Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het in de wettelijke vorm door de politie Eenheid Oost-Nederland, dienst Regionale Recherche, Team Grootschalige Opsporing, onderzoek Tanzania/ONRAB22002, opgemaakte proces-verbaal met dossiernummer [nummer] , opgemaakt, gesloten en ondertekend op 21 september 2022 door [brigadier] , brigadier, tenzij anders vermeld.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 07-05-2026, nr. 21-000018-24
ECLI:NL:GHARL:2026:2790
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
21-000018-24
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2026:2790, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 07‑05‑2026; (Hoger beroep)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een 36-jarige man voor moord op twee broers op 30 maart 2022 in de McDonald’s in Zwolle tot een gevangenisstraf van zesentwintig jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest.
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000018-24
Uitspraakdatum: 7 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 18 december 2023 met parketnummer 08-079644-22, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in de [P.I.] .
Hoger beroep
Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 maart 2025 (regie), 14 en 16 april 2026 (onderbroken) en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank. Het onderzoek is op de terechtzitting van het hof op
7 mei 2026 gesloten.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. A. Çimen en mr. E. Stam, advocaten te Amsterdam, hebben aangevoerd.
Tot slot heeft het hof kennisgenomen van wat is aangevoerd door:
- -
mr. R. Schreudering, advocaat te Utrecht, namens de nabestaanden van [slachtoffer 1] , die zich ook als benadeelde partijen hebben gesteld,
- -
door mr. E.M.J.M. Damen, advocaat te Arnhem, namens de nabestaanden van
[slachtoffer 2] , die zich ook als benadeelde partijen hebben gesteld, en
- mr. L.C. van Leeuwen, advocaat te Leiden, en mevrouw [medewerker slachtofferhulp] , slachtofferhulp Nederland, namens de broer en zussen van [slachtoffer 1] en
[slachtoffer 2] .
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte voor moord op de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (hierna worden voor de leesbaarheid uitsluitend hun voornamen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebruikt) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid. Het hof zal opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Op de terechtzitting bij de rechtbank is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 30 maart 2022 te Zwolle (O) , in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 2] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren op/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;2.hij op of omstreeks 30 maart 2022 te Zwolle (O) , in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren op/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] .
Bewijsoverwegingen1.
Vaststaande feiten en omstandigheden
Het staat vast dat verdachte op 30 maart 2022 om 17:00 uur een afspraak had in de McDonald’s in Zwolle met de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .2.Verdachte loopt die dag rond 17.05 uur de McDonald’s binnen en voegt zich bij [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] komt iets later ook binnen en gaat bij [slachtoffer 2] en verdachte zitten. Ze spreken ongeveer een uur met elkaar. Rond 17:59 uur loopt verdachte naar de counter. Hierna loopt hij terug naar de tafel waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zitten en zet de spullen die hij in zijn handen heeft op de tafel naast [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .3.Verdachte gaat dan niet opnieuw zitten, maar schiet vanuit staande positie meerdere malen van dichtbij op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .4.Beide slachtoffers zijn meerdere malen geraakt en zijn ter plaatse overleden als gevolg van de schotletsels.5.Verdachte verlaat vervolgens de McDonald’s en meldt zich die avond rond 22.55 uur op het politiebureau in [plaats] , alwaar hij wordt aangehouden op verdenking van moord dan wel doodslag op de beide broers.6.
Kwalificatie
De eerste vraag die het hof heeft te beantwoorden is of verdachte zich door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood te schieten schuldig heeft gemaakt aan moord of aan doodslag. Bij moord moet – kort gezegd – sprake zijn van voorbedachte raad, terwijl bij ontbreken daarvan sprake is van doodslag.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal moord. Verdachte heeft – naar eigen zeggen – het wapen een week van tevoren opgegraven en het schietklare wapen (met munitie) meegenomen naar de McDonald’s . Dat duidt op een plan om de slachtoffers van het leven te beroven. Bij het meenemen van het wapen naar de afspraak heeft verdachte vóór het begin van deze afspraak op zijn minst in overweging genomen om het wapen te gebruiken. Vanaf het moment van het meenemen had verdachte voldoende gelegenheid om na te denken over de betekenis van zijn voornemen en de gevolgen daarvan. Deze gelegenheid was er ook toen verdachte naar de balie liep om een bestelling te plaatsen en na het plaatsen van de bestelling terugliep naar tafel. Uit de uiterlijke verschijningsvorm valt daarom af te leiden dat er sprake is van voorbedachte raad. Er zijn geen contra-indicaties aan te wijzen waardoor geen sprake zou zijn van voorbedachte raad. De mogelijk contra-indicaties zijn allemaal te weerleggen. Van een emotionele gemoedsopwelling is niet gebleken en de bedreigingen vanuit [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waar verdachte over heeft verklaard zijn ook niet gebleken of aannemelijk geworden. Er is dus sprake van een vooropgezet plan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moorden. Het wilsbesluit om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te doden kan niet worden vastgesteld op een eerder moment dan het moment van het daadwerkelijke schieten. Verdachte droeg het wapen vaker bij zich voor mogelijke onveilige situaties, omdat hij vaak veel contant geld bij zich had. Hij droeg het wapen niet bij zich om het daadwerkelijk te gebruiken, maar om af te schrikken als dat nodig was. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de feitenrechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. In deze zaak zijn er meerdere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Dat verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in verdachte is omgegaan. Of in zo’n geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761)
Het hof stelt in dit verband het volgende vast.
