Zie T. Blom, in: T&C Strafrecht, art. 2 Opiumwet, aant. 8a.
HR, 09-07-2024, nr. 22/02635
ECLI:NL:HR:2024:1048
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/02635
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1048, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:599
ECLI:NL:PHR:2024:599, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1048
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑07‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02635
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juli 2022, nummer 21-001604-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben S.A.H. Vromen en J.S. Nan, beiden advocaat in 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.
Conclusie 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middel 1 bevat falende bewijsklachten over het onder 2 primair bewezenverklaarde bereiden/bewerken/verwerken van cocaïne (art. 2.B Opiumwet). Middel 2 klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase en slaagt. De conclusie strekt tot vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02635
Zitting 11 juni 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
Inleiding
- 1.
De verdachte is bij arrest van 8 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens onder 2 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en onder 3 “om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.
- 2.
Namens de verdachte hebben J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat in 's‑Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het eerste middel valt uiteen in drie deelklachten en keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde.
De bewezenverklaring en bewijsvoering voor zover hier van belang
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“hij op meerdere tijdstippen in de periode van 3 maart 2016 tot en met 27 juni 2016 te Breda, meermalen telkens opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.”
5. De bewijsmiddelen waarop deze bewezenverklaring steunt, houden het volgende in:
“Ten aanzien van feit 2 bewezenverklaarde
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en . gesloten door [verbalisant 1], hoofdinspecteur van de politie, teamleider bij de Dienst Landelijke Recherche van de Nationale Politie op 22 maart 2016, pagina 6 van het algemeen zaakdossier met nummer 20160322-DLR-00683, onderzoek 26Gainesville:
Onder leiding van een officier van justitie vindt een opsporingsonderzoek plaats. Uit dit lopende onderzoek komt naar voren dat een persoon, genaamd:
Voornamen: [verdachte]
Achtenaam: [verdachte]
(..)
Gebruik maakt van het telefoonnummer 06-[telefoonnummer]
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt en gesloten door [verbalisant 2], inspecteur van politie en [verbalisant 3], aspirant van politie, beiden bij de Landelijke Eenheid op 28 juni 2016, pagina 21 en pagina’s 32 tot en met 157 van het persoonsdossier met nummer 26Gainesville-00086, onderzoek 26Gainesville:
Op maandag 27 juni 2016, omstreeks 14.37 uur, verhoorde wij aan de Koggelaan te Zwolle de verdachte.
V: Waar woon jij?
A: Momenteel aan de [a-straat 1]. Ik sta daar niet ingeschreven. Ik ben bezig met emigreren.
(..)
V: Hoe lang woon jij daar al?
A: Ik denk bijna een jaartje.
V: De man in dit gesprek maakt gebruikt van nummer +[telefoonnummer]. Wij hebben vastgesteld dat jij dat bent. Is dat jouw nummer?
A: Ja, dat is mijn 00 nummer die in de Nokia met dualsim zit.
3. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 24 juni 2022, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnummer] is mijn telefoonnummer. Ik ging naar de luchthaven Schiphol. Mij werd gevraagd om iemands nichtje op te halen. Ze zou mij bellen als ze was gearriveerd.
U, voorzitter, houdt de tapgesprekken voor waarin werd gezegd dat ze het spul niets vinden en het terugbrengen. Fresh fresh betekent dat het nieuw is binnengekomen. De 650 gram fenacetine was in de schuur gevonden. Iemand zei dat ik de cocaïne met fenacetine kon mengen.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1], opgemaakt en gesloten door [verbalisant 4], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee district Schiphol, brigade Politie & Beveiliging en [verbalisant 5], wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee district Schiphol, brigade Politie & Beveiliging op 5 november 2014, pagina’s 7 tot en met 15 van het algemeen dossier met nummer 26Gainesville-00003 / PL27RP/14-091411, onderzoek 26GaineSville:
V: Wanneer bent u op reis gegaan?
A: Afgelopen maandag, 3 november.
V: Wat was de eindbestemming van deze reis?
A: Amsterdam.
V: Wat was de reden dat u op reis bent gegaan?
A: Om de verdovende middelen te smokkelen.
