Trb. 2003, 127, en 2004, 269.
HR, 27-09-2019, nr. 18/01969
ECLI:NL:HR:2019:1449
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-09-2019
- Zaaknummer
18/01969
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Horecarecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1449, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑09‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:522, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2018:172, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2019:522, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑05‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1449, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑05‑2018
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2019-1148
JOM 2019/921
JB 2019/174
JA 2019/171
Jurisprudentie HSE 2019/122
PS-Updates.nl 2019-0760
JA 2019/171
Uitspraak 27‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige overheidsdaad. Uitzondering rookverbod voor rookruimtes in horeca-inrichtingen; onverbindend? Rechtstreekse werking verdragsbepaling (art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag). HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN). Redelijke tijd om verdragsbepaling na te komen? Grond voor overgangsmaatregelen?
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 18/01969
Datum 27 september 2019
ARREST
In de zaak van
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),zetelende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: mr. M.W. Scheltema,
tegen
NEDERLANDSE NIETROKERSVERENIGING CAN (Club Actieve Nietrokers),gevestigd te Oss,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: CAN,
advocaat: mr. N.C. van Steijn.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/499502/HA ZA 15-1252 van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2016 en 14 september 2016;
b. het arrest in de zaak 200.205.667/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 februari 2018.
De Staat heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. CAN heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Staat heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
CAN vordert in dit geding tegen de Staat op de voet van art. 3:305a lid 1 BW een verklaring voor recht dat de uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes, zoals opgenomen in art. 6.2 lid 1, aanhef en onder b, Tabaks- en rookwarenbesluit, onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met hoger recht, voor zover die uitzondering van toepassing is op voor het publiek toegankelijke ruimtes. CAN heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat deze uitzondering in strijd is met art. 8 lid 2 van de WHO Framework Convention on Tobacco Control (het Kaderverdrag van de World Health Organization inzake tabaksontmoediging, hierna: WHO Kaderverdrag).1.
2.2
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen op de grond dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag geen rechtstreekse werking heeft wat betreft de mogelijkheid om een uitzondering te maken voor rookruimtes, aangezien een daarop gerichte norm niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig in die bepaling ligt besloten (rov. 4.8-4.11).2.
2.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van CAN alsnog toegewezen, met de beperking dat de verklaring voor recht alleen geldt voor horeca-inrichtingen in de zin van art. 1 Tabaks- en rookwarenwet.3.
2.4
Het hof heeft onder meer als volgt overwogen.
“2.3 Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in, onder meer ‘indoor public places’ (hierna ook: openbare gebouwen). Deze bescherming geldt voor eenieder die deze ruimtes betreedt of wil betreden (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, rov. 3.6.1). Niet in geschil is dat horeca-inrichtingen ‘indoor public places’ zijn. Evenmin is in geschil dat er geen veilige mate van blootstelling aan tabaksrook bestaat. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de te bieden bescherming slechts dan effectief is indien (in de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag genoemde plaatsen) iedere vorm van blootstelling aan tabaksrook wordt uitgesloten.
2.4 Dit betekent dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat, dat eenieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd.
2.5 Aan dat oordeel doet niet af dat de in deze zaak ter discussie staande uitzondering voor rookruimtes niet een reeds eerder bereikt beschermingsniveau terugdraait maar al was bepaald sinds het rookverbod op horeca-inrichtingen van kracht is geworden. Daarbij is van belang dat twee situaties onder ogen kunnen worden gezien die kunnen meebrengen dat het te bereiken resultaat niet meteen tot stand hoeft te worden gebracht: (i) de Staat moet een redelijke tijd worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, en (ii) een uitzondering op een verdragsvoorschrift kan gerechtvaardigd zijn als overgangsmaatregel (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, rov. 3.6.3).
2.6 Dat de Staat in dit geval meer tijd zou moeten worden gelaten voor het tot stand brengen van wetgeving of andere maatregelen valt niet in te zien en dat heeft de Staat ook niet aangevoerd. Het WHO-Kaderverdrag is op 27 april 2005 voor Nederland in werking getreden (Trb. 2005, 72). De Staat heeft dus inmiddels een redelijke tijd gehad om de noodzakelijke wettelijke maatregelen in te voeren. De horeca is ook reeds per 1 juli 2008 rookvrij (met uitzondering van eventuele rookruimtes) en niet is gesteld of valt in te zien dat het afschaffen van de uitzondering voor rookruimtes meer tijd in beslag zou moeten nemen.
2.7 De Staat voert aan dat de uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes een overgangsmaatregel vormt. Volgens de Staat stelt art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen termijn waarbinnen de verdragspartijen op nationaal niveau maatregelen zouden moeten treffen en mag art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geleidelijk worden uitgevoerd. Daarnaast wijst de Staat op de talloze andere maatregelen die hij neemt om het roken tegen te gaan en te ontmoedigen. Verwacht wordt, aldus de Staat, dat op termijn het integrale tabaksontmoedigingsbeleid ertoe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, in welk verband de Staat spreekt over het streven naar een ‘rookvrije samenleving’.
2.8 De Staat kan in dit betoog niet gevolgd worden. Toen met het Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten van 4 april 2008 (Stb. 2008, 122) het rookverbod ook in horeca-inrichtingen werd ingevoerd, is daarop tegelijkertijd een uitzondering gemaakt voor rookruimtes. In de toelichting op dit besluit (en het daaraan voorafgaande, maar toen nog niet op de horeca toepasselijke Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek, Stb. 2003, 561) is deze uitzondering slechts toegelicht met het argument dat
”(....) rookruimtes (....) eerst en vooral bestemd [zijn] om rokers in een bedrijf de gelegenheid te bieden toch af en toe te roken zonder dat zij hiermee anderen hinder of overlast bezorgen.”
Niet blijkt dat het toelaten van rookruimtes als overgangsmaatregel bedoeld is. Tevens ontbreekt in de stellingen van de Staat elke indicatie van de termijn die als overgangsperiode zou moeten dienen. Ook is onduidelijk welk resultaat de Staat aan het eind van de overgangsperiode beoogt te hebben bereikt; het door de Staat beoogde resultaat is kennelijk niet dat de rookruimtes alsnog worden afgeschaft door een wettelijke maatregel van de Staat, want de Staat stelt zich op het standpunt dat de uitzondering voor rookruimtes in overeenstemming is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. Kennelijk bedoelt de Staat dat rookruimtes moeten worden gehandhaafd totdat deze overbodig zijn geworden omdat in horeca-inrichtingen niet meer wordt gerookt. De verwachting van de Staat dat het integrale tabaksontmoedigingsbeleid er uiteindelijk toe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, wat er van die verwachting ook zij, kan echter in redelijkheid niet worden beschouwd als een overgangsmaatregel voor het tot stand brengen van het door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven resultaat. Het hof concludeert dat van een overgangsmaatregel geen sprake is.
2.9 De conclusie uit het voorgaande is dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft. (…)”
2.5
Het hof heeft vervolgens art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag aldus uitgelegd dat de daarin voorgeschreven bescherming zich uitstrekt tot rookruimtes in horeca-instellingen en dat door het toestaan van rookruimtes in horeca-instellingen derhalve niet de door die bepaling geëiste bescherming wordt geboden (rov. 3.1-3.3).
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het hof in rov. 2.3 en 2.4 dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt wat betreft het tot stand te brengen resultaat dat eenieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden, gevrijwaard moet zijn van blootstelling aan tabaksrook. Voorts bevat het onderdeel onder meer klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 2.6 dat de Staat een redelijke tijd heeft gehad om de noodzakelijke wettelijke maatregelen in te voeren. Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 3.1-3.3 dat de door art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag voorgeschreven bescherming zich uitstrekt tot rookruimtes in horeca-instellingen.
3.1.2
Het hof is bij zijn oordeel terecht uitgegaan van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn in 2014 tussen partijen gewezen arrest.4.In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen, kort gezegd, dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook op de in die bepaling genoemde plaatsen, waaronder openbare gebouwen (‘indoor public places’), dat deze bescherming geldt voor eenieder die deze ruimtes betreedt of wil betreden, en dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag daarom geen uitzondering toestaat voor kleine cafés. In het arrest is beslist dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag daarom directe werking toekomt met betrekking tot kleine cafés.5.
3.1.3
Terecht heeft het hof beslist dat er geen grond is om met betrekking tot horeca-instellingen in het algemeen tot een ander oordeel te komen. Niet alleen kleine cafés, maar ook andere horeca-instellingen zijn immers te rekenen tot openbare gebouwen (‘indoor public places’) in de zin van art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag. Ook voor als rookruimtes aangewezen ruimtes in horeca-instellingen geldt daarom de bescherming van die bepaling. Art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag leent zich met betrekking tot die ruimtes dan ook eveneens voor directe werking, overeenkomstig de criteria die de Hoge Raad daarvoor heeft geformuleerd in zijn eerdere arrest tussen partijen.6.
3.1.4
Gelet op het eerdere arrest van de Hoge Raad tussen partijen heeft het hof voorts terecht tot uitgangspunt genomen dat het nog niet tot stand brengen van het ingevolge art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag te bereiken resultaat, gerechtvaardigd kan zijn op de grond dat de Staat een redelijke tijd moet worden gelaten om een dergelijke verdragsverplichting na te komen, of op de grond dat in beginsel voor de Staat de mogelijkheid bestaat om in verband met andere belangen overgangsmaatregelen te treffen bij de nakoming van een dergelijke verdragsverplichting.7.
Anders dan de onderdelen betogen, doet aan eerstgenoemde mogelijkheid niet af dat het WHO Kaderverdrag geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen het ingevolge art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag tot stand te brengen resultaat moet zijn bereikt. Het is immers juist vanwege het ontbreken van die vaste termijn dat hier een redelijke tijd geldt. Het oordeel van het hof in rov. 2.6 dat de Staat een redelijke tijd, zoals hier bedoeld, reeds heeft gehad, nu het verdrag voor Nederland al in werking is getreden in 2005, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het door het hof vastgestelde en door het middel niet bestreden feit dat de Staat geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waarom in dit geval een langere termijn nodig zou zijn voor de nakoming van de onderhavige verdragsverplichting.