Verdachte had vóór 30 maart 2022 al langere tijd een conflict over geld met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), de zoon van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft (grote) geldbedragen aan [naam 1] betaald. Waar de betreffende geldbedragen vandaan kwamen, wat de grondslag voor de betalingen was en wat al dan niet de verdere afspraken omtrent de geldbedragen zijn geweest, heeft het hof niet kunnen vaststellen. Wel kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat er een conflict is ontstaan over het rendement en/of de terugbetaling van dat geld. De spanningen zijn daarbij van beide kanten opgelopen en er vonden over en weer bedreigingen plaats tussen verdachte en [naam 1] . Zo heeft verdachte onder meer een bericht gestuurd met de inhoud ‘geduld heeft ook een grens’7.en blijkt uit de berichten die [naam 1] aan [naam 2] stuurde, alsmede uit de berichten die [naam 1] aan verdachte stuurde dat verdachte is bedreigd door [naam 1] .8.Op enig moment hebben [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de vader van verdachte ( [naam 3] ) zich in het conflict gemengd, al dan niet ter bemiddeling. [naam 3] en [slachtoffer 2] hebben op 27 maart 2022 afgesproken en een bespreking gehad in de McDonald’s in [plaats] .9.Verdachte heeft zelf ook meerdere contacten gehad met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over het geld dat hij aan [naam 1] had betaald. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de bedreigingen van [naam 1] en de contacten met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met name hebben plaatsgevonden in de zomer van 2021.10.Uit het dossier blijkt niet dat er tussen eind november 2021 en 29 maart 2022 nog contact is geweest tussen verdachte zelf en [naam 1] en [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] en verdachte hebben op 30 maart 2022 afgesproken in de McDonald’s in Zwolle .11.Op enig moment wist verdachte dat [slachtoffer 2] ook aanwezig zou zijn bij die afspraak.12.
Zoals hiervoor bij de vaststaande feiten en omstandigheden al deels is weergegeven en zoals het hof vaststelt op grond van de camerabeelden, komt verdachte op 30 maart 2022 rond 17.05 uur de McDonald’s binnen, terwijl [slachtoffer 2] dan al binnen is. [slachtoffer 1] komt om ongeveer 17.15 uur binnen en gaat bij verdachte en [slachtoffer 2] zitten. Vanaf 17.15 uur zijn zij met zijn drieën in gesprek, waarna verdachte om 17.59,27 uur vanaf de tafel naar de counter loopt om (ogenschijnlijk) iets te bestellen. Op de beelden van de camera die gericht is op de counter, is te zien dat verdachte bewegingen maakt die lijken op het afrekenen en om 18.00.27 uur loopt verdachte rustig terug naar de plek waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nog zitten. Verdachte verdwijnt dan om 18.00.34 uur uit beeld en op de beelden van een andere camera komen zijn onderbenen om 18.00.45 uur in beeld als hij bij de tafel aankomt waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zitten. Om 18.00.47 uur is op de beelden aan de schrik van de aanwezigen te zien dat er op dat moment schoten klinken.
Op de vraag waarom verdachte op dat moment heeft geschoten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , heeft hij wisselend en niet eenduidig verklaard. Zo heeft hij verklaard bang geweest te zijn, zich onveilig te hebben gevoeld, en dat tijdens het gesprek de eerdere bedreigingen maar door bleven gaan. Maar hij heeft ook verklaard dat hij niet meer weet waarom hij heeft geschoten omdat het een groot zwart gat voor hem is. In hoger beroep is daar de verklaring zoals verdachte die tegenover de politie op 29 juli 2025 heeft afgelegd bijgekomen. Bij die gelegenheid heeft verdachte verklaard dat hij heeft geschoten, omdat hij op het moment dat hij terug liep van de counter naar de tafel, zag dat [slachtoffer 2] een beweging maakte richting zijn linker heup waarbij het leek alsof hij iets uit zijn broeksband wilde pakken.13.Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte die verklaring herhaald en nader geduid welke beweging [slachtoffer 2] precies maakte. Volgens verdachte reikte [slachtoffer 2] met zijn rechterhand voor zijn buik langs naar de linkerkant van zijn middel, bij zijn broeksband. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer 2] een wapen wilde pakken en dat hij daarom heeft geschoten.14.
