HR, 22-04-2025, nr. 22/04612
ECLI:NL:HR:2025:633
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
22/04612
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:633, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3798
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:128
ECLI:NL:PHR:2025:128, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:633
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen afpersing (art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Redelijke termijn in hoger beroep. Heeft hof beslist op het door verdediging gevoerde verweer dat redelijke termijn in h.b. is overschreden? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04572.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04612
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 december 2022, nummer 23-000617-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 26 maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 25 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. (Eendaadse samenloop) diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen (art. 312 Sr) en afpersing door twee of meer verenigde personen (art. 317 Sr). Falende klacht inhoudende dat hof niet heeft gerespondeerd op verweer dat redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 22/04572.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04612
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 6 december 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "de eendaadse samenloop van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot 26 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft de vordering van de [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 maanden.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/04572. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het door de verdediging gevoerde verweer, dat de redelijke termijn in hoger beroep overschreden.
4.1
De raadsman heeft op de ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2022 het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Onderaan de pleitnota bevindt zich een handgeschreven toevoeging. Deze toevoeging luidt als volgt: “Eis: GS, red. term. 26 m.”
4.2
Het hof heeft inzake de strafoplegging als volgt overwogen:
“De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte en zijn mededader zijn de woning van het slachtoffer binnengegaan toen hij even terug was gegaan naar zijn werk om boodschappen op te halen. Ze waren al in de woning van het slachtoffer toen hij weer thuis kwam. Het slachtoffer werd bedreigd met messen en moest op de grond gaan liggen, terwijl hem verschillende van zijn eigendommen werden afgenomen.
Dergelijke strafbare feiten zijn uitermate traumatiserend voor slachtoffers. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader het gevoel van veiligheid van het slachtoffer in zijn eigen woning ernstig aangetast. Gezien de ernst van dit feit komt een andere dan een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur niet in aanmerking.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden passend en geboden.”
4.3
Ik betwijfel of de handgeschreven toevoeging als verweer aangemerkt dient te worden. Het woord “Eis” waarmee de toevoeging aanvangt doet vermoeden dat de toevoeging slechts een weergave is van de eis van de advocaat-generaal. Het requisitoir versterkt dat vermoeden. Het requisitoir houdt inzake de redelijke termijn het volgende in: “Redelijke termijn in hoger beroep: 25 feb 2020 is HB ingesteld. Redelijke termijn in HB met 9 maanden geschonden, terwijl geen sprake is van ingewikkeldheid onderzoek of aan verdachte te wijten. Strafmaat” en “Strafeis […] art 63 – redelijke termijn GS 26 mnd m.a. + toew. TUL”. Voor zover de handgeschreven toevoeging van de raadsman wel als een verweer is aan te merken, is het hof bij de strafoplegging niet van het verweer afgeweken. Het hof heeft, in lijn met de toevoeging, een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden opgelegd. Hoe het ook zij, het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
4.4
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 december 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG