havengebied heeft verkregen.
132
De Belgische regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen evenwel betoogd dat overeenkomstig artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 2004 de erkenning van een havenarbeider in elk havengebied geldig is, tenzij die havenarbeider deel uitmaakt van de pool van een specifiek havengebied. In dat geval hangt de overgang van het ene havengebied naar een ander havengebied af van de vraag of er een behoefte aan arbeidskrachten is en of de wervingsreserve openstaat. Deze bepaling sluit dus enkel de mogelijkheid uit dat een havenarbeider die deel uitmaakt van een pool, tegelijkertijd buiten de pool werkzaam is, hetzij in hetzelfde havengebied, hetzij in een ander gebied. De mogelijkheid om in een ander havengebied te werken blijft echter openstaan voor elke erkende havenarbeider die geen deel uitmaakt van de pool.
133
In dit verband moet erop worden gewezen dat een dergelijke regeling een beperking kan vormen van de door de artikelen 45, 49 en 56 VWEU gewaarborgde vrijheden, ook al heeft zij slechts betrekking op een beperkt aantal werknemers.
134
Voorts moet op basis van de aanwijzingen in punt 132 van het onderhavige arrest worden opgemerkt dat, aangezien een pool van havenarbeiders in de zin van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling bedoeld is om op gerichte wijze in de behoeften aan gespecialiseerde arbeidskrachten in elk havengebied van de betrokken lidstaat te voorzien, het feit dat de overgang van een havenarbeider tussen de pools van twee verschillende gebieden in die omstandigheden afhankelijk is van voorwaarden en bepalingen die ertoe strekken te verzekeren dat elke pool over voldoende arbeidskrachten beschikt, gerechtvaardigd kan worden in het licht van het legitieme doel om de veiligheid in elk havengebied te waarborgen. Met een maatregel die in dergelijke voorwaarden voorziet, kan er immers met name voor worden gezorgd dat er permanent een minimumaantal gekwalificeerde werknemers is die de veilige werking van de haven kunnen garanderen. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijke maatregel, gelet op dat doel, noodzakelijk en evenredig is.
135
Gelet op een en ander moet op de zesde vraag in zaak C-407/19 worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke voor de overgang van een havenarbeider naar de pool van werknemers van een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, de bij cao vastgestelde voorwaarden en bepalingen gelden, mits deze voorwaarden en bepalingen noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in elk havengebied te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
Zevende vraag
136
Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter in zaak C-407/19 in wezen te vernemen of de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke logistieke werknemers moeten beschikken over een ‘veiligheidscertificaat’ dat wordt afgegeven op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst en waarvan de wijze van afgifte en de procedure voor de verkrijging ervan bij cao zijn vastgesteld.
137
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een nationale regeling die slechts bepaalt dat het ‘veiligheidscertificaat’ waarover de in een havengebied werkzame logistieke werknemers moeten beschikken, hun wordt uitgereikt op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst, en dat de overige bepalingen omtrent de afgifte van dat certificaat en de ter verkrijging ervan te volgen procedure bij cao worden vastgesteld, verenigbaar is met de artikelen 45, 49 en 56 VWEU.
138
In dit verband moet worden opgemerkt dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU zich er in beginsel weliswaar niet tegen verzetten dat de arbeidsvoorwaarden in een lidstaat in cao's worden vastgesteld, maar dat dit niet wegneemt dat de aldus vastgestelde voorwaarden niet buiten de werkingssfeer van deze artikelen vallen, zoals blijkt uit punt 129 van het onderhavige arrest.
139
Bij het beoordelen of de beperkingen van de in die artikelen neergelegde vrijheden die voortvloeien uit het vereiste dat elke in een havengebied werkzame logistieke werknemer over een ‘veiligheidscertificaat’ beschikt, evenredig en noodzakelijk zijn, moet noodzakelijkerwijs rekening worden gehouden met de wijze waarop dat certificaat concreet wordt afgegeven en met de daartoe bij cao vastgelegde te volgen procedure.
140
In het kader van deze beoordeling moet worden nagegaan of de voorwaarden voor de afgifte van een dergelijk certificaat uitsluitend betrekking hebben op de vraag of de betrokken logistieke werknemer de vereiste kwalificaties en vaardigheden bezit om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, en of de procedure voor de verkrijging van dat certificaat geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich meebrengt.
141
In het bijzonder kan de eis dat voor de afgifte van het ‘veiligheidscertificaat’ de arbeidsovereenkomst van de betrokkene moet worden overgelegd, tot gevolg hebben dat de betrokken werkgever of werknemer verplicht is om te verzoeken om de afgifte van een nieuw certificaat telkens wanneer een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Aangezien er, zoals blijkt uit punt 109 van het onderhavige arrest, op het gebied van havenarbeid vooral sprake is van werkzaamheden van korte duur, kan die eis buitensporig en onevenredig zijn. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, zou het voldoende zijn om te voorzien in de periodieke verlenging van dat certificaat en tegelijkertijd te bepalen dat het geldig blijft na de beëindiging van een arbeidsovereenkomst van korte duur.
142
Gelet op een en ander moet op de zevende vraag in zaak C-407/19 worden geantwoord dat de artikelen 45, 49 en 56 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke logistieke werknemers moeten beschikken over een ‘veiligheidscertificaat’ dat wordt afgegeven op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst en waarvan de wijze van afgifte en de procedure voor de verkrijging ervan bij cao zijn vastgesteld, mits de voorwaarden voor de afgifte van dat certificaat noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, en de procedure voor het verkrijgen ervan geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich meebrengt.
Kosten
143
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechters over de kosten hebben te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
De artikelen 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan personen of ondernemingen die in een havengebied havenactiviteiten willen uitvoeren, waaronder ook activiteiten die geen verband houden met het laden en lossen van schepen in strikte zin, uitsluitend een beroep mogen doen op havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die ter uitvoering van die regeling zijn vastgesteld, mits die voorwaarden en bepalingen gebaseerd zijn op objectieve, niet-discriminerende en vooraf kenbare criteria aan de hand waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige eisen voldoen als die welke voor binnenlandse havenarbeiders gelden, en er voorts geen sprake is van een beperkte pool van havenarbeiders die voor een dergelijke erkenning in aanmerking kunnen komen.
- 2)
De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan:
- —
de erkenning van havenarbeiders gebeurt door een administratieve commissie die paritair is samengesteld uit leden die door werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties zijn aangewezen;
- —
deze commissie, afhankelijk van de behoefte aan arbeidskrachten, ook bepaalt of de erkende arbeiders al dan niet moeten worden opgenomen in een pool van havenarbeiders, waarbij voor de niet in die pool opgenomen havenarbeiders de duur van de erkenning beperkt is tot de duur van hun arbeidsovereenkomst, zodat voor elke nieuwe overeenkomst die zij sluiten, een nieuwe erkenningsprocedure moet worden gestart, en
- —
er geen maximumtermijn is waarbinnen die commissie een besluit moet nemen.
- 3)
De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke een werknemer, tenzij hij kan aantonen dat hij in een andere lidstaat aan gelijkwaardige voorwaarden voldoet, slechts kan worden erkend als havenarbeider indien hij:
- —
medisch geschikt voor havenarbeid is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij de organisatie is aangesloten die onder haar leden verplicht alle werkgevers telt die actief zijn in het betrokken havengebied;
- —
geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door die werkgeversorganisatie is aangewezen;
- —
een voorbereidende cursus van drie weken over veilig werken heeft gevolgd met het oog op het verwerven van vakbekwaamheid, en
- —
geslaagd is voor de eindproef,
mits de taak die aan de werkgeversorganisatie en, in voorkomend geval, aan de vakbonden van erkende havenarbeiders is opgedragen bij de aanwijzing van de organen die met het verrichten van dergelijke onderzoeken, tests of proeven zijn belast, niet van dien aard is dat daardoor het transparante, objectieve en onpartijdige karakter van die onderzoeken, tests of proeven in twijfel wordt getrokken.
- 4)
De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan havenarbeiders die als zodanig zijn erkend overeenkomstig het wettelijk kader dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van die regeling, deze erkenning op grond van de nieuwe regeling behouden en worden opgenomen in de pool van havenarbeiders waarin die nieuwe regeling voorziet.
- 5)
De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke voor de overgang van een havenarbeider naar de pool van werknemers van een ander havengebied dan dat waar hij is erkend, de bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde voorwaarden en bepalingen gelden, mits deze voorwaarden en bepalingen noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in elk havengebied te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.
- 6)
De artikelen 45, 49 en 56 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke logistieke werknemers moeten beschikken over een ‘veiligheidscertificaat’ dat wordt afgegeven op vertoon van hun identiteitskaart en hun arbeidsovereenkomst en waarvan de wijze van afgifte en de procedure voor de verkrijging ervan bij collectieve arbeidsovereenkomst zijn vastgesteld, mits de voorwaarden voor de afgifte van dat certificaat noodzakelijk zijn voor het doel om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, en evenredig zijn aan dit doel, en de procedure voor het verkrijgen ervan geen buitensporige en onevenredige administratieve lasten met zich meebrengt.
Vilaras
Piçarra
Šváby
Rodin
Jürimäe
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 februari 2021.
De griffier
De president van de Vierde kamer
A. Calot Escobar
M. Vilaras
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑02‑2021
Conclusie 10‑09‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Artikel 49 VWEU — Vrijheid van vestiging — Uitoefening van havenactiviteiten — Havenarbeiders (stuwadoors) — Toegang tot het beroep en aanwerving — Vereisten voor de erkenning van havenarbeiders — Havenarbeiders die zijn opgenomen in een contingent (pool) — Rechtstreekse aanwerving van havenarbeiders — Beperking van de duur van de arbeidsovereenkomst — Mobiliteit van havenarbeiders tussen havengebieden — Logistieke werknemers — Voorlopige toepassing van een nationale regeling die onverenigbaar is met het Unierecht’
M. campos sánchez-bordona
Partij(en)
Gevoegde zaken C-407/19 en C-471/191.
Katoen Natie Bulk Terminals NV,
General Services Antwerp NV
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
en
Middlegate Europe NV
tegen
Ministerraad,
in tegenwoordigheid van:
Katoen Natie Bulk Terminals NV,
General Services Antwerp NV,
Koninklijk Verbond der Beheerders van Goederenstromen (KVBG) CVBA,
MVH Logistics en Stuwadoring BV
[verzoek van het Grondwettelijk Hof (België) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het laden en lossen van schepen in havens door havenarbeiders werd doorgaans onder onregelmatige en zware omstandigheden gedaan. Hun strijd om verbetering van hun arbeidsvoorwaarden, met steun van goed georganiseerde vakbonden, heeft ertoe geleid dat veel staten specifieke voorschriften hebben vastgesteld om die arbeidsverhouding te reguleren.
2.
De verschillende nationale regelingen hadden gemeen dat de betreffende werkzaamheden exclusief waren voorbehouden aan havenarbeiders die deel uitmaakten van een strikt afgebakende groep of pool (van ‘erkende’ havenarbeiders, zoals zij in de onderhavige zaken veelal worden aangeduid). Ondernemingen die havendiensten aanboden, moesten verplicht gebruikmaken van erkende havenarbeiders.
3.
Door de technologische ontwikkelingen zijn de stuw- en overige havenwerkzaamheden veranderd, maar de arbeidsregelingen die het ‘monopolie’ van erkende havenarbeiders in de hand werkten, bestaan in sommige lidstaten nog steeds in meer of mindere mate.2.
4.
In 20143. heeft het Hof de Spaanse arbeidsregeling voor havenstuwage, die de traditionele patronen op dit gebied volgde, onverenigbaar verklaard met de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU.
5.
Ondanks de inspanningen van de Commissie is de wetgever van de Unie er noch voor, noch na dat arrest in geslaagd het deel van de regeling voor het verrichten van havendiensten dat betrekking heeft op de arbeidsverhoudingen en -voorwaarden van havenwerkers te harmoniseren.4.
6.
Deze twee prejudiciële verwijzingen bieden het Hof de mogelijkheid om vast te stellen of het Belgische stelsel (dat een bijzondere regeling voor de aanwerving van havenarbeiders omvat) verenigbaar is met de vrijheid van vestiging. Tegelijkertijd zal het te wijzen arrest het Hof de mogelijkheid bieden aanvullende criteria vast te stellen om te verduidelijken dat de regeling voor havenwerkers aan de eisen van het recht van de Unie, en dan met name aan die van de vrijheid van vestiging, moet voldoen. Havens staan niet buiten de wet.5.
I.toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
7.
Artikel 49 VWEU luidt:
‘In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.’
B. belgisch recht
1. wet betreffende de havenarbeid
8.
Van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid6., die verschillende wijzigingen heeft ondergaan, zijn in casu de volgende artikelen van belang:
‘Artikel 1
Niemand mag in de havengebieden, havenarbeid laten verrichten door andere werknemers dan erkende havenarbeiders.
Artikel 2
De omschrijving van de havengebieden en de havenarbeid zoals bepaald door de Koning in uitvoering van de artikelen 35 en 37 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, geldt voor de toepassing van deze wet.
Artikel 3
De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten van de erkenning van de havenarbeiders op advies van het voor het betrokken havengebied bevoegd paritair comité.
[…]
Artikel 3 bis
Op advies van het voor het betrokken havengebied bevoegd paritair comité, kan de Koning de werkgevers, die in dit gebied havenarbeiders tewerkstellen, verplichten zich aan te sluiten bij een door hem erkende organisatie van werkgevers, die in de hoedanigheid van lasthebber alle verplichtingen vervult die voor de betrokken werkgevers krachtens de individuele en collectieve arbeidswetgeving en de socialezekerheidswetgeving voortvloeien uit de tewerkstelling van havenarbeiders.
Om te kunnen erkend worden, moet de in het eerste lid bedoelde organisatie van werkgevers reeds de meerderheid van de betrokken werkgevers als aangeslotene tellen.’
2. koninklijk besluit tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het paritair comité van het havenbedrijf
9.
In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité van het havenbedrijf7. wordt bepaald:
‘Er wordt een paritair comité opgericht, genaamd ‘Paritair Comité voor het havenbedrijf’, dat bevoegd is voor de werknemers in het algemeen en hun werkgevers, te weten:
alle werknemers en hun werkgevers die, in de havengebieden:
- A.
als hoofdzakelijke of bijkomstige activiteit havenarbeid verrichten, d.w.z. alle behandelingen van goederen welke per zee- of binnenschepen, spoorwagens of vrachtwagens aan- of afgevoerd worden, en de met deze goederen in verband staande bijkomende diensten, ongeacht deze activiteiten geschieden in de dokken, op bevaarbare waterwegen, op de kaden of in de instellingen welke gericht zijn op invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, alsook alle behandelingen van goederen, welke per zee- of binnenschepen aan- of afgevoerd worden op de kaden van nijverheidsinstellingen.
Er wordt verstaan onder:
- 1.
Alle behandelingen van goederen:
- a)
Goederen: alle goederen, met inbegrip van containers en vervoermiddelen, slechts uitzondering gemaakt voor:
- —
de aanvoer alsmede de afvoer in bulk van aardolie, vloeibare aardolieproducten en vloeibare grondstoffen voor de raffinaderijen, de chemische nijverheid en de opslag- en transformatiebedrijvigheden in petroleuminstallaties;
- —
vis aangevoerd met vissersvaartuigen;
- —
vloeibare gassen onder druk en in bulk.
b) Behandelingen: laden, lossen, stuwen, ontstuwen, omstuwen, storten, trimmen, klasseren, sorteren, calibreren, stapelen, ontstapelen, alsmede samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen.
- 2.
