NJB 2024/789:Vordering benadeelde partij en wettelijke rente: in beginsel is de wettelijke rente op grond van art 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. In casu heeft de benadeelde partij immateriële schade geleden door de bewezenverklaarde ontuchtige gedragingen van de verdachte in de periode van 1 maart 2016 tot en met 31 augustus 2016. Het hof heeft de wettelijke rente toegekend vanaf 1 maart 2016, zijnde de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode. Mede erop gelet dat de verdachte in voormelde periode ‘meermalen’ ontuchtige handelingen heeft gepleegd met benadeelde, is niet zonder meer begrijpelijk dat de schade die het gevolg is van die handelingen, volledig zou zijn ingetreden op de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode. De Hoge Raad bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente in het midden van de periode.