(..)
A: Toen heb ik de kans gekregen om met verdovende middelen naar Nederland te gaan.
(..)
V: Hoelang heeft u deze koffer(s) in uw bezit?
A: Men is mij komen halen om naar het vliegveld te brengen. Op het moment dat ik afgezet werd hebben ze mij de koffer overhandigd. Ik had zelf kleding bij me. Zij hebben mijn eigen kleding in de paarse koffer gestopt. In deze koffer zaten ook andere spullen die niet van mij waren, namelijk een blouse, onderbroeken, tandpasta en een tandenborstel. Ik meen ook nog shampoo en een flesje met gel en een groen flesje roet rum gezien te hebben in de koffer.
(..)
V: Wie heeft de koffer(s) ingepakt?
A: Dezelfde 2 personen die mij met de verdovende middelen naar het vliegveld hebben gebracht.
(..)
V: Wist u hoe de drugs verborgen was?
A: Hij heeft mij 1 blouse laten zien dus ik wist dat het in de kleding zat. Ik wist niet in hoeveel kledingstukken er drugs verstopt zaten. Hij heeft mij wel de hoeveelheid gezegd.
V: Wat was het gewicht van de drugs?
A: Dit was 500 gram. Hij heeft niet gezegd om wat voor drugs het ging. Hij zei mij wel dat het in de kleding zat. Ik dacht dat het om cocaïne of base ging.
(..)
V: Waar zou u gaan verblijven in Nederland?
A: Ik zou gaan verblijven bij een adres dat door hun werd gekozen. Ze hebben me vooraf geen adres gegeven. Ik zou opgehaald worden van Schiphol.
(..)
V: Waar zou u de drugs moeten afleveren?
A: De jongen die mij zou komen halen op Schiphol zou het regelen.
(..)
V: Bent u tijdens uw reis nog gebeld door iemand van de organisatie? Zo ja, waar en wanneer?
A: Bij aankomst op Schiphol heb ik een nummer gebeld, namelijk +[telefoonnummer]. Ik heb het onder de naam Tanchi gezet. Dit betekent tante in het Papiamento. Ik kreeg dit nummer op het vliegveld voor vertrek. Ik zou dit nummer moeten bellen om te zeggen dat ik was aangekomen.
5. Het proces-verbaal van het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 februari 2019, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik weet nog dat ik door de politie op het vliegveld ben aangehouden en ben verhoord. Ik weet ongeveer nog wel wat ik toen heb verklaard. Ik heb toen naar waarheid verklaard.
(..)
Het klopt dat die man er voor heeft gezorgd dat ik met verdovende middelen het land uit zou gaan. Zij hebben mijn koffer klaar gemaakt. Dat was in een korte tijd. Vanaf dat ik van huis wegging tot het vliegveld.
(..)
U vraagt mij wat er is gebeurd toen ik met de koffer op het vliegveld stond. Ik had een telefoonnummer van [betrokkene 2] gekregen en moest een foto van mijzelf versturen naar een persoon, ik weet niet wie dat was. Die persoon moest mij van Schiphol halen. Via de telefoon heb ik hem via de app gecontacteerd. Ik heb hem ook een foto via de app gestuurd. Ik heb hem niet gezien. Mij werd gezegd dat ik door een man opgehaald zou worden en dat ik hem Tanchi moest noemen. Tanchi betekent tante. Misschien is dat codetaal, ik weet dat niet. Ik heb die Tanchi niet gezien, want op Schiphol werd ik meteen gearresteerd.
6. Een schriftelijke bescheid, te weten een weergaven van opgenomen telefoongesprekken gevoerd van 24 maart 2016 tot en met 14 juni 2016:
- pagina’s 16 tot en met 39 van het algemeen dossier, onderzoek 26Gainesville:
Gesprek op 29 april 2016
001 [verdachte] (sh) wgd NNm
NNm: Heb je dan niks meegenomen?
001: Ach nee, stop met kloten, man.
(..)
NNm: Ik heb ding (spul) nodig, man.
(..)
NNm: O, oké, oké, oké. Eh wel, laat me weten wat het is? De mannen zijn net komen betalen, ze hebben meer ding (spul) nodig man.
