NJB 2023/2334
Specialiteitsbeginsel, fundamentele rechten en executie-uitlevering naar een land buiten de EU, art. 6 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR: de uitleveringsrechter dient bij de beoordeling van een verzoek tot executie-uitlevering uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende Staat. De uitleveringsrechter staat het – als aan die veroordeling een uitleveringsprocedure is voorafgegaan – niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of bij die veroordeling het specialiteitsbeginsel in acht is genomen. Dit kan slechts anders zijn als komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante schending van art. 6 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR. Bij een beroep op een flagrante inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon zijn toegekend, geldt dat het aan de uitleveringsrechter is te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepalingen gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending. In casu kon de rechtbank oordelen dat bij de totstandkoming van de veroordeling niet van een voltooide flagrante schending van fundamentele rechten is gebleken.
HR (A-G) 26-09-2023, ECLI:NL:PHR:2023:844
- Instantie
Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
- Datum
26 september 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans en F. Posthumus
- Zaaknummer
23/01346
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1315, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 26‑09‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:844, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑09‑2023
- Wetingang
Essentie
Specialiteitsbeginsel, fundamentele rechten en executie-uitlevering naar een land buiten de EU, art. 6 EVRM en art. 14 lid 1 IVBPR: de uitleveringsrechter dient bij de beoordeling van een verzoek tot executie-uitlevering uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de rechter van de verzoekende Staat. De uitleveringsrechter staat het – als aan die veroordeling een uitleveringsprocedure is voorafgegaan – niet vrij te treden in de beoordeling van de vraag of bij die veroordeling het specialiteitsbeginsel in acht is genomen. Dit kan slechts anders zijn als komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.