1. Voorvragen
Verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Blijkens de akte van uitreiking behorende bij de mededeling van het vonnis van 28 maart 2006, is deze aan verdachte op 25 januari 2007 in persoon betekend. Verdachte heeft op 2 november 2009 appel ingesteld. Ingevolge artikel 408, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafvordering had verdachte het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis dienen in te stellen, hetgeen niet is gebeurd. Omstandigheden die maken dat het te laat instellen van het appel verontschuldigbaar is, zijn niet aannemelijk geworden.
(…)’