001: Oké. Wat hebben ze nodig, hoeveel hebben ze nodig?
(..)
NNm : Ja, laat het me weten? Want dan kan ik hem bellen en zeggen wat er is.
001: Ja, zeg het tegen hem, zeg het tegen hem. Er is ding (spul).
(..)
NNm: Ja de mannen zijn bij mij. Prijs, praat met mij?
(..)
NNm: Voor drie?
(..)
NNm: Kun je dat geen twee maken De mannen vragen het.
Gesprek op 3 mei 2016
NNm: Hij zei dat zijn mensen het niks vinden, dat hij het ding (spul) terugbrengt. Ik heb tegen hem gezegd, "Eh wel, breng het terug zoals je het genomen hebt." De mensen zeggen dat het ding (spul) zwak is of wat voor kut.
(..)
001: O, maar ik dacht dat die man zei dat hij naar jou toe komt, toch?
NNm: Dat is uit Eindhoven. Dat zijn de brothers die dat ding (spul) genomen hebben, maar ik praat over [betrokkene 3].
(..)
NNm: het is niet dat het zwak is, maar zijn mensen vinden het niks. Misschien de bijsmaak of wat dan ook.
001: Nee, laat hem hierheen komen, omdat wij dat ding kunnen herstellen (verbeteren), man.
Gesprek op 11 mei 2016:
NNm: Dat wat je gisteren voor me hebt gebracht, welke dag hebben de mannen dat ding (spul) gedinges? Dat ding gedraaid (geprepareerd)? Hebben ze het gisteren gedraaid (geprepareerd)?
001: Nee, nee. Ik heb dat ding (spul) al een paar dagen. Maar ik heb goed gewikkeld en ingepakt.
NNm: Want dat ding is kletsnat.
001: Het is nog nat he?
NNm: Ja.
001: Het is nat gebleven, he?
NNm: Ik had het in tweeën gebroken en het was nat van binnen, man.
001: Ik ga het wel drogen.
(..)
NNm: Zeker weten, man. Gisteren zat ik hier. [betrokkene 4], [betrokkene 5] en ik zaten hier ‘s nachts. Ik heb het gepakt en aan hen laten zien. Maar toen [betrokkene 5] het breken, breekt het als, als..
001: Olie.
Gesprek op 12 mei 2016:
003: De, de... er is een crème kleur en een andere kleur.
003: Die ik gisteren heb gekregen.
001: Hebben ze jou die ik jou gegeven heb gereclameerd?
003: Ja. De twee kleuren ook.
001: Het is dezelfde.
003: De andere was een beetje beter, want deze is crèmekleurig.
001: Nee, die crème, het is crème toch.
003: De crème hebben ze open gemaakt, zodat ik de crème kon zien. En een witte kleur erin, maar ik heb gekeken en ik zei nee, laat ik het tegen jou zeggen zodat je het weet. Maak het kapot en prak een stukje, dan moet je ernaar kijken.
001: Schei uit. Ik lieg je niet voor, maar net die vinden de mensen erg lekker. Daarom heb ik jou die gebleven. Er is ook andere.
(..)
003: Ze hebben gereclameerd en gezegd dat het geen smaak heeft. Maar ze vinden het ook niet zo sterk. Dus ik zei, laat mij het tegen jou zeggen.
003: mmm, mm. Ze hebben dinges.. ntv.. heeft me teruggebeld. Ik ben gegaan en ze hebben het kapot gemaakt. Ik heb het gezien, het heeft twee kleuren crème. Een soort meel met witte stukjes erin Ze hebben het mij gereclameerd.
Gesprek op 13 mei 2016
NNm: Goed. Het is er. Maar wat het is, het enige is, is dat he bezweet lijkt. Begrijp je? In de zak.. ik wilde een foto maken, opdat je het kunt zien. In de zak blijft het een soort van vast/gekleefd zitten. Maar niemand heeft gereclameerd. Ze hebben gezegd dat het goed is. Begrijp je? Het is alleen… wat gebeurt er.. Ze bedoelen dat als ze het met de lepel prakken/pletten, dan blijft het aan de lepel vastzitten. Ze moeten ermee kloten en veel gevecht en die dingen. Maar het is er wel
(..)
