HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, r.o. 4.3.2 en 4.3.3 (“onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming”).
HR, 03-06-2025, nr. 23/02428
ECLI:NL:HR:2025:842
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-06-2025
- Zaaknummer
23/02428
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:842, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:175
ECLI:NL:PHR:2025:175, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:842
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑01‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0197
JIN 2025/91 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 03‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandelen van 1 van zijn honden (pup), waardoor deze pijn en letsel oploopt (art. 2.1.1 Wet dieren) en het onthouden van nodige verzorging aan zijn honden (art. 2.2.8 Wet dieren). Toelaatbaarheid bijzondere voorwaarde m.b.t. het meewerken aan controles door politie, art. 14c.2.14 Sr. Hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat veroordeelde meewerkt aan controles door politie, waarbij die controles erop zijn gericht of veroordeelde zich houdt aan andere gedragsvoorwaarde, namelijk dat hij geen honden houdt of laat houden. Het gaat bij deze bijzondere voorwaarde dat veroordeelde meewerkt aan controles door politie, dus om gedragsvoorwaarde die gedraging van veroordeelde betreft en die ertoe strekt toezicht op andere door rechter o.g.v. art. 14c.2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Voor zo’n gedragsvoorwaarde geldt onder meer dat het moet gaan om voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift dat niet verder mag strekken dan voor toezicht op naleving van andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is (vgl. HR:2025:119). Door hof gestelde bijzondere voorwaarde dat veroordeelde meewerkt aan “controles” door politie voldoet niet hieraan, nu niet blijkt in welke vorm en met welke frequentie politie uitvoering mag geven aan controles waaraan veroordeelde medewerking moet verlenen. Volgt vernietiging v.zv. hof de bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat veroordeelde meewerkt aan controles door politie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02428
Datum 3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2023, nummer 21-001278-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.C.H. Pronk bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarden dat “de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders” en “de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde die betrekking heeft op het meewerken aan controles door de politie.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor het “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren” en het “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken, met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden:
“Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie.”
2.2.2
Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van één van zijn honden (een pup), waardoor het pijn en letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige verzorging aan zijn honden. De verdachte heeft hiermee de op hem, als houder van die dieren, rustende verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn honden miskend. Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daar ook verantwoordelijkheid voor. Dieren zijn machteloos en zijn afhankelijk van hun verzorger.
(...)
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof ziet eveneens aanleiding om te bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd geen honden mag houden. Het hof zal de door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarde daarom opnieuw aan de voorwaardelijke straf verbinden.”
2.3
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14°. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:(...)b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
2.4
Het hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde meewerkt aan de controles door de politie, waarbij die controles erop zijn gericht of de veroordeelde zich houdt aan een andere gedragsvoorwaarde, namelijk dat hij geen honden houdt of laat houden. Het gaat bij deze bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan de controles door de politie, dus om een gedragsvoorwaarde die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Voor zo’n gedragsvoorwaarde geldt onder meer dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift dat niet verder mag strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:119.) De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan “de controles” door de politie voldoet niet hieraan, nu niet blijkt in welke vorm en met welke frequentie de politie uitvoering mag geven aan de controles waaraan de veroordeelde medewerking moet verlenen.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De Hoge Raad zal daarom de uitspraak van het hof vernietigen voor zover het hof de bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat de veroordeelde meewerkt aan de controles door de politie.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst daarvan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover het hof als bijzondere voorwaarde heeft gesteld “dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op bovengenoemde voorwaarde door de politie”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
Conclusie 11‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mishandeling hond, onthouding nodige verzorging aan zes honden en vernieling. Falend middel over motivering vrijheidsstraf. Slagend middel over bijzondere voorwaarde "dat de veroordeelde meewerkt aan de controles (...) door de politie". Conclusie strekt tot vernietiging van de bijzondere voorwaarden en tot verwerping voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02428
Zitting 11 maart 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens in de zaak met parketnummer 16-177668-21 onder 1 “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren”, in de zaak met parketnummer 16-177668-21 onder 2 “zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren” en in de zaak met parketnummer 16-325246-21 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarbij bijzondere voorwaarden gesteld. Daarnaast heeft het hof drie inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven honden verbeurdverklaard.
1.2
Namens de verdachte heeft J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel klaagt dat art. 359 lid 6 Sv is geschonden doordat het hof de oplegging van een gevangenisstraf niet specifiek heeft gemotiveerd.
2.2
Art. 359 lid 6 eerste volzin Sv luidt:
“Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid.”
2.3
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Volgens vaste rechtspraak is art. 359 lid 6 Sv alleen van toepassing bij de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.1.Het hof hoefde de oplegging dus niet op de voet van art. 359 lid 6 Sv nader te motiveren. Daaraan doet niet af dat, zoals in de schriftuur wordt gesteld, er een “objectiveerbaar hoger risico ten opzichte van het gemiddelde” is dat de verdachte een voorwaarde overtreedt en dan de gevangenisstraf moet ondergaan “omdat er sprake lijkt te zijn van iemand bij wie het geestelijk niet zo heel erg goed ging”.
2.4
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel klaagt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden in strijd zijn met art. 14c Sr en met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
3.2
De beslissing van het hof houdt onder meer in:
“Het hof:
[…]
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie.”
3.3
Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:
“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van één van zijn honden (een pup), waardoor het pijn en letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige verzorging aan zijn honden. De verdachte heeft hiermee de op hem, als houder van die dieren, rustende verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn honden miskend. Het houden van dieren is niet vrijblijvend. Wie dieren houdt, draagt daar ook verantwoordelijkheid voor. Dieren zijn machteloos en zijn afhankelijk van hun verzorger. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de rechthebbende.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 28 april 2023, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld ter zake van feiten strafbaar gesteld in de Wet dieren. Het hof heeft gezien dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vernieling. Daarbij merkt het hof echter op dat het gaat om een veroordeling uit 2010, waardoor het hof deze veroordeling niet heeft meegewogen bij de oplegging van de straf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof ziet eveneens aanleiding om te bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd geen honden mag houden. Het hof zal de door de rechtbank geformuleerde bijzondere voorwaarde daarom opnieuw aan de voorwaardelijke straf verbinden.”
3.4
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
[…]
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
[…]
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
[…]
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
“1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden die zijn gesteld bij:
[…]
4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd […].
3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht. […].”
3.5
De Hoge Raad heeft over de bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr en het toezicht daarop overwogen:
“2.3.2 Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr moet het gedrag van de veroordeelde betreffen (hierna ook: gedragsvoorwaarde). Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Onder ‘voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde’ moeten daarbij worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde. Bij ‘voorwaarden die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht’ gaat het om voorwaarden die een gedraging van de veroordeelde betreffen waartoe hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is, bijvoorbeeld jegens slachtoffers van het bewezenverklaarde feit. De gedragsvoorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de veroordeelde omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. (Vgl. HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807.)
2.3.3
Op grond van artikel 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet artikel 6:3:14 Sv in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van artikel 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. (Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403). Bij het stellen van zo’n gedragsvoorwaarde moet zijn gewaarborgd dat het toezicht niet leidt tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde. Daarbij komt betekenis toe aan de vraag met welke frequentie en hoe de controles van de gegevensdragers mogen worden uitgevoerd en welke (politie)functionarissen daarbij betrokken mogen zijn. (Vgl. HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248).”2.
3.6
Het hof heeft twee bijzondere voorwaarden gesteld, te weten dat (i) “de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders” en (ii) “de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”.
3.7
De steller van het middel voert ten aanzien van de eerste bijzondere voorwaarde aan dat de gedragsaanwijzing onbegrijpelijk ruim is geformuleerd, omdat niet duidelijk is wanneer sprake is van het houden van een hond door een ander, op een andere plaats, ergens anders. Deze voorwaarde zou de vraag oproepen of de verdachte nu niet op bezoek mag bij een hondenbezitter.
3.8
De klacht over de eerste bijzondere voorwaarde berust naar mijn oordeel op een verkeerde lezing daarvan en faalt daarmee. De gedragsvoorwaarde houdt in dat de verdachte zelf geen hond(en) mag houden en (kennelijk als eigenaar daarvan) deze hond(en) ook niet door een ander mag laten houden. Het hof lijkt daarmee te willen uitsluiten dat de verdachte gedurende de proeftijd, al dan niet tijdelijk, de beschikking krijgt over zijn honden. Ik lees in de bijzondere voorwaarde niet dat de veroordeelde niet op bezoek zou mogen gaan bij een hondenbezitter.