Het hof hecht geen geloof aan die verklaring van verdachte en schuift deze als ongeloofwaardig ter zijde, gelet op het late tijdstip waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd. Het gaat om een zeer cruciaal gegeven waarvan het – indien het op waarheid zou berusten – zonder meer voor de hand had gelegen dat verdachte dit direct na of kort na het feit zou hebben verklaard en waarvan het ongeloofwaardig is dat verdachte zich dit pas na zoveel tijd is gaan herinneren. Het hof wordt in het oordeel dat bedoelde verklaring van verdachte ongeloofwaardig is gesterkt door het feit dat verdachte weliswaar heeft verklaard de betreffende beweging te hebben gezien, maar ook dat hij niet daadwerkelijk een wapen heeft gezien, alsmede dat er geen wapen bij [slachtoffer 2] is aangetroffen en overigens ook niet bij [slachtoffer 1] , terwijl ook verder geen van de in de McDonald’s aanwezige en als getuige gehoorde personen over een dergelijke beweging hebben verklaard.
Bij het uitblijven van een (aannemelijke) verklaring van verdachte over de vraag waarom hij op 30 maart 2022 heeft geschoten alsmede bij gebrek aan enige inzichtelijkheid over zijn beweegredenen en gevoelens dan wel gemoedstoestand op het betreffende moment, rest voor het hof niets anders dan op basis van de wel vaststaande feiten en omstandigheden en de daaruit voortvloeiende uiterlijke verschijningsvorm tot een oordeel te komen.
Het hof kan op basis van het dossier en gelet op de wisselende verklaringen van verdachte niet vaststellen hoe en wanneer verdachte aan het wapen kwam waarmee hij geschoten heeft, (vanaf) wanneer hij dat bij zich heeft gestoken en om welke reden(en) hij dat gedaan heeft. Het hof kan wel vaststellen dat verdachte met een vuurwapen geladen met (een grote hoeveelheid) munitie naar de afspraak met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is gegaan en rond 17:05 uur in het bezit van het wapen de McDonald’s is binnengelopen. Bij de McDonald’s spraken verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bijna een uur met elkaar. Hoewel de concrete inhoud van het gesprek niet duidelijk is geworden, zijn er wel aanwijzingen dat het gesprek niet heel vriendelijk verliep. Niet alleen verdachte heeft daarover verklaard, maar uit verklaringen van getuigen volgt ook dat er sprake was van een verhitte discussie.15.
Kort voor 18:00 uur is verdachte naar de counter gelopen. Vervolgens is hij rustig terug naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gelopen. Verdachte zette wat hij op dat moment in zijn handen had op de tafel naast de tafel waar zij zaten. Hij is vervolgens niet gaan zitten, maar heeft direct vanuit staande positie in totaal elf keer gericht op de broers geschoten.16.
Deze omstandigheden duiden naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voorbedachte raad, nu verdachte voldoende gelegenheid had zich te beraden over het genomen of te nemen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Die gelegenheid was er (in ieder geval) uitdrukkelijk toen verdachte – kort voordat hij het wapen tevoorschijn haalde – alleen en in alle rust van de tafel waar hij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zat wegliep naar de counter, weer terugkwam en de spullen op de tafel ernaast zette. Van belang is het tijdsverloop hierbij: een minuut en twintig seconden. Daarmee had verdachte voldoende tijd en ruimte om zich te beraden over de vraag of hij het wapen daadwerkelijk zou gaan gebruiken en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
Dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is in het licht van het voorgaande niet aannemelijk geworden. Uit het dossier en ook overigens uit het verhandelde ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen die erop zouden kunnen wijzen dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van een – in het licht van het bestaande conflict – ander motief of andere trigger van waaruit een hevige gemoedsbeweging verklaard zou kunnen worden. Zo is niet gebleken van hoger oplopende emoties in het betreffende gesprek dan eerder en biedt het dossier geen objectieve aanknopingspunten voor ernstige bedreigingen door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op dat specifieke moment. Met de rechtbank wijst het hof hierbij op het ogenschijnlijke rustige handelen van verdachte en het feit dat verdachte weinig tot niets heeft verklaard over zijn gemoedstoestand vlak voor en tijdens het schieten.
Zoals hiervoor is uiteengezet vormt het feit dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit een belangrijke objectieve aanwijzing dat sprake is van voorbedachte raad, maar het hof dient ook te beoordelen of sprake is van contra-indicaties waaraan een zwaarder gewicht moet worden toegekend.