001: Ik denk dat de mannen het klote gekookt hebben, weetje broer.
(..)
001: Hij is met een ander kut ding (spul) vermengd.
(..)
001: Ik heb al tegen hen gezegd dat het wel nat is.
- pagina’s 150 tot en met 157 van het persoonsdossier.
Gesprekken op 2 juni 2016
NN: Die ene witte. NN in het Nederlands: Hoe wil je? Rauw of gekookt?
NNm: ..ntv..gewoon. NN: Ik wil het gewoon rauw.
001 [verdachte] (sh) bum NN-[betrokkene 6] (sh)
NN: De witte ding (spul) puur, puur.
pagina’s 170 tot en met 180 van het persoonsdossier.”
6. Voorts heeft het hof het volgende met betrekking tot het bewijs overwogen:
“Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 en 3 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Ten aanzien van feit 2 overweegt het hof daartoe als volgt.
Uit het dossier blijkt uit een (ander) lopend onderzoek van de politie dat verdachte gebruik maakt van het telefoonnummer 06-[telefoonnummer]. Dit heeft verdachte tijdens het verhoor bij de politie ook bevestigd. De politie heeft in de periode van 24 maart 2016 tot en met 14 juni 2016 telefoongesprekken van verdachte afgeluisterd. In die gesprekken wordt gesproken over een middel. Termen als ‘het spul is zwak’, de mensen vinden het niet zo sterk’, ‘de mensen vinden het lekker’, ‘het is nog nat hé? ik ga het drogen’, ‘het is crèmekleurig’, ‘een soort meel met witte stukjes’, ‘de mannen hebben het klote gekookt’, komen daar naar voren. Termen, die passen bij cocaïne en niet bij hasj, zoals verdachte ter zitting in hoger beroep zegt. Uit de tapgesprekken is ook af te leiden dat het middel, waar om het gaat, kennelijk wordt bewerkt, gewassen, gedroogd en gemengd. Iets dat past bij cocaïne en niet bij hasj.
Verder is een grote hoeveelheid fenacetine gevonden bij verdachte. Van fenacetine is bekend dat het geen legale toepassing heeft in Nederland, maar gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor cocaïne.
Daarnaast is op Schiphol een vrouw aangehouden, getuige [betrokkene 1], die in het bezit was een koffer met in cocaïne gedrenkte kleding en vertelde dat zij in verband met de cocaïne die ze bij zich had, op Schiphol contact moest opnemen met het nummer 06-[telefoonnummer], het nummer van verdachte. Deze persoon zou de cocaïne van haar overnemen.
Al deze omstandigheden leiden tot 's hofs oordeel dat verdachte niet in hasj handelde zoals hij ter terechtzitting van het hof heeft verklaard, maar dat het in de tapgesprekken ging om cocaïne.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er bij verdachte geen cocaïne is aangetroffen, merkt het hof op dat er ook geen hasj bij verdachte is aangetroffen.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof dat hij destijds iemands nichtje moest ophalen bij Schiphol, en dat hij van niets wist, acht het hof niet aannemelijk, mede omdat verdachte dit niet eerder heeft verklaard en niets verklaart waarmee die bewering kan worden geverifieerd.
Gelet op het bovenstaande is naar oordeel van het hof vast komen te staan dat verdachte in de periode 3 maart 2016 tot en met 27 juni 2016 in Breda meermalen cocaïne heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt. In de tapgesprekken zijn aanwijzingen te vinden dat de cocaïne ook werd verhandeld, aangezien in de gesprekken wordt gesproken over wat de mensen van het middel vinden, maar het hof zal verdachte daarvan vrijspreken, omdat voor dat onderdeel onvoldoende concreet bewijs is.
Naar het oordeel van het hof is echter niet komen vast te staan dat verdachte het ten laste gelegde feit in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft begaan, zodat zij verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.”
Het verweer van de verdediging
7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2022 heeft de raadsman van de verdachte overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende naar voren gebracht:
“[…]
Ad feit 2
Onder feit 2 primair wordt voorts opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder b van de Opiumwet gegeven verbod te laste gelegd. Het rijtje wat daarbij hoort, houdt u tegoed. […].