3.9
Ten aanzien van de tweede bijzondere voorwaarde voert de steller van het middel aan dat het toezicht op geen enkele manier is gespecificeerd of beperkt. De steller van het middel geeft als voorbeelden dat de politie daardoor (i) zonder verdenking of andere aanleiding, bijvoorbeeld midden in de nacht, bij de verdachte kan aanbellen en toegang kan eisen, bijvoorbeeld om te zien of er geen honden zijn, (ii) de verdachte kan vragen om, overal waar zij hem tegen komen, mee te gaan naar de woning en die te openen, zodat de politie kan zien dat daar geen honden zijn en (iii) de verdachte kan vragen zich te melden op het politiebureau.
3.10
De klacht over de tweede bijzondere voorwaarde, die inhoudt “dat de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”, is volgens mij gegrond. De gedragsvoorwaarde is immers volstrekt ongeclausuleerd en komt erop neer dat de verdachte zonder enige beperking moet meewerken aan controles door de politie. Uit de voorwaarde blijkt niet hoe vaak en op welke wijze de controles mogen worden uitgevoerd en hoe is gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte daarbij niet verdergaand dan nodig wordt beperkt.3.In zoverre slaagt het middel.
3.11
Ik heb mij vervolgens afgevraagd wat daarvan het gevolg moet zijn. Na vernietiging van de bijzondere voorwaarde die de verdachte tot medewerking aan politiecontroles verplicht, zou geen toezicht meer mogelijk zijn op de naleving van de bijzondere voorwaarde van het verbod tot het houden van honden. Ik zie dan twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is het vernietigen van de strafoplegging, zodat de rechter na terugwijzing opnieuw een houdverbod kan opleggen met daaraan verbonden toezicht.4.De tweede mogelijkheid is dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet door de twee bijzondere voorwaarden in onderlinge samenhang te bezien en – omdat het houdverbod toezicht vergt – deze allebei te vernietigen vanwege het slagen van de klacht over de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het toezicht. In dat geval hoeft geen terugwijzing te volgen.5.
3.12
Wat mij betreft, is in deze zaak dat laatste het meest doelmatig. De uitspraak in deze zaak in eerste aanleg, waarin dezelfde twee bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, is gedaan op 18 maart 2022. In die uitspraak zijn, net als in de uitspraak van het hof van 13 juni 2023, de in beslaggenomen en niet teruggeven honden van de verdachte verbeurdverklaard. In cassatie is niet over die verbeurdverklaring geklaagd, zodat deze met de uitspraak van de Hoge Raad onherroepelijk wordt. De verdachte is zijn honden dan al zo’n drie jaar kwijt en krijgt ze niet meer terug. Hij heeft bovendien – zo is in ieder geval door de verdediging naar voren gebracht – geen honden meer gehad ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg,6.de terechtzitting in hoger beroep,7.en de indiening van de cassatieschriftuur.8.Ik meen daarom dat het doel van de bijzondere voorwaarden al is behaald en dat het niet doelmatig is de hele strafoplegging te vernietigen en de zaak terug te wijzen. De Hoge Raad kan volstaan met het vernietigen van beide bijzondere voorwaarden.
3.13
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
4. Het derde middel
4.1
Het derde middel klaagt over de duur van de bijzondere voorwaarde van het verbod tot het houden van honden.
4.2
Omdat het tweede middel slaagt en in verband daarmee naar mijn oordeel ook deze bijzondere voorwaarde moet worden vernietigd, behoeft het derde middel geen bespreking.
5. Slotsom
5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt en de Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Het derde middel behoeft geen bespreking.
5.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarden dat “de veroordeelde geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders” en “de veroordeelde meewerkt aan de controles op de bovengenoemde voorwaarde door de politie”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑03‑2025
HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:119.
Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338, r.o. 4.3 en HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250 m.nt. J.M. ten Voorde, r.o. 2.6.
Zoals bijvoorbeeld het geval was in HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410 m.nt. N. Jörg; HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:248; HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338; HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250 m.nt. J.M. ten Voorde. Zie voor een zaak waarin het bevel tot reclasseringstoezicht op grond van art. 14c lid 6 Sr juist wel was gegeven HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, NJ 2023/364 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.3.3.
Zo vond de Hoge Raad terugwijzing kennelijk niet doelmatig in HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1196 (toestemming voor raadplegen referenten bij veroordeling voor diefstallen).
Proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank midden-Nederland van 22 december 2021, p. 1 (“U vraagt hoe het met mij gaat. Slecht. Ik mis mijn honden. […] Er is ook nog een vierde hond in beslag genomen”).
Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 mei 2023, p. 1 (“Verdachte wil heel graag zijn honden terug. Hij heeft nu geen honden”).