De advocaat-generaal en de verdediging hebben in dit verband gewezen op een aantal mogelijke contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad. De genoemde contra-indicaties zijn:
- bedreigingen door de [familie] ;
- de locatie van het schietincident ( McDonald’s );
- de lange duur van het gesprek;
- de bestelling van koffie;
- de intentie om thuis te zijn voor het eten;
- de paniek, en
- het opgraven van het wapen.
Voor zover de geopperde contra-indicaties al aangemerkt kunnen worden als
contra-indicaties, nu het grotendeels feiten en omstandigheden betreffen die zich hebben voorgedaan en/of afgespeeld voor het moment waarop het hof uitgaat van de aanvang van de voorbedachte raad en/of niet van belang zijn voor de beoordeling van de voorbedachte raad, is het hof van oordeel dat aan de genoemde contra-indicaties op zichzelf noch in onderling verband en samenhang bezien een zwaarder gewicht moeten worden toegekend dan aan de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op basis waarvan het hof van oordeel is dat verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit.
Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Daarmee is sprake van moord op zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] .
Putatief noodweerexces
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat hem een geslaagd beroep op putatief noodweerexces toekomt. Verdachte was in de veronderstelling dat [slachtoffer 2] een wapen ging trekken en dat er op hem geschoten zou worden. In het hoofd van verdachte was daarom sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich moest en mocht verdedigen. Als direct gevolg daarvan kwam verdachte in een hevige gemoedsbeweging terecht. Verdachte heeft te heftig gereageerd door meermalen te schieten.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweerexces toekomt. Dat [slachtoffer 2] een ‘schietbeweging’ zou hebben gemaakt of dat verdachte dat kon/mocht denken – waarop verdachte zou hebben gereageerd – is ongeloofwaardig. Dat verdachte door een ingebeelde aanval een hevige gemoedsbeweging zou hebben gekregen, is ook niet aannemelijk. Als er al sprake was van een hevige gemoedsbeweging, dan werd die niet veroorzaakt door de beweging maar door het al langer bestaande conflict over geld.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat van putatief noodweer(exces) wordt gesproken als een verdachte meent dat hij wordt aangevallen en zich (mogelijk zelfs excessief) verweert, maar later blijkt dat hij zich in de feitelijke situatie heeft vergist. De vergissing moet verschoonbaar zijn. Hiervoor is vereist dat er een objectieve aanleiding is geweest op grond waarvan die verdachte de situatie verkeerd heeft kunnen en mogen inschatten. Het verweer zal niet slagen wanneer de verdachte de vergissing aan zichzelf te wijten heeft (culpa in causa kan hier een corrigerende rol spelen). Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweerexces, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
Het hof stelt in dit verband – nogmaals - vast dat verdachte pas op 29 juli 2025 bij de politie voor het eerst heeft verklaard dat hij heeft geschoten, omdat hij [slachtoffer 2] een dreigende beweging zag maken. Zoals hiervoor al is uiteengezet, acht het hof die verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Daarmee komt de grondslag van het verweer te vervallen en is er geen sprake van een putatieve noodweersituatie. Ook een beroep op putatief noodweerexces kan daarmee niet slagen. Het verweer van verdachte wordt dus verworpen.
Psychische overmacht
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat sprake was van psychische overmacht. Hij was financieel compleet uitgekleed (door de [familie] ) en toen werden hijzelf en zijn familie ook nog bedreigd. Daardoor was sprake van een dusdanige druk op verdachte en is hij in zo’n psychische nood gekomen dat zijn wilsvrijheid werd aangetast. Verdachte is door de [familie] in de val gelokt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet de enige is die in grote problemen is gekomen door [naam 1] en zijn familie. Onder de gegeven omstandigheden kon van verdachte niet worden verwacht dat hij weerstand zou bieden aan de op hem uitgeoefende druk.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Niet alleen is onaannemelijk dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bedreigingen hebben geuit in de McDonald’s op 30 maart 2022, maar ook als dat wel zo zou zijn geweest is niet gebleken van de concrete inhoud en intensiteit van deze ‘druk’. Er valt niet in te zien waarom verdachte dan geen weerstand had kunnen bieden aan deze druk.
Oordeel van het hof
Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan een verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Als een beroep op psychische overmacht slaagt, wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Indien een beroep op psychische overmacht is gedaan, zal de rechter op grond van dat verweer moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht – de van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden – zijn vervuld. Onder omstandigheden kan het feit dat een verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.
Het hof stelt in dit verband vast dat er sprake was van een langlopend conflict over geld tussen verdachte en [naam 1] , waarbij over en weer bedreigingen zijn geuit. Beiden hebben zich daarbij niet onbetuigd gelaten.
