Inmiddels heeft mr. H.P. Eckert onderhavige zaak overgenomen van zijn (oud)kantoorgenoot mr. M.C. van der Linde.
HR, 06-07-2021, nr. 20/02176
ECLI:NL:HR:2021:981
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-07-2021
- Zaaknummer
20/02176
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:981, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑07‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:677
ECLI:NL:PHR:2021:677, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑05‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:981
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0236
Uitspraak 06‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak (meermalen gepleegd), art. 311.1 Sr. Ontbrekende bewijsmiddelen, art. 359.3 en 359.8 Sv. ’s Hofs uitspraak bevat niet de b.m. en bij stukken bevindt zich niet aanvulling ex art. 365a. 2 Sv. Raadsman heeft o.g.v. art. 4.3.6.3 Procesreglement HR verzocht om toezending van die aanvulling. Hof heeft aan HR bericht dat aanvulling niet is opgemaakt. ’s Hofs uitspraak voldoet niet aan het ex art. 359.3 en 359.8 Sv op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste dat arrest b.m. moet bevatten, die voor bewezenverklaring redengevende f&o inhouden. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02176
Datum 6 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2017, nummer 21-005552-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op 9 [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof voor feiten 2 en 4 heeft gebruikt.
2.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat voor feiten 2 en 4. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor feiten 2 en 4.
2.3
De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.
2.4
Op grond van artikel 359 lid 3 en lid 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet wat betreft feiten 2 en 4 niet aan dit vereiste en kan daarom op dat punt niet in stand blijven. Dit betekent dat ook de beslissing over de ter zake van feit 2 ingediende vordering van de benadeelde partij niet in stand kan blijven.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 en 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2021.
Conclusie 25‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Diefstal in vereniging d.m.v. braak, art. 311 Sr. Ontbrekende bewijsmiddelen. Bestreden arrest bevat niet de op straffe van nietigheid voorgeschreven b.m. houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&o. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02176
Zitting 25 mei 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 24 juli 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3. ten laste gelegde, vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde, en wegens onder 2. en 4. telkens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts is de teruggave aan de verdachte van een in beslag genomen geldbedrag gelast, en heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.1.
3. Het eerste middel houdt in dat de aanvulling bewijsmiddelen ontbreekt en dat daarom de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
4. Bij faxbericht van 18 september 2020 heeft verdachtes raadsman zich overeenkomstig art. 4.3.6.3. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gericht tot de rolraadsheer met het verzoek de processtukken te doen aanvullen met de bij de processtukken ontbrekende aanvulling bewijsmiddelen.
6. In een begeleidend schrijven bij de toezending van het strafdossier aan de Hoge Raad heeft de griffier van het hof het volgende bericht:
“(...)Bij de uitwerking ten behoeve van cassatie is gebleken dat het bij deze zaak behorende politieonderzoek kennelijk zoek is geraakt bij de verwerking van het dossier na de zitting in hoger beroep. Zoekacties nadien hebben helaas geen resultaat opgeleverd.Om deze reden is de zaak niet volledig uitgewerkt; de bewijsaanvulling kon niet worden opgemaakt.(...)”
7. Nu het hof in strijd met art. 359, derde en achtste lid, Sv geen bewijsmiddelen heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
8. Het middel slaagt.
9. Het voorgaande betekent dat het tweede middel buiten bespreking kan blijven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑05‑2021