De met deze goederen in verband staande bijkomende diensten: markage, wegen, meten, cuberen, controle, ontvangen, bewaken, met uitzondering van de bewakingsdiensten verricht door ondernemingen vallend onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de bewakings- en/of toezichtsdiensten voor rekening van ondernemingen vallend onder het Paritair Comité voor het havenbedrijf, afleveren, nemen van stalen en verzegelen, schoren en ontschoren.
[…]’
3. koninklijk besluit betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid
10.
In het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid8. werd in eerste instantie voorzien in een verplichting tot erkenning van alle havenarbeiders die havenarbeid verrichtten in de zin van het koninklijk besluit van 12 januari 1973. Die havenarbeiders zouden na hun erkenning worden ingedeeld in het algemene contingent (de pool) of in het logistieke contingent.
11.
Het koninklijk besluit van 5 juli 2004 is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, dat is vastgesteld na de door de Commissie aan België gezonden aanmaningsbrief van 28 maart 2014.9.
12.
Na die wijziging wordt in het koninklijk besluit van 5 juli 2004, in de op de onderhavige zaken toepasselijke versie, het volgende bepaald:
‘Artikel 1
- § 1.
Binnen ieder havengebied worden de havenarbeiders erkend door een paritair samengestelde administratieve commissie, hierna genoemd ‘de administratieve commissie’, opgericht binnen het voor het betrokken havengebied bevoegde paritair subcomité.
De administratieve commissie is samengesteld uit:
- 1.
een voorzitter en een ondervoorzitter;
- 2.
vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité;
- 3.
vier gewone en vier plaatsvervangende leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité;
- 4.
één of meer secretarissen.
De bepalingen van het koninklijk besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités, alsmede de bijzondere regels, zoals bepaald in artikel 10 van dit besluit, zijn van toepassing op de werking van de administratieve commissie.
- § 2.
De aanvraag tot erkenning wordt schriftelijk ingediend bij het bevoegde paritair subcomité via een model dat daartoe ter beschikking wordt gesteld.
Bij de aanvraag wordt aangegeven of deze wordt ingediend met het oog op tewerkstelling binnen of buiten de pool.
- § 3.
In afwijking van § 1, eerste lid, geldt voor werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van [het koninklijk besluit van 12 januari 1973] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending een transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde en die hiertoe beschikken over een veiligheidscertificaat, ‘logistieke werknemers’ genaamd, dit veiligheidscertificaat als een erkenning in de zin van de [wet van 1972].
Het veiligheidscertificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten te verrichten zoals bedoeld in het vorige lid en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de identiteitskaart en de arbeidsovereenkomst. De modaliteiten van deze procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.
Artikel 2
- § 1.
De havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 1e lid, worden bij hun erkenning ofwel opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet.
Bij de erkenning tot opname in de pool wordt rekening gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten.
- § 2.
Havenarbeiders opgenomen in de pool worden erkend voor bepaalde of onbepaalde duur.
De nadere regels betreffende de duur van de erkenning worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.
- § 3.
Havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool, worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst.
[…]
Artikel 4
- § 1.
Voor een erkenning als havenarbeider zoals bedoeld in artikel 1, § 1, 1e lid, gelden de volgende erkenningsvoorwaarden:
[…]
- 2.
door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet van 1972] aangeduid werd als lasthebber, aangesloten is, medisch geschikt verklaard zijn voor havenarbeid;
- 3.
geslaagd zijn in de psychotechnische proeven, afgenomen door het orgaan dat hiertoe werd aangewezen door de erkende organisatie van werkgevers, die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet van 1972] aangeduid werd als lasthebber; het doel van deze proeven is na te gaan of de kandidaat-havenarbeider voldoende intelligentie en de juiste persoonlijkheid en motivatie bezit, om na een opleiding de functie van havenarbeider te kunnen vervullen;
[…]
- 6.
gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd, en geslaagd zijn voor de eindproef. De daartoe bevoegde overheid kan kwaliteitscriteria vastleggen waaraan de opleiding, die vrij aangeboden kan worden, moet voldoen.
- 7.
de laatste vijf jaar niet het voorwerp zijn geweest van een maatregel van intrekking van de erkenning van havenarbeider op grond van artikel 7, eerste lid, 1o of 3o, van dit besluit […];
- 8.
indien het de erkenning van een havenarbeider zoals bedoeld in artikel 2, § 3, betreft, bovendien beschikken over een arbeidsovereenkomst.
- § 2.
De erkenning van een havenarbeider is geldig in elk havengebied zoals bepaald door de Koning in uitvoering van de artikelen 35 en 37 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
De voorwaarden en modaliteiten waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend, worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.
De organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet van 1972] aangeduid werd als lasthebber in het havengebied waar de havenarbeider werd erkend, blijft ook lasthebber indien de havenarbeider wordt tewerkgesteld buiten het havengebied waar hij erkend werd.
- § 3.
Havenarbeiders die kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat van de Europese Unie aan vergelijkbare voorwaarden inzake havenarbeid voldoen, worden voor de toepassing van dit besluit niet meer aan die voorwaarden onderworpen.
- § 4.
De aanvragen tot erkenning en tot hernieuwing worden ingediend bij en behandeld door de administratieve commissie.
[…]
Artikel 13/1
- 1e.
de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor onbepaalde duur;
- 2e.
de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 2 jaar;
- 3e.
de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 1 jaar;
- 4e.
de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in artikel 2, § 3, 2e lid, moet worden gesloten voor minstens 6 maanden.
[…]
Artikel 15/1
Voor de toepassing van dit besluit:
- 1o.
worden de havenarbeiders, erkend op basis van het vroegere artikel 2, 2e lid, van rechtswege erkend als havenarbeider opgenomen in de pool conform het gewijzigde artikel 2, § 1, onverminderd de toepassing van de artikelen 5 tot 9 van dit besluit;
- 2o.
worden de havenarbeiders, erkend op basis van het vroegere artikel 2, 3e lid, van rechtswege gelijkgesteld met de logistieke werknemers zoals bedoeld in artikel 1, § 3, onverminderd de toepassing van de artikelen 5 tot 9 van dit besluit.
[…]’
II. hoofdgedingen en prejudiciële vragen
A. zaak c-407/19
13.
Katoen Natie Bulk Terminals NV (hierna: ‘Katoen Natie’)10. en General Services Antwerp NV (hierna: ‘General Services’)11. zijn twee in België gevestigde vennootschappen die in België en in andere landen havendiensten verrichten.
14.
Op 5 september 2016 kwamen deze twee vennootschappen bij de Raad van State (België) op tegen het koninklijk besluit van 10 juli 2016. In hun vordering verzochten de twee vennootschappen om nietigverklaring van dat koninklijk besluit, waarbij zij aanvoerden dat het betreffende besluit inbreuk maakte op de fundamentele vrijheden van de vrije markt en op de regels inzake vrije mededinging12., en dat hoewel het besluit de arbeidsmarkt leek te liberaliseren, er in werkelijkheid zeven onnodige en onevenredige beperkingen in de regeling betreffende havenarbeid werden gehandhaafd of ingevoerd.
15.
Van deze beperkingen onderstreepten zij met name de volgende:
- —
Alle havenarbeiders die zich niet met logistieke activiteiten bezighouden, moeten zijn erkend door een administratieve commissie die bestaat uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en vakbonden, waardoor er een gesloten arbeidsmarkt (‘closed shop’) ontstaat.
- —
De lokale werkgeversorganisaties en vakbonden in elk gebied oefenen controle uit over de organen die de medische geschiktheid, de psychotechnische voorwaarden en de te volgen beroepsopleiding van de kandidaat-havenarbeiders bepalen.
- —
De liberalisering van de toegang tot de markt voor havenarbeid voor werknemers die geen deel uitmaken van de pool (dat wil zeggen werknemers die rechtstreeks door een werkgever worden aangeworven) is louter theoretisch: de erkenning van die werknemers beperkt zich tot de duur van hun arbeidsovereenkomst en moet voor elke nieuwe aanwerving opnieuw worden aangevraagd.
16.
Daar voegen zij aan toe dat die beperkingen verder gaan dan wat noodzakelijk is om de nagestreefde doelen van algemeen belang te bereiken en niet gerechtvaardigd zijn. Het feit dat de Europese Commissie om politieke redenen de niet-nakomingsprocedure heeft beëindigd en zich beperkt tot het volgen van de situatie, doet niets af aan de onverenigbaarheid van het koninklijk besluit met het Unierecht.
17.
De Belgische regering ontkent dat het koninklijk besluit van 10 juli 2016 de vrijheid van vestiging of andere vrijheden beknot. Noch in de aanmaningsbrief van de Commissie, noch in de door de verzoekende vennootschappen aangehaalde rechtspraak van het Hof worden voldoende bewijzen voor enige inbreuk aangedragen. De Commissie heeft de niet-nakomingsprocedure niet beëindigd om politieke redenen, maar omdat tegemoet is gekomen aan de uitdrukkelijk door de Commissie geuite zorgen.
18.
In de opvatting van de Belgische regering is er geen sprake van directe of indirecte discriminatie, aangezien voor alle ondernemingen, ongeacht hun vestigingsplaats, dezelfde regels gelden. Ondernemingen uit andere lidstaten genieten dezelfde behandeling als nationale ondernemingen.
19.
In laatste instantie stelt de Belgische regering dat als de aangevoerde beperkingen al zouden bestaan (hetgeen zij ontkent), de havenarbeidsregeling, waarvan het koninklijk besluit van 10 juli 2016 onderdeel is, noodzakelijk, evenredig en voldoende gerechtvaardigd is, omdat de regeling:
- —
havenarbeiders meer zekerheid biedt;
- —
voldoende flexibel is, aangezien deze werknemers worden (of kunnen worden) aangeworven op een wijze die rekening houdt met de voortdurende fluctuaties in het aanbod van werk, en
- —
de kwaliteit en de veiligheid van de havenarbeid waarborgt.
20.
In die omstandigheden heeft de Raad van State het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 1 van het [koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016], samen gelezen met artikel 2, van voormeld besluit van 5 juli 2004, namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 juli 2004, bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep?
- 2)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2o, 3o, 6o en 8o van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals vervangen respectievelijk ingevoegd door artikel 4, 2o, 3o, 4o en 6o, van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer a) medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet van 1972] aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en b) geslaagd is in de psychotechnische proeven afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers [werd] aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3 bis van de [wet van 1972], c) gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid [heeft] gevolgd en geslaagd [is] voor de eindproef en d) reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen?
- 3)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ […] de duurtijd van hun erkenning […] beperkt [zien] tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat?
- 4)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1 juli 2017 voor minstens twee jaar; vanaf 1 juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1 juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1 juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd?
- 5)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 18 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers [worden verhinderd] om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht?
- 6)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 4, 7o, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn?
- 7)
Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 1, 2o, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 […] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de [wet van 1972], ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?’
B. zaak c-471/19
21.
Middlegate Europe is een in Zeebrugge (België) gevestigde vervoersonderneming die actief is in heel Europa. In het kader van het internationaal vervoer over de weg maken haar werknemers op de kade van de haven van Zeebrugge met behulp van trekkers onder meer trailers klaar voor verscheping naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland.
22.
Na een controle op 12 januari 2011 werd door de politie proces-verbaal tegen Middlegate Europe opgemaakt wegens een inbreuk op artikel 1 van de wet van 1972 (verrichten van havenarbeid door een niet-erkende havenarbeider). Bij beslissing van 17 januari 2013 werd haar een geldboete van 100 EUR opgelegd.
23.
Middelgate Europe vocht de sanctie aan bij de arbeidsrechtbank Gent, afdeling Brugge (België), die het beroep ongegrond verklaarde. Het arbeidshof Gent (België) wees het hoger beroep tegen dit vonnis van de rechter van eerste aanleg af.
24.
Middlegate Europe stelde cassatieberoep in bij het Hof van Cassatie (België), waarbij zij aanvoerde dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 23 van de Belgische Grondwet (gelijkheidsbeginsel en vrijheid van handel en industrie).
25.
In die procedure heeft het Hof van Cassatie een grondwettigheidsvraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof (België). Die laatste rechter acht een prejudiciële beslissing van het Hof noodzakelijk voor de beslechting van het geschil, aangezien er voor hem middelen vóór en tegen de verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht zijn ingebracht.
26.
Concreet heeft het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Dient artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 56 van hetzelfde Verdrag, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het gelijkheidsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een Belgisch havengebied activiteiten van havenarbeid in de zin van de [wet van 1972] — waaronder activiteiten die vreemd zouden zijn aan het laden en lossen van schepen in strikte zin — wensen te verrichten, verplicht om enkel een beroep te doen op erkende havenarbeiders?
- 2)
Kan het Grondwettelijk Hof, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de gevolgen van de in het geding zijnde artikelen 1 en 2 van de [wet van 1972] voorlopig handhaven teneinde rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen en de wetgever in staat te stellen [die bepalingen] in overeenstemming te brengen met de uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen?’
III. procedure bij het hof
27.
De zaken C-407/19 en C-471/19 zijn gevoegd, en Katoen Natie, de Belgische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
28.
De zitting die op 23 april 2020 had moeten worden gehouden, is vervangen door schriftelijke vragen van het Hof aan partijen, die door hen zijn beantwoord.
IV. voorafgaande preciseringen
A. zuiver nationale situatie?
29.
Omdat de gedingen waaruit deze prejudiciële verwijzingen voortkomen, betrekking hebben op situaties zonder grensoverschrijdende aspecten, kan (zoals de Raad van State doet13.) de vraag worden gesteld of het Hof bevoegd is om uitspraak te doen over de prejudiciële vragen.
30.
In beginsel zijn de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheden van verkeer en de tot uitvoering daarvan vastgestelde handelingen niet van toepassing op situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen.14.
31.
Als uitzondering op deze regel heeft het Hof verklaard dat wanneer het door een nationale rechter wordt verzocht zich prejudicieel uit te spreken in het kader van een procedure tot vernietiging van bepalingen die niet alleen van toepassing zijn op nationale burgers, maar ook op burgers van andere lidstaten, de beslissing die deze rechter naar aanleiding van het prejudiciële arrest van het Hof neemt, ook ten aanzien van burgers van andere lidstaten gevolgen zal sorteren, hetgeen rechtvaardigt dat het Hof een antwoord geeft op de vragen die aan het Hof zijn voorgelegd met betrekking tot de Verdragsbepalingen die zien op de fundamentele vrijheden, ook al spelen alle aspecten van het hoofdgeding zich in één lidstaat af.15.
32.
In deze gevallen rust op de verwijzende rechter de verplichting om de noodzaak van de prejudiciële uitlegging door het Hof te rechtvaardigen.16. De Raad van State heeft aan deze verplichting voldaan door op te merken dat:
- —
de litigieuze Belgische regeling zonder onderscheid van toepassing is op alle ondernemers, ongeacht hun nationaliteit, die met havens verbonden economische activiteiten wensen te ontplooien;
- —
die regeling betrekking heeft op de Belgische havengebieden Antwerpen en Zeebrugge, die open zijn voor internationaal vervoer in een zeer concurrerende omgeving vanwege de nabijheid van andere havens binnen de zogenoemde Hamburg-Le Havre-range;
- —
daarbij een duidelijk grensoverschrijdend belang aan de orde is: in genoemde havengebieden vindt een groot aantal activiteiten ten behoeve van de in- en uitvoer van goederen plaats, waaraan wordt deelgenomen door internationale ondernemingen die er belang bij hebben om bij de uitvoering van hun werkzaamheden gebruik te kunnen maken van havenarbeiders uit andere lidstaten.
33.