Er is op geen enkele wijze gebleken dat verdachte is gesommeerd naar de afspraak op
30 maart 2022 bij de McDonald’s te komen. Integendeel, verdachte is daar op (vriendelijk) verzoek van [slachtoffer 1] vrijwillig naartoe gekomen. Als er tijdens dat gesprek al bedreigingen zijn geuit door [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , dan is het hof niet gebleken dat deze bedreigingen erger of anders waren dan eerdere bedreigingen aan het adres van verdachte. Het gesprek had in dit opzicht dan ook geen uitzonderlijk karakter ten opzichte van de eerdere contacten. Verdachte heeft na die eerdere bedreigingen ook niet geschoten. Het hof is ook niet gebleken dat er zich tijdens het gesprek tussen verdachte, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een zodanige onverwachte gebeurtenis of wending heeft voorgedaan voor verdachte dat daardoor een van buiten komende drang is ontstaan waaraan verdachte geen weerstand kon of behoefde te bieden.
De persoonlijkheidsstructuur van verdachte, waarvan de verdediging suggereert dat deze kwetsbaar is waardoor het breekpunt bij verdachte eerder zou liggen dan bij een gemiddeld persoon, bestond ook al ten tijde van de eerdere (bedreigende) contacten tussen verdachte en [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] . Nu het hof niet gebleken is dat het gesprek op 30 maart 2022 een uitzonderlijk karakter had ten opzichte van die eerdere gesprekken en ook niet is gebleken van een daarbij voorkomende onverwachte gebeurtenis of wending, leidt de (gestelde) persoonlijkheidsstructuur van verdachte niet tot een ander oordeel.
De stelling van de verdediging dat er (ook) anderen (te weten: [naam 4] en [naam 5] ) onder druk werden gezet door de [familie] en dat die daardoor in ernstige (psychische) nood zijn geraakt, kan – zelfs als dit juist zou zijn – evenmin leiden tot een ander oordeel. Ten aanzien van verdachte is immers niet gebleken van een van buiten komende drang waaraan hij geen weerstand kon en hoefde te bieden. Daar komt bij dat verdachte hiervan pas op de hoogte is geraakt bij lezing van zijn strafdossier, zodat hij dat niet wist ten tijde van de schietpartij en hij daardoor op dat moment niet in zijn wilsvrijheid beperkt kan zijn geraakt.
De enkele stelling van de verdediging tot slot dat sprake is van een georganiseerde oplichtingsconstructie van de [familie] waarbij eenieder zijn eigen rol had en dat verdachte door de hele [familie] in de val was gelokt, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Het beroep op psychische overmacht wordt dan ook verworpen.
Conclusie
Alles overwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] en
[slachtoffer 1] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, zodat sprake is van twee keer moord. Het hof verwerpt de verweren dat sprake zou zijn van putatief noodweerexces of psychische overmacht.
Bewezenverklaring
Het hof acht aldus op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op of omstreeks 30 maart 2022 te Zwolle (O), in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 2] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren op/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ;2.hij op of omstreeks 30 maart 2022 te Zwolle (O), in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren op/in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
telkens: moord.
Strafbaarheid van verdachte
Omtrent de persoon van verdachte zijn verschillende rapporten opgemaakt. Zo hebben de psycholoog, [psycholoog] , en de psychiater, [psychiater] , in november 2022 respectievelijk januari 2023 een Pro Justitia rapportage over verdachte opgemaakt. Zij hebben beiden geen stoornis bij verdachte kunnen vaststellen. Zij constateren bijvoorbeeld geen forse, voor de hand liggende psychiatrische problematiek. Wel zien zij enige aanwijzingen voor onderliggende problematiek, waaronder een mogelijke kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en mogelijke zwakbegaafdheid. Voor nader onderzoek naar de persoon van verdachte werd plaatsing in het [instelling] (verder: [instelling] ) geadviseerd.
Uit het rapport van het [instelling] van 12 september 2023 blijkt dat verdachte daar iedere medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. De onderzoekers hebben (daardoor) niet kunnen vaststellen of en in hoeverre er sprake was van een vermenging van proces-positionele en psychopathologisch onderliggende motieven voor de weigering.
Door observatie van verdachte kon nog wel enige klinisch relevante informatie worden verkregen. Vanaf de opname in het [instelling] op 28 juni 2023 werd een identiek beeld gezien als beschreven in het penitentiaire dossier dat de onderzoekers ter beschikking hebben gehad: Verdachte vertelt wijdlopig zijn verhaal, verhaalt over zijn vele beklagzaken, is luidruchtig aanwezig en zorgt voor veel irritaties bij zijn groepsgenoten. Het wordt steeds duidelijker dat verdachte de detentie en de spanning rond de afwikkeling van zijn strafzaak maar moeilijk kan hanteren, gepreoccupeerd is met justitie en alles wat daarmee maar in verband staat. Enige vorm van relativering ontbreekt geheel en in de observatie wordt steeds duidelijker dat er sprake is van significante beperkingen in het sociale functioneren. Daarbij is er geen sprake van een depressief of een manisch toestandsbeeld en zijn er geen aanwijzingen voor een posttraumatisch lijden; verdachte lijkt normaal te slapen. Er is volgens onderzoekers in ieder geval sprake van een detentiestress-gerelateerde aanpassingsstoornis met een stoornis in gedrag, die persisteert vanaf eind februari 2023. Er lijkt het meest waarschijnlijk sprake van een vorm van een psychotisch syndroom, voorlopig te classificeren als een ‘andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis’. Onderzoekers concluderen dat het huidige beschreven toestandsbeeld detentie-gerelateerd is en niets zegt over de geestestoestand van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Daar hebben zij geen onderzoek naar kunnen doen. Daardoor kan de vraag naar de aanwezigheid en doorwerking van een eventuele psychische stoornis ten tijde van het ten laste gelegde niet worden beantwoord.