Cassatieschriftuur, p. 3 (“aangezien cliënt al sinds de uitspraak van de politierechter de drie honden niet meer terug heeft en zich aan het houdverbod heeft gehouden”) en p. 4 (“De politierechter heeft cliënt al op 18 maart 2022 veroordeeld tot het houdverbod. Al die tijd heeft cliënt zich daaraan gehouden, mede omdat de honden in beslag waren genomen. Cliënt zat ten tijde van die beslissing ook al zonder zijn honden”).
Beroepschrift 15‑01‑2024
Hoge Raad strafgriffie
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
per upload in portaal Hoge Raad
Cassatieschriftuur
Edelhoogachtbaar college,
De heer [verdachte] (verdachte, cliënt), requirant van cassatie, heeft zich tot mij gewend inzake het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juni 2023. Verdachte woont op het adres [adres], [postcode] [woonplaats]. Verdachte kiest voor deze aangelegenheid domicilie op mijn kantoor op het adres in het briefhoofd.
Verdachte heeft mij, mr. J.C.H. Pronk, advocaat, bepaaldelijk gevolmachtigd om deze cassatieschriftuur in te dienen en te ondertekenen.
Middel I
Het recht — in het bijzonder artikel 359, vijfde en zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof in het dictum van zijn arrest de verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf van vier weken, terwijl hij de strafoplegging op pagina 4 onder het kopje Oplegging van straf en/of maatregel motiveert met enkel een standaardtekst:
‘De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.’
en
‘Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden’,
terwijl in de rest van de tekst niets is opgenomen waarom toch juist gevangenisstraf noodzakelijk is en niet met een lichtere straf die niet de vrijheid beneemt, had kunnen worden volstaan, zulks ten onrechte en voorts onbegrijpelijk, aangezien het genoemde artikel de rechter op straffe van nietigheid verplicht om het opleggen van vrijheidsbeneming specifiek te motiveren.
Toelichting
Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Juist omdat er sprake lijkt te zijn van iemand bij wie het geestelijk niet zo heel erg goed ging, is er natuurlijk een objectiveerbaar hoger risico ten opzichte van het gemiddelde dat betrokkene een voorwaarde overtreedt en de gevangenisstraf dan daadwerkelijk zou moeten ondergaan. De verdediging vindt dat het niet aan afdoet dat de raadsvrouw volgens het proces-verbaal van de zitting gezegd zou hebben dat verdachte zich niet tegen de opgelegde gevangenisstraf zou verzetten. Ten eerste ontslaat dit het hof niet van de verplichting zoals genoemd in de wet. Ten tweede is het epitheton ‘zakelijk’ ten aanzien van de weergave in het p-v wel erg eufemistisch. Het komt de verdediging voor dat de raadsvrouw in hoger beroep heeft bedoeld te zeggen dat het cliënt meer om de verbeurdverklaring van de honden en het houdverbod te doen was, dan om de hoofdstraf.
Middel II
Het recht — in het bijzonder art. 8 EVRM, art. 10 Grondwet art. 14c, lid 2, onderdeel 14 en lid 3 Sr — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof als bijzondere voorwaarde een verbod heeft opgelegd dat verdachte ‘geen honden houdt of door (een) ander(en) laat houden, in en om zijn verblijfplaats, noch ergens anders, met daarbij als bijzondere de verplichting tot het meewerken ‘aan de controles van de politie op de bovengenoemde voorwaarde’, ten onrechte en voorts onbegrijpelijk gemotiveerd, aangezien deze voorwaarden in strijd zijn met het kader dat de Hoge Raad hiertoe heeft geschetst in zijn arrest ECLI:NL:HR:2021:1403. Als de rechter toezicht oplegt als bijzondere voorwaarde of onderdeel daarvan, dan moet de rechter volgens dit arrest een precies geformuleerd gedragsvoorschrift opstellen. Daarmee wordt gewaarborgd dat het gedragsvoorschrift niet verder strekt dan voor het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarde vereist is. Dat is in dit arrest niet het geval, om de volgende redenen:
- 1.
De gedragsaanwijzing is onbegrijpelijk ruim. Wanneer nu is sprake van het houden van een hond door een ander, op een andere plaats, ergens anders? Dit lijkt betrekking te hebben op iedereen die een hond heeft. Mag verdachte nu niet op bezoek bij een hondenbezitter?
- 2.
Het toezicht vindt dan plaats in de vorm van ‘controles door de politie’ maar is op geen enkele manier gespecificeerd of beperkt.