Gelet op deze overwegingen ben ik van oordeel dat de Raad van State voldoende heeft gerechtvaardigd dat het geding weliswaar een zuiver nationale aangelegenheid betreft, maar een grensoverschrijdend aspect heeft dat volstaat om langs prejudiciële weg de hulp van het Hof in te roepen.
B. toepasselijkheid van het Unierecht
34.
In zaak C-407/19 heeft de Raad van State niet minder dan zeven vragen geformuleerd, die betrekking hebben op de artikelen 49, 56, 45, 34, 35, 101 en 102 VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, VWEU. Deze artikelen worden opgevoerd om na te gaan of de litigieuze Belgische regeling daarmee verenigbaar is.
35.
In de verwijzingsbeslissing wordt niet gemotiveerd waarom de uitlegging van al deze bepalingen van primair Unierecht noodzakelijk zou zijn.
36.
Die motivering ontbreekt met name voor het vrije verkeer van goederen en, in mindere mate, voor de vrijheid van dienstverrichting en het vrije verkeer van werknemers; naar die laatste twee vrijheden wordt in de beslissing slechts enkele malen verwezen. De redenering van de verwijzende rechter concentreert zich op de vrijheid van vestiging, hetgeen logisch is omdat het geding betrekking heeft op de beperkingen die de Belgische regeling voor de aanwerving van havenarbeiders impliceert voor ondernemingen uit andere lidstaten die zich in Belgische havens willen vestigen en daar diensten willen verrichten.17.
37.
Voorts bevat de verwijzingsbeslissing onvoldoende toelichtingen op basis waarvan het Hof een uitlegging kan geven van de mededingingsregels voor ondernemingen (artikelen 101 en 102 VWEU) of die voor overheidsondernemingen of ondernemingen met bijzondere of uitsluitende rechten (artikel 106, lid 1, VWEU) en kan bepalen of de litigieuze nationale regeling verenigbaar is met die artikelen.18.
38.
Daar zij in dit verband aan toegevoegd dat het Hof in het arrest Becu e.a.19. de Belgische wetgeving inzake havenarbeiders reeds heeft onderzocht in het licht van artikel 106, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 101 en 102 VWEU. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat die bepalingen particulieren niet het recht verlenen zich te verzetten tegen de toepassing van een regeling van een lidstaat die hen verplicht voor havenarbeid uitsluitend een beroep te doen op erkende havenarbeiders, zoals die bedoeld in de wet van 1972, en aan dezen een beloning te betalen die het loon van hun eigen werknemers of het loon dat zij aan andere werknemers betalen ver overschrijdt.20.
39.
Bijgevolg is het, gezien de inhoud van de verwijzingsbeslissing, in wezen artikel 49 VWEU dat moet worden uitgelegd om na te gaan of dat wordt geschonden door een nationale regeling met de reeds beschreven kenmerken. Daarenboven zal ook artikel 45 VWEU, inzake het vrije verkeer van werknemers, moeten worden onderzocht.
C. primair recht of harmonisatieregels?
40.
De verrichting van havendiensten is door de wetgever van de Unie pas geharmoniseerd bij de vaststelling van verordening 2017/352.21. Eerdere pogingen (in 2004 en 2007) om richtlijnen op dit gebied vast te stellen liepen stuk op, vooral, de tegenstand van de vakbonden van havenarbeiders, die zich verzetten tegen de invoering van ‘zelfafhandeling’ (self-handling).22.
41.
In het voorstel van de Commissie werd voorzien in die wijze van organiseren van het laden en lossen van schepen in havens, die inhoudt dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door werknemers van de rederij (of door niet-erkende werknemers die door de rederijen of de aanbieders van havendiensten rechtstreeks worden ingehuurd).23.
42.
Zoals ik hierboven reeds heb opgemerkt24., is de kern van de arbeidsaspecten van havendiensten uitgesloten van de tekst van verordening 2017/352: in artikel 9, lid 1, wordt bepaald dat de verordening ‘de toepassing van de sociale en arbeidsregelgeving van de lidstaten onverlet [laat]’.25. De verordening laat de belangrijkste aspecten van de wettelijke regeling voor havenarbeiders derhalve ongemoeid.26. Bijgevolg moet de nationale regeling op dit gebied rechtstreeks worden getoetst aan het primaire Unierecht.
43.
Hoewel niet genoemd in de verwijzingsbeslissing, zou een uitlegging van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties27. relevant kunnen zijn.
D. verband tussen de twee prejudiciële verwijzingen
44.
De twee verwijzingen (C-407/19 en C-471/19) houden nauw verband met elkaar, reden waarom de zaken zijn gevoegd. De invalshoek van waaruit zij zijn geformuleerd, is evenwel verschillend: het Grondwettelijk Hof onderzoekt of de wetgeving verenigbaar is met de Belgische Grondwet, terwijl de Raad van State de wettigheid van de bepalingen van lagere wetgeving toetst.
45.
In zaak C-471/19 wordt de verenigbaarheid van twee artikelen van de wet van 1972 met artikel 49 VWEU aan de orde gesteld, maar in verband met feiten die dateren uit 2011, toen het koninklijk besluit van 5 juli 2004 van kracht was zonder de wijzigingen van 2016.
46.
Het Grondwettelijk Hof vraagt naar de verenigbaarheid van de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 zelf, los van de nadere regelgeving, met artikel 49 VWEU (en met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; hierna: ‘Handvest’).28.
47.
In zaak C-407/19 wordt de verenigbaarheidsvraag opgeworpen ten aanzien van de regelgevende bepalingen die zijn ingevoerd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016.
V. eerste prejudiciële vraag in zaak C-471/19
48.
Als eerste wil ik ingaan op de verenigbaarheid met artikel 49 VWEU van de nationale wet die de mogelijkheid om te worden aangeworven voor havenarbeid beperkt tot ‘erkende’ werknemers. Daarna zal ik mij buigen over de artikelen 15 en 16 van het Handvest. De toepassing van het gelijkheidsbeginsel valt onder artikel 49 VWEU, zodat een specifieke behandeling daarvan niet nodig is.
A. beperking van de aanwerving van havenarbeiders als beperking van het recht van vestiging
49.
Wat aan de orde is, is de uitoefening van het recht van vestiging (artikel 49 VWEU) door ondernemingen die activiteiten willen ontplooien in Belgische havens, maar daarvoor andere werknemers dan de erkende havenarbeiders willen inzetten. Die laatsten zijn, zoals reeds uiteengezet, de enigen die havenarbeid mogen verrichten.
50.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormt elke nationale maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging door burgers van de Unie verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt een beperking in de zin van artikel 49 VWEU.29.
51.
De Belgische regeling houdt geen rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit in, aangezien zij gelijkelijk van toepassing is op Belgische ondernemingen en ondernemingen uit andere lidstaten die zich willen vestigen en hun diensten willen verrichten in havengebieden. Al die ondernemingen moeten voor de uitoefening van hun activiteiten gebruikmaken van erkende werknemers, zonder de mogelijkheid te hebben om eigen (of andere niet-erkende) werknemers in te zetten.
52.
Bijgevolg heeft de regeling negatieve gevolgen voor ondernemingen uit andere lidstaten die zich in Belgische havengebieden willen vestigen, omdat die niet vrijelijk, en langs andere wegen, werknemers voor de uitvoering van hun werkzaamheden kunnen aanwerven. In die zin kan de regeling die ondernemingen beletten of ervan weerhouden om zich in Belgische havens te vestigen teneinde daar een beroepsactiviteit uit te oefenen.30.
53.
De verwijzende rechter deelt dit idee, dat door mij wordt onderschreven. De verwijzende rechter erkent dat de verplichting om havenarbeiders aan te werven uit de pool van havenarbeiders, onder voorwaarden waarover de havenondernemingen geen controle uitoefenen, en de verplichting om zich aan te sluiten bij een vertegenwoordigende werkgeversorganisatie als gevolg hebben dat ondernemingen uit andere lidstaten worden belemmerd en ontmoedigd om zich in Belgische havengebieden te vestigen.31.
54.
Uit het arrest Commissie/Spanje kan zonder meer worden afgeleid dat dit type maatregel een beperking van de vrijheid van vestiging behelst.32. Derhalve acht ik het niet noodzakelijk om nog verder in te gaan op dit punt.
B. rechtvaardiging van de beperking
55.
Beperkingen van de vrijheid van vestiging die zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing zijn, kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, op voorwaarde dat zij geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.33.
56.
De verwijzende rechter heeft in zijn verwijzingsbeslissing dezelfde dwingende redenen van algemeen belang aangevoerd als de Belgische regering in haar opmerkingen.34. Die redenen zijn de volgende:
- —
de noodzaak om de veiligheid in havens te waarborgen en ongevallen op het werk te voorkomen;
- —
de noodzaak om te beschikken over gespecialiseerde arbeidskrachten waarin productiviteit, dienstverlening en concurrentiekracht zijn verenigd, gelet op de fluctuerende vraag naar arbeid in havengebieden;
- —
de waarborging van de gelijke behandeling van havenarbeiders wat hun arbeidsvoorwaarden betreft.
57.
De veiligheid in havens is door het Hof aanvaard als een dwingende reden van algemeen belang.35. In casu wordt de inroeping van de veiligheid in havens verbonden aan het voorkomen van ongevallen, aangezien het hier gaat om activiteiten die aanzienlijke risico's met zich meebrengen.
58.
Met betrekking tot de gevaarlijkheid van havenarbeid nemen de Belgische regering en de verzoekende ondernemingen tegengestelde standpunten in.
- —
De Belgische regering betoogt dat het risico op ongevallen zich niet alleen voordoet bij het laden en lossen van schepen in strikte zin, maar ook bij de diverse activiteiten die daar onlosmakelijk mee verbonden zijn.36.
- —
De verzoekende ondernemingen stellen daarentegen dat de gevaarlijkheid van havenarbeid aanzienlijk is afgenomen als gevolg van de technologische ontwikkelingen.37. Volgens hen stellen de Belgische autoriteiten het stuwen van schepen, de meest complexe van alle activiteiten, gelijk aan andere, minder gevaarlijke activiteiten (zoals het laden en lossen van vrachtwagens en treinen die in de haven arriveren, of het opslaan en stapelen van goederen in een depot) waarmee gewone werknemers buiten de havengebieden worden belast zonder dat van hen wordt verlangd dat zij eerst worden erkend. In hun ogen maakt de opeenstapeling van activiteiten in havens die activiteiten niet gevaarlijker.
59.
Het staat aan de verwijzende rechter om een definitief oordeel te vellen over deze argumentaties, maar ik sluit niet uit dat aan havenarbeid ook nu nog een voldoende groot risico is verbonden om te rechtvaardigen dat de autoriteiten van een lidstaat besluiten tot de vaststelling van regels die de veiligheid op haventerreinen moeten waarborgen.
60.
De Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: ‘IAO’) heeft aanbevelingen uitgevaardigd waaruit de gevaarlijkheid van havenarbeid duidelijk naar voren komt.38. Hoewel zij de verbeteringen op dit gebied erkent, verklaart de IAO dat ‘havenarbeid [nog steeds] een zeer groot risico op ongevallen in zich draagt’.39.
61.
De veiligheid in havens, waarvan het hoofddoel het voorkomen van ongevallen is, kan worden aangemerkt als een dwingend vereiste van algemeen belang. Als zodanig zou dit vereiste beperkingen van de toegang tot havenarbeid kunnen rechtvaardigen, zoals voorwaarden aan de aanwerving van de personen die de desbetreffende werkzaamheden moeten uitvoeren.
62.
Ook de bescherming van werknemers is door het Hof in algemene zin erkend als een van de dwingende redenen van algemeen belang die een grond voor beperkingen van de vrijheid van vestiging kunnen vormen.40.
63.
De Belgische regering wijst op de bescherming van de arbeidsomstandigheden van reeds erkende havenarbeiders die zijn opgenomen in de pool, tegenover die van werknemers die niet profiteren van die erkenning en niet zijn opgenomen in de pool. Ik denk niet dat dit argument volstaat om tot het oordeel te komen dat de bescherming van die werknemers een legitimatie vormt voor de beperking van de aanwerving van havenarbeiders waarbij aan bepaalde werknemers voorrang wordt gegeven boven andere, zoals bepaald door de wet van 1972.
64.
Dit type maatregel zou een zekere mate van steun kunnen vinden in het op 25 juni 1973 te Genève tot stand gekomen IAO-verdrag 137 betreffende de havenarbeid (hierna: ‘verdrag nr. 137’)41., waarin in artikel 3, lid 2, wordt bepaald dat geregistreerde havenarbeiders voorrang moeten krijgen bij het uitvoeren van havenactiviteiten. Dit verdrag bevat bepalingen ter bescherming van dergelijke geregistreerde havenarbeiders.
65.
Verdrag nr. 137 van de IAO is evenwel een technisch verdrag met een voorlopige status omdat het door slechts 25 landen is geratificeerd (feitelijk 24, omdat Nederland het verdrag in 2006 heeft opgezegd), waaronder elf lidstaten, maar niet door België.42. Bovendien is het verdrag niet geactualiseerd, om gelijke tred te houden met de technologische ontwikkeling van de havenarbeid, en heeft het registratiemechanisme voor havenarbeiders in bepaalde gevallen gefunctioneerd als een reservoirsysteem of als een beroepsmonopolie dat alleen ten goede van een bepaalde groep werknemers kwam.43.
66.
De Unie is geen partij bij verdrag nr. 137, en het Hof heeft zich in het arrest Commissie/Spanje niet uitgesproken over de implicaties van dat verdrag voor het Unierecht44., hoewel het Koninkrijk Spanje zich op dat verdrag beriep ter rechtvaardiging van een nationale regeling voor de aanwerving van havenarbeiders, die uiteindelijk onverenigbaar met artikel 49 VWEU werd verklaard. De voorlopige status van verdrag nr. 137 verklaart waarom, anders dan bij andere IAO-verdragen het geval is45., de inhoud ervan ook niet is opgenomen in overeenkomsten tussen sociale partners op internationaal niveau om ze vervolgens te integreren in richtlijnen van de Unie.
67.
Uit het bovenstaande maak ik op dat de beperking op de aanwerving van havenarbeiders, in de vorm van het vereiste dat die havenarbeiders zijn erkend, uitsluitend zou kunnen worden gerechtvaardigd om de veiligheid in havens te beschermen, dat wil zeggen om ongevallen op haventerreinen te voorkomen, gegeven het hoge risico van de havenarbeid.
68.
Wat betreft de noodzaak om te beschikken over arbeidskrachten om de havenactiviteiten uit te voeren, zij opgemerkt dat deze noodzaak, indien erkend als dwingend vereiste, zich niet verplicht hoeft te vertalen in een gesloten systeem van contingenten zoals het onderhavige. Om op stabiele wijze aan die noodzaak te beantwoorden, zou ook gebruik kunnen worden gemaakt van speciale arbeidsbureaus voor havenarbeiders, uitzendbureaus of andere formules die niet de starheid van dat systeem hebben.
C. evenredigheid van de beperking
69.
Behalve dat zij moet worden gerechtvaardigd door een dwingend vereiste, is een nationale regeling die het recht van vestiging beperkt enkel aanvaardbaar wanneer zij voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. Vanuit dit perspectief moet de inhoud ervan onontbeerlijk zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel van veiligheid in havens te waarborgen, terwijl dat doel niet even doeltreffend kan worden bereikt met minder strikte maatregelen.46.
70.
De artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 beperken zich tot de instelling van een erkenningsmechanisme als instrument om controle uit te oefenen over de aanwerving van havenarbeiders en die aanwerving te beperken. In de betreffende artikelen worden echter geen nadere regels voor de tenuitvoerlegging van dat mechanisme gespecificeerd.
71.