Nu bij verdachte geen stoornis ten tijde van het tenlastegelegde kan worden vastgesteld en in de over verdachte uitgebrachte rapporten ook overigens geen aanleiding gevonden kan worden om de strafbare feiten verminderd aan hem toe te rekenen, acht het hof verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar.
Het hof heeft, zoals hiervoor al is overwogen, het beroep op putatief noodweer(-exces) verworpen. Datzelfde geldt voor het beroep op psychische overmacht.
Verdachte is dus strafbaar.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Verdachte is first offender. Er is sprake van één wilsbesluit, waarbij twee personen dodelijk zijn geraakt. In strafmatigende zin moet rekening worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar, zonder dat deze termijnoverschrijding kan worden toegeschreven aan de verdediging.
Het oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft buitengewoon ernstige en schokkende feiten begaan door de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood te schieten. Hij heeft op 30 maart 2022 op klaarlichte dag en rond etenstijd in de McDonald’s te Zwolle , in de aanwezigheid van meerdere gasten en kinderen, ogenschijnlijk koelbloedig elf kogels op de slachtoffers afgevuurd. Verdachte had op dat moment een afspraak met de twee slachtoffers in het kader van een conflict over geld met [naam 1] , de zoon van [slachtoffer 2] . Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij mensenlevens belangrijker vindt dan geld. Met zijn gedragingen heeft hij anders laten blijken.
Moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Door zijn gewelddadige optreden heeft verdachte de slachtoffers beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Aan de familie en naaste omgeving van de slachtoffers is immens en onherstelbaar leed aangedaan. De gevolgen voor de familie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn desastreus en onomkeerbaar. De familie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn hun familieleden op een afschuwelijke gewelddadige wijze verloren, wat voor hen moeilijk te verwerken zal zijn. Uit de slachtofferverklaring namens de broer en zussen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de nabestaanden van [slachtoffer 1] volgt dat het leven van de nabestaanden een nachtmerrie is geworden die niet stopt. Zij worden overspoeld met ongeloof, pijn, angst en vragen. Voor de nabestaanden is het bijzonder zwaar dat verdachte tot op heden geen openheid heeft gegeven waarom [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dood zijn geschoten. In plaats daarvan ervaren zij dat verdachte de [familie] telkens in een negatief daglicht plaatst.
De moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft de rechtsorde zeer geschokt en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt, met name voor de getuigen – waaronder meerdere gezinnen met kleine kinderen – die op dat moment onbezorgd in de McDonald’s waren en die het een en ander hebben gezien en gehoord.
Hoewel verdachte heeft bekend dat hij heeft geschoten, heeft hij geen volledige openheid van zaken gegeven. Sterker nog, verdachte heeft een ongeloofwaardige verklaring afgelegd waarom hij zou hebben geschoten. Door de houding van verdachte wordt het de nabestaanden moeilijker gemaakt het verlies van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te verwerken.
Het hof neemt dit alles de verdachte kwalijk.
Het hof is van oordeel dat geen andere straf in aanmerking komt dan een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig jaren passend en geboden. Deze straf is lager dan de rechtbank heeft opgelegd en die nu opnieuw is geëist. Het hof overweegt daartoe dat uit het hiervoor genoemde rapport van het [instelling] blijkt dat bij verdachte sprake is van een detentiestress-gerelateerde aanpassingsstoornis, met aanwijzingen voor psychotische ontregeling. De detentie valt hem daardoor zwaar. Ook het feit dat verdachte geen relevant strafblad heeft werkt enigszins strafmatigend.
Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in hoger beroep behandeld zou moeten worden is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat redelijkerwijs de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat verdachte hoger beroep heeft ingesteld, omdat hij in voorlopige hechtenis verblijft. Het hoger beroep is ingesteld op 29 december 2023 en er zal 7 mei 2026 arrest worden gewezen. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof in plaats van de voornoemde duur van de gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest, opleggen.