Het middel bestrijdt tot slot niet het oordeel van het hof in rov. 2.8 dat de uitzondering voor rookruimtes niet kan worden aangemerkt als een overgangsmaatregel.
3.1.5
Op het hiervoor in 3.1.2-3.1.4 overwogene stuiten de hiervoor in 3.1.1 bedoelde klachten af.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CAN begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Staat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident C.A. Streefkerk op 27 september 2019.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑09‑2019
Rb. Den Haag 14 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11025.
Hof Den Haag 13 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:172.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN).
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN), rov. 3.6.1 en 3.6.2
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN), rov. 3.5.1-3.5.3.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN), rov. 3.6.3.
Conclusie 17‑05‑2019
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige overheidsdaad. Uitzondering rookverbod voor rookruimtes in horeca-inrichtingen; onverbindend? Rechtstreekse werking verdragsbepaling (art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag). HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN). Redelijke tijd om verdragsbepaling na te komen? Grond voor overgangsmaatregelen?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01969
Zitting 17 mei 2019
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
De Staat der Nederlanden (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
(hierna: de Staat)
tegen
Nederlandse Nietrokersvereniging CAN (Club Actieve Nietrokers),
(hierna: CAN)
In deze zaak heeft het hof voor recht verklaard dat de uitzondering van art. 6.2 lid 1, sub b, Tabaks- en rookwarenbesluit op het rookverbod in horeca-inrichtingen voor rookruimtes onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. In cassatie staat de vraag centraal of aan art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt in de zin van art. 93 en 94 Grondwet en vervolgens de Staat in strijd met deze verdragsbepaling handelt door toe te staan dat in horeca-inrichtingen rookruimtes aanwezig zijn waar het rookverbod niet geldt.
1. Procesverloop
1.1
CAN heeft de Staat op 2 november 2015 gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en op de voet van art. 3:305a lid 1 BW een collectieve actie ingesteld waarin een verklaring voor recht wordt gevorderd (i) dat de Staat met de vaststelling door de regering van artikel 6.2 lid 1, sub b, Tabaks- en rookwarenbesluit onrechtmatig handelt jegens haar en de personen voor wier belangen zij in rechte opkomt, alsmede (ii) dat deze uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes, voor zover zij van toepassing is op voor het publiek toegankelijke ruimten, onverbindend is wegens strijd met hoger recht, kosten rechtens.1.
1.2
CAN heeft aan haar vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het maken van een uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes in voor publiek toegankelijke ruimten en meer in het bijzonder in horeca-inrichtingen in strijd is met artikel 8 lid 2 van de WHO Framework Convention on Tobacco Control (het Kaderverdrag van de World Health Organization inzake tabaksontmoediging, hierna: WHO-Kaderverdrag).2.
1.3
De Staat heeft de vorderingen bestreden en daartoe aangevoerd dat artikel 8.2 WHO-Kaderverdrag in het onderhavige geval geen rechtstreekse werking heeft en (subsidiair) dat geen sprake is van een schending van deze verdragsbepaling.
1.4
Bij vonnis van 14 september 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van CAN afgewezen en geoordeeld dat CAN geen rechtstreeks beroep toekomt op art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. De rechtbank heeft overwogen dat de in dit artikellid opgenomen verplichting niet de onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven norm bevat die moet worden vastgesteld alvorens tot toewijzing van de vordering van CAN te kunnen komen.
1.5
CAN is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 13 februari 2018 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de uitzondering van art. 6.2 lid 1, sub b, Tabaks- en rookwarenbesluit op het rookverbod voor rookruimtes, voor zover zij van toepassing is op horeca-inrichtingen in de zin van art. 1 Tabaks- en rookwarenwet, jegens CAN en degenen voor wier belangen zij opkomt onrechtmatig en onverbindend is wegens strijd met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. Het hof heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en de Staat veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
1.6
Het hof heeft onder verwijzing naar het Rookverbodarrest van de Hoge Raad van 10 oktober 20143., kort samengevat, overwogen dat de vraag naar de rechtstreekse werking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag dient te worden beantwoord door uitleg van de desbetreffende bepaling aan de hand van de maatstaven van art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (hierna: Verdrag van Wenen).4.Indien noch uit de wet noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking is beoogd, is de inhoud van de bepaling beslissend, waarbij het erom gaat of de verdragsbepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de nationale wetgever keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft (rov. 2.2). Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd (rov. 2.3-2.4). Aan dat oordeel doet niet af dat de in deze zaak ter discussie staande uitzondering voor rookruimtes niet een reeds eerder bereikt beschermingsniveau terugdraait, maar al was bepaald sinds het rookverbod op horeca-inrichtingen van kracht is geworden. Daarbij is van belang dat twee situaties onder ogen kunnen worden gezien die kunnen meebrengen dat het te bereiken resultaat niet meteen tot stand behoeft te worden gebracht: (i) de Staat moet een redelijke termijn worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, en (ii) een uitzondering op een verdragsvoorschrift kan gerechtvaardigd zijn als overgangsmaatregel (rov. 2.5). Niet blijkt dat het toelaten van rookruimtes als overgangsmaatregel bedoeld is. De verwachting van de Staat dat het integrale tabaksontmoedigingsbeleid er uiteindelijk toe zal leiden dat rookruimtes in de horeca overbodig worden, kan echter in redelijkheid niet worden beschouwd als een overgangsmaatregel voor het tot stand brengen van het door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven resultaat (rov. 2.7-2.8). Het hof concludeert dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft en dat onderzocht moet worden of de vorderingen van CAN toewijsbaar zijn en, meer in het bijzonder, of haar uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag juist is (rov. 2.9).
1.7
Vervolgens heeft het hof overwogen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen bescherming van tabaksrook in, onder meer, openbare gebouwen (‘indoor public places’). Volgens de gewone betekenis van de termen van het WHO-Kaderverdrag zijn rookruimtes ook ruimtes waarbinnen de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming moet worden geboden (rov. 3.1). De context en het voorwerp van het WHO-Kaderverdrag leiden evenzeer tot de conclusie dat de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming zich uitstrekt tot rookruimtes in horeca-instellingen, omdat de kennelijke strekking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag is dat een ieder openbare gebouwen zoals horeca-inrichtingen moet kunnen betreden zonder daarin blootgesteld te worden aan tabaksrook en dat aan deze strekking afbreuk wordt gedaan indien in bepaalde, voor het publiek toegankelijke gedeelten van die gebouwen wel zou mogen worden gerookt, want dan kunnen personen daarin niet komen zonder het risico te lopen te worden blootgesteld aan tabaksrook. Daarbij is ook het karakter van een horeca-instelling van belang; niet-rokers kunnen sociale druk voelen om de rookruimte te betreden (rov. 3.2). De Staat heeft niet (voldoende gemotiveerd) weersproken dat ook degenen die de rookruimte niet betreden worden blootgesteld aan tabaksrook (omdat de deur van de rookruimte telkens opengaat) en dat het betreden van de rookruimte ten behoeve van het schoonmaken, het weghalen van lege glazen en het legen van asbakken, onvermijdelijk leidt tot blootstelling aan de schadelijke stoffen in tabaksrook, ook als dat gebeurt nadat de ruimte is gelucht, omdat kortstondig luchten niet leidt tot het verdwijnen van deze stoffen. Ook in dat opzicht wordt door het toestaan van rookruimtes in horeca-instellingen niet de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming geboden (rov. 3.3).
1.8
Ten overvloede heeft het hof nog overwogen dat de partijen bij het WHO-Kaderverdrag blijkens de Guidelines for implementation overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag moet worden uitgelegd en uitgevoerd en dat bij de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag mede rekening met de Guidelines moet worden gehouden, hoewel deze juridisch niet bindend of doorslaggevend zijn (rov. 3.4-3.7). Uit de Guidelines volgt dat afzonderlijke rookruimtes in ‘indoor public places’ geen afdoende bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook. Ook op deze grond moet worden geoordeeld dat de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag (rov. 3.8-3.9).
1.9
De Staat heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. CAN heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Voordat ik tot bespreking van het cassatiemiddel overga, wijs ik op het volgende. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de staatssecretaris) heeft naar aanleiding van het thans bestreden arrest aangekondigd dat hij de intentie heeft om rookruimtes in de horeca af te schaffen. Bij brief van 6 april 2018 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd dat hij cassatie instelt tegen het arrest van het hof, zodat de rookruimtes – als gevolg van de schorsende werking van het cassatieberoep – niet direct gesloten behoeven te worden en dit de mogelijkheid biedt om eigen beleid met betrekking tot rookruimtes te ontwikkelen en daarbij een overgangstermijn te hanteren.5.De staatssecretaris heeft in de brief opgemerkt dat een overgangstermijn van twee jaar denkbaar zou zijn en dat hij hierover ook met de horeca in gesprek gaat. Inmiddels heeft het kabinet met diverse maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven – waaronder Koninklijke Horeca Nederland – het ‘Nationaal Preventieakkoord’ gesloten, waarin onder meer de doelstelling is opgenomen dat in 2040 sprake moet zijn van ‘een rookvrije generatie’. Daartoe is een pakket aan maatregelen en acties afgesproken, waaronder de afspraak dat rookruimtes in de horeca uiterlijk juli 2022 worden gesloten.6.In het akkoord is vermeld dat hiertoe een aanpassing van de Tabaks- en rookwarenwet wordt voorbereid.7.Bij brief van 23 november 2018 heeft de staatsecretaris het Nationaal Preventieakkoord aan de Tweede Kamer aangeboden.8.
2.2
CAN heeft in haar schriftelijke toelichting de vraag opgeworpen of de Staat wel voldoende belang heeft bij het instellen van het cassatieberoep, nu het beroep vooral lijkt te zijn gericht op het bewerkstelligen van een overgangstermijn voor het sluiten van de rookruimtes.9.Tegelijkertijd heeft CAN terecht opgemerkt dat de vraag naar het belang kan blijven rusten, omdat de Staat in het bestreden arrest is veroordeeld in de proceskosten. Naar vaste rechtspraak levert een proceskostenveroordeling een voldoende belang op voor het instellen van cassatie.10.Overigens blijkt uit het Nationaal Preventieakkoord dat de Staat een langere overgangstermijn voor het sluiten van de rookruimtes in de horeca voor ogen heeft (uiterlijk juli 2022) dan de ‘overgangstermijn’ die zal worden bewerkstelligd door middel van de schorsende werking van het cassatieberoep.