Mijns inziens zou kunnen worden aanvaard dat beide voorschriften, afzonderlijk bezien, in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. De voorafgaande erkenning, zonder meer, van havenarbeiders als voorwaarde om hen te kunnen aanwerven zou een adequate maatregel kunnen zijn om de veiligheid van havenarbeiders te beschermen.47.
72.
Alles hangt dus af van de wijze waarop de voorwaarden voor de toepassing van de erkenning vorm hebben gekregen. Voorwaarden die zijn gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria die vooraf kenbaar zijn en die havenarbeiders uit andere lidstaten in staat stellen om aan te tonen dat zij in hun staat van herkomst voldoen aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op nationale havenarbeiders, zouden toelaatbaar zijn.48.
73.
De erkenning als voorwaarde om in Belgische havens te kunnen worden aangeworven als havenarbeider zou zich kunnen uitstrekken tot alle havenarbeiders die in hun land van herkomst beschikken over een gelijkwaardig opleidingsniveau49. dat bijvoorbeeld voldoet aan de criteria van de IAO.50. Die beroepsopleiding zou moeten uitmonden in de verkrijging van een getuigschrift van vakbekwaamheid dat de houder ervan toegang geeft tot het verrichten van havenarbeid.51.
74.
In het arrest Commissie/Spanje52. heeft het Hof geoordeeld dat er mogelijkheden voorhanden waren die minder beperkend voor de vrijheid van vestiging waren dan de door de nationale regeling opgelegde verplichtingen53., waaronder de verplichting om bij de aanwerving voorrang te geven aan door een bepaalde naamloze vennootschap ter beschikking gestelde werknemers.
75.
Het Hof heeft bij die gelegenheid verklaard dat de door de Commissie voorgestelde alternatieven om de veiligheid van havenarbeiders te beschermen minder restrictief waren. Die alternatieven zijn ‘dat de stuwadoorsondernemingen, die vrijelijk vaste of tijdelijke werknemers in dienst kunnen nemen, zelf het beheer voeren over de arbeidsbureaus die hun de arbeidskrachten ter beschikking moeten stellen en de opleiding van deze werknemers organiseren, of dat er een reservoir aan werknemers wordt gecreëerd dat wordt beheerd door particuliere ondernemingen die fungeren als uitzendbureaus en werknemers ter beschikking van de stuwadoorsondernemingen stellen.’54.
76.
Aan die alternatieven om de veiligheid in havens te waarborgen zou kunnen worden toegevoegd dat havenarbeiders, om te worden erkend als geschikt om als havenarbeider te worden aangeworven, voldoende moeten zijn opgeleid, wat zou moeten worden aangetoond door middel van een getuigschrift van vakbekwaamheid.
77.
De artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 zouden de evenredigheidstoetsing echter niet doorstaan indien de voorwaarden voor de uitvoering ervan zich zouden vertalen in een monopolie op de erkenning van werknemers, als voorwaarde voor hun aanwerving, waarover de controle wordt uitgeoefend door vakbonden en werkgeversorganisaties in de havengebieden.
78.
Zulks was het geval in de Belgische regeling ter uitvoering van de wet van 1972 die door de Commissie is aangemerkt als onverenigbaar met het Unierecht, naar aanleiding waarvan zij een niet-nakomingsberoep heeft ingesteld.55. Die regeling (inzonderheid het koninklijk besluit van 5 juli 2004) stelde een mechanisme voor de erkenning van havenarbeiders in die niet in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel. Concreet was die regeling niet onontbeerlijk voor het verbeteren van de veiligheid in havens, welk doel ook kon worden verwezenlijkt door middel van maatregelen die het recht van vestiging minder sterk beperkten.
79.
Zonder een exhaustieve analyse te maken56., wil ik hier slechts wijzen op verschillende elementen van die regeling die het recht van vestiging op onevenredige wijze beperkten en niet strookten met artikel 49 VWEU.
80.
In de eerste plaats ging het om een gesloten model voor de aanwerving van havenarbeiders (closed shop) waarin vakbonden een bevoorrechte positie innamen. De erkenning van havenarbeiders om te worden opgenomen in de algemene pool of in het logistieke contingent werd in elke haven verleend door een commissie die voor gelijke delen bestond uit vertegenwoordigers van de vakbonden en vertegenwoordigers van de lokale werkgeversorganisatie.
81.
In de praktijk57. leken de vakbonden het mechanisme voor de erkenning van nieuwe havenarbeiders in elke haven volledig te controleren, in die mate zelfs dat de kandidaten door de vakbonden moesten worden voorgesteld of lid van een vakbond moesten worden als zij door de werkgeversvereniging werden voorgedragen.58.
82.
In de tweede plaats werd het corporatistische model versterkt door het bij artikel 3 bis van de wet van 1972 aan lokale werkgeversorganisaties verleende monopolie op het aanwerven van havenarbeiders.59. Elke haven had een eigen werkgeversorganisatie waarvan de meerderheid van de werkgevers lid moest zijn, waardoor dat lidmaatschap de facto vrijwel verplicht werd.
83.
Op die wijze werd voorkomen dat havenarbeiders rechtstreeks konden worden aangeworven door ondernemingen die hun diensten nodig hadden. Zo ontstond er een driehoeksverhouding waarin de lokale werkgeversorganisatie de toepassing van de geldende arbeidsnormen in de betrokken haven garandeerde.
84.
In de derde plaats werd het gesloten aanwervingssysteem versterkt door de collectieve overeenkomsten die de vakbonden en de werkgeversorganisatie in elke haven met elkaar sloten. De collectieve onderhandelingen mondden uit in een zogeheten codex voor elke haven, waarin werd vastgelegd hoe de controle over het mechanisme voor de aanwerving van havenarbeiders werd uitgeoefend. Op die manier werd de mobiliteit van die havenarbeiders beperkt, zelfs tussen Belgische havens, aangezien de erkenning voor slechts één haven werd verkregen.
85.
In de vierde plaats monopoliseerden de vakbonden en beroepsverenigingen de opleiding die kandidaat-havenarbeiders verplicht moesten volgen. Die opleiding tot havenarbeider werd verzorgd door dezelfde organisaties die controle uitoefenden over de erkenningsbesluiten.60.
86.
Tot slot bakende het koninklijk besluit van 12 januari 1973, waarmee de wet van 1972 werd uitgevoerd, de havengebieden op onevenredige wijze materieel en geografisch af:
- —
Vanuit materieel oogpunt werden alle door werknemers en hun werkgevers als hoofd- of bijkomende activiteit verrichte werkzaamheden in havengebieden61., evenals andere ondersteunende diensten in verband met de goederen, zoals de markage en weging, aangemerkt als havenarbeid. Aan veel van deze activiteiten was een lager risico verbonden dan aan het laden en lossen van goederen zelf. Voor ondernemingen van andere lidstaten werd het dus moeilijker om zich in Belgische havens te vestigen om dat type diensten aan te bieden.
- —
Vanuit geografisch oogpunt omvatte de ruime afbakening van de havengebieden ook terreinen naast de kades, met depots en fabrieken en zelfs woonwijken.62.
87.
Het restrictieve effect van deze ruime materiële en geografische afbakening van de havenarbeid versterkte het restrictieve effect van de maatregelen waarin werd voorzien in de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972.
88.
Indien deze twee artikelen worden bezien in de reeds beschreven bredere regelgevingscontext (die van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 en de daaraan voorafgaande regelingen), zou de erkenning van havenarbeiders als instrument om controle over hun aanwerving uit te oefenen en die te beperken, kortom niet als verenigbaar met artikel 49 VWEU kunnen worden aangemerkt, aangezien een gesloten aanwervingsmechanisme dat onder controle van de vakbonden en de werkgeversorganisaties van elke haven staat een onevenredige beperking van de vrijheid van vestiging van ondernemingen uit andere lidstaten inhoudt.
89.
Zoals reeds opgemerkt, zouden voorwaarden voor erkenning die zijn gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria die vooraf kenbaar zijn en die havenarbeiders uit andere lidstaten in staat stellen om aan te tonen dat zij in hun staat van herkomst voldoen aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op nationale havenarbeiders, daarentegen toelaatbaar zijn.
D. verenigbaarheid met de artikelen 15 en 16 van het handvest
90.
Een beperking in de zin van artikel 49 VWEU doet bij uitbreiding ook afbreuk aan de vrijheden die zijn vervat in artikel 15, lid 2 (vrijheid van vestiging), en artikel 16 (vrijheid van ondernemerschap) van het Handvest. Beide bepalingen zijn met name gerelateerd aan artikel 49 VWEU.63.
91.
De analyse van de verenigbaarheid van de Belgische regeling die de aanwerving van havenarbeiders beperkt, met artikel 15, lid 2, en artikel 16 van het Handvest zou dus overeenkomen met die welke ik hierboven heb gemaakt ten aanzien van artikel 49 VWEU.
VI. tweede prejudiciële vraag in zaak C-471/19
92.
Indien zijn eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord, wenst het Grondwettelijk Hof te vernemen of de effecten van de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 voorlopig kunnen worden gehandhaafd teneinde rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen terwijl de wetgever die bepalingen in overeenstemming brengt met het Unierecht.
93.
Zoals reeds uiteengezet, houden de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 op zichzelf bezien niet een beperking in die in strijd is met artikel 49 VWEU en artikel 15, lid 2, en artikel 16 van het Handvest. Aldus beschouwd zou de tweede prejudiciële vraag niet hoeven te worden beantwoord.
94.
Het perspectief verandert evenwel als de analyse zich uitstrekt tot het hele corpus aan regelgeving, bestaande uit voornoemde artikelen en de nadere regelgeving (het koninklijk besluit van 5 juli 2004), dat ik onverenigbaar met het Unierecht acht. Dat geheel aan regels is niet meer van kracht, aangezien de Belgische Staat het bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016 heeft gewijzigd om tegemoet te komen aan de aanmaningen van de Commissie.
95.
De vraag zou kunnen worden geherformuleerd door die te beperken tot de voorlopige handhaving van de effecten van het corpus aan regelgeving dat wordt gevormd door de artikelen 1 en 2 van de wet van 1972 en de voorwaarden voor de toepassing ervan die zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 10 juli 2016. Van deze nieuwe voorwaarden kan worden vermoed dat zij, net als die van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, strijdig zijn met artikel 49 VWEU, hetgeen ik in het hiernavolgende zal onderzoeken.
96.
Het Hof kan, bij wijze van uitzondering en om dwingende redenen van rechtszekerheid, een voorlopige opschorting toestaan van het effect dat een regel van het Unierecht op het daarmee strijdige nationale recht heeft.64.
97.
Het Hof heeft verklaard dat het, ofschoon het een exclusief voorrecht van het Hof betreft, nationale rechters zal toestaan te besluiten tot de tijdelijke opschorting van de toepassing van het voorrangsbeginsel en de gevolgen van de met het Unierecht strijdige nationale regeling te handhaven, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Voor die opschorting moet een dwingend vereiste van algemeen belang bestaan en moet een aantal strikte voorwaarden zijn vervuld.65.
98.
In verschillende arresten is goedkeuring verleend voor de opschorting van de gevolgen van de buitentoepassinglating die voortvloeit uit het voorrangsbeginsel, wat leidde tot het behoud van de voorlopige werking van nationale bepalingen die in strijd waren met procedurele milieuvoorschriften van de Unie (concreet die welke de uitvoering van milieueffectbeoordelingen verplicht stelden).66.
99.
In de zaak Winner Wetten67. (betreffende het publieke monopolie op de organisatie van sportweddenschappen) had de inbreuk daarentegen betrekking op materieel Unierecht. Die factor stond er niet aan in de weg dat het Hof impliciet de mogelijkheid openliet68. om de gevolgen van zijn arrest op te schorten, naar analogie met de rechtspraak inzake de handhaving van de gevolgen van een nietig of ongeldig verklaarde handeling van de Unie (hoewel de bescherming van de maatschappelijke orde en de burgers tegen de aan kansspelen verbonden risico's de tijdelijke handhaving van de Duitse regeling niet rechtvaardigde).69.
100.
Met de Commissie stel ik vast dat er in casu onvoldoende redenen zijn om de werking van het Belgische corpus aan regelgeving op voorlopige basis te handhaven. Noch de veronderstelde rechtsonzekerheid, noch de eventuele sociale onvrede die de verwijzende rechter aanvoert, vormt daarvoor een rechtvaardiging.
101.
De Belgische regering beroept zich tevens op de rechtspraak over de tijdelijke opschorting van de effecten van prejudiciële arresten van het Hof op rechtsverhoudingen uit het verleden.
102.
Die rechtspraak (waar door de verwijzende rechter niet naar wordt verwezen) kan hier niet worden toegepast, aangezien de twee daarvoor vereiste essentiële elementen ontbreken, namelijk de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen.70.
103.
De inroeping van goede trouw kan niet worden aanvaard, gezien het feit dat de Belgische wetgeving inzake havenarbeid het voorwerp is van monitoring en een niet-nakomingsberoep door de Commissie, waarvan de Commissie toegeeft dat zij dat om politieke redenen niet heeft doorgezet.71. Bovendien was de verenigbaarheid van die wetgeving met artikel 49 VWEU na het arrest Commissie/Spanje meer dan twijfelachtig geworden.
104.
Ook van gevaar voor ernstige verstoringen is geen sprake: de ontevredenheid van erkende havenarbeiders met wijzigingen die noodzakelijk zijn om een voor hen gunstig gesloten, maar met het recht van de Unie strijdig systeem open te breken (welke ontevredenheid zelfs tot stakingen zou kunnen leiden, zoals de Belgische regering aanvoert) kan niet aldus worden aangemerkt.
VII. zaak C-407/19
A. algemene overwegingen aangaande het nieuwe bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016 vastgestelde regelgevingskader in het licht van Artikel 49 vweu en Artikel 45 vweu
105.
Met zijn zeven prejudiciële vragen wenst de Raad van State van het Hof te vernemen of verschillende elementen van de regeling ter uitvoering van de wet van 1972 die is vastgesteld bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, verenigbaar zijn met onder andere artikel 49 VWEU en artikel 45 VWEU.72.
106.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, heeft de Commissie op 28 maart 2014 een niet-nakomingsprocedure tegen België ingeleid omdat de nationale regeling voor de organisatie van de havenarbeid naar haar oordeel op een aantal essentiële punten strijdig was met het Unierecht, met name met de vrijheid van vestiging.
107.
Volgens de verwijzende rechter zijn na de aanmaningsbrief van de Commissie noch de wet van 1972, noch de beginselen die eraan ten grondslag liggen, gewijzigd. Wel heeft de Belgische Staat het koninklijk besluit van 10 juli 2016 vastgesteld om tegemoet te komen aan de bezwaren van de Commissie, die op 17 mei 2017 om politieke redenen73. besloot de procedure te beëindigen.
108.
De voornaamste elementen van het nieuwe systeem voor de aanwerving van havenarbeiders74. zijn de volgende:
- —
Het vereiste dat alle havenarbeiders die zich niet bezighouden met logistieke activiteiten moeten zijn erkend door een administratieve commissie, die ressorteert onder het voor elk Belgisch havengebied bevoegde subcomité, is gehandhaafd. Die commissie bestaat paritair uit vertegenwoordigers van de plaatselijk erkende werkgeversorganisatie en vertegenwoordigers van de vakbonden van de haven in kwestie.
- —
Voor de aanwerving van nieuwe havenarbeiders die logistieke activiteiten verrichten is het vereiste om te zijn opgenomen in de pool afgeschaft en vervangen door de voorwaarde dat de betrokken kandidaat beschikt over een veiligheidscertificaat. De logistieke werknemers van de reeds bestaande pool blijven erkende havenarbeiders.