De verdediging heeft uitgebreid bepleit dat er geen levenslange gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd. Gelet op de op te leggen straf, behoeft dit verweer geen verdere bespreking.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Vorderingen en beslissingen van de rechtbank
De volgende personen hebben zich in dit strafproces gevoegd als benadeelde partij.
De vorderingen met betrekking tot de moord op [slachtoffer 2] (feit 1):
- [benadeelde 1] :
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 372.985,50 ingediend, bestaande uit € 352.985,50 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 22.117,50 bestaande uit
€ 2.117,50 (onderzoek door [bedrijf] ) aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor een bedrag van
€ 350.868,- (gederfd levensonderhoud) niet-ontvankelijk verklaard.
- [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 45.399,61 ingediend, bestaande uit € 25.399,61 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 44.399,61 bestaande uit
€ 24.399,61 (kosten met betrekking tot de uitvaart) aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor een bedrag van
€ 1.000,- (kosten Imam) niet-ontvankelijk verklaard.
- [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.500,- niet-ontvankelijk verklaard.
[benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
De vorderingen met betrekking tot de moord op [slachtoffer 1] (feit 2):
- [benadeelde 5]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
- [benadeelde 6]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
- [benadeelde 7]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
- [benadeelde 8]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
- [benadeelde 9]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,- aan immateriële (affectie)schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
- [benadeelde 10]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 163.255,- ingediend, bestaande uit € 143.255,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële (affectie)schade. De rechtbank heeft dit bedrag gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 20.000,- bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor een bedrag van € 143.255,- (gederfd levensonderhoud) niet-ontvankelijk verklaard.
Handhaving vorderingen in hoger beroep
Alle benadeelde partijen hebben in hoger beroep hun vorderingen gehandhaafd, zodat het hof een beslissing moet nemen over de initieel bij de rechtbank gevorderde schadevergoedingen, met dien verstande dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep
mr. Schreudering heeft laten weten dat het materiële deel van de vordering van
[benadeelde 10] niet wordt gehandhaafd.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op de vorderingen van de benadeelde partijen kan worden beslist zoals de rechtbank heeft gedaan, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te
verklaren vanwege het verzochte ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de verdediging als volgt verzocht.
[benadeelde 1] zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de materiële schade. De rechtbank heeft de vordering voor een bedrag van € 350.868,- (gederfd levensonderhoud) al niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing. Een nadere onderbouwing is in hoger beroep niet gekomen. De benadeelde partij dient ook
niet-ontvankelijk te worden verklaard in het gevorderde bedrag van € 2.117,50 (onderzoek door [bedrijf] ) omdat de rapportage niet voldoet aan de kwaliteit die van een dergelijke rapportage mag worden verwacht. De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van de immateriële schade.
[benadeelde 2] zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de gevorderde kosten van de Imam en de grafsteen (€ 17.923,70) vanwege onvoldoende onderbouwing. Ten aanzien van de grafsteen is slechts een offerte overgelegd. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de door [benadeelde 2] gevorderde immateriële schadevergoeding.
De verdediging heeft verzocht om bij de beslissing op de vordering van de [benadeelde 3] aansluiting te zoeken bij de beslissing van de rechtbank en € 17.500,- toe te wijzen, en de benadeelde partij voor het overige deel (€ 2.500,-) niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [benadeelde 4] en de vorderingen van de benadeelde partijen die betrekking hebben op de moord op [slachtoffer 1] .
Oordeel van het hof
Materiële schade
- [benadeelde 1]
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voor het bedrag van € 350.868,- aan gederfd levensonderhoud niet-ontvankelijk is. Deze kostenpost is gemotiveerd betwist door de verdediging. Een schatting van het bedrag is ook niet mogelijk. Nadere bewijslevering en behandeling van dit deel van de vordering zou een aanzienlijke vertraging en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding met zich brengen.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de benadeelde partij ook
niet-ontvankelijk is voor het bedrag van € 2.117,50 voor het rapport van [bedrijf] , nu dit kosten betreft die zien op de vaststelling van schade, terwijl de vaststelling van die schade – zoals het hof hiervoor heeft overwogen – een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en de benadeelde partij daarom ten aanzien van die schade
niet-ontvankelijk is in de vordering. In een eventuele civiele procedure over het gederfde levensonderhoud kunnen ook de kosten van dit rapport worden gevorderd.
- [benadeelde 2]
Het hof wijst toe een bedrag van € 7.475,91 voor de kosten van de uitvaart en de grafrechten. Verdachte is op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek tot vergoeding van deze schade gehouden. Het hof verklaart de benadeelde partij
niet-ontvankelijk voor een bedrag van € 17.923,70 voor de kosten van de Imam en de kosten van de grafsteen. Net als de rechtbank acht het hof de post ‘Imam’ onvoldoende duidelijk en deze kosten zijn door de verdediging betwist. In hoger beroep is er geen nadere onderbouwing gekomen. De kosten voor de grafsteen zijn in hoger beroep ook door de verdediging betwist. Er is slechts een offerte overgelegd. Het hof is daarom van oordeel dat ook onvoldoende duidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Nadere bewijslevering en behandeling van dit deel van de vordering zou een aanzienlijke vertraging en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding met zich brengen.