Ook ten aanzien van het overige zoals hiervoor is benoemd dient te worden vrijgesproken. Mijn voorganger wees in eerste aanleg terecht op de wel zeer beperkte mogelijke bewijsmiddelen. En die beperktheid zie je terug in de bewijsconstructie van de rechtbank. Welbeschouwd is er niet zoveel te zien aan de bewijsconstructie. Taps met de nodige impliciete en onduidelijke teksten worden in samenhang met wat de rechtbank ambtshalve bekend is over de handel in verdovende middelen als kapstok voor de bewijsconstructie gebruikt. Ook het gegeven dat cliënt in zijn eigen woning werd aangehouden, dient volgens de rechtbank als bewijs (??).
Vervolgens volgt op het enkele bewijsmiddel - de taps - de opmerking dat cliënt geen geloofwaardige verklaring heeft afgelegd over eén alternatieve lezing van de taps. That’s it!
Vz, ik gaf eerder aan terug te komen op de informatie-armoede in deze zaak. Opvallend is het gemak waarmee de rechtbank de verklaringen die cliënt heeft gegeven daarbij als kennelijk leugenachtig aanmerkt, zonder maar enig moment stil te staan bij de beperktheid van de vermeende bewijsmiddelen.
Er wordt vastgesteld dat cliënt over de tap is gegaan en stelt daarbij vast dat hij daarbij de Opiumwet heeft overtreden over een periode van bijna 4 maanden. Bij het binnentreden worden echter geen contanten, geen drugs, geen weegschaaltjes of andere drugsgerelateerde zaken aangetroffen. Alleen de fenacetine. Maar dat ziet volgens zowel de ovj als de rechtbank op feit 3. Voor de rest niets.
Waar het op neer komt is dat de rechtbank op basis van onduidelijke, slecht vertaalde tapgesprekken over een periode van bijna 4 maanden veroordeelt. Geen afnemer, geen leverancier, niets wordt er verder gebruikt bij de bewijsconstructie. Das logisch. Er is immers niets anders.
De verdediging meent dat het door de rechtbank genoemde bewijs niet als redengevend kan worden aangemerkt. Daarvoor is het gewoonweg te vaag, te impliciet en onduidelijk. Bovendien zouden de tapgesprekken volgens cliënt hier en daar ook nog slecht zijn vertaald.
Kortom, Vrijspraak voor zowel het primaire als het subsidiair onder 2 tll.”
De bespreking van het middel
8. De drie deelklachten in het middel luiden als volgt:
(i) het bewezenverklaarde ‘bereiden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne’ kan niet uit de bewijsmiddelen volgen, althans deze bewezenverklaring is onvoldoende met redenen omkleed;
(ii) het hof heeft de als bewijsmiddel 3 gebruikte verklaring van de verdachte gedenatureerd;
(iii) het hof heeft een verklaring van de verdachte enerzijds voor het bewijs gebezigd (bewijsmiddel 3), maar anderzijds als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De eerste deelklacht (i)
9. De in de verbodsbepaling van art. 2 aanhef en onder B van de Opiumwet genoemde begrippen ‘bereiden, bewerken en verwerken’ – van de bij lijst I van de Opiumwet aangewezen middelen – sluiten wat betreft de invulling en betekenis ervan dicht bij elkaar aan. Nu een specifieke betekenis ervan in de tekst van de Opiumwet en de bij die wet behorende wetsgeschiedenis ontbreekt, wordt in elk geval het begrip ‘bewerken’ de betekenis toegekend die daaraan in het normale spraakgebruik wordt verleend.1.Hetzelfde kan, meen ik, worden gezegd voor ‘bereiden’ en ‘verwerken’.