- —
Voor havenarbeiders die andere dan logistieke activiteiten verrichten, blijft de algemene pool bestaan, evenals het vereiste om te zijn erkend. Die erkenning kan worden aangevraagd met het oogmerk om te worden opgenomen in de pool of om buiten de pool om rechtstreeks door werkgevers te worden aangeworven75..
- —
De voorwaarden voor de verkrijging van de erkenning, met inbegrip van de opleidings- en kwalificatie-eisen, en de voorwaarden voor het met goed gevolg afleggen van de medische en psychologische tests, zijn vastgelegd.
- —
De paritair samengestelde administratieve commissie laat nieuwe werknemers toe in de pool op basis van de behoefte aan arbeidskrachten. De werknemers van de reeds bestaande pool blijven lid van de pool als erkende havenarbeiders.
109.
Deze methode voor de aanwerving van havenarbeiders beperkt nog steeds de in artikel 49 VWEU vervatte vrijheid van vestiging. De overwegingen die ik in mijn analyse van de eerste prejudiciële vraag in zaak C-471/19 heb uiteengezet, zijn ook in dit verband volledig van toepassing.
110.
Hoewel uitgesproken in een andere context, kunnen de argumenten van het Hof in het arrest AGET Iraklis76. (betreffende overheidsinterventie bij collectieve ontslagen in de havensector) mutatis mutandis worden geëxtrapoleerd naar de maatregelen van het koninklijk besluit van 10 juli 2016.
111.
Die maatregelen vormen ook ‘een substantiële inmenging […] in bepaalde vrijheden die ondernemers doorgaans genieten […] om werknemers aan te trekken zodat zij hun activiteit kunnen verrichten [of] om de activiteit van hun vestiging stop te zetten om redenen die hun eigen zijn’.77.
112.
Evenzo zijn de woorden in het arrest Commissie/Spanje op die maatregelen van toepassing, in de zin dat het maatregelen betreft die ‘buitenlandse stuwadoorsondernemingen dwingen tot een aanpassing die zodanige financiële consequenties kan hebben en hun functioneren zodanig kan verstoren dat ondernemingen uit andere lidstaten ervan kunnen worden afgebracht om zich in [de betrokken] havens […] te vestigen’.78.
113.
Enkele elementen van deze regeling kunnen daarenboven afbreuk doen aan het vrije verkeer van havenarbeiders uit andere lidstaten die wensen te worden aangeworven in Belgische havens, en dientengevolge inbreuk maken op artikel 45 VWEU. In de rechtspraak aangaande deze vrijheid wordt met betrekking tot de verenigbaarheid van restrictieve nationale maatregelen dezelfde aanpak gehanteerd als die welke wordt gehanteerd voor de vrijheid van vestiging.
114.
Volgens het Hof beogen de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel om het de Unieburgers gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie elk willekeurig beroep uit te oefenen. Deze bepalingen staan in de weg aan regelingen die deze burgers zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen uitoefenen.79.
115.
Zo leveren bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn staat van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, belemmeringen van die vrijheid op, ook wanneer zij ongeacht de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.80.
116.
Het in artikel 45 VWEU vervatte beginsel van gelijke behandeling verbiedt niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Tenzij een bepaling van nationaal recht objectief gerechtvaardigd is en evenredig is aan het nagestreefde doel, moet zij, ook al geldt zij ongeacht de nationaliteit, als indirect discriminerend worden beschouwd wanneer zij naar de aard ervan migrerende werknemers meer treft dan nationale werknemers en dus meer in het bijzonder eerstgenoemden dreigt te benadelen.81.
117.
De door de verwijzende rechter in zijn zeven vragen geïdentificeerde maatregelen (uitgezonderd die in de vijfde vraag) houden weliswaar geen directe discriminatie op grond van nationaliteit in, maar kunnen de uitoefening van het vrije verkeer van havenarbeiders uit andere landen binnen de Unie belemmeren of minder aantrekkelijk maken.
118.
De dwingende vereisten van algemeen belang waarop de Belgische regering zich beroept ter rechtvaardiging van deze maatregelen, die afwijken van de algemene arbeidsregeling die in dat land wordt toegepast, zijn de veiligheid in de havens en de bescherming van havenarbeiders.82.
119.
Zoals ik reeds te kennen heb gegeven, zijn beide belangen in de rechtspraak van het Hof aanvaard als dwingende vereisten, maar moet worden bepaald of de regeling van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen of die regeling nodig is voor de verwezenlijking van de genoemde redenen van algemeen belang en of er geen andere, minder restrictieve alternatieven zijn om het nagestreefde doel te bereiken.
120.
Dan zal ik nu elk van de door de Raad van State vermelde maatregelen analyseren aan de hand van de door de Raad van State zelf verstrekte aanwijzingen. Wanneer die aanwijzingen onvoldoende zijn, zal ik mij beperken tot een uiteenzetting van de minimumcriteria waarop de verwijzende rechter, die beschikt over alle informatie om zich op uitputtende wijze uit te spreken, zijn evenredigheidstoetsing kan uitvoeren.
B. erkenning van havenarbeiders bij besluit van een paritair samengestelde administratieve commissie (eerste prejudiciële vraag)
121.
Volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, in de gewijzigde versie van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, worden havenarbeiders in elk havengebied erkend door een administratieve commissie die voor gelijke delen bestaat uit vertegenwoordigers van de lokale werkgeversorganisatie en de vakbonden van dat gebied.
122.
De voornaamste kenmerken van de werking van die commissies zijn de volgende:
- —
Verzoeken om erkenning moeten schriftelijk worden ingediend via een formulier waarop moet worden gespecificeerd of het verzoek betrekking heeft op opneming in de pool of niet;
- —
Havenarbeiders worden al dan niet erkend voor opneming in de pool op basis van de ‘behoefte aan arbeidskrachten’. Die erkenning geschiedt voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd, waarbij de nadere regels omtrent de duur van de erkenning worden vastgesteld bij collectieve overeenkomst.
123.
De verzoekende ondernemingen betogen dat dit systeem verschillende elementen bevat die, wat betreft de erkenning van havenarbeiders die geen logistieke activiteiten verrichten, onverenigbaar zijn met het Unierecht, te weten:
- —
De samenstelling van de administratieve commissie heeft tot gevolg dat de plaatselijk erkende werkgeversorganisatie en in de haven gevestigde vakbonden volledige controle uitoefenen over de toegang tot het werk van havenarbeiders (closed shop). Dit kan leiden tot een kunstmatige compartimentering van de markt voor havenarbeid door monopolistische marktdeelnemers.
- —
Voor het openstellen van de pool voor nieuwe werknemers wordt een economisch criterium (de behoefte aan arbeidskrachten) gehanteerd.
- —
De procedure ontbeert elementaire procedurele waarborgen, aangezien er geen termijn is waarbinnen de administratieve commissie een besluit moet nemen, de commissie bij eenparigheid van stemmen moet besluiten en er tegen die besluiten of tegen het uitblijven van een besluit geen of onvoldoende beroepsmogelijkheden beschikbaar zijn.
124.
De administratieve commissie die in elke haven belast is met de erkenning van havenarbeiders, zowel binnen als buiten de pool, verstrekt in wezen een vergunning voor de uitoefening van een economische activiteit, namelijk die van havenarbeider.
125.
Artikel 49 VWEU vereist geen specifieke waarborgen ten aanzien van de instelling en werking van een commissie die besluiten over de uitoefening van een beroepsactiviteit neemt. Omdat een dergelijke vergunning naar haar aard een beperking van de vrijheid van vestiging vormt, is er evenwel alleen sprake van overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel indien de discretionaire bevoegdheid van de commissie stoelt op transparante en objectieve criteria om te voorkomen dat zij haar taken op willekeurige wijze uitoefent.83.
126.
Een commissie die vergunningen (erkenningen) van dit type verleent, moet bovendien waken over haar onpartijdigheid, die in twijfel kan worden getrokken wanneer, met een beslissende stem, belanghebbende marktdeelnemers of hun vertegenwoordigers deel van die commissie uitmaken.84. De onafhankelijkheid van die commissie jegens voornoemde marktdeelnemers is een waarborg tegen belangenverstrengeling bij het nemen van besluiten.85.
127.
De samenstelling en werking van de administratieve commissies die beslissen op verzoeken om erkenning van havenarbeiders staan, zoals hierboven uiteengezet, onder controle van marktdeelnemers die reeds aanwezig zijn in de havens en worden vertegenwoordigd door de vakbonden en de plaatselijke werkgeversorganisatie.
128.
Gezien deze samenstelling is het weinig waarschijnlijk dat de leden van de commissie belangenverstrengeling weten te vermijden en op een objectieve, onpartijdige en niet-willekeurige wijze besluiten nemen over de erkenning van nieuwe havenarbeiders.
129.
Hoewel het aan de verwijzende rechter, die over alle informatie beschikt, staat om het definitieve oordeel te vellen, valt moeilijk in te zien dat de besluitvorming over de erkenning van havenarbeiders door dit soort paritair samengestelde commissies in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is.
130.
Andere elementen van het stelsel van de administratieve commissies bevestigen deze beoordeling.
131.
Het vereiste van unanimiteit bij het nemen van besluiten86. versterkt de controle van de reeds in de havens aanwezige marktdeelnemers, met name van de vakbonden, aangezien dat vereiste hun een vetorecht op de toelating van nieuwe havenarbeiders verleent. Volgens de verzoekende ondernemingen strekt dat vetorecht zich uit tot de intrekking van de erkenning, met als gevolg dat havenarbeiders die zijn aangesloten bij een vakbond, dat wil zeggen nagenoeg alle havenarbeiders, in de praktijk werk voor het leven wordt gegarandeerd.
132.
Die beoordeling wordt ook bevestigd door het feit dat het criterium dat wordt gebruikt om te bepalen of de pool moet worden opengesteld voor nieuwe werknemers van zuiver economische aard is: de behoefte aan arbeidskrachten. Die factor kan, zoals ik hierna zal uitleggen, niet worden aanvaard als dwingend vereiste van algemeen belang dat een beperking van de vrijheid van vestiging rechtvaardigt.
133.
De Belgische regering brengt daartegen in dat de administratieve commissies het criterium van de behoefte aan arbeidskrachten moeten toepassen om het poolsysteem economisch levensvatbaar te houden, en dat de ondernemingen sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 de mogelijkheid hebben om erkende werknemers buiten de pool aan te werven.
134.
Mijn opvatting is evenwel dat:
- —
de houdbaarheid van het poolsysteem om redenen van economische aard geen grond is die geschikt is om een beperking op het vrij verrichten van diensten te rechtvaardigen87.;
- —
het verlenen van erkenning op basis van de behoefte aan arbeidskrachten vooral kan strekken tot bescherming van werknemers die reeds deel uitmaken van de pool en het behoud van de voordelen die zij genieten ten opzichte van havenarbeiders die in de pool wensen te worden opgenomen;
- —
de mogelijkheid om erkende, maar niet in de pool opgenomen werknemers aan te werven op uiterst restrictieve wijze is geregeld: de erkenning is slechts geldig gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst en de werknemer moet bij elke nieuwe arbeidsovereenkomst een nieuwe erkenning verkrijgen. Omdat het volume van de havenwerkzaamheden sterk fluctueert, maken de ondernemingen doorgaans gebruik van kortlopende arbeidsovereenkomsten, waarvoor het gebruik van havenarbeiders uit de pool vrijwel het enige beschikbare alternatief is.
135.
Een laatste factor die bijdraagt tot de beoordeling dat het stelsel van de administratieve commissies niet evenredig is, is die betreffende de ter zake geldende procedure en de mogelijkheden om beroep in te stellen tegen besluiten of het uitblijven van een besluit. Het bestaan van een doeltreffende voorziening in rechte wordt vereist door artikel 47 van het Handvest en is relevant bij het bepalen of een beperking van de vrijheid van vestiging slaagt voor de evenredigheidstoets.88.
136.
Volgens de verwijzende rechter geldt voor de administratieve commissies geen uiterlijke termijn voor het nemen van besluiten op de verzoeken. De commissies nemen besluiten in een procedure zonder vaste termijnen, specifieke procedurele waarborgen en een duidelijke motiveringsverplichting89., hetgeen voor de aanvragers aanzienlijke onzekerheid met zich meebrengt.90.
137.
Bovendien kan tegen erkenningsbesluiten van de commissies enkel beroep worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank.91. Het staat aan de Raad van State om na te gaan, rekening houdend met het nationale recht in zijn geheel, of die besluiten voorwerp kunnen zijn van een doeltreffende voorziening in rechte.
138.
Al deze elementen bij elkaar brengen mij ertoe om de eerste prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden.
C. medische, psychologische en opleidingsvereisten voor de erkenning van havenarbeiders (tweede prejudiciële vraag)
139.
Artikel 4, § 1, 2o, 3o, 6o en 8o, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd dan wel ingevoerd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, vereist dat de werknemer, om te worden erkend als havenarbeider:
- —
medisch geschikt is verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers als lasthebber is aangesloten;
- —
geslaagd is voor de psychotechnische tests die zijn afgenomen door het orgaan dat daartoe door de erkende organisatie van werkgevers is aangewezen;
- —
een cursus met betrekking tot veilig werken en de verwerving van de vereiste vakbekwaamheid heeft gevolgd en geslaagd is voor de eindproef, en
- —
beschikt over een arbeidsovereenkomst wanneer de werknemer niet is opgenomen in de pool.92.
140.
De Raad van State vraagt of deze vereisten gerechtvaardigd worden door de doelstelling om de veiligheid in de havens te beschermen. Ik ben het eens met de Commissie dat de vereisten inzake de medische geschiktheid, het slagen voor de psychologische tests en de beroepsopleiding in beginsel adequaat zijn om de veiligheid in de havens te waarborgen.
141.
Om die vereisten als verenigbaar met artikel 49 VWEU te kunnen aanmerken, moeten zij evenwel worden getoetst aan de beginselen van transparantie, objectiviteit en onpartijdigheid. De verzoekende ondernemingen onderstrepen in dit verband dat het koninklijk besluit van 10 juli 2016 de erkende organisatie van werkgevers (en de vakbonden) overeenkomstig artikel 3 bis van de wet van 1972 de zeggenschap geeft over de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, die de medische geschiktheid van de kandidaten moet certificeren, en over het orgaan dat belast is met het afnemen van de psychotechnische proeven.
142.
Het staat aan de verwijzende rechter, die beschikt over alle daarvoor benodigde elementen, om te bepalen of de zeggenschap van de erkende organisatie van werkgevers en de vakbonden over de organen die de certificaten van medische geschiktheid afgeven en de psychotechnische proeven afnemen, zich al dan niet vertaalt in een gebrek aan objectiviteit en transparantie.93.
143.
Bij het verrichten van die beoordeling kan het relevant zijn om in overweging te nemen dat kandidaten in een niet-gecontroleerde arbeidsmarkt zich voor het verkrijgen van de erkenning tot elke erkende onderneming zouden kunnen wenden voor het ondergaan van die medische geschiktheidsonderzoeken en psychotechnische proeven.
144.
Wat betreft de beroepsopleiding als vereiste om te worden erkend, heb ik reeds opgemerkt dat dat vereiste geschikt is om de veiligheid in de havens te waarborgen.
145.
De verwijzende rechter dient echter na te gaan of, zoals de verzoekende ondernemingen stellen, de beroepsopleiding die van kandidaat-havenarbeiders wordt vereist voor het verkrijgen van de erkenning eveneens onder controle van de werkgeversorganisaties en de vakbonden in de havengebieden staat en derhalve niet onder objectief gelijke voorwaarden openstaat voor potentiële havenarbeiders. Is dat het geval, dan zou er sprake zijn van dezelfde risico's (afwezigheid van onpartijdigheid, belangenverstrengeling) als die ik in mijn voorstel voor het antwoord op de eerste prejudiciële vraag heb genoemd.