Immateriële schade (affectieschade)
Het is mogelijk om vergoeding van affectieschade te vorderen voor naasten van slachtoffers
met ernstig en blijvend letsel, en nabestaanden van overleden slachtoffers. Het letsel of
overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een
ander aansprakelijk is. Naar het oordeel van het hof is, op grond van de gebezigde
bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is
gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen
verklaarde handelen affectieschade hebben geleden, waarvoor verdachte op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is. Het hof stelt vast dat elk van de benadeelde partijen die deze vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, tot de kring van gerechtigden behoort en bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.
Met betrekking tot de door [benadeelde 3] gevorderde immateriële schade zal het hof
aansluiting zoeken bij het bedrag dat hoort bij een uitwonend kind en het door haar gevorderde bedrag daarom toewijzen tot een bedrag van € 17.500,-. Het hof verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Het hof is voor het overige van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof zal daarom op dezelfde wijze beslissen op die vorderingen.
Conclusie
Het hof stelt vast dat de gevorderde wettelijke rente voor het immateriële deel toewijsbaar is vanaf 30 maart 2022. De gevorderde wettelijke rente voor het materiële deel is toewijsbaar vanaf de datum van dit arrest, te weten 7 mei 2026.
Het hof legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op, met de – voor het geval verdachte niet of niet volledig betaald – de daarbij behorende dagen gijzeling. Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Concreet houdt het bovenstaande in dat het hof op de volgende wijze beslist:
Benadeelde partij | Toewijzen | Niet-ontvankelijk | Schadevergoedings -maatregel (gijzeling) |
[benadeelde 1] | € 20.000,- | € 352.985,50 | 37 dagen |
[benadeelde 2] | € 27.475,91 | € 17.923,70 | 52 dagen |
[benadeelde 3] | € 17.500,- | € 2.500,- | 32 dagen |
[benadeelde 4] | € 17.500,- | n.v.t. | 32 dagen |
[benadeelde 5] | € 20.000,- | n.v.t | 37 dagen |
[benadeelde 6] | € 20.000,- | n.v.t. | 37 dagen |
[benadeelde 7] | € 20.000,- | n.v.t. | 37 dagen |
[benadeelde 8] | € 17.500,- | n.v.t. | 32 dagen |
[benadeelde 9] | € 17.500,- | n.v.t. | 32 dagen |
[benadeelde 10] | € 20.000,- | n.v.t. | 37 dagen |
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 27.475,91 (zevenentwintigduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 7.475,91 (zevenduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 27.475,91 (zevenentwintigduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 7.475,91 (zevenduizend vierhonderdvijfenzeventig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 (tweeënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 mei 2026
en van de immateriële schade op 30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 7] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 7] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op
.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 9] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 9] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 10] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 10] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,- (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
30 maart 2022.
Dit arrest is gewezen door
mr. S. Bek, voorzitter,
mr. R.H. Koning en mr. M.L. Plas, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. R. Kaatman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 468; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 475 en 477.
Proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden McDonald’s ), p. 740-741.
NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, betreffende [slachtoffer 2] , van 14 april 2022, p. 338; NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, betreffende [slachtoffer 1] , van 14 april 2022, p. 392
Proces-verbaal van verdenking, p. 23.
Proces-verbaal van bevindingen communicatie uit de telefoon van [slachtoffer 1] , p. 906.
Proces-verbaal van bevindingen tactisch onderzoek Apple iPhone [nummer] , p. 1174-1183; proces-verbaal aanvullend tactisch onderzoek Apple iPhone [nummer] , p. 1704.
Proces-verbaal van bevindingen (teliogesprekken [benadeelde 2] m.b.t. [naam 3] en [naam 6] ), p. 799.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46; Proces-verbaal van bevindingen (communicatie uit de telefoon van [slachtoffer 1] , tussen [slachtoffer 1] - [naam 6] , [slachtoffer 1] - [naam 1] en [slachtoffer 1] - [naam 7] ), p. 850-918.
Proces-verbaal van bevindingen (vertalen gesprekken in telefoon van slachtoffer door tolk), p. 836.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 46.
Los document: Proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 juli 2025, p. 3.
Verklaring van verdachte ter terechtzitting bij het hof van 14 april 2026.
Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 70-71; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 451; Proces-verbaal van telefonisch verhoor getuige [getuige] , p. 518.
Proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden McDonald’s ), p. 740-741; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 468; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 475 en 477.