Daarmee zijn de bijzondere voorwaarden dus in strijd met art. 14c en met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Toelichting
Met deze bijzondere voorwaarde, zou de politie dus bijvoorbeeld:
- •
zonder verdenking of andere aanleiding, bijvoorbeeld midden in de nacht bij cliënt kunnen aanbellen en toegang kunnen eisen, bijvoorbeeld om te zien of er geen honden zijn;
- •
cliënt kunnen vragen om, overal waar zij hem tegen komen, mee te gaan naar de woning en die dan te openen, zodat de politie kan zien dat daar geen honden zijn;
- •
vragen om zich te melden op het politiebureau.
Het ontbreken van een punt aan het einde van de zin over de controles van de politie kan erop duiden dat het hof wel de intentie heeft gehad om dit toezicht te clausuleren.
Middel III
Het recht — in het bijzonder art. 14c, lid 2, onderdeel 14 Sr en 359, lid 2 en 5 — is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof als bijzondere voorwaarde een verbod tot het houden van honden heeft opgelegd voor de duur van twee jaar vanaf het moment dat de uitspraak onherroepelijk is, ten onrechte en voorts onbegrijpelijk gemotiveerd, aangezien cliënt al sinds de uitspraak van de politierechter de drie honden niet meer terug heeft en zich aan het houdverbod heeft gehouden, en daarmee al 15 van de 24 maanden van die proeftijd vervuld heeft, welke periode nog langer is geworden door de cassatieprocedure, zonder dat het hof ook maar één overweging heeft opgenomen waarom desondanks dan toch nog zo'n lang houdverbod aangewezen zou zijn. De duur van het houdverbod en de motivering daarvan zijn dus in strijd met artikel 359, althans niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.
Toelichting
Het is evident dat het niet goed ging met de puppy's. Maar het is ook evident dat het voor cliënt niet gemakkelijk is om door het leven te komen. Een hond kan hierbij een goede steun zijn. Een hond geeft immers liefde en is ook een dier om liefde aan te geven. Aangezien cliënt alle hulp van reclassering heeft aanvaard, zijn er genoeg redenen om aan te nemen dat cliënt zich óók laat begeleiden ten aanzien van het houden van een hond. Er was ook geen recidive. Het arrest motiveert echter niet waarom verbeurdverklaring van alle honden nodig is, en ook niet waarom cliënt nog steeds zo lang geen hond zou mogen hebben. De politierechter heeft cliënt al op 18 maart 2022 veroordeeld tot het houdverbod. Al die tijd heeft cliënt zich daaraan gehouden, mede omdat de honden in beslag waren genomen. Cliënt zat ten tijde van die beslissing ook al zonder zijn honden. Op 13 juni 2023 heeft het gerechtshof desondanks opnieuw een proeftijd van twee jaren opgelegd, inbegrepen het verbod op het houden van dieren gedurende die twee jaar. In essentie is het verbod op het houden van honden daardoor nog eens ongeveer 15 maanden langer geworden, oftewel een houdverbod van 162% langer. Die lange periode en dat er in de tussentijdse periode géén sprake lijkt te zijn van recidive — het arrest zou daar anders gewag van gemaakt hebben — hadden het hof tot de overweging moeten brengen om de proeftijd te verkorten, of op zijn minst tot enige uitleg waarom cliënt dan toch nog eens 15 maanden langer niet één hond zou mogen hebben.
Belang
Het belang in deze zaak is gelegen in het volgende.
Als het arrest in stand blijft, dan is aan verdachte zonder goede reden een (voorwaardelijke) vrijheidsstraf opgelegd, waaraan onduidelijke en te verstrekkende bijzondere voorwaarden gekoppeld zijn, terwijl het niet uit te sluiten valt dat er nog een hond aan hem teruggegeven wordt, waardoor hij misschien wel ongewild de bijzondere voorwaarde overtreedt. Daarnaast kan verdachte het voorwerp worden van veel te vergaand toezicht, die onnodige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer kunnen meebrengen.
Als de Hoge Raad het middel gegrond verklaart, valt een essentiële grond onder de aangevallen beslissing weg. Andere gronden kunnen de beslissing dan niet langer dragen.
Door de uitspraak mag cliënt ook niet één hond houden, terwijl dit voor hem wel heel heilzaam zou kunnen zijn. In een nieuwe procedure is er dan gelegenheid om de huidige persoonlijke omstandigheden van cliënt te betrekken, waardoor de uitkomst toch anders zou kunnen zijn.
Ondertekening
Hoogachtend,
mr. J.C.H. Pronk
advocaat