146.
Artikel 4, § 1, 6o, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, stelt de uitoefening van de beroepsactiviteit van havenarbeider afhankelijk van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. De Belgische havenarbeiders lijken derhalve lid te zijn van een ‘gereglementeerd beroep’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2005/36 en de nationale regeling ter uitvoering daarvan.94. België zou de beroepskwalificaties die havenarbeiders hebben verworven in andere lidstaten waar zij die beroepsactiviteit hebben uitgevoerd, moeten erkennen overeenkomstig de in deze richtlijn vastgestelde procedures en specifieke limieten.95.
147.
Artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, voorziet erin dat havenarbeiders uit andere lidstaten die in hun land van herkomst voldoen aan gelijkwaardige vereisten zich niet hoeven te onderwerpen aan de vereisten van de Belgische regeling voor het verkrijgen van erkenning.
148.
Het gebrek aan informatie (zowel in de verwijzingsbeslissing als in de opmerkingen en antwoorden van de Belgische regering) maakt het moeilijk om te bepalen of deze procedure voor het beoordelen van de gelijkwaardigheid van de beroepskwalificaties van havenarbeiders uit andere lidstaten strookt met het Unierecht. Volgens de Commissie heeft de Belgische regering het beroep van havenarbeider niet bij haar aangemeld voor opneming in de databank (van de Commissie) van gereglementeerde beroepen uit hoofde van richtlijn 2005/36.
149.
De verwijzende rechter dient, na opheldering te hebben verschaft over deze punten, in aanmerking te nemen dat de erkenning van havenarbeiders uit andere lidstaten in ieder geval geldig moet zijn voor alle Belgische havengebieden, zonder dat die erkenning moet worden vernieuwd voor elke nieuwe arbeidsovereenkomst.
D. erkenning van havenarbeiders die niet zijn opgenomen in de pool (derde en vierde prejudiciële vraag)
150.
In artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, wordt bepaald dat de erkenning van havenarbeiders buiten de pool is beperkt tot de duur van hun arbeidsovereenkomst.
151.
Een bepaling van die aard houdt een ernstige beperking van de aanwerving van havenarbeiders in en heeft een ontmoedigend effect. Wie wenst te worden erkend als havenarbeider buiten de pool, moet daar telkens opnieuw om verzoeken bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst met dezelfde of een andere onderneming. Zo beschouwd vormt deze maatregel een aanzienlijke beperking van zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van werknemers.
152.
In de havenarbeid prevaleren werkzaamheden van korte duur, zodat het vereiste om de erkenning voor elke nieuwe arbeidsovereenkomst telkens weer te vernieuwen er onverbiddelijk toe leidt dat de arbeiders bij voorkeur zullen verzoeken om opneming in de pool. Zo wordt de continuïteit van het gesloten aanwervingssysteem (closed shop) onder controle van de vakbonden en de erkende werkgeversorganisatie gewaarborgd en wordt tegelijk de vestiging van nieuwe ondernemingen uit andere lidstaten in de Belgische havens bemoeilijkt.96.
153.
De Belgische regering merkt op dat de erkenning van havenarbeiders buiten de pool die reeds eerder zijn erkend snel verloopt en dat er wordt gewerkt aan een elektronische databank (met de naam ‘Portunus’) om dit proces nog verder te versnellen en vertragingen te voorkomen.97.
154.
In ieder geval blijft het mij onevenredig toeschijnen om de verlening van erkenningen enkel voor havenarbeiders buiten de pool te koppelen aan de duur van de arbeidsovereenkomst, en niet voor arbeiders die zijn opgenomen in de pool. De noodzaak om na te gaan of havenarbeiders van die eerste categorie nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor erkenning (een argument dat door de Belgische regering is aangevoerd) zou zich ook moeten uitstrekken tot arbeiders binnen de pool, die evengoed hun medische of psychische geschiktheid voor het uitvoeren van hun taken zouden kunnen zijn verloren.
155.
Ook de overgangsregeling van artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, in de gewijzigde versie van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, die van toepassing is op de erkenning van havenarbeiders buiten de pool en is gekoppeld aan arbeidsovereenkomsten met ondernemingen, komt mij voor als onevenredig.
156.
Volgens de overgangsbepalingen moeten arbeidsovereenkomsten in eerste instantie worden gesloten voor onbepaalde tijd; vanaf 1 juli 2017 voor ten minste 2 jaar, vanaf 1 juli 2018 voor ten minste 1 jaar, vanaf 1 juli 2019 voor ten minste 6 maanden en vanaf 1 juli 2020 voor een vrijelijk te bepalen tijd.
157.
Omdat in de havenarbeid werkzaamheden van korte duur prevaleren, leidde deze overgangsregeling ertoe dat nagenoeg alle aangeworven havenarbeiders uit de pool kwamen, en bemoeilijkte zij de rechtstreekse aanwerving van havenarbeiders.
158.
Volgens de Belgische regering en de Commissie is het doel van de overgangsbepalingen het vergemakkelijken van de progressieve openstelling van het gesloten aanwervingssysteem teneinde de economische houdbaarheid daarvan veilig te stellen. Zoals ik reeds heb benadrukt, kan het waarborgen van de economische houdbaarheid van het aanwervingssysteem door middel van de pool echter niet worden aanvaard als dwingend vereiste van algemeen belang.
159.
Wel zou een overgangssysteem — hypothetisch — de voordelige sociale en economische voorwaarden van de havenarbeiders binnen de pool kunnen beschermen, waarmee tegelijkertijd zou worden voorkomen dat de onmiddellijke afschaffing ervan een ernstig risico op aantasting van het financiële evenwicht in de sociale zekerheid met zich mee zou brengen.98. De Belgische regering heeft dit argument echter niet gebruikt en het lijkt ook niet waarschijnlijk dat de onmiddellijke afschaffing van de litigieuze regeling belangrijke invloed op de financiering van het Belgische socialezekerheidsstelsel zou hebben.
E. automatische erkenning van havenarbeiders van het algemene contingent in de oude regeling als havenarbeiders in de pool (vijfde prejudiciële vraag)
160.
Volgens artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, ‘worden de havenarbeiders, erkend op basis van [de oude regeling], van rechtswege erkend als havenarbeider opgenomen in de pool’.
161.
De verzoekende ondernemingen zijn van mening dat deze automatische erkenning de rechtstreekse aanwerving van havenarbeiders (middels een vast contract) bemoeilijkt. Volgens de verzoekende ondernemingen worden werkgevers zo verhinderd om gekwalificeerde arbeidskrachten aan zich te binden door rechtstreeks een vast contract met hen te sluiten en hun werkzekerheid te bieden overeenkomstig de regels van het gemene arbeidsrecht.
162.
Ik ben evenwel met de Commissie van oordeel dat de automatische erkenning van de vroegere havenarbeiders van het algemene contingent als havenarbeiders in de pool hun rechten beschermt zonder tegelijk de vrijheid van vestiging of het vrije verkeer van werknemers op onevenredige wijze te beperken.
163.
Zoals de Belgische regering opmerkt, stelt dit automatisme reeds werkzame havenarbeiders vrij van de verplichting om te verzoeken om erkenning krachtens het koninklijk besluit van 10 juli 2016.
164.
De maatregel beantwoordt aan de logica omdat de ervaring van die arbeiders met het verrichten van havenarbeid zodanig is dat die hen geschikt maakt om die werkzaamheden met de benodigde kennis en op veilige wijze uit te voeren. Bovendien belet de maatregel ondernemingen niet om die havenarbeiders rechtstreeks aan te werven, ook al zijn de arbeidsvoorwaarden van de pool in de praktijk gunstiger en zal rechtstreekse aanwerving zich niet vaak voordoen.
F. beperking van de mobiliteit van erkende havenarbeiders als gevolg van collectieve overeenkomsten (zesde prejudiciële vraag)
165.
Ingevolge artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, is het volgende van toepassing:
- —
De erkenning van een havenarbeider is geldig in elk havengebied.
- —
‘De voorwaarden en modaliteiten waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend, worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.’
- —
‘De organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3 bis van de [wet van 1972] aangeduid werd als lasthebber in het havengebied waar de havenarbeider werd erkend, blijft ook lasthebber indien de havenarbeider wordt tewerkgesteld buiten het havengebied waar hij erkend werd.’99.
166.
De verwijzende rechter is van oordeel dat het vaststellen van voorwaarden voor de mobiliteit van havenarbeiders, hun mobiliteit tussen Belgische havengebieden in strijd met artikel 45 VWEU en artikel 49 VWEU kan beperken, gelet op het feit dat de wetgever geen voorwaarden of nadere regels heeft geformuleerd voor het tot stand brengen van die mobiliteit.
167.
Artikel 45 VWEU en artikel 49 VWEU zijn niet alleen van toepassing op overheidsmaatregelen, maar ook op collectieve overeenkomsten.100. Hoewel het in beginsel niet strijdig met die artikelen is dat de wetgever ruimte laat om de mobiliteit van erkende havenarbeiders middels collectieve overeenkomsten te regelen, moet die regeling bij collectieve overeenkomst slechts worden geacht geldig te zijn indien die overeenkomsten niet op corporatieve wijze worden gebruikt om obstakels voor het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging op te werpen.101.
168.
De verzoekende ondernemingen maken melding van het bestaan van een collectieve overeenkomst die de mobiliteit van erkende havenarbeiders tussen de Belgische havens volledig verbiedt. De Belgische regering merkt op dat die overeenkomst wel degelijk enige mobiliteit toestaat, maar dat de overdracht van arbeiders tussen verschillende pools een gecompliceerde aangelegenheid is omdat die afhangt van de behoefte aan arbeidskrachten in de ontvangende pool. Ook stelt de Belgische regering dat de erkende arbeider die is opgenomen in de pool niet kan werken in een ander havengebied, maar dat in een havengebied erkende arbeiders buiten de pool wel kunnen worden aangeworven in een ander havengebied, ook weer buiten de pool.
169.
Gezien het gebrek aan gegevens, staat het aan de verwijzende rechter om te analyseren of de collectieve overeenkomsten in de Belgische havens de mobiliteit van arbeiders tussen verschillende pools al dan niet beperken. In die analyse mag niet voorbij worden gegaan aan het feit dat collectieve onderhandelingen tussen de vakbonden en de erkende werkgeversorganisatie in elke haven kunnen worden benut om beperkingen van de vrijheden van de interne markt te handhaven en de voordelen van de opstellers van die collectieve overeenkomsten te beschermen wanneer de overeenkomsten van invloed zijn op de toegang tot havenactiviteiten en de werkgelegenheid van havenarbeiders.
170.
Hoe dan ook lijkt de nationale regeling de erkenning van havenarbeiders uit andere lidstaten te waarborgen. Die erkenning zou moeten gelden voor alle Belgische havengebieden. Volgens de rechtspraak van het Hof beperkt de verplichting om een vergunning voor het uitoefenen van een activiteit aan te vragen de vrijheid van vestiging in sterkere mate wanneer de onderneming uit een andere lidstaat meerdere vergunningen moet verkrijgen van verschillende overheidsinstanties.102. Dat zou het geval zijn indien er opeenvolgend (of gelijktijdig) erkenningen zouden moeten worden aangevraagd bij de administratieve commissies van verschillende Belgische havens.
G. vereiste voor logistieke werknemers om te beschikken over een veiligheidscertificaat (zevende prejudiciële vraag)
171.
Ingevolge artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 2016, is het volgende van toepassing:
- —
Wanneer (logistieke) werknemers ‘arbeid verrichten […] op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending een transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde en […] hiertoe beschikken over een veiligheidscertificaat, […] [geldt] dit veiligheidscertificaat als een erkenning in de zin van de [wet van 1972]’.
- —
‘Het veiligheidscertificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten te verrichten zoals bedoeld in het vorige lid en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de identiteitskaart en de arbeidsovereenkomst. De modaliteiten van deze procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst.’
172.
Het veiligheidscertificaat, als equivalent van de erkenning, heeft dus sinds de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juli 2016 de vroegere pool van logistieke werknemers vervangen.
173.
Met de verwijzende rechter, de Commissie en de Belgische regering ben ik van mening dat het vereisen van dit veiligheidscertificaat van logistieke werknemers in beginsel kan worden gerechtvaardigd door redenen die verband houden met de veiligheid in de havens.
174.
Deze maatregel zal de evenredigheidstoets echter slechts doorstaan indien de voorwaarden voor de toepassing ervan adequaat zijn. Volgens de Belgische regering zijn die voorwaarden geregeld bij collectieve overeenkomst van 28 september 2016. De verwijzingsbeslissing bevat weinig informatie ter zake, zodat de evenredigheid van die voorwaarden zal moeten worden getoetst door de Raad van State.
175.
Bij die toetsing moet het volgende in beschouwing worden genomen:
- —
Beoordeeld zal moeten worden of de verplichting van de werkgever om voor elke arbeidsovereenkomst met een logistieke werknemer een veiligheidscertificaat te verkrijgen onevenredig is. Omdat veel havenarbeidsovereenkomsten betrekking hebben op een aantal uren per dag of per week, zou deze administratieve last buitensporig kunnen blijken te zijn103.;
- —
Volgens de door de Belgische regering en de verzoekende ondernemingen verstrekte informatie heeft het veiligheidscertificaat de vorm van de zogeheten Alfapass, die wordt afgegeven door een particuliere onderneming waarover de werkgeversvereniging van de haven van Antwerpen zeggenschap uitoefent.104. De verzoekende ondernemingen vinden het onbegrijpelijk dat een vergunning zoals het veiligheidscertificaat van een logistieke werknemer moet worden verkregen door de aanschaf, tegen een marktprijs, van een door een niet-erkende particuliere onderneming en zonder voorwaarden afgegeven pas;
- —
Het gebruik van de Alfapass, dat indertijd is opgelegd om de havens te beschermen tegen terroristische activiteiten, is mogelijk niet adequaat om na te gaan of logistieke werknemers in staat zijn hun werkzaamheden op veilige wijze uit te voeren. De automatische afgifte ervan is geen passend middel voor het verwezenlijken van de doelstelling die er theoretisch mee wordt nagestreefd.
VIII. conclusie
176.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen in de zaken C-407/19 en C-471/19 te beantwoorden als volgt:
In zaak C-471/19:
- ‘1)
Artikel 49 VWEU en artikel 15, lid 2, en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzetten zich in beginsel niet tegen een systeem voor de erkenning van havenarbeiders dat ten doel heeft om de veiligheid in havengebieden te beschermen, mits de voorwaarden voor de toepassing ervan zijn gebaseerd op transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria die vooraf kenbaar zijn, en zij havenarbeiders uit andere lidstaten in staat stellen om aan te tonen dat zij in hun staat van herkomst voldoen aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op nationale havenarbeiders.
Voorwaarden voor de toepassing van het systeem voor de erkenning van havenarbeiders die een gesloten aanwervingsmechanisme instellen dat onder controle van de vakbonden en werkgeversorganisatie van elke haven staat en die onevenredige beperkingen opleggen aan de vrijheid van vestiging van ondernemingen en het vrije verkeer van werknemers uit andere lidstaten, zijn onverenigbaar met voornoemde bepalingen van Unierecht.
- 2)
Rechtsonzekerheid en het risico van sociale onvrede zijn geen dwingende redenen van algemeen belang die een rechtvaardiging vormen voor de voorlopige handhaving van een systeem voor de erkenning van havenarbeiders zoals beschreven in het vorige punt, dat onverenigbaar is met het Unierecht.’