2.3
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in negen subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.1-2.9 van het bestreden arrest. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt.
2.4
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Het WHO-Kaderverdrag is op 21 mei 2003 in Genève gesloten.11.Daarbij zijn inmiddels 181 partijen aangesloten.12.Het Verdrag is op 27 april 2004 voor Nederland (het Rijk in Europa) in werking getreden en op 28 september 2005 voor de Europese Unie. Het Verdrag heeft krachtens art. 3 tot doel ‘de huidige en toekomstige generaties te beschermen tegen de verwoestende gezondheidseffecten en sociale, milieu- en economische gevolgen van tabaksconsumptie en blootstelling aan tabaksrook door een kader te bieden voor maatregelen ten behoeve van tabaksontmoediging die door de Partijen op nationaal, regionaal en internationaal niveau moeten worden uitgevoerd om het wijdverbreide tabaksgebruik en de blootstelling aan tabaksrook permanent en substantieel te verminderen’. Art. 8 WHO-Kaderverdrag bepaalt (in de authentieke Engelstalige versie):
‘Article 8 Protection from exposure to tobacco smoke
1.Parties recognize that scientific evidence has unequivocally established that exposure to tobacco smoke causes death, disease and disability.
2. Each Party shall adopt and implement in areas of existing national jurisdiction as determined by national law and actively promote at other jurisdictional levels the adoption and implementation of effective legislative, executive, administrative and/or other measures, providing for protection from exposure to tobacco smoke in indoor workplaces, public transport, indoor public places and, as appropriate, other public places.’
De Nederlandse vertaling luidt als volgt:
‘Artikel 8 Bescherming tegen de blootstelling aan tabaksrook
1. De Partijen erkennen dat wetenschappelijk bewijsmateriaal onomstotelijk heeft aangetoond dat blootstelling aan tabaksrook leidt tot dood, ziekte en arbeidsongeschiktheid.
2. Elke Partij neemt binnen de bestaande nationale rechtsbevoegdheid zoals bepaald in het nationaal recht doeltreffende wetgevende, uitvoerende, bestuurlijke en/of andere maatregelen aan, voert deze uit, en bevordert deze maatregelen op andere niveaus van rechtsbevoegdheid. Deze maatregelen voorzien in bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in binnen gebouwen gelegen werkplekken, het openbaar vervoer, binnen openbare gebouwen en, naar gelang van het geval, op andere openbare plaatsen.’
2.5
In art. 23 WHO-Kaderverdrag is een Conferentie van de Partijen ingesteld, die toeziet op de uitvoering van het WHO-Kaderverdrag door de verdragsstaten. Art. 7 WHO-Kaderverdrag bepaalt dat de Conferentie van de Partijen passende richtlijnen voorstelt voor de uitvoering van (onder meer) art. 8. Daartoe dienen de Guidelines for implementation of Article 8 (hierna: Guidelines).13.De Guidelines bevatten, voor zover relevant, de volgende passages:
‘Principle 1
6. Effective measures to provide protection from exposure to tobacco smoke, as envisioned by Article 8 of the WHO Framework Convention, require the total elimination of smoking and tobacco smoke in a particular space or environment in order to create a 100% smoke free environment. There is no safe level of exposure to tobacco smoke, and notions such as a threshold value for toxicity from second-hand smoke should be rejected, as they are contradicted by scientific evidence. Approaches other than 100% smoke free environments, including ventilation, air filtration and the use of designated smoking areas (whether with separate ventilation systems or not), have repeatedly been shown to be ineffective and there is conclusive evidence, scientific and otherwise, that engineering approaches do not protect against exposure to tobacco smoke.
(…)
THE SCOPE OF EFFECTIVE LEGISLATION
24. This creates an obligation to provide universal protection by ensuring that all indoor public places, all indoor workplaces, all public transport and possibly other (outdoor or quasi-outdoor) public places are free from exposure to second-hand tobacco smoke. No exemptions are justified on the basis of health or law arguments. If exemptions must be considered on the basis of other arguments, these should be minimal. In addition, if a Party is unable to achieve universal coverage immediately, Article 8 creates a continuing obligation to move as quickly as possible to remove any exemptions and make the protection universal. Each Party should strive to provide universal protection within five years of the WHO Framework Convention’s entry into force for that Party.
25. No safe levels of exposure to second-hand smoke exist, and, as previously acknowledged by the Conference of the Parties in decision FCTC/COP1(15), engineering approaches, such as ventilation, air exchange and the use of designated smoking areas, do not protect against exposure to tobacco smoke.’
2.6
De vraag of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft (‘een ieder verbindend’ is in de zin van art. 93 en 94 Grondwet) is reeds aan de orde geweest in het hiervoor reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (hierna: het Rookverbodarrest). In die zaak werd de rechtmatigheid bestreden van een algemene maatregel van bestuur waarin alsnog – nadat voor de horeca reeds een algemeen rookverbod was ingevoerd – voor kleine cafés een uitzondering is gemaakt op het rookverbod in voor het publiek toegankelijke ruimten als bedoeld in de Tabaks- en rookwarenwet. De Hoge Raad heeft in het Rookverbodarrest een nieuwe maatstaf geformuleerd voor de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde:
‘3.5.1 De vraag in hoeverre een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt in de zin van de art. 93 en 94 Gw, dient te worden beantwoord door uitleg daarvan. Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van de art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51, en 1985, 79). (…)
3.5.2
Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat erom of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast (vgl. HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044, NJ 2011/354).
3.5.3
Indien het op grond van een verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft. Of van die werking sprake is, hangt af van het antwoord op de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren. Anders dan de Staat betoogt, betekent het enkele bestaan van keuze- of beleidsvrijheid dus niet dat geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking. (Vgl. HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388 (SGP)).’
2.7
Deze nieuwe maatstaf wijkt enigszins af van het beoordelingskader dat de Hoge Raad in 1986 heeft geformuleerd in het Spoorwegstakingsarrest14., dat werd beschouwd als het standaardarrest met betrekking tot de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen. Daarin werd onderscheid gemaakt tussen verdragsbepalingen die de Nederlandse wetgever verplicht tot het treffen van een nationale regeling met een bepaalde inhoud of strekking en verdragsbepalingen die van dien aard zijn dat zij in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kunnen functioneren. Verdragsbepalingen die een verplichting tot regelgeving bevatten, hadden derhalve per definitie geen rechtstreekse werking.15.Blijkens de toetsingsmaatstaf in het Rookverbodarrest is dit uitgangspunt thans verlaten. Ook een verdragsbepaling die de wetgever verplicht tot de vaststelling van een nationale regeling en de wetgever daarbij wat betreft de te nemen maatregelen keuze- of beleidsvrijheid laat, kan rechtstreekse werking hebben indien het op grond van de verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig omschreven.16.Nieuw is dat de Hoge Raad heeft overwogen dat de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling afhangt van de vraag of ‘de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren’. De Hoge Raad lijkt daarmee een contextuele (of relatieve) benadering van rechtstreekse werking van verdragsbepalingen te aanvaarden.17.Gevolg daarvan is dat een verdragsbepaling, afhankelijk van de context waarin deze wordt ingeroepen, in het ene geval wél en in het ander geval geen rechtstreekse werking heeft en voorts dat de beoordeling van de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling en de toetsing aan die bepaling meer in elkaar zullen overlopen.18.
2.8
De context van de zaak die voorlag in het Rookverbodarrest werd gevormd door de vraag of de in de algemene maatregel van bestuur (alsnog) gemaakte uitzondering op het in de horeca geldende rookverbod voor kleine cafés in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. In het kader van deze beoordeling heeft de Hoge Raad aangenomen dat de verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt en dat de genoemde uitzondering onverbindend is. Daartoe heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
‘3.6.1 Het hof heeft terecht geoordeeld dat art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook op de door het artikellid aangeduide plaatsen, waaronder openbare gebouwen (‘indoor public places’), waartoe ook kleine cafés te rekenen zijn. Zowel uit de tekst van deze bepaling, als uit de doelstelling van het verdrag – kort gezegd: het voorkomen van dood en gezondheidsschade door blootstelling aan tabaksrook –, volgt dat deze bescherming geldt voor eenieder die deze ruimtes betreedt of wil betreden.
3.6.2
Eveneens terecht heeft het hof geoordeeld dat de verplichting van art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag in elk geval in die zin onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven, dat zij zich verzet tegen de alsnog gemaakte uitzondering voor kleine cafés, die erop neerkomt dat voor deze cafés geen andere maatregel geldt dan de plicht de bezoeker erop te wijzen dat roken is toegestaan (het nieuwe art. 3 lid 4 Besluit 2008).
3.6.3
Weliswaar moet de Staat een redelijke tijd worden gelaten om een verdragsverplichting, zoals art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag bevat, na te komen, en bestaat in beginsel voor hem ook de mogelijkheid om in verband met andere belangen overgangsmaatregelen te treffen bij de nakoming van een dergelijke verplichting. Maar omdat met het aanvankelijke art. 3 lid 1, aanhef en onder a, Besluit 2008 ook voor de beheerders van kleine cafés al de verplichting was ingevoerd om een rookverbod in te stellen, doet zich niet de vraag voor of de Staat meer tijd moet worden gelaten om tot wetgeving of andere maatregelen te komen, noch ook of de uitzondering voor kleine cafés als overgangsmaatregel gerechtvaardigd zou zijn.
3.6.4
Het hof heeft mitsdien terecht voor recht verklaard dat de uitzondering voor kleine cafés onverbindend is.’
2.9
In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, ligt de vraag voor of de algemene maatregel van bestuur waarin voor rookruimten een uitzondering is gemaakt op het rookverbod, voor zover deze uitzondering betrekking heeft op horeca-inrichtingen, in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. Ik wijs erop dat het hof in rov. 3.10 van het bestreden arrest heeft overwogen dat de vordering als onvoldoende toegelicht zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op andere openbare gebouwen dan horeca-inrichtingen. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen.