10. Het hof heeft vastgesteld dat op Schiphol een vrouw is aangehouden met een koffer waarin zich in cocaïne gedrenkte kleding bevond. De vrouw was geïnstrueerd dat zij bij aankomst op Schiphol een telefoonnummer moest bellen van een persoon die de cocaïne ter plekke van haar zou overnemen. Dit nummer blijkt het telefoonnummer van de verdachte te zijn. Voorts heeft het hof op basis van tapgesprekken van de verdachte (bewijsmiddel 6) vastgesteld dat de verdachte met derden praat over een ‘middel’ in termen als “‘het spul is zwak’, de mensen vinden het niet zo sterk’, ‘de mensen vinden het lekker’, ‘het is nog nat hé? ik ga het drogen’, ‘het is crèmekleurig’, ‘een soort meel met witte stukjes’, ‘de mannen hebben het klote gekookt’”. Het hof leidt hieruit af dat het betreffende ‘middel’ kennelijk wordt bewerkt, gewassen, gedroogd en gemengd. Op grond van onder meer deze vaststellingen en omdat de door de verdachte gebezigde termen met betrekking tot het ‘middel’ “passen bij cocaïne en niet bij hasj”, komt het hof tot het oordeel dat dit middel cocaïne betreft en dat het tevens de verdachte is die deze cocaïne heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt.
11. Dat oordeel acht ik tegen de achtergrond van het in randnummer 9 vooropgestelde en hetgeen door de verdediging ter zake is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte blijkens een tapgesprek van 3 mei 2016 in reactie op een klacht van een persoon over ‘het spul’ (ik, A-G, begrijp met het hof: de cocaïne) heeft aangegeven dat die persoon “hierheen” kan komen, “omdat wij dat ding (ik, A-G, begrijp: de cocaïne) kunnen herstellen (verbeteren)”. Voorts blijkt uit een tapgesprek van 11 mei 2016 dat de verdachte dat “ding (spul) al een paar dagen [heeft], maar dat hij het “goed gewikkeld en ingepakt [heeft].”, waarbij de verdachte vervolgens in datzelfde tapgesprek aan een derde te kennen geeft dat hij het ding (spul) dat ‘kletsnat’ is, zal drogen. In weerwil van hetgeen de stellers van het middel aanvoeren, blijkt wat mij betreft genoegzaam uit de bewijsvoering van het hof dat de bewezenverklaarde handelingen2.betrekking hebben op cocaïne en dat het de verdachte is geweest die deze handelingen heeft uitgevoerd.
12. Overigens zij opgemerkt dat mijns inziens het hof voor het bewijs van het onder feit 2 primair tenlastegelegde ook nog de voor het bewijs van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen had kunnen betrekken. Uit die bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de verdachte op 27 juni 2016 te Breda 650 gram fenacetine voorhanden had, een middel dat bestemd is voor het versnijden van cocaïne. Daarover heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 24 juni 2022 (onder meer) verklaard: “De 650 gram fenacetine was in de schuur gevonden. […]. Ik wist niet waarom ik het had gekocht. Ik rookte toen soms wiet met een beetje cocaïne en iemand zei dat ik de cocaïne met fenacetine kon mengen […]”. Daarover heeft het hof in het bestreden arrest onder het kopje “Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde” overwogen: “Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat de fenacetine voor eigen gebruik was. Gelet op de grote hoeveelheid van het middel, acht het hof dat niet aannemelijk. Het is ook niet aannemelijk dat verdachte – als hij zelf voor eigen gebruik cocaïne zou hebben gekocht, hij dan onversneden cocaïne kocht, die hij dan zelf vermengde met fenacetine. Bovendien wordt in de tapgesprekken gesproken over vermengen en bewerken van het spul, dat verdachte kennelijk bewerkte. Het lijkt aannemelijk dat de fenacetine daarvoor werd gebruikt.” Deze overweging zou zeker ook redengevend kunnen zijn voor het bewijs van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
13. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
De tweede deelklacht (ii)
14. Deze deelklacht houdt in dat het hof bij de bewijsvoering de als bewijsmiddel 3 opgenomen verklaring van de verdachte heeft gedenatureerd. In de toelichting op het middel wordt de deelklacht nader uitgewerkt: het hof zou een deel van die verklaring op een manier hebben weergegeven die niet overeenkomt met de inhoud van de verklaring van de verdachte zoals afgelegd tijdens de terechtzitting van 24 juni 2022, waardoor dat deel van die verklaring een (wezenlijk) andere betekenis heeft gekregen.