In zaak C-407/19:
‘Artikel 49 VWEU en artikel 45 VWEU verzetten zich tegen een nationale regeling die de voorafgaande erkenning van havenarbeiders vereist als voorwaarde voor de toegang tot havenarbeid, wanneer de voorwaarden voor de toepassing ervan een van de volgende elementen omvatten:
- —
het gebruik van administratieve commissies die paritair zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de plaatselijke werkgeversorganisatie en de vakbonden in elk havengebied en die het mogelijk maken dat bij het nemen van besluiten over erkenningsverzoeken reeds in het havengebied aanwezige marktdeelnemers controle uitoefenen over de toelating van nieuwe werknemers middels een procedure die behoorlijke procedurele waarborgen ontbeert;
- —
vereisten inzake medische en psychische geschiktheid en vakbekwaamheid, indien de certificering van de naleving daarvan in handen is van een orgaan dat onder controle staat van de werkgeversorganisatie en de vakbonden in elke haven;
- —
de omstandigheid dat havenarbeiders die niet in het contingent (de pool) zijn opgenomen, gedurende uitsluitend de looptijd van hun arbeidsovereenkomst worden erkend en dat er een overgangsregeling geldt die die looptijd beperkt;
- —
een bij collectieve overeenkomst overeengekomen beperking van de mobiliteit van havenarbeiders tussen de verschillende havengebieden van een lidstaat;
- —
het vereiste voor logistieke werknemers om te beschikken over een veiligheidscertificaat dat moet worden vernieuwd voor elke arbeidsovereenkomst en dat de vorm heeft van een door een particuliere onderneming afgegeven pas.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑09‑2020
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Van Hooydonk, E., Port Labour in the EU. Labour Market, Qualifications & Training Health & Safety. Volumen I — The EU Perspective, studie in opdracht van de Europese Commissie, Brussel, 2014, https://ec.europa.eu/transport/sites/transport/files/modes/maritime/ports/doc/2014-ec-port-labour-study-vol-1-update-5-12-2014.pdf.
Arrest van 11 december 2014, Commissie/Spanje (C-576/13, EU:C:2014:2430; hierna: ‘arrest Commissie/Spanje’).
Die regeling viel buiten de werkingssfeer van de nieuwe verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB 2017, L 57, blz. 1). In artikel 9 van die regeling wordt de bevoegdheid om deze conflictueuze materie te regelen in handen van de lidstaten gelaten.
Van Hooydonk, E., The law ends where the port area begins. On the anomalies of port law, inhuldigingsrede bij de oprichting van Portius — International and EU Port Law Centre, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 2010, blz. 47.
Belgisch Staatsblad, 10 augustus 1972, blz. 8826. Hierna: ‘wet van 1972’.
Belgisch Staatsblad, 23 januari 1973, blz. 877. Hierna: ‘koninklijk besluit van 12 januari 1973’.
Belgisch Staatsblad, 4 augustus 2004, blz. 58908. Hierna: ‘koninklijk besluit van 5 juli 2004’.
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid (Belgisch Staatsblad, 13 juli 2016, blz. 44219; hierna: ‘koninklijk besluit van 10 juli 2016’). Het koninklijk besluit van 5 juli 2004 is onlangs gewijzigd bij koninklijk besluit van 26 juni 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid (Belgisch Staatsblad, 30 juni 2020, blz. 48547), dat in werking is getreden op 1 juli 2020 en ratione temporis niet van toepassing is op de hoofdgedingen.
Katoen Natie houdt zich bezig met de behandeling van goederen in ruime zin. De onderneming verricht activiteiten in havens overal ter wereld, zoals het laden en lossen van schepen afkomstig uit en met bestemming andere lidstaten, de opslag, het wegen, het inpakken, het gebruiksklaar maken van producten en goederen, het verrichten van logistieke en ondersteunende logistieke diensten en het verrichten van internationale en nationale goederenvervoersdiensten.
General Services voorziet in België en in andere landen in de terbeschikkingstelling en integratie van werknemers in het arbeidscircuit in het kader van activiteiten als de uitvoering van logistieke taken, de behandeling van goederen in de ruimste zin des woords en nationaal en internationaal goederenvervoer.
Het betwiste koninklijk besluit is volgens hen in strijd met artikel 106, lid 1, VWEU.
Punten 35 en 36 van de verwijzingsbeslissing.
Arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten (C-268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, punt 51.
Ibidem, punt 55: ‘[D]e verwijzende rechter [dient] in overeenstemming met de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dan ook aan het Hof duidelijk te maken in welk opzicht er in het bij hem aanhangige geschil, ondanks het zuiver nationale karakter daarvan, sprake is van aanknoping met de bepalingen van het Unierecht ter zake van de fundamentele vrijheden, zodat het prejudiciële verzoek om uitlegging noodzakelijk is voor de beslechting van dat geschil.’
Volgens de rechtspraak van het Hof onderzoekt het Hof, wanneer een nationale maatregel verschillende vrijheden van verkeer beperkt, de maatregel slechts uit het oogpunt van een van die vrijheden indien uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (arresten van 14 oktober 2004, Omega, C-36/02, EU:C:2004:614, punt 26, en 26 mei 2005, Burmanjer e.a., C-20/03, EU:C:2005:307, punt 34).
Hoewel in de opmerkingen van de verzoekende ondernemingen melding wordt gemaakt van mededingingsproblemen, worden die in de verwijzingsbeslissing niet nauwkeurig geïdentificeerd.
Arrest van 16 september 1999 (C-22/98, EU:C:1999:419, punten 26–30 en 37).
Het Hof verklaarde dat havenarbeiders tijdens de duur van hun arbeidsverhouding zijn geïntegreerd in de ondernemingen en met elk daarvan een economische eenheid vormen, en dus zelf geen ‘ondernemingen’ in de zin van het mededingingsrecht van de Unie zijn. Ook in hun gezamenlijkheid kunnen de erkende havenarbeiders van een havengebied niet worden geacht een onderneming te vormen.
Zie Van Hooydonk, E., The EU Seaports Regulation. A commentary on Regulation (EU) 2017/352 of the European Parliament and of the Council of 15 February 2017 establishing a framework for the provision of port services and common rules on the financial transparency of ports, Portius Publishing, Antwerpen, 2019.
Notteboom, T. E., ‘The impact of changing market requirements on dock labour employment systems in Northwest European seaports’, International Journal Shipping and Transport Logistics, 2018, nr. 4, blz. 443, en Verhoeven, P., ‘Dock Labor Schemes in the Context of EU Law and Policy’, European Research Studies, 2011, nr. 2, blz. 155 e.v.
In artikel 3, punt 9, van het voorstel voor een richtlijn wordt ‘zelfafhandeling’ gedefinieerd als ‘de situatie waarin een onderneming (een zelfafhandelaar) die normaliter havendiensten zou kunnen kopen, voor zichzelf, met eigen walpersoneel […], één of meer categorieën havendiensten verzorgt overeenkomstig de criteria van deze richtlijn’ [COM(2004) 654 definitief van 13 oktober 2004, voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten].
Voetnoot 4 van deze conclusie.
In artikel 9, lid 2, wordt bepaald dat de havenbeheerder of de bevoegde instantie moet vereisen dat de aangewezen aanbieder van havendiensten zijn personeel arbeidsvoorwaarden biedt die overeenstemmen met de toepasselijke verplichtingen inzake sociale en arbeidswetgeving, en dat die aanbieder aan de in het Unierecht, het nationale recht of de collectieve arbeidsovereenkomsten opgenomen sociale normen voldoet. De leden 3 en 4 van artikel 9 hebben betrekking op het behoud van de rechten van de werknemers bij een wijziging van aanbieder van havendiensten.
Als voorbeeld noem ik artikel 14 van verordening 2017/352, dat betrekking heeft op de opleiding van personeel en waarin het volgende wordt bepaald: ‘Aanbieders van havendiensten zorgen ervoor dat personeelsleden de nodige opleiding krijgen om de voor het verrichten van hun werkzaamheden vereiste kennis te vergaren, met bijzondere nadruk op de gezondheids- en veiligheidsaspecten, en zorgen ervoor dat de opleidingsvereisten op regelmatige basis geactualiseerd worden om aan de uitdagingen van technologische innovatie tegemoet te komen.’
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 (PB 2005, L 255, blz. 22).
Dat lijkt te kunnen worden afgeleid uit de punten B.8.2 en B.8.3 van de verwijzingsbeslissing: volgens de Ministerraad is de vraag niet-ontvankelijk omdat havenarbeid is gedefinieerd in de koninklijke besluiten ter uitvoering van de wet van 1972. Daar heeft het Grondwettelijk Hof op geantwoord dat het begrip havenarbeid weliswaar wordt gedefinieerd in de koninklijke besluiten, maar dat het de artikelen 1 en 2 van die wet van 1972 zijn die het litigieuze systeem van gesloten aanwerving in havengebieden en de daaruit voortvloeiende, betwiste ongelijke behandeling hebben ingevoerd.
Arrest Commissie/Spanje, punt 36, alsmede arresten van 14 november 2018, Memoria en Dall'Antonia (C-342/17, EU:C:2018:906, punt 48); 8 mei 2019, PI (C-230/18, EU:C:2019:383, punt 59), en 19 december 2019, Comune di Bernareggio (C-465/18, EU:C:2019:1125, punt 39).
Zie naar analogie arresten van 5 november 2014, Somova (C-103/13, EU:C:2014:2334, punten 41–45), en 8 mei 2019, PI (C-230/18, EU:C:2019:383, punt 60).
Verwijzingsbeslissing, punten B.14 en B.15.
In punt 37 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat ‘zowel de verplichting om zich in te schrijven bij een [Sociedad Anónima de Gestión de Estibadores Portuarios (Spaanse naamloze vennootschap die verantwoordelijk is voor het in dienst nemen van havenarbeiders, hierna: ‘SAGEP’)] als de verplichting om, in voorkomend geval, deel te nemen in het kapitaal van die vennootschap en op permanente basis een minimumaantal van die werknemers te werk te stellen, buitenlandse stuwadoorsondernemingen dwingt tot een aanpassing die zodanige financiële consequenties kan hebben en hun functioneren zodanig kan verstoren dat ondernemingen van andere lidstaten ervan kunnen worden afgebracht om zich in Spaanse havens van algemeen belang te vestigen’.
Arrest Commissie/Spanje, punt 47.
De Belgische regering heeft (zeer beperkt beargumenteerd) verwezen naar de bescherming van de openbare veiligheid, gegeven de noodzaak van bestrijding van de illegale handel in diverse goederen die zich in havens kan afspelen. Mijns inziens is deze veronderstelde rechtvaardiging niet opportuun, aangezien de bestrijding van illegale activiteiten in havens een zaak van de douaneautoriteiten is, en niet van havenarbeiders.
‘[H]et garanderen van de veiligheid in de haven [vormt] een dergelijke dwingende reden van algemeen belang’: arrest Commissie/Spanje, punt 51, en arrest van 17 maart 2011, Naftiliaki Etaireia Thasou en Amaltheia I Naftiki Etaireia (C-128/10 en C-129/10, EU:C:2011:163, punt 45). Het Hof heeft tevens verklaard dat het vast- en ontmeren van schepen een technische dienst ten behoeve van de scheepvaart is, die van essentieel belang is voor de handhaving van de veiligheid in de haven en die de kenmerken van een openbare dienst vertoont (arrest van 18 juni 1998, Corsica Ferries France, C-266/96, EU:C:1998:306, punt 60).
Daar voegt de Belgische regering aan toe dat die werkzaamheden vaak worden uitgevoerd met behulp van specifieke machinerie, voor de bediening waarvan technische kennis en voldoende ervaring vereist is. Bovendien wordt een havengebied gekenmerkt door de omstandigheid dat de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in een relatief kleine ruimte waarin allerlei activiteiten en machines elkaar kruisen, alles dicht bij het water, op kades waarover spoorrails lopen en waarop hijskranen staan en waar producten worden gelost waarvoor speciale voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen. Die activiteiten zijn minder gevaarlijk wanneer zij buiten havengebieden worden uitgevoerd. Daarom is het risico op ongevallen in havengebieden naar verhouding groter.
Volgens de verzoekende ondernemingen hebben de toenemende mechanisering van de behandeling van goederen, de computergestuurde bediening van containerkranen en hijsapparatuur in haventerminals, het wegen en automatisch tellen van containers, de robotisering van depots, het scannen van containers om schade te ontdekken en het gebruik van vrachtwagens zonder chauffeur de risico's van havenarbeid sterk verminderd.
Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havens, 1979 (nr. 152), https://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO:12100:P12100_INSTRUMENT_ID:312297:NO, en Aanbeveling betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havens, 1979 (nr. 160), https://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO:12100:P12100_INSTRUMENT_ID:312498:NO.
‘De internationale havensector gaat terug tot het begin van onze beschaving. Sindsdien heeft de ontwikkeling niet stilgestaan, hoewel de methoden voor de afhandeling van vracht, die zowel bijzonder zwaar als gevaarlijk waren, nauwelijks veranderden tot de jaren zestig, met de komst van containers en ro-ro-systemen. De technische veranderingen hebben elkaar vervolgens opgevolgd, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van steeds modernere kranen met een veel grotere capaciteit en een veel groter bereik. Hoewel veel van die verbeteringen van de vrachtafhandelingsmethoden de veiligheid van havenarbeiders aanzienlijk hebben vergroot, hebben andere veranderingen nieuwe gevaren met zich meegebracht […].’ Internationaal Arbeidsbureau, Safety and health in ports. The ILO Code of Practice, Genève, 2005, https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_protect/---protrav/---safework/documents/normativeinstrument/wcms_107615.pdf, blz. 1.
Arrest Commissie/Spanje, punt 50, en arrest van 11 december 2007, International Transport Workers' Federation en Finnish Seamen's Union (C-438/05, EU:C:2007:772, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tekst beschikbaar op https://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ILO_CODE:C137. Zie ook de Aanbeveling betreffende de havenarbeid van 1973 (nr. 145), beschikbaar op https://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO:12100:P12100_INSTRUMENT_ID:312483:NO.
De gegevens kunnen worden gevonden op https://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=1000:11300:0::NO:11300:P11300_INSTRUMENT_ID:312282.
Rodriguez-Piñero y Bravo-Ferrer, M., ‘Trabajo portuario y libertad de contratación de trabajadores’, Relaciones Laborales, 2002, nr. 1, blz. 14–15, en Rodríguez Ramos, P., ‘El régimen jurídico de la relación laboral de los estibadores: pasado, presente y futuro’, Temas Laborales, 2018, nr. 142, blz. 103–108.
Punt 44.
Dat geldt bijvoorbeeld voor het IAO-verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006, waarvan de inhoud is opgenomen in richtlijn (EU) 2018/131 van de Raad van 23 januari 2018 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) tot wijziging van richtlijn 2009/13/EG overeenkomstig de door de Internationale Arbeidsconferentie op 11 juni 2014 goedgekeurde wijzigingen van 2014 aan het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (PB 2018, L 22, blz. 28).
Arrest van 19 december 2019, Comune di Bernareggio (C-465/18, EU:C:2019:1125, punt 47), en arrest Commissie/Spanje, punt 53.
Van Hooydonk, E., op. cit. in voetnoot 2 van deze conclusie, stelt op blz. 207: ‘In sum, EU law allows Member States and social partners to choose between a free and open port labour market or an efficient and sustainable registration or pool system which is not affected by restrictive excesses, either in the law or in practice.’
Zie naar analogie arresten van 5 februari 2015, Commissie/België (C-317/14, EU:C:2015:63, punten 27–29), en 6 juni 2000, Angonese (C-281/98, EU:C:2000:296, punten 44 en 45).