2.10
In art. 10 lid 1, onder e, Tabaks- en rookwarenwet is bepaald dat de exploitant van een horeca-inrichting verplicht is tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod. Op grond van art. 10 lid 2, onder b, Tabaks- en rookwarenwet is toegestaan dat op het in het eerste lid bedoelde rookverbod bij algemene maatregel van bestuur beperkingen kunnen worden aangebracht, waarbij onder meer kan worden bepaald dat het rookverbod niet geldt voor bij die maatregel aangewezen ruimten in gebouwen. Deze beperking op het rookverbod is thans opgenomen in art. 6.2 lid 1, onder b, Tabaks- en rookwarenbesluit.19.Hierin is bepaald dat de verplichting, bedoeld in art. 10 lid 1 Tabaks- en rookwarenwet, niet geldt in ‘afsluitbare, voor het roken van tabaksproducten aangewezen en als zodanig aangeduide ruimten’. Art. 6.2 lid 2 Tabaks- en rookwarenbesluit schrijft voor dat in een dergelijke ruimte geen werkzaamheden mogen worden verricht tijdens het gebruik van deze ruimte voor het roken van tabaksproducten. De uitzondering voor rookruimten geldt sinds de invoering van het rookverbod in de horeca per 1 juli 2008.20.
2.11
Bij de bespreking van onderdeel 1 dient tot uitgangspunt dat het hof in rov. 2.4 heeft overwogen – onbestreden in cassatie – dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Verder is in cassatie onbestreden het oordeel van het hof in rov. 2.8 dat het toelaten van rookruimtes geen overgangsmaatregel is, maar is bedoeld als een uitzondering op het rookverbod die wordt gehandhaafd totdat rookruimtes in de horeca als gevolg van het tabaksontmoedigingsbeleid overbodig worden.
2.12
Onderdeel 1 valt uiteen in negen subonderdelen. Subonderdeel 1.8 is het meest verstrekkend, zodat ik dit subonderdeel als eerste bespreek. De klacht is gericht tegen het door het hof in rov. 2.2 vooropgestelde toetsingskader en houdt in dat het hof heeft miskend dat niet enkel bepalend is of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven om zonder meer als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren, maar óók of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Volgens het subonderdeel is dit relevant, omdat het in deze zaak niet gaat om een geval waarin de Staat verdergaande regelgeving die beoogt blootstelling aan tabaksrook tegen te gaan heeft teruggedraaid, maar vanaf het invoeren van maatregelen om dergelijke blootstelling tegen te gaan rookruimtes in horeca-instellingen heeft toegestaan. Bovendien heeft de Staat in de context van het onderhavige geval de vrijheid om de aard en het tijdstip van invoeren van de maatregelen te bepalen waarmee het einddoel van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag kan worden bereikt, aldus het subonderdeel.
2.13
Ik merk over het subonderdeel het volgende op. Het hof heeft in rov. 2.2 volstaan met het citeren van een enkele overweging uit het Rookverbodarrest van de Hoge Raad. Het hof heeft niet de rechtsoverweging geciteerd waarin is overwogen dat de rechtstreekse werking van een verdragsbepaling afhangt van de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht kan functioneren.21.Daarmee is echter niet gezegd dat het hof heeft miskend dat de context waarin de bepaling wordt ingeroepen bepalend is voor het antwoord op de vraag of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking heeft. De door de Hoge Raad in het Rookverbodarrest gehanteerde contextuele benadering is erop gericht dat de rechter onderzoekt of de desbetreffende verdragsbepaling, ondanks de daarin aan de nationale wetgever gegeven keuze- en beleidsvrijheid, een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven norm bevat waaraan de rechter in een concrete casus kan toetsen. Deze norm stelt grenzen aan de beleidsvrijheid van de Staat.22.Aan de vaststelling in rov. 2.4 van het bestreden arrest dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook, ligt het oordeel ten grondslag dat de beleidsvrijheid van de Staat in zoverre is begrensd en dat aan de hand van deze norm de rechtmatigheid van de in deze concrete zaak voorliggende maatregel (de bij amvb gemaakte uitzondering op het rookverbod voor rookruimtes) kan worden beoordeeld, welke beoordeling het hof (nader) heeft verricht in rov. 3.1-3.3. Daarmee heeft het hof de vraag of aan art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag rechtstreekse werking toekomt wel degelijk beantwoord aan de hand van de context waarin de verdragsbepaling is ingeroepen. Ik meen dan ook dat subonderdeel 1.8 faalt.
2.14
Ten overvloede merk ik op dat, anders dan in subonderdeel 1.8 is gesuggereerd en de Staat in feitelijke instanties heeft betoogd23., voor de context van de zaak die voorlag in het Rookverbodarrest niet (uitsluitend) bepalend was dat het ging om het gedeeltelijk terugdraaien van een al jaren geldende maatregel (het algemeen rookverbod voor horeca-instellingen) voor kleine cafés. Zie ik het goed, dan heeft de Hoge Raad in rov. 3.6.1-3.6.2 van het Rookverbodarrest eerst en vooral bezien of het door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven om te kunnen dienen als norm voor de beoordeling of de in de algemene maatregel van bestuur gemaakte uitzondering op het rookverbod voor de kleine cafés rechtmatig is. De Hoge Raad is van oordeel dat dit het geval is: art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag bevat de verplichting tot een effectieve bescherming van (potentiële) bezoekers van (kleine) cafés tegen blootstelling aan tabaksrook. De uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés en de wijze waarop deze is vormgegeven (een verplichting om bezoekers erop te wijzen dat roken is toegestaan) is daarmee – evident – niet verenigbaar.24.De omstandigheid dat het een maatregel betrof die reeds was ingevoerd en gedeeltelijk is teruggedraaid ten faveure van beheerders van kleine cafés was naar mijn mening vooral van belang in het licht van de vraag of de (onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven) resultaatsverplichting reeds moest zijn geïmplementeerd.25.De Hoge Raad heeft deze vraag in rov. 3.6.3 bevestigend beantwoord. Bepalend was dat in 2008 reeds een verplichting tot het instellen van een rookverbod in kleine cafés was ingevoerd. Daardoor deed zich niet de vraag voor of de Staat meer tijd moest worden gegund om wet- en regelgeving vast te stellen noch de vraag of de uitzondering voor kleine cafés als overgangsmaatregel gerechtvaardigd zou zijn.
2.15
De subonderdelen 1.1 t/m 1.3 en 1.6 klagen in de kern dat het hof heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag in de context waarin de bepaling wordt ingeroepen onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en derhalve geen rechtstreekse werking heeft.
2.16
De subonderdelen erkennen evenwel dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag als einddoel heeft om (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare gebouwen te voorkomen. Er is niet geklaagd dat dit resultaat als zodanig onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is omschreven. De Staat miskent derhalve dat een verdragsbepaling die een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven resultaatsverplichting inhoudt – afhankelijk van de context waarin de verdragsbepaling is ingeroepen – rechtstreekse werking kan hebben.
2.17
Anders dan subonderdeel 1.1 betoogt, volgt uit de omstandigheid dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet bepaalt welke maatregelen verdragsstaten moeten nemen om het einddoel te bereiken en niet voorschrijft dat blootstelling in cafés aan tabaksrook onmiddellijk geheel moet worden tegengegaan, niet dat geen sprake kan zijn van een rechtstreeks werkende verdragsbepaling. In het Rookverbodarrest is immers bepaald dat een verdragsbepaling waarin het in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig omschreven, ondanks de keuze- of beleidsvrijheid van de Staat ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, rechtstreekse werking kan hebben. Het subonderdeel faalt dus.
2.18
De subonderdelen 1.2 en 1.6 betogen, kort samengevat, dat het hof heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet voorschrijft wanneer het einddoel moet zijn gerealiseerd en dat de termijn voor implementatie van het eindresultaat onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is omschreven om in de onderhavige context als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren.
2.19
Deze subonderdelen falen, omdat uit het Rookverbodarrest blijkt dat het ontbreken van een door het WHO-Kaderverdrag voorgeschreven implementatietermijn niet aan toekenning van rechtstreekse werking in de weg staat en bovendien niet meebrengt dat de Staat onbegrensd de tijd heeft om art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag na te komen.26.Uit rov. 3.6.3 van het Rookverbodarrest volgt immers dat de rechter kan toetsen of in de omstandigheden van het geval de redelijke tijd die de Staat heeft voor het tot stand brengen van de benodigde wet- en regelgeving al dan niet is verstreken en of een bepaalde maatregel als overgangsmaatregel gerechtvaardigd is. Dit toetsingskader heeft het hof blijkens rov. 2.5 van het bestreden arrest tot uitgangspunt genomen voor zijn nadere beoordeling in rov. 2.6-2.8.
2.20
Subonderdeel 1.3 neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft beslist dat de Staat ook ten aanzien van de termijn voor implementatie geen vrijheid toekomt nu in de bij het WHO-Kaderverdrag behorende Richtsnoeren (Guidelines) een (aanbevolen) termijn van vijf jaar na inwerkingtreding wordt genoemd.
2.21
Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof zijn oordeel niet op deze in de Guidelines aanbevolen implementatietermijn heeft gebaseerd.
2.22
De subonderdelen 1.4 en 1.5 bouwen op de subonderdelen 1.1-1.3 voort en falen eveneens.
2.23
Subonderdeel 1.7 is gericht tegen de overweging van het hof in rov. 2.6 dat de Staat niet heeft aangevoerd dat hem meer tijd moet worden gelaten voor het tot stand brengen van wetgeving of andere maatregelen. Het subonderdeel klaagt dat deze overweging, althans zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van de Staat in feitelijke instanties dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag veel ruimte laat voor het tijdpad voor implementatie, geen termijn voor implementatie bevat, de Richtsnoeren (Guidelines) slechts een gewenste (niet-bindende) termijn van vijf jaar voor implementatie geven en dat sprake is van een geleidelijk ‘stap voor stap proces’ waarin een hoger beschermingsniveau wordt bereikt.
2.24
De klacht faalt bij gebrek aan belang, nu geen klachten zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de Staat inmiddels een redelijke tijd heeft gehad om de noodzakelijke wettelijke maatregelen te nemen en niet valt in te zien dat de Staat daarvoor meer tijd zou moeten worden gelaten of dat het afschaffen van de uitzondering voor rookruimtes meer tijd in beslag zou moeten nemen. Ook overigens is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, nu uit de in het subonderdeel genoemde stellingen van de Staat niet volgt dat reeds is aangevangen met de voorbereiding van de voor afschaffing van de rookruimtes benodigde wet- en regelgeving en dat voor dit proces meer tijd nodig is.