15. Vooropgesteld moet worden dat de rechter vrij is in de selectie van het bewijsmateriaal waarop hij de bewezenverklaring baseert.3.Gelet op deze vrijheid mag de rechter datgene terzijde stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht en mag hij een gedeelte van de (in een proces-verbaal vervatte) verklaring tot het bewijs bezigen en het andere gedeelte ter zijde stellen.4.De vrijheid van de rechter tot een dergelijke splitsing van de verklaring vindt haar begrenzing in het verbod tot denatureren. Dat laatste is het geval wanneer het tot het bewijs gebezigde onderdeel van een verklaring een wezenlijk andere betekenis krijgt dan de verdachte kennelijk daaraan heeft bedoeld te geven.5.Of sprake is van denaturering van de verklaring hangt af van de omstandigheden van het concrete geval.
16. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van het hof van 24 juni 2022 heeft afgelegd, houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“Het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnummer] is mijn telefoonnummer. Ik wist niet dat de kleding met cocaïne was doordrenkt. Mij werd gevraagd om iemands nichtje op te halen. Ik ging naar de luchthaven Schiphol, maar er was niemand. Ik kende de persoon wiens nichtje ik moest ophalen van de straat en ik weet niet zijn voor- of achternaam. Ik zou niet voor iedereen een familielid ophalen, maar ik kom van Curaçao en van sommige mensen daar ken je hun naam en anderen hebben een bijnaam. De jongen die mij had gevraagd om zijn nichtje op te halen, kwam van Curaçao en ik noemde hem [betrokkene 7]. Ik kan me niet herinneren waar ik met [betrokkene 7] had gesproken, het was een vriendendienst. Ik had zijn nichtje nooit gezien en kende haar niet en ik heb daarna nooit meer contact met [betrokkene 7] gehad. Ik zag alleen dat zijn nichtje niet was aangekomen. Daarna heb ik niets meer gehoord. Ik was die dag wel naar Schiphol gegaan en heb ongeveer een uur of anderhalf uur op haar gewacht. Ik wist dat ze met KLM vanuit Curaçao hier zou aankomen. Ik had in de wachtruimte op haar gewacht en toen er geen mensen meer uit de deur kwamen, ben ik weer weggegaan. Ze zou mij bellen als ze was gearriveerd. […]. U, voorzitter, houdt de tapgesprekken voor waarin werd gezegd dat ze het spul niets vinden en het terugbrengen. Dat ging om uitgedroogde hasj dat niet meer goed was. Fresh fresh betekent dat het nieuw is binnengekomen.
[…]
De 650 gram fenacetine was in de schuur gevonden. Het zat helemaal onder de spinnenwebben en lag daar al jaren. Toentertijd verkochten ze dat gewoon in de winkel. Ik heb het bij de sigarenwinkel gekocht. Dat was in 2006 of 2008 of zoiets. Ik deed daar niets mee. Ik wist niet waarom ik het had gekocht. Ik rookte toen soms wiet met een beetje cocaïne en iemand zei dat ik de cocaïne met fenacetine kon mengen, zodat ik er minder last van had en het minder sterk was.”
17. In bewijsmiddel 3 is deze verklaring van de verdachte als volgt door het hof weergegeven:
“Het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnummer] is mijn telefoonnummer. Ik ging naar de luchthaven Schiphol. Mij werd gevraagd om iemands nichtje op te halen. Ze zou mij bellen als ze was gearriveerd.
U, voorzitter, houdt de tapgesprekken voor waarin werd gezegd dat ze het spul niets vinden en het terugbrengen. Fresh fresh betekent dat het nieuw is binnengekomen. De 650 gram fenacetine was in de schuur gevonden. Iemand zei dat ik de cocaïne met fenacetine kon mengen.”