Het vereiste opleidingsniveau van havenarbeiders verschilt substantieel tussen de lidstaten volgens de studie van Turnbull, P., Training and Qualification Systems in the EU Port Sector: Setting the State of Play and Delineating an ETF Vision, ETF, Brussel, juli 2009, https://www.etf-europe.org/wp-content/uploads/2018/08/Training-and-qualification-systems-in-the-EU-port-sector-EN.pdf.
IAO, Guidelines on training in the port sector. The ILO Code of Practice, Genève, 2012, https://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_dialogue/---sector/documents/normativeinstrument/wcms_214609.pdf.
Waarschijnlijk zou het niet nodig zijn om hetzelfde opleidingsniveau te vereisen van reeds werkzame havenarbeiders, voor wie een beroepscertificaat dat hun geschiktheid op basis van hun ervaring aantoont zou moeten volstaan.
In zijn commentaar op de gevolgen van dat arrest in andere lidstaten merkt Van Hooydonk op: ‘The Spanish dock ruling of the Court of Justice brings an end to the era of ‘old style’ port work, in which the occupation of dock worker was regarded being something special, indeed mythologized, while the resulting organization of work in ports was often something of a bottleneck and gave workers in this category privileges compared to workers in similar sectors.’ Hooydonk, E., ‘The Spanish Dock Labour Ruling (C-576/13): Mortal Blow for the Docker's Pools’, European Transport Law, 2015, blz. 581.
Die verplichtingen bestonden eruit dat ten eerste de werknemer zich moest aansluiten bij de SAGEP en, in voorkomend geval, moest deelnemen in het kapitaal van die vennootschap, en ten tweede door deze vennootschap ter beschikking gestelde werknemers met voorrang moesten worden aangeworven en er op permanente basis een minimumaantal werknemers in dienst moest zijn.
Arrest Commissie/Spanje, punt 55. De uitvoering van het arrest in Spanje is complex geweest, en er was een geldelijke sanctie nodig (arrest van 13 juli 2017, Commissie/Spanje, C-388/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:548) om Spanje ertoe te bewegen de benodigde wettelijke hervormingen door te voeren, in Real Decreto-ley 8/2017, de 12 de mayo (koninklijk wetsbesluit 8/2017 van 12 mei 2017), dat is vervangen door Real Decreto-ley 9/2019, de 29 de marzo (koninklijk wetsbesluit 9/2019 van 29 maart 2019). De wettelijke regeling die bij dat laatste koninklijk besluit is ingevoerd, is aan de orde in de bij het Hof aanhangige zaak C-462/19.
Zaaknummer 2014/2088, C(2014) 1874 (final).
Zie Van Hooydonk, E., Port Labour in the EU. Labour Market, Qualifications & Training Health & Safety. Volume II — The Member State Perspective. Annexes, Brussel, 2014, blz. 8-135.
Engels, C., ‘The European Social Charter: Freedom of Association and Free Collective Bargaining. European and Belgian Implementation’, in R. Blanpain (ed.), The Council of Europe and the Social Challenges of the XXIst Century, Kluwer Law International, Den Haag, 2001, blz. 204, en Van Hooydonk, E., op. cit. in voetnoot 56 van deze conclusie, blz. 57–59.
De verzoekende ondernemingen hebben het officiële formulier van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (België) voor het aanvragen van de erkenning als havenarbeider overgelegd. Op dat formulier wordt uitdrukkelijk vermeld dat het formulier moet worden voorzien van het stempel van de vakbond van de haven waar de aanvrager wenst te worden erkend en van de handtekening van de desbetreffende vakbondsvertegenwoordiger, en dat er wordt gevraagd naar eventuele familiebanden van de kandidaat met havenarbeiders.
Op grond van artikel 3 bis van de wet van 1972 werden bij koninklijke besluiten lokale werkgeversorganisaties opgezet voor de havens van Antwerpen, Zeebrugge, Gent, Oostende en Brussel Vilvoorde. Andere Belgische havens met zeevaartverkeer, zoals die van Ruisbroek (aan het Zeekanaal Brussel-Schelde), Genk of Luik, werden buiten de tenuitvoerlegging van de wet van 1972 en de wetgeving ter uitvoering daarvan gehouden, ook al worden ook daar in het kader van het zeevaartverkeer schepen geladen en gelost.
Bijvoorbeeld door Cepa/OCHA, het opleidingscentrum voor havenarbeiders in de haven van Antwerpen; zie http://www.ocha.be/.
Daaronder werden begrepen alle behandelingen van goederen die per zee- of binnenschepen, spoorwagens of vrachtwagens aan- of afgevoerd worden, en de met deze goederen verband houdende bijkomende diensten, ongeacht of deze activiteiten geschieden in de dokken, op bevaarbare waterwegen, op de kaden of in de instellingen die gericht zijn op invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, alsook alle behandelingen van goederen die per zee- of binnenschepen aan- of afgevoerd worden op de kaden van nijverheidsinstellingen.
Van Hooydonk, E., op. cit. in voetnoot 56 van deze conclusie, blz. 18–22.
Zie in dit verband arresten van 13 februari 2014, Sokoll-Seebacher (C-367/12, EU:C:2014:68, punt 22), en 8 mei 2019, PI (C-230/18, EU:C:2019:383, punten 52–55).
Arrest van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C-379/15, EU:C:2016:603, punt 33).
Arresten van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C-41/11, EU:C:2012:103), en 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C-379/15, EU:C:2016:603, punt 43).
Arresten van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C-41/11, EU:C:2012:103); 28 juli 2016, Association France Nature Environnement (C-379/15, EU:C:2016:603, punt 43), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C-411/17, EU:C:2019:622, punten 179–181).
Arrest van 8 september 2010 (C-409/06, EU:C:2010:503).
Tegen deze mogelijkheid verzette advocaat-generaal Bot zich in zijn conclusie van 26 januari 2010, Winner Wetten (C-409/06, EU:C:2010:38, punten 96–99).
In punt 67 van het arrest van 8 september 2010, Winner Wetten (C-409/06, EU:C:2010:503), wordt verklaard dat ‘volstaan [kan worden] met de opmerking dat, ook al zouden soortgelijke overwegingen als die welke ten grondslag liggen aan deze rechtspraak, die met betrekking tot de handelingen van de Unie is ontwikkeld, naar analogie en bij uitzondering kunnen leiden tot een tijdelijke opschorting van het effect dat een rechtstreeks toepasselijke regel van het recht van de Unie op het daarmee strijdige nationale recht heeft, namelijk de terzijdestelling daarvan, een dergelijke opschorting, waarvan de voorwaarden enkel door het Hof kunnen worden vastgesteld, in casu a priori dient te worden uitgesloten, aangezien er geen dwingende overwegingen van rechtszekerheid zijn die deze kunnen rechtvaardigen’. Zie in dezelfde zin arrest van 27 juni 2019, Belgisch Syndicaat van Chiropraxie e.a. (C-597/17, EU:C:2019:544, punt 59).
Zie arresten van 27 februari 2014, Transportes Jordi Besora (C-82/12, EU:C:2014:108, punt 41); 19 april 2018, Oftalma Hospital (C-65/17, EU:C:2018:263, punt 57); 10 juli 2019, WESTbahn Management (C-210/18, EU:C:2019:586, punt 45), en 3 oktober 2019, Schuch-Ghannadan (C-274/18, EU:C:2019:828, punten 60–62). ‘[H]et Hof [heeft] slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, te weten wanneer er — met name wegens het grote aantal rechtsbetrekkingen dat te goeder trouw tot stand was gekomen op basis van de geldig geachte wettelijke regeling — gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen en tevens bleek dat zowel particulieren als de nationale autoriteiten tot met het Unierecht strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van bepalingen of beginselen van het Unierecht, aan welke onzekerheid het gedrag zelf van andere lidstaten of van de Commissie eventueel had bijgedragen’ (arresten van 10 juli 2019, WESTbahn Management, C-210/18, EU:C:2019:586, punt 46, en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C-724/17, EU:C:2019:204, punt 57).
Schriftelijke opmerkingen van de Commissie, punt 12.
Zie de punten 34–39 van deze conclusie.
Punt 103 en voetnoot 71 van deze conclusie.
Voor de ontwikkeling van de organisatie van de werkzaamheden van havenarbeiders in Europese havens verwijs ik naar de werken van Notteboom, T.E., ‘The impact of changing market requirements on dock labour employment systems in Northwest European seaports’, International Journal Shipping and Transport Logistics, 2018, nr. 4, blz. 429–454, en Verhoeven, P., ‘Dock Labor Schemes in the Context of EU Law and Policy’, European Research Studies, 2011, nr. 2, blz. 149–167.
In het overgangssysteem (tot 1 juli 2020) wordt de erkenning van de niet in de pool opgenomen werknemer verleend gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst en moet die erkenning voor elke daaropvolgende overeenkomst opnieuw worden aangevraagd.
Arrest van 21 december 2016 (C-201/15, EU:C:2016:972).
Ibidem, punt 55.
Arrest Commissie/Spanje, punt 37.
Arresten van 23 januari 2019, Zyla (C-272/17, EU:C:2019:49, punt 22), en 7 maart 2018, DW (C-651/16, EU:C:2018:162, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 23 januari 2019, Zyla (C-272/17, EU:C:2019:49, punt 23); 16 februari 2006, Rockler (C-137/04, EU:C:2006:106, punt 18), en 16 februari 2006, Öberg (C-185/04, EU:C:2006:107, punt 15).
Arresten van 23 januari 2019, Zyla (C-272/17, EU:C:2019:49, punt 24); 7 maart 2018, DW (C-651/16, EU:C:2018:162, punten 29–31), en 5 december 2013, Zentralbetriebsrat der gemeinnützigen Salzburger Landeskliniken (C-514/12, EU:C:2013:799, punten 25 en 26).
Volgens vaste rechtspraak kunnen overwegingen van zuiver economische aard die zien op de bevordering van de nationale economie of op de goede werking daarvan, een belemmering van een van de door de Verdragen gewaarborgde fundamentele vrijheden niet rechtvaardigen (zie arresten van 2 februari 2019, Associação Peço a Palavra e.a. (C-563/17, EU:C:2019:144, punt 70), en 21 december 2016, AGET Iraklis (C-201/15, EU:C:2016:972, punt 72).
Arrest van 19 juli 2012, Garkalns (C-470/11, EU:C:2012:505, punt 42): ‘[E]en vergunningenstelsel [moet] zijn gebaseerd op objectieve criteria, die niet-discriminerend en vooraf kenbaar zijn, waardoor een grens wordt gesteld aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de autoriteiten zodat deze niet op willekeurige wijze wordt gebruikt’.
Arrest van 15 januari 2002, Commissie/Italië (C-439/99, ECLI:EU:C:2002:14, punt 39). Zie naar analogie arrest van 26 september 2013, Ottica New Line (C-539/11, EU:C:2013:591, punt 53): ‘Voorts mogen de bevoegde autoriteiten de vestiging van een optiekzaak alleen toestaan nadat zij eerst het verplichte advies van een commissie van de kamer van koophandel hebben ingewonnen die […] bestaat uit op de markt aanwezige opticiens, dat wil zeggen de rechtstreekse concurrenten van opticiens die zich willen vestigen.’
Zie naar analogie, wat betreft het vrije verkeer van goederen, arrest van 19 maart 1991, Frankrijk/Commissie (C-202/88, EU:C:1991:120, punt 52).
In artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités. De unanimiteitsregel volgt uit artikel 47, laatste lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Arrest van 7 maart 2018, DW (C-651/16, EU:C:2018:162, punten 33 en 34).
Arrest van 8 mei 2019, PI (C-230/18, EU:C:2019:383, punt 81).
In het arrest van 19 juli 2012, Garkalns (C-470/11, EU:C:2012:505, punt 43), wordt verklaard dat ‘[o]m controle van de onpartijdigheid van de vergunningprocedure mogelijk te maken, […] het daarenboven noodzakelijk [is] dat de bevoegde autoriteiten elke beslissing op een voor het publiek toegankelijke wijze motiveren, waarbij zij nauwkeurig de redenen opgeven waarom in voorkomend geval een vergunning is geweigerd.’
Volgens de Commissie blijkt uit de statistieken waarover zij beschikt dat in de periode 2014–2019 op 52 % van de verzoeken om erkenning in de pool, en in de periode 2016–2019 op 43 % van de verzoeken om erkenning buiten de pool, geen besluit is genomen. De Belgische regering heeft deze cijfers in haar antwoord op de vragen van het Hof tegengesproken en enkele toelichtingen verstrekt over de administratieve vertragingen bij de behandeling van verzoeken.
Verwijzingsbeslissing, punt 40.
Het vereiste dat de havenarbeider die niet in de pool is opgenomen, om te worden erkend reeds over een arbeidsovereenkomst moet beschikken, zal worden geanalyseerd in relatie tot de derde en de vierde prejudiciële vraag.
Zie naar analogie arrest van 17 december 2015, UNIS en Beaudout Père et Fils (C-25/14 en C-26/14, EU:C:2015:821, punten 34–37), dat betrekking heeft op de transparantieverplichting die in het kader van de vrijheid van dienstverrichting in acht dient te worden genomen bij het nemen van een besluit om één enkel orgaan gedurende een bepaalde periode te belasten met het beheer van een verplicht aanvullend stelsel van sociale voorzieningen. De eerbiediging van die transparantieverplichting vereist dat ook andere potentieel geïnteresseerde marktdeelnemers dan de aangewezen marktdeelnemer eerst de gelegenheid hebben gehad om hun belangstelling voor het op zich nemen van dat beheer kenbaar te maken, en dat de aanwijzing van de marktdeelnemer die belast wordt met het beheer van dat aanvullende stelsel volledig onpartijdig geschiedt.
De verzoekende ondernemingen stellen dat de onderlinge erkenning van beroepskwalificaties van havenarbeiders uit andere lidstaten in geen enkel geval is toegepast.
In het bijzonder titel III, hoofdstukken I en II en de artikelen 50, 51 en 53 van richtlijn 2005/36.
Volgens de statistieken van de Commissie zijn er in de periode 2016–2019 slechts 28 verzoeken om erkenning buiten de pool ingediend, tegen 3 901 verzoeken om erkenning en opneming in de pool.
Artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 juni 2020, dat het koninklijk besluit van 5 juli 2004 wijzigt, voorziet in de creatie van de applicatie met die naam. Zoals reeds is aangegeven, is die regeling in werking getreden op 1 juli 2020 en derhalve ratione temporis niet van toepassing op de hoofdgedingen.
Zie arrest van 28 april 1998, Kohll (C-158/96, EU:C:1998:171, punt 41).
Zoals ik reeds heb opgemerkt, lijkt deze bepaling uitsluitend te worden toegepast op de havens van Antwerpen, Gent, Oostende, Zeebrugge en Brussel, en niet op andere Belgische havens zoals die van Genk of Luik.
Arrest van 11 december 2007, International Transport Workers' Federation en Finnish Seamen's Union (C-438/05, EU:C:2007:772, punten 33, 34 en 50–58).
Zie Van Hooydonk, E., op. cit. in voetnoot 2 van deze conclusie, blz. 152–157.
Arresten van 21 maart 2002, Commissie/Italië (C-298/99, EU:C:2002:194, punt 64), en 13 december 2007, Commissie/Italië (C-465/05, EU:C:2007:781, punt 59).
Datzelfde geldt voor het vereiste om herhaaldelijk het veiligheidscertificaat te verkrijgen voor een en dezelfde werknemer en dat op te halen bij elk van de afgevende bureaus. Ook zouden de kosten per certificaat buitensporig kunnen zijn in geval van arbeidsovereenkomsten voor één dag of enkele dagen.
Informatie over deze pas en de onderneming die de pas afgeeft, is te vinden op https://www.alfapass.be.