2.25
Onderdeel 1.9 bouwt voort op de subonderdelen 1.2-1.8 en behoeft geen zelfstandige bespreking.
2.26
Onderdeel 2 valt uiteen in vijf subonderdelen. Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.1-3.3 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag voorgeschreven bescherming zich uitstrekt tot rookruimtes in horeca-instellingen en dat door het toestaan van rookruimtes in horeca-instellingen niet de geëiste bescherming wordt geboden.
2.27
De in rov. 3.1-3.3 opgenomen uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag wordt door onderdeel 2 inhoudelijk niet bestreden. De subonderdelen 2.1-2.3 bevatten in wezen dezelfde klachten als de hiervoor besproken subonderdelen 1.1-1.3, namelijk dat het hof heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet voorschrijft welke maatregelen de verdragsstaten moeten nemen om het einddoel te bereiken en niet bepaalt wanneer de verdragsstaten dit einddoel moeten hebben bereikt of dat blootstelling in cafés aan tabaksrook onmiddellijk geheel moet worden tegengegaan. De klachten miskennen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig omschreven resultaatsverplichting inhoudt (te weten het bewerkstelligen van het resultaat dat een ieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook), waaraan de uitzondering op het rookverbod in de horeca voor rookruimtes door de rechter kan worden getoetst, indien de redelijke termijn die de Staat toekomt voor het implementeren van de benodigde wet- en regelgeving is verstreken en er geen sprake is van een gerechtvaardigde overgangsmaatregel. De subonderdelen 2.4-2.5 bouwen op de subonderdelen 2.1-2.3 voort en delen het lot daarvan.
2.28
Voor zover in de subonderdelen 2.1-2.2 nog wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat strijdigheid met het WHO-Kaderverdrag op grond van art. 94 Grondwet met terughoudendheid moet worden toegepast, gaat het middel uit van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van art. 94 Grondwet heeft de rechter de bevoegdheid én de plicht om de toepassing van binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften achterwege te laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Art. 94 Grondwet veronderstelt de voorrang van een ieder verbindende verdragsbepalingen boven nationale regels.27.Daarmee strookt niet, zoals de Staat in zijn schriftelijke toelichting betoogt28., dat de toets voor het aannemen van strijdigheid van een wettelijk voorschrift met een rechtstreeks werkende verdragsbepaling een terughoudend karakter zou hebben. Dat sprake zou zijn van een terughoudende toets volgt evenmin uit de rechtspraak van de Hoge Raad. De Staat heeft gewezen op twee uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.29.In deze uitspraken betreft het, kort gezegd, de vraag of de besluiten van de Belastingdienst om aan appellanten geen alleenstaande ouderkop in de zin van art. 2 lid 6 van de Wet op het kindgebonden budget toe te kennen, in strijd is met art. 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Afdeling herhaalt in deze uitspraken zijn vaste rechtspraak dat art. 3 IVKR rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind dienen te worden betrokken, maar dat wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, art. 3 lid 1 IVRK geen norm bevat die zonder nadere uitwerking in nationale regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Volgens de Afdeling dient de bestuursrechter te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheid binnen de grenzen van het recht is gebleven; deze toets heeft evenwel een terughoudend karakter. Het komt mij voor dat de Afdeling hier een terughoudende toets aangewezen acht, omdat zij van oordeel is dat art. 3 IVRK onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is.30.Van een onvoldoende onvoorwaardelijke en nauwkeurige verdragsbepaling is bij art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geen sprake.
2.29
De Staat heeft in zijn schriftelijke toelichting onder 5.21-5.23 bestreden dat, zoals het hof in rov. 3.1-3.2 heeft overwogen, het begrip ‘indoor public places’ als bedoeld in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook (afgescheiden) rookruimtes vallen. Deze klacht is niet aangevoerd in de procesinleiding31.en dient derhalve op de voet van art. 407 lid 2 Rv buiten beschouwing te blijven. Bovendien ontbreekt belang bij deze klacht, gelet op de in cassatie onbestreden rov. 3.3 dat door het toestaan van rookruimtes in de horeca de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming niet wordt geboden nu ook degenen die de rookruimte zelf niet bezoeken – door de verspreiding van tabaksrook vanuit de rookruimte via de deur naar de aangrenzende ruimten – worden blootgesteld aan tabaksrook en het betreden van de rookruimtes ten behoeve van schoonmaken, weghalen van lege glazen en het legen van asbakken eveneens leidt tot blootstelling aan schadelijke stoffen in tabaksrook.
2.30
De slotsom is dat onderdeel 2 faalt.
2.31
Onderdeel 3 bestaat uit drie subonderdelen. Het onderdeel richt klachten tegen rov. 3.4-3.9, waarin het hof bij de uitleg van art. 8 WHO-Kaderverdrag de Guidelines heeft betrokken waaruit volgt dat afzonderlijke rookruimtes in ‘indoor public places’ geen afdoende bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook. Het hof heeft geoordeeld dat ook op deze grond de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag.
2.32
Deze klachten zijn ingesteld onder de voorwaarde dat rov. 3.4-3.9 als (zelfstandig) dragend voor de beslissing van het hof moeten worden aangemerkt. Het oordeel van het hof dat door het toestaan van rookruimtes in de horeca niet de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming wordt geboden, wordt zelfstandig gedragen door (de tevergeefs bestreden) rov. 3.1-3.3. De overwegingen in rov. 3.4-3.9 zijn – zoals het hof expliciet heeft opgemerkt – uitsluitend ten overvloede gegeven. Hieruit volgt dat de aan de klachten verbonden voorwaarde niet is vervuld, zodat zij geen bespreking behoeven. Ik merk overigens nog op dat rov. 3.4-3.9 evenmin zelfstandig dragend (kunnen) zijn, gelet op de in rov. 3.7 opgenomen overweging dat de Guidelines op zichzelf niet juridisch bindend of voor de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag doorslaggevend zijn.32.Klaarblijkelijk heeft het hof in de hiervoor geciteerde passages uit de Guidelines louter een aanvullend ondersteunend argument gevonden voor zijn oordeel dat door het toelaten van rookruimtes in de horeca de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming niet wordt geboden. Dit oordeel is niet onjuist noch onbegrijpelijk.
2.33
Onderdeel 4 bevat geen zelfstandige klacht en kan buiten beschouwing blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑05‑2019
Zie rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11025, zoals overgenomen in rov. 1.5 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 13 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:172, NJF 2018/144, Tijdschrift Gezondheidsschade, Milieuschade en Aansprakelijkheidsrecht 2019, p. 39-47, m.nt. T.J.C. van Noord.
De Engelse en de Franse tekst van dit verdrag zijn geplaatst in Trb. 2003, 127, de Nederlandse vertaling in Trb. 2004, 269.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928, NJ 2015/12, m.nt. E.A. Alkema; zie ook AB 2015/21, m.nt. S. Philipsen en J.C. de Wit; JB 2014/224, m.nt. J.J.J. Sillen; JIN 2015/19, m.nt. J.J.J. Sillen; AA 2015/4, p. 305-311, m.nt. R.J.B. Schutgens (Rookverbod).
Verdrag van 23 mei 1969, Trb. 1972, 51 en 1985, 79.
Kamerstukken II 2017-2018, 32793, nr. 294.
Zie ook de nota van repliek van de Staat, p. 3-4.
Nationaal Preventieakkoord, Naar een gezonder Nederland, p. 20.
Kamerstukken II 2018-2019, 32793, nr. 339.
Zie schriftelijke toelichting CAN onder nr. 1-2.
Zie o.a. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, JBPr 2019/3, m.nt. G.C.C. Lewin; HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188.
Trb. 2003, 127 en Trb. 2004, 269. Zie voor meer informatie over het verdrag www.who.int en in de verdragenbank (te vinden via overheid.nl).
De Guidelines zijn aangenomen tijdens de tweede sessie van de Conferentie van de Partijen, op 6 juli 2007. Zie decision FCTC/COP(7), te raadplegen via http://apps.who.int/gb/fctc/PDF/cop2/FCTC_COP2_DIV9-en.pdf.
HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688, m.nt. P.A. Stein.
Zie bijv. HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725,NJ 1989/469, m.nt. M. Scheltema (Harmonisatiewet), rov. 5.3.
Zie ook HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3044, NJ 2011/354, m.nt. M.R. Mok, rov. 3.3.3 (Clara Wichmann/Staat).
Zie ook J. Fleuren, Recent Developments Regarding the Direct and Indirect Application of Treaties by Dutch Courts: Fresh Approaches to Self-Executing, Non-Self-Executing and Non-Binding International Law, NYIL 2016, p. 377-392; J. Fleuren, T&C Grondwet en Statuut, art. 93 Gw, aant. 4; M.L. van Emmerik, H.M.T.D. ten Napel & J. Uzman, Kroniek van het constitutioneel recht, NJB 2018, p. 2652. Vgl. HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:761, NJ 2012/242, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5.2, waarin is overwogen dat art. 7 lid 1 aanhef en onder e van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998,10 en 149) onvoldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde als objectief recht te worden toegepast, omdat het in dit voorschrift gehanteerde begrip ‘het ontbreken van een effectieve band’ een nadere uitwerking in de nationaliteitswetgeving van de verdragsluitende staten vergt.
Zie ook de reeds aangehaalde annotaties bij het Rookverbodarrest van Schutgens, AA 2015/4, p. 309-311, onder 5 en van Philipsen en De Wit, AB 2015/21, onder 10-11.
Besluit van 14 oktober 2015, houdende samenvoeging van de algemene maatregelen van bestuur op basis van de Tabakswet tot één besluit (Besluit uitvoering Tabakswet), Stb. 2015, 398. De citeertitel is bij besluit van 4 mei 2016 gewijzigd in Tabaks- en rookwarenbesluit, Stb. 2016/176.
De uitzondering was aanvankelijk opgenomen in art. 2 onder b en art. 3 lid 2, onder b, van het Besluit van 4 april 2008, houdende een aantal nadere voorschriften ter uitvoering van de Tabakswet (Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten), Stb. 2008, 122.
Vgl. Van Emmerik, Ten Napel & Uzman, t.a.p. Deze auteurs merken voorts op dat het erop lijkt dat het hof die nauwkeurigheid en de daaraan verbonden rechtstreekse werking toch weer lijkt te zien als een eigenschap van de verdragsnorm, zoals dat ook het geval was vóór het Rookverbodarrest.
Vgl. Fleuren, a.w., NYIL 2016, p. 388: ‘In this new approach of the Dutch Courts, the extent to which a treaty provision may have direct effect depends on the extent to which this provision imposes limits on the discretion of the state parties’.
Zie de conclusie van antwoord onder 5.1.2-5.1.3 en de memorie van antwoord onder 5.10 en 6.1.6-6.1.9.
Zie de noot van Philipsen en De Wit onder nr. 7 in AB 2015/21.
Vgl. de noot van Philipsen en De Wit onder nr. 9 in AB 2015/21.
Vgl. Schutgens in zijn noot onder 5 (na ‘Ten derde’) in AA 2015/4, p. 309-310.
Zie J.W.A. Fleuren, Een ieder verbindende bepalingen van verdragen, diss. Nijmegen, 2004, p. 338.
Zie onder 5.8 van de schriftelijke toelichting van de Staat.
Zie ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3458, rov. 11.1; ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3481, rov. 11.1.
Vgl. P.R. Rodrigues onder 3 van zijn noot bij ABRvS 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716, JHG 2013/9, die stelt dat het erop lijkt dat de Afdeling art. 3 IVRK niet voldoende concreet vindt om tot volle toetsing over te gaan.
In de subonderdelen 2.1 en 2.2 is enkel opgemerkt dat de Richtsnoeren (Guidelines) bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term ‘openbare ruimtes’ in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen) en dat de aard en omvang van de in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag opgenomen verplichting daarom nog niet vast staat.
Zie ook de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2014:497) onder 2.10 en 3.20-3.21 vóór het Rookverbodarrest, alsmede HvJEU 4 mei 2016, zaak C-547/14, ECLI:EU:C:2016:235 (Philip Morris/Secretary of State for Health), punten 109-113 en HvJEU 4 mei 2016, zaak C-358/14, ECLI:EU:C:206:323 (Polen en Roemenië/Europees Parlement en Europese Raad), punten 45-47. In beide arresten heeft het Hof overwogen dat de Guidelines weliswaar niet bindend zijn, maar wel tot doel hebben de partijen bij de WHO-Kaderovereenkomst bij te staan bij de toepassing van de bindende bepalingen daarvan.
Beroepschrift 08‑05‑2018
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 8 mei 2018 |
Uiterste verschijndatum verweerder: | 22 juni 2018 |
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) |
Zetelend: | Den Haag |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. M.W. Scheltema, die door eiser als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam: | de vereniging Nederlandse Nietrokersvereniging CAN (Club Actieve Nietrokers) |
Vestigingsplaats: | Oss |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. F.P. van Galen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | TeekensKarstens |
Vondellaan 51 | |
2332 AA LEIDEN |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof Den Haag |
Datum: | 13 februari 2018 |
Zaaknummer: | 200.205.667/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 2.2–2.6 en 2.8–3.9, 4.1 en 4.2, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1
Het hof heeft in rov. 2.3 overwogen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot een effectieve bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in, onder meer ‘indoor public places’ (hierna ook: openbare gebouwen). Deze bescherming geldt volgens het hof voor eenieder die deze ruimtes betreedt of wil betreden. Niet in geschil is, aldus het hof, dat horeca-inrichtingen ‘indoor public places’ zijn. Evenmin is volgens het hof in geschil dat er geen veilige mate van blootstelling aan tabaksrook bestaat. Dit laat, aldus het hof, geen andere conclusie toe dan dat de te bieden bescherming slechts dan effectief is indien (in de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag genoemde plaatsen) iedere vorm van blootstelling aan tabaksrook wordt uitgesloten.
Het hof heeft daaraan in rov. 2.4 toegevoegd dat dit betekent dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag verplicht tot het tot stand brengen van het resultaat, dat eenieder die een horeca-instelling betreedt of wil betreden gevrijwaard moet zijn van iedere mate van blootstelling aan tabaksrook. Daarmee is het te bereiken resultaat volgens het hof onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en is niet van belang dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd.
Klachten
1.1
Het hof heeft in rov. 2.3 en 2.4 miskend dat art. 8 lid 2 WHO-kaderverdrag weliswaar als einddoel heeft om (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare gebouwen te voorkomen, maar niet bepaalt welke maatregelen verdragsstaten moeten nemen om dat einddoel te bereiken en bovendien uitzonderingen toelaat.1.
De bij het WHO-Kaderverdrag behorende Richtsnoeren2. laten ook ruimte voor uitzonderingen om andere redenen dan gezondheids- of juridische argumenten, al wordt aanbevolen deze uitzonderingen zo beperkt mogelijk te houden.3.
In dat verband brengt, naar het hof heeft overwogen, de enkele omstandigheid dat art. 8 WHO-kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd en dus aan de Staat keuze- en beleidsvrijheid toekomt met betrekking tot de te nemen maatregelen niet mee dat deze bepaling niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven kan zijn om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Het hof is er echter aan voorbijgegaan dat de bepaling ook in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde moet kunnen functioneren. Het hof heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag in de onderhavige context waarin zij wordt ingeroepen niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag schrijft immers niet voor dat blootstelling in cafés aan tabaksrook onmiddellijk geheel moet worden tegengegaan en evenmin dat rookruimten niet (nog gedurende enige tijd) zijn toegestaan, naast het nemen van mogelijke andere maatregelen.4.
1.2
Het hof heeft in rov. 2.3 en 2.4 miskend dat art. 8 lid 2 WHO-kaderverdrag weliswaar als einddoel heeft om (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare gebouwen te voorkomen, maar niet bepaalt wanneer de verdragsstaten dat einddoel moeten hebben bereikt.5. In dat verband brengt, naar het hof heeft overwogen, de enkele omstandigheid dat art. 8 WHO-kaderverdrag niet de middelen voorschrijft waarmee dit resultaat moet worden bewerkstelligd en dus aan de Staat keuze- en beleidsvrijheid toekomt met betrekking tot de te nemen maatregelen niet mee dat deze bepaling niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven kan zijn om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Het hof is er echter aan voorbijgegaan dat de bepaling ook in de context waarin zij wordt ingeroepen als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde moet kunnen functioneren. Het heeft miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag in de onderhavige context waarin zij wordt ingeroepen niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag schrijft immers niet voor wanneer de Staat het door dit artikel beoogde einddoel moet hebben gerealiseerd en de Staat komt derhalve, mede gelet op de situatie in andere verdragsstaten,6. vrijheid toe om te bepalen wanneer hij dit einddoel zal hebben gerealiseerd.7. In dat verband is van belang dat de Staat een afweging moet maken tussen het voorkomen van blootstelling aan tabaksrook en andere belangen zoals het recht op privéleven en zelfbeschikking, alsmede economische belangen. Het hof heeft daarmee miskend dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag in de onderhavige context waarin het wordt ingeroepen onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is omschreven om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag heeft daarmee in de onderhavige context geen rechtstreekse werking.
1.3
Indien het hof het in onderdeel 1.2 betoogde niet heeft miskend, maar heeft beslist dat de Staat ook ten aanzien van de termijn voor implementatie geen vrijheid toekomt nu in de bij het WHO-Kaderverdrag behorende Richtsnoeren een (aanbevolen) termijn van vijf jaar na inwerkingtreding wordt genoemd,8. is zijn beslissing evenzeer rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het hof heeft in dat geval, mede gelet op zijn overwegingen in rov. 3.4–3.7, miskend dat weliswaar iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de (verdrags)partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen relevant kan zijn voor de interpretatie daarvan, maar dat de enkele omstandigheid dat (verdrags)partijen consensus hebben bereikt over de Richtsnoeren nog niet meebrengt dat een dergelijke voor de uitleg van het WHO-Kaderverdrag relevante (latere) inhoudelijke overeenstemming tussen partijen is bereikt. De Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag brengen een dergelijke (latere) inhoudelijke consensus nog niet tot uitdrukking nu daarin slechts aanbevelingen zijn opgenomen.9. Dat de Richtsnoeren nog geen (latere) inhoudelijke overeenstemming tussen (verdrags)staten tot uitdrukking brengen, blijkt ook uit de omstandigheid dat, naar de Staat heeft gesteld,10. in andere verdragsstaten rookruimtes eveneens worden toegestaan. In dat verband is voorts van belang dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term openbare ruimtes in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen).11. Het hof is er derhalve aan voorbij gegaan dat deze Richtsnoeren slechts een gewenste termijn (aanbeveling) bevatten en geen weerslag vormen van een (latere) inhoudelijke overeenstemming die van belang is in het kader van de uitleg van bindende bepalingen in het WHO-Kaderverdrag.12.
De omstandigheid dat deze termijn van vijf jaar in de Richtsnoeren is opgenomen, kan dan ook niet meebrengen dat de Staat een verplichting heeft binnen vijf jaar maatregelen te nemen om blootstelling aan tabaksrook in openbare ruimten geheel te voorkomen. Het hof heeft dan ook miskend dat art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag, mede gelet op de daarbij behorende Richtsnoeren, in de context van het onderhavige geval onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig is omschreven om in de onderhavige context als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en daarmee ook geen rechtstreekse werking kan hebben.
1.4
De vorenstaande onderdelen 1.1–1.3 vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissingen in rov. 2.5, 2.6 en 2.8 nu niet alleen de daarin door het hof genoemde uitzonderingsgevallen kunnen meebrengen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om in de onderhavige context als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren en het in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag opgenomen einddoel daarom stap voor stap kan worden bereikt.
1.5
Onderdeel 1.3 vitiëert bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissing in rov. 3.4 voor zover daarin besloten ligt dat de in de Richtsnoeren opgenomen termijn van vijf jaar bindend is dan wel onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren.