18. De stellers van het middel doelen in hun betoog op de volgende onderdelen van de verklaring van de verdachte: 1) “Fresh fresh betekent dat het nieuw is binnengekomen.” en 2) “Iemand zei dat ik de cocaïne met fenacetine kon mengen.” Aangevoerd wordt dat blijkens de zin ervoor “Dat ging om uitgedroogde hasj dat niet meer goed was” de woorden “fresh fresh” op hasj slaat. Ik begrijp de stellers van het middel aldus, dat deze uitlating van de verdachte als gevolg van het weglaten van de bedoelde zinsnede een andere betekenis heeft gekregen in het licht van de tenlastelegging en de context van de zaak. Over de onder 2) weergegeven passage wordt door de stellers van het middel louter opgemerkt – dus zonder enige nadere onderbouwing– dat dit onderdeel van de verklaring een tussenzin zou zijn die het hof ten onrechte als een op zichzelf staande zin heeft gebruikt door deze te laten aanvangen met een hoofdletter en te laten eindigen met een punt.
19. Hierover kan ik kort zijn. Van de gestelde denaturering van de verklaring van de verdachte is geen sprake. Op zichzelf is juist dat het onder 2) weergegeven onderdeel niet letterlijk en, door weglating van andere zinsdelen (die het hof kennelijk niet bruikbaar achtte voor het bewijs) en door de gebruikmaking van een hoofdletter en een punt, niet volledig overeenkomt met de in het proces-verbaal van de terechtzitting gerelateerde verklaring, maar dat maakt in dit geval nog niet dat de betekenis wezenlijk is veranderd. Dat geldt evenzo voor de onder 1) weergegeven opmerking van de verdachte. Daarmee geeft de verdachte slechts een uitleg van de betekenis van ‘fresh fresh’ in relatie tot het ‘nieuw binnenkomen’ en niet tot een specifiek verdovend middel. De weglating van de zin ervoor maakt dat niet anders, zodat de verklaring van de verdachte als weergegeven in bewijsmiddel 3 daardoor geen wezenlijk andere betekenis heeft gekregen.
De derde deelklacht (iii)
20. Volgens de derde deelklacht is de redenering van het hof als gevolg van een innerlijke tegenstrijdigheid onbegrijpelijk, nu het hof enerzijds oordeelt dat de verklaring van de verdachte dat hij iemands nichtje van Schiphol zou ophalen niet aannemelijk is, terwijl het hof anderzijds deze verklaring van de verdachte wel in bewijsmiddel 3 tot het bewijs bezigt.
21. Daarmee hebben de stellers van het middel een punt. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden. Ook met weglating van dit specifieke onderdeel over het nichtje uit bewijsmiddel 3, blijft de bewijsvoering van het hof houdbaar voor het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde.
22. Het middel faalt in alle onderdelen.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
23. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
24. Namens de verdachte is op 14 juli 2022 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 juni 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen gelet op het arrest van HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.3)6.betekent dat de inzendtermijn zodanig is overschreden dat dit volgens de gebruikelijke maatstaf tot strafvermindering moet leiden.
25. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
26. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2024
Ik merk daarbij op dat, gelet op de context van de tenlastelegging en het gebruik van het “en/of”, het daarbij om alternatief geformuleerde onderdelen gaat. Dat houdt in dat de rechter daarvan niet hoeft vrij te spreken zolang de keuze tussen de alternatieven voor de strafrechtelijke betekenis van het feit geen betekenis heeft. Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 686: “Ook onderdelen van tenlasteleggingen kunnen samengesteld zijn. De verdachte kan bijvoorbeeld worden verweten dat hij het slachtoffer met een hamer en een bijl heeft bewerkt (cumulatief), met een hamer, althans een bijl, althans een hard voorwerp (primair-subsidiair-meer subsidiair), dan wel met een hamer of een bijl (alternatief).”
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 249 (par. 5.3.2).
Aldus reeds HR 20 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:28, NJ 1945/589 en HR 25 oktober 1949, ECLI:NL:HR:1949:38, NJ 1950/127, m.nt. Röling.
Van Dorst & Borgers (2022), a.w., p. 249 (par. 5.3.2) en in die zin ook Corstens/Borgers & Kooijmans, a.w., p. 809 (par. XVI.4) en 909 (par. XVI.17). Zie voorts: HR 8 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC0551, NJ 1992/156; HR 23 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3664; HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5543; en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377.
Zie ook HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558, NJ 2019/82, m.nt. Mevis.