HR, 10-04-2012, nr. S 11/05411 H
ECLI:NL:HR:2012:BW1350
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
10-04-2012
- Zaaknummer
S 11/05411 H
- LJN
BW1350
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BW1350, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 10‑04‑2012; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑12‑2011
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2012
10 april 2012
Strafkamer
nr. S 11/05411 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 april 2008, nummer 24/000740-05, ingediend door mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 21 maart 2005 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van het doen overtreden van artikel 48 van de Douanewet, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot betaling van een geldboete van € 40.000,-, subsidiair 230 dagen hechtenis. De Hoge Raad heeft bij arrest van 5 juli 2011 de opgelegde geldboete en de vervangende hechtenis in verband met de overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 37.500,-, subsidiair 217 dagen hechtenis en het beroep voor het overige verworpen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. Immers, de omstandigheid dat de Belastingdienst de bezwaren tegen de uitnodigingen tot betaling (UTB) gegrond heeft verklaard en de aanvrager "niet langer als schuldenaar voor wat betreft de eerder genoemde UTB's" aanmerkt omdat deze uitnodigingen buiten de termijn zijn uitgereikt, tast de veroordeling van de aanvrager voor - kort gezegd - het medeplegen van het (laten) doen van onjuiste aangiften niet aan, nog ervan afgezien dat het verband tussen die aangiften en de UTB's niet uit de aanvrage of anderszins is gebleken. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 10 april 2012.
Beroepschrift 06‑12‑2011
Geeft te kennen:
[verzoeker], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats], heeft te dezer zake in zijn hoedanigheid van requirant tot herziening bijzonderlijk gemachtigd Mr E.J.W.F. Deen, advocaat te 's‑Gravenhage om namens hem aan uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van herziening van de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarende van 18 april 2008, kernmerk 24/000740-05 waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van € 40.000,-- (veertigduizend euro) welke boete bij uitspraak van uw Raad van 5 juli 2011 onder nummer S09/00465 is teruggebracht tot € 37.500,-- (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) met een vervangende hechtenis van 217 dagen.
Inleiding:
Kern van de veroordeling betreft de overtreding van art.48 Douanewet hierin bestaande dat [verzoeker] wordt verweten te zamen met medeverdachten door middel van het aandragen van onjuiste gegevens opzettelijk te hebben bewerkstelligd dat de douane-expediteurs onjuiste aangiften hebben gedaan, en zodoende het strafbare feit hebben gepleegd van het opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen als bedoeld in art 48, eerste lid, aanhef en onder a, juncto lid 3, van de Douanewet.
Vervolgens rijst de vraag of de verdachte genoemd feit kan plegen indien hij achteraf beschouwd niet als schuldenaar in de zin van de Douanewet kan worden aangemerkt.
Art.48 Douanewet veronderstelt dat diegene die ingevolge die wettelijke bepalingen de vereiste aangifte moet doen schuldenaar is in de zin van die wet.
Immers alleen de schuldenaar is verplicht tot het doen van juiste en volledige aangifte (art.48 lid 1 Douanewet) als bedoeld in de Douanewet.
Lid 2 van genoemde wet bedreigt de schuldenaar indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven met een gevangenisstraf voor ten hoogste 4 jaren of geldboete van de 4e categorie of ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten indien dat een hoger beroep oplevert.
Lid 3 bedreigt de schuldenaar welke de in lid 1 onderdeel a of b onder 3e omschreven feiten van genoemde wet begaat met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie of het bedrag van de te weinig geheven rechten indien dat bedrag hoger is.
Gelet op het vorenstaande brengt redelijke uitleg van genoemde wettelijke bepalingen mede dat in art 48 Douanewet onder ‘degene die’ wordt verstaan de schuldenaar.
(prod. 1)
In de uitspraak van 24.11.2008 kenmerk 05/352/37439/143 is door de Belastingdienst Douane Noord kantoor Nijmegen beslist dat de aldaar genoemde U.T.B.'s gelet op artikel 221, lid 4 CDW en artikel 22e, lid1 van de AWR ten onrechte buiten de 3 jaarstermijn de douaneschuld is geboekt en medegedeeld aan belanghebbende.
(prod.2)
In de uitspraak op 10.02.2009 kenmerk 05/352/37460/143 is beslist op het bezwaar tegen U.T.B. nummer 352153 E (prod.3) in die zin dat ten onrechte buiten de 3 jaarstermijn de douane schuld is geboekt en medegedeeld aan belanghebbende.
Beide beslissingen hebben als resultaat dat de belanghebbende niet kan worden aangemerkt als schuldenaar van de in genoemde beslissingen genoemde U.T.B.'s..
Derhalve nu genoemde U.T.B.'s allen betrekking hebben op de onder 1 van de tenlastelegging genoemde douane documenten, [verzoeker] niet als schuldenaar in de zin van de Douanewet kan worden beschouwd, gelet op de genoemde onherroepelijke uitspraken van de Belastingdienst.
Herzieningsgrond
Er is sprake van een novum omdat [verzoeker] (requirant) in de strafprocedure als schuldenaar is beschouwd en hij als zodanig de Douanewet heeft overtreden.
Eerst na de uitspraken van de Belastingdienst in 2008 en 2009 is komen vast te staan dat [verzoeker] niet geacht kan worden schuldenaar te zijn geweest zodat de rechtsgrond waarop op grond van de Douanewet veroordeling heeft plaatsgevonden geacht kan worden te zijn vervallen. Met als gevolg dat ware de Rechter bekend geweest met genoemde omstandigheid geen veroordeling zou hebben plaatsgevonden.
Op grond van het vorenstaande moge het uw Edelhoogachtbaar College behagen om gemelde beslissing van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 april 2008( kenmerk 24/000740-05) te herzien met zodanige verdere uitspraak, als aan uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Advocaat