1.6
Indien 's hofs beslissing in rov. 2.8 aldus moet worden begrepen dat het het in de onderdelen 1.2 en 1.3 betoogde niet heeft miskend, maar dat de Staat slechts vrijheid toekomt om te bepalen wanneer een bepaalde maatregel moet worden genomen indien sprake is van een overgangsmaatregel, dan is zijn beslissing evenzeer rechtens onjuist. Immers ook indien geen sprake is van een overgangsmaatregel, is de termijn voor implementatie voor het tegengaan van blootstelling aan tabaksrook in openbare gebouwen als bedoeld in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag onvoldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig omschreven om in de onderhavige context als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren.
1.7
's Hofs beslissing in rov. 2.6 dat de Staat niet heeft aangevoerd dat hem meer tijd moet worden gelaten voor het tot stand brengen van wetgeving of andere maatregelen, is, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van het betoog van de Staat dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag veel ruimte laat voor het tijdspad voor implementatie,13. geen termijn voor implementatie bevat en de Richtsnoeren slechts een gewenste (niet-bindende) termijn van vijf jaar voor implementatie geven,14. alsmede dat sprake is van een geleidelijk stap voor stap proces waarin een hoger beschermingsniveau wordt bereikt.15.
1.8
Het hof heeft in rov. 2.2 miskend dat niet enkel bepalend is of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om zonder meer als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren, maar of art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig omschreven is om in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde te kunnen functioneren, Dat is in het onderhavige geval relevant nu het niet gaat om een geval waarin de Staat verdergaande regelgeving die beoogt blootstelling aan tabaksrook in openbare ruimtes tegen te gaan heeft teruggedraaid, maar vanaf het invoeren van maatregelen om dergelijke blootstelling tegen te gaan rookruimtes in horeca-instellingen heeft toegestaan.16. Bovendien heeft de Staat, naar in de onderdelen 1.1–1.3 uiteen is gezet, in de context van het onderhavige geval de vrijheid om de aard en het tijdstip van invoeren van de maatregelen te bepalen waarmee het in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag einddoel kan worden bereikt.
1.9
De vorenstaande onderdelen 1.2–1.8 vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissing in rov. 2.6 dat niet valt in te zien dat de Staat meer tijd moet worden gelaten voor het tot stand brengen van wetgeving of andere maatregelen en dat de Staat inmiddels een redelijke tijd heeft gehad om de noodzakelijke maatregelen in te voeren en 's hofs beslissing in rov. 2.9.
2
Het hof heeft in rov. 3.1 en 3.2 beslist dat rookruimtes in horeca-instellingen ook tot openbare ruimtes als bedoeld in het WHO-Kaderverdrag behoren en dat ook daarvoor geldt dat blootstelling aan tabaksrook zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Het hof heeft voorts in rov. 3.2 overwogen dat aan deze strekking wordt afbreuk gedaan indien in bepaalde, voor het publiek toegankelijke gedeelten van die gebouwen wel zou mogen worden gerookt. Dan kunnen volgens het hof personen daarin niet komen zonder het risico te worden blootgesteld aan tabaksrook. Daarbij is, aldus het hof, ook het karakter van een horeca-instelling (zoals een bar of café) van belang. Een bezoeker die zelf niet rookt maar wiens vrienden zich in de rookruimte bevinden kan volgens het hof niet kiezen voor het gezelschap van zijn vrienden zonder te worden blootgesteld aan tabaksrook. Niet-rokers kunnen aldus sociale druk voelen om de rookruimte te betreden. Dit wordt volgens het hof bevestigd door het door CAN als productie 4 bij memorie van grieven overgelegde artikel van Bantema (‘de niet-rokers gaan bij de rokers in de rookruimte zitten’, zie blad 4 van dat artikel). De Staat heeft, aldus het hof, wel gesteld dat dit artikel verouderde informatie bevat, maar heeft deze waarneming als zodanig niet weersproken. De strekking van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag is volgens het hof nu juist dat openbare gebouwen toegankelijk moeten zijn zonder vrees voor blootstelling aan tabaksrook. In het licht van het bovenstaande kan de Staat volgens het hof ook niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het feit dat in het ‘Global progress report 2016’ in meer algemene zin een ‘partial ban’ als een ‘measure to protect citizens from exposure to tobacco smoke’ wordt gerapporteerd, meebrengt dat rookruimtes zijn toegestaan.
Het hof heeft voorts in rov. 3.3 vastgesteld dat CAN verder heeft aangevoerd dat rookruimtes nooit geheet afgesloten zijn, omdat de deur van de rookruimte telkens opengaat als de bezoekers van die rookruimte naar binnen of naar buiten gaan, en dat de tabaksrook zich onvermijdelijk verspreidt vanuit de rookruimte naar de aangrenzende ruimten, waardoor ook degenen die de rookruimte zelf niet bezoeken worden blootgesteld aan tabaksrook. Ook heeft CAN, aldus het hof, gesteld dat het betreden van de rookruimtes ten behoeve van het schoonmaken, het weghalen van lege glazen en het tegen van asbakken, onvermijdelijk leidt tot blootstelling aan de schadelijke stoffen in tabaksrook, ook als dat gebeurt nadat de ruimte is gelucht, omdat kortstondig luchten niet leidt tot het verdwijnen van deze stoffen. De Staat heeft deze stellingen volgens het hof niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken, zodat in dit geding van de juistheid van die stellingen moet worden uitgegaan. Ook in dat opzicht wordt, aldus het hof, door het toestaan van rookruimtes in horeca-instellingen niet de door art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geëiste bescherming geboden. Immers ook de geringste blootstelling aan tabaksrook is volgens het hof schadelijk voor de gezondheid.
Klachten
2.1
Het hof heeft in rov. 3.1–3.3, mede gelet op de omstandigheid dat strijdigheid met het WHO-Kaderverdrag op grond van art. 94 Grondwet met terughoudendheid moet worden toegepast, miskend dat art. 8 lid 2 WHO-kaderverdrag weliswaar als einddoel heeft om (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare gebouwen te voorkomen, maar niet bepaalt welke maatregelen verdragsstaten moeten nemen om dat einddoel te bereiken en bovendien uitzonderingen toelaat.17.
De bij het WHO-Kaderverdrag behorende Richtsnoeren laten ook ruimte voor uitzonderingen om andere redenen dan gezondheids- of juridische argumenten, al wordt aanbevolen deze uitzonderingen zo beperkt mogelijk te houden.18.
Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag schrijft immers niet voor dat blootstelling in cafés aan tabaksrook onmiddellijk geheel moet worden tegengegaan en evenmin dat rookruimtes niet zijn toegestaan, naast het nemen van mogelijke andere (Europese) maatregelen (waaronder de Tabaksproductenrichtlijn),19. In dat verband is van belang dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term openbare ruimtes in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen).20. De aard en omvang van de in art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag opgenomen verplichting staat daarom ook nog niet vast. In dat verband is voorts van belang dat de Staat een afweging moet maken tussen het voorkomen van blootstelling aan tabaksrook en andere belangen zoals het recht op privéleven en zelfbeschikking, alsmede economische belangen. De Staat zal die belangen in zijn afwegingen omtrent de aard en het tijdstip van implementatie van de te nemen maatregelen moeten meewegen. Het hof heeft daarmee miskend dat de Staat, mede gelet op de situatie in andere verdragsstaten,21. op grond van art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de aard van de maatregelen die worden genomen teneinde het einddoel van art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag te bereiken en dat die vrijheid eveneens meebrengt dat maatregelen zodanig kunnen zijn dat het einddoel nog niet onmiddellijk wordt bereikt maar slechts een ‘partial ban’ wordt bewerkstelligd.22.
2.2
Het hof heeft in rov. 3.1–3.3, mede gelet op de omstandigheid dat strijdigheid met het WHO-Kaderverdrag op grond van art. 94 Grondwet met terughoudendheid moet worden toegepast, miskend dat art. 8 lid 2 WHO-kaderverdrag weliswaar als einddoel heeft om (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare gebouwen te voorkomen, maar niet bepaalt wanneer de verdragsstaten dat einddoel moeten hebben bereikt.23. De omstandigheid dat rookruimtes indien het zojuist genoemde einddoel van het WHO-Kaderverdrag moet zijn bereikt wellicht niet meer mogelijk zouden zijn omdat blootstelling aan tabaksrook niet volledig wordt voorkomen, brengt daarom niet mee dat de Staat zolang hij nog de vrijheid heeft om te bepalen wanneer dit einddoel moet zijn bereikt niet nog rookruimtes zou mogen toestaan. Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag schrijft derhalve niet voor wanneer de Staat het door dit artikel beoogde einddoel moet hebben gerealiseerd en de Staat komt derhalve, mede gelet op de situatie in andere verdragsstaten waarin deze bepaling ook niet aldus wordt geïnterpreteerd dat iedere blootstelling aan tabaksrook in openbare ruimtes moet worden voorkomen,24. vrijheid toe om te bepalen wanneer hij dit einddoel zal hebben gerealiseerd.25. In dat verband is van belang dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term openbare ruimtes in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen).26. Bovendien worden rookruimtes, naar de Staat heeft gesteld,27. in andere verdragsstaten eveneens toegestaan. De aard en omvang van de in art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag opgenomen verplichting staat daarom nog niet vast.
Het hof kan daarom op grond van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag niet voor de Staat bepalen wanneer het daarin vervatte einddoel moet zijn gerealiseerd. In dat verband is van belang dat de Staat een afweging moet maken tussen het voorkomen van blootstelling aan tabaksrook en andere belangen zoals het recht op privéleven en zelfbeschikking, alsmede economische belangen. De Staat zal die belangen in zijn afwegingen omtrent het tijdstip van implementatie van de te nemen maatregelen moeten meewegen.
