HR, 27-04-2012, nr. 11/03770
ECLI:NL:HR:2012:BV9606
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
27-04-2012
- Zaaknummer
11/03770
- Conclusie
mr. Wuisman
- LJN
BV9606
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BV9606, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑04‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9606
ECLI:NL:HR:2012:BV9606, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 27‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV9606
- Vindplaatsen
Conclusie 27‑04‑2012
mr. Wuisman
Partij(en)
Zaaknummer: 11/03770
mr. Wuisman
Roldatum: 16 maart 2012
CONCLUSIE inzake:
[De vrouw],
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt;
tegen
[De man],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Deze zaak betreft een geschil over kinderalimentatie.
- 1.
Voorgeschiedenis
- 1.1.
Eiseres tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) hebben tot november 2009 een affectieve relatie gehad, waaruit twee kinderen zijn geboren, de eerste in 2004 en de tweede in 2005. Na het uiteengaan van partijen wonen de kinderen bij de vrouw.
- 1.2.
De rechtbank te Amsterdam heeft na een daartoe strekkend verzoek van de vrouw in een procedure, waarin de man niet is verschenen, bij beschikking van 21 juli 2010 bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 350,- per maand per kind dient te betalen.
- 1.3.
De man is van de beschikking in hoger beroep gegaan bij het hof te Amsterdam. Hij verzoekt de beschikking van de rechtbank te vernietigen en het bedrag voor een bijdrage in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen op nihil te stellen, althans op een bedrag dat het hof in goede justitie vaststelt. Na een mondelinge behandeling op 17 januari 2011 heeft het hof bij beschikking van 17 mei 2011 de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de vrouw alsnog afgewezen.
- 1.4.
Bij een op 17 augustus 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is de vrouw in cassatie gekomen van de beschikking van de het hof. Het beroepschrift bevat klachten maar ook het voorbehoud van aanpassing dan wel aanvulling van het verzoekschrift na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 17 januari 2011. Van dit voorbehoud heeft de vrouw gebruik gemaakt door op 30 augustus een aanvullend verzoekschrift in te dienen. In dit verzoekschrift zijn de aanvankelijk aangevoerde klachten naar aanleiding van het inmiddels ontvangen proces-verbaal opnieuw geformuleerd. De man heeft verweer gevoerd naar aanleiding van het eerste en het aanvullende verzoekschrift.
- 2.
Bespreking van de cassatieklachten
- 2.1.
Zich beroepend op de volgende twee in het proces-verbaal opgenomen uitlatingen van de man zelf tijdens de terechtzitting bij het hof:
"€ 200,- per kind per maand vind ik redelijk. Als het beter gaat met mijn financiële situatie kan ik proberen meer te betalen"
en
"Ik wil maximaal € 200,- per kind per maand betalen"
wordt in de eerste plaats als klacht aangevoerd dat het hof nalaat op de uitlatingen te responderen, ten onrechte want de uitlatingen houden een wijziging van het petitum van de man in.
Als tweede klacht wordt aangevoerd dat, voor zover het hof in de uitlatingen van de man geen wijziging van het petitum heeft gelezen, het oordeel dat de man niet in staat is een bijdrage te betalen zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Uit de uitlatingen van de man kunnen immers geen andere gevolgtrekking worden gemaakt dan dat de man zijn verzoek tot nihilstelling heeft gewijzigd.
- 2.2.
Een expliciete verwijzing naar de uitlatingen van de man ter zitting van 17 januari 2011 treft men in de beschikking van het hof niet aan. Uit rov. 3.2 van de beschikking blijkt dat het hof bij het opstellen en uitspreken van de beschikking ervan is uitgegaan dat de man verzocht heeft om het verzoek van de vrouw af te wijzen, althans - dus subsidiair - een bijdrage te bepalen die het hof juist acht. Het hof heeft, zo volgt hieruit, kennelijk in de uitlatingen van de man tijdens de zitting van 17 januari 2011 geen wijziging van het verzoek van de man in zijn appelschrift gezien. Dit betreft een uitleg van de door de man in appel ingenomen proceshouding, een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
- 2.3.
De hierboven als eerste geciteerde uitlating van de man dient in een bredere context te worden gelezen. De man heeft blijkens het proces-verbaal gezegd:
"Ik woon alleen. De vrouw heeft beslag gelegd op mijn huis. De bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen kan ik niet betalen. Ik heb een paar maanden € 100 betaald van mijn spaargeld, maar dat is nu ook op. € 200,- per kind per maand vind ik redelijk. Als het beter gaat met mijn financiële situatie dan kan ik proberen meer te betalen."
In deze meer details bevattende uitlating van de man valt zeker geen wijziging van eis te lezen. De uitlating komt hierop neer dat de man een bijdrage van € 200,- per maand per kind op zichzelf wel redelijk zou vinden, maar dat hem de financiële middelen ontbreken om een dergelijke bijdrage te betalen. De even verder opgetekende uitlating van de man: "ik wil maximaal € 200,- per kind per maand betalen.", noopt niet om anders te oordelen. Van de context waarin de man dit gezegd heeft blijkt weliswaar niet, maar het lijkt onaannemelijk dat hij, gezien de eerdere meer uitgewerkte uitlating, uiteindelijk toch alsnog het aanbod heeft gedaan om € 200,- per kind per maand te gaan betalen. Bij een beschouwing in onderling verband van de uitlatingen van de man tijdens de terechtzitting op 17 januari 2011 kan niet worden gezegd dat het hof de proceshouding van de man in appel onbegrijpelijk heeft vastgesteld. De aangevoerde klachten stranden hierop.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak 27‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Vaststelling kinderalimentatie; geen wijziging petitum appelschrift door uitlatingen ter zitting.
Partij(en)
27 april 2012
Eerste Kamer
11/03770
EV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
de beschikking in de zaak 457791/10.3489 FA RK van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2010;
- b.
de beschikking in de zaak 200.075.529/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 mei 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft bij verweerschrift en aanvullend verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 april 2012.