2.3
Indien het hof het in onderdeel 2.2 betoogde niet heeft miskend, maar heeft beslist dat de Staat ook ten aanzien van de termijn voor implementatie geen vrijheid toekomt nu in de bij het WHO-Kaderverdrag behorende Richtsnoeren een (aanbevolen) termijn van vijf jaar na inwerkingtreding wordt genoemd,28. is zijn beslissing evenzeer rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het hof heeft in dat geval, mede gelet op zijn overwegingen in rov. 3.4–3.7, miskend dat weliswaar iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de (verdrags)partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen relevant kan zijn voor de interpretatie daarvan, maar dat de enkele omstandigheid dat (verdrags)partijen consensus hebben bereikt over de Richtsnoeren nog niet meebrengt dat een dergelijke voor de uitleg van het WHO-Kaderverdrag relevante (latere) inhoudelijke overeenstemming tussen partijen is bereikt. De Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag brengen een dergelijke (latere) inhoudelijke overeenstemming nog niet tot uitdrukking nu daarin slechts aanbevelingen zijn opgenomen.29. Dat de Richtsnoeren nog geen (latere) inhoudelijke overeenstemming tussen (verdrags)staten tot uitdrukking brengen, blijkt ook uit de omstandigheid dat, naar de Staat heeft gesteld,30. in andere verdragsstaten rookruimtes eveneens worden toegestaan. In dat verband is voorts van belang dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term openbare ruimtes in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen).31. Het hof is er derhalve aan voorbij gegaan dat deze Richtsnoeren slechts een gewenste termijn (aanbeveling) bevatten en geen weerslag vormen van een (latere) inhoudelijke overeenstemming die van belang is in het kader van de uitleg van bindende bepalingen in het WHO-Kaderverdrag.32.
De omstandigheid dat deze (aanbevolen) termijn van vijf jaar in de Richtsnoeren is opgenomen, kan dan ook niet meebrengen dat de Staat een verplichting heeft binnen vijf jaar die maatregelen te nemen om blootstelling aan tabaksrook in openbare ruimten geheel te voorkomen.
2.4
De vorenstaande onderdelen 2.1–2.3 vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissingen in rov. 2.5, 2.6 en 2.8 nu niet alleen de daarin door het hof genoemde uitzonderingsgevallen kunnen meebrengen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag geleidelijk kan worden ingevoerd.
2.5
De vorenstaande onderdelen 2.2 en 2.3 vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissing in rov. 2.8 voor zover het hof daarin heeft miskend dat het aan de Staat is om te bepalen voor welke termijn een overgangsmaatregel geldt.
3
Het hof heeft in rov. 3.4–3.9 ten overvloede overwogen dat uit de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag volgt dat afzonderlijke rookruimtes geen afdoende bescherming bieden tegen blootstelling aan tabaksrook en daarom de uitzondering voor rookruimtes in horeca-inrichtingen in strijd is met art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag. Het hof heeft in dat verband in rov. 3.7 overwogen dat uit het voorgaande blijkt dat de partijen bij het WHO-Kaderverdrag overeenstemming (‘consensus’) hebben bereikt over de wijze waarop art. 8 lid 2 moet worden uitgelegd en uitgevoerd, willen partijen aan hun verdragsverplichtingen voldoen. Dat partijen deze overeenstemming onder de term ‘Guidelines’ (‘richtlijnen’) hebben gepresenteerd en dat de Guidelines op zichzelf niet juridisch bindend of voor de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag doorslaggevend zijn, doet er volgens het hof niet aan af dat bij de uitleg van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag mede met deze Richtsnoeren rekening moet worden gehouden. Overigens heeft het hof de stellingen van de Staat zo begrepen, dat hij hetzelfde standpunt huldigt waar de Staat erkent dat de Richtsnoeren als hulpmiddel kunnen worden beschouwd bij de invulling van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag.
Klachten
De volgende klachten worden voorgesteld onder de voorwaarde dat in cassatie uitgangspunt zou moeten zijn dat rov. 3.4–3.9, ondanks de omstandigheid dat het hof deze als overwegingen ten overvloede heeft aangemerkt, toch als (zelfstandig) dragend voor 's hofs beslissing zouden moeten gelden.
3.1
Het hof heeft in rov. 3.4–3.9 miskend dat weliswaar iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de (verdrags)partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen relevant kan zijn voor de interpretatie daarvan, maar dat de enkele omstandigheid dat (verdrags)partijen consensus hebben bereikt over de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag nog niet meebrengt dat een dergelijke voor de uitleg van het WHO-Kaderverdrag relevante inhoudelijke overeenstemming tussen partijen is bereikt. De Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag brengen een dergelijke inhoudelijke overeenstemming nog niet tot uitdrukking nu daarin slechts aanbevelingen zijn opgenomen.33. Dat de Richtsnoeren geen inhoudelijke overeenstemming tussen (verdrags)staten tot uitdrukking brengen, blijkt ook uit de omstandigheid dat, naar de Staat heeft gesteld,34. in andere verdragsstaten rookruimtes eveneens worden toegestaan. In dat verband is voorts van belang dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag onderkennen dat de term openbare ruimtes in verschillende jurisdicties verschillend wordt opgevat (zij het dat een ruime interpretatie wordt aanbevolen).35.
Het hof heeft in rov. 3.4–3.9 dan ook miskend dat (verdrags)partijen het er weliswaar over eens zijn dat het einddoel van art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag het voorkomen van (iedere) blootstelling aan tabaksrook (afkomstig van anderen) in openbare ruimtes zou moeten zijn en rookruimtes indien dat doel moet zijn bereikt wellicht niet meer toelaatbaar zijn, maar dat er geen inhoudelijke overeenstemming bestaat over de maatregelen die tot het bereiken van dat einddoel moeten leiden en evenmin over de termijn waarbinnen dat einddoel moet zijn bereikt. Daarmee kon het hof, nu geen inhoudelijke overeenstemming bestaat over de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit einddoel moet zijn bereikt, niet uit de tussen verdragspartijen bestaande overeenstemming over het einddoel van art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag afleiden dat rookruimtes reeds nu in strijd zouden zijn met het WHO-Kaderverdrag en art. 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit daarom onverbindend moet worden verklaard.
3.2
Het hof heeft in rov. 3.4–3.9, mede gelet op de omstandigheid dat strijdigheid met art. 8 lid 2 van het WHO-Kaderverdrag op grond van art. 94 Grondwet met terughoudendheid moet worden toegepast en in het licht van het in onderdeel 3.1 betoogde, miskend dat de Richtsnoeren bij het WHO-Kaderverdrag niet (mede) dragend kunnen zijn voor het onverbindend verklaren van art. 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit, nu daarin geen inhoudelijke overeenstemming tussen (verdrags)partijen besloten ligt die relevant is voor de in het onderhavige geval van belang zijnde uitleg van de in art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag opgenomen verplichting.
3.3
's Hofs overweging in rov. 3.7 dat de Staat erkent dat de Richtsnoeren als hulpmiddel kunnen worden beschouwd bij de invulling van art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag is, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk indien deze aldus moet worden begrepen dat uit deze Richtsnoeren volgt dat de verplichting in het verdrag moet worden gelezen om een 100% rookverbod (binnen vijf jaar) te implementeren en (mede) op die grond art. 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit onverbindend is verklaard. De Staat heeft immers betoogd dat de Richtsnoeren in het onderhavige geval slechts een aanbeveling inhouden en daaruit geen verplichting kan worden afgeleid om een 100% rookverbod (binnen vijf jaar) te implementeren.36.
4
De vorenstaande onderdelen 1–3 vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissingen in rov. 4.1 en 4.2.
Op grond van dit middel vordert eiser vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑05‑2018
Vergelijk ook de conclusie van antwoord, onder 3.1.6 en 3.2.13; de memorie van antwoord, onder 5.4–5.7; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.4.
Te vinden op http://apps.who.int/iris/bitstream/handle/10665/80510/9789241505185 eng.pdf;jsessionid=BB2C3E4AFF3CAC8E98BD0D8F6F616D7E?sequence=1.
Zie de Richtsnoeren, p. 23. Zie ook de conclusie van antwoord, onder 3.2.13.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 6.1.7.
Vergelijk ook de conclusie van antwoord, onder 3.1.8 en 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 6.1.7.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.22–5.2.24; de memorie van antwoord, onder 5.6, 6.1.5 en 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 5.4 en 5.6.
Zie de Richtsnoeren, p. 23.
Vergelijk het betoog in de conclusie van antwoord, onder 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 5.9, 6.2.2 en 6.2.3; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.5.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.23; de memorie van antwoord, onder 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie de Richtsnoeren, p. 22.
Zie ook de conclusie van antwoord, onder 5.2.29; de memorie van antwoord, onder 5.9 en 6.1.5.
Memorie van antwoord, onder 5.7.
Memorie van antwoord, onder 5.9 en 6.1.5.
Memorie van antwoord, onder 5.6 en 6.1.7.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 5.10 en 6.1.6–6.1.9.
Vergelijk ook de conclusie van antwoord, onder 3.1.6, 3.2.13 en 5.2.20; de memorie van antwoord, onder 5.4–5.7 en 5.12; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.7 en 2.8.
Zie de Richtsnoeren, p. 23. Zie ook de conclusie van antwoord, onder 3.2.13.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 5.12 en 6.1.7 en voor de genomen andersoortige maatregelen de conclusie van antwoord, onder 2.5.1, 2.6.2 en 2.6.3–2.6.6.
Zie de Richtsnoeren, p. 22.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.22–5.2.24; de memorie van antwoord, onder 5.6, 6.1.5 en 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie ook de conclusie van antwoord, onder 5.2.21; de memorie van antwoord, onder 5.12, 6.1.4 en 6.1.5.
Vergelijk ook de conclusie van antwoord, onder 3.1.8 en 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 6.1.7.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de memorie van antwoord, onder 5.6, 6.1.5 en 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie ook de memorie van antwoord, onder 5.4 en 5.6.
Zie de Richtsnoeren, p. 22.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.23; de memorie van antwoord, onder 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie de Richtsnoeren, p. 23.
Vergelijk het betoog in de conclusie van antwoord, onder 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 5.9, 6.2.2 en 6.2.3; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.5.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.23; de memorie van antwoord, onder 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie de Richtsnoeren, p. 22.
Zie ook de conclusie van antwoord, onder 5.2.29; de memorie van antwoord, onder 5.9 en 6.1.5.
Vergelijk het betoog in de conclusie van antwoord, onder 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 5.9, 6.2.2 en 6.2.3; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.5.
Zie onder meer het betoog van de Staat in de conclusie van antwoord, onder 5.2.23; de memorie van antwoord, onder 6.1.13; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.9.
Zie de Richtsnoeren, p. 22.
Zie ook de conclusie van antwoord, onder 3.2.14; de memorie van antwoord, onder 5.9, 6.2.2 en 6.2.3; de pleitnota G.J.H. Houtzagers in hoger beroep